Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:6700

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
08-08-2017
Datum publicatie
08-08-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 1197
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gegrond beroep van een bewoner van Hoofddorp-Noord over schadevergoeding in verband met de wijziging van het bestemmingplan “Schiphol-West en omgeving” waardoor de aanleg van de Polderbaan op Schiphol mogelijk is gemaakt. De bewoner ondervindt hinder van het grondgeluid dat wordt veroorzaakt door vliegtuigen die starten op de Polderbaan. Hij stelt dat daardoor sprake is van waardevermindering van zijn woning en agrarische gronden. De rechtbank is van oordeel dat de Besliscommissie van het Schadeschap Schiphol onvoldoende heeft onderbouwd of en in welke mate er sprake is van waardevermindering als gevolg van hinder door grondgeluid, die voor vergoeding in aanmerking komt.

Wetsverwijzingen
Gemeenschappelijke regeling Schadeschap Luchthaven Schiphol 1, geldigheid: 2015-06-20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 16/1197

uitspraak van de meervoudige kamer van 8 augustus 2017 in de zaak tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. drs. A.J.A. Overwater),

en

de besliscommissie van het Schadeschap luchthaven Schiphol, verweerder

(gemachtigde: mr.dr. B.J.P.G. Roozendaal en mr. O.M. te Rijdt).

Procesverloop

Bij besluit van 9 januari 2014 (het primaire besluit) heeft de besliscommissie van het Schadeschap luchthaven Schiphol, hierna: het Schadeschap, op het verzoek van eiser om toekenning van schadevergoeding op grond van de Gemeenschappelijke regeling Schadeschap Luchthaven Schiphol (de Regeling) een bedrag van € 121.670,00 aan eiser toegekend, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 22 april 2008.

Bij besluit van 2 februari 2016 (het bestreden besluit) heeft het Schadeschap het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Schadeschap heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser heeft een agrarisch bedrijf en is eigenaar van twee percelen landbouwgrond (graslanden) met enkele agrarische opstallen, aan de [adres 1] en van een perceel grond aan de [adres 2] , met daarop een vrijstaande woning. Eiser huurt voorts een tweede bedrijfslocatie, bestaande uit twee veeschuren, aan de [adres 3] .

2. Eiser heeft op 17 april 2008, ontvangen op 22 april 2008, bij het Schadeschap een verzoek ingediend om toekenning van schadevergoeding. Eiser stelt schade te hebben geleden als gevolg van de aanleg en ingebruikneming op 1 november 2003 van de nabij zijn percelen aan de IJweg gelegen Polderbaan.

3. Met het primaire besluit heeft het Schadeschap, onder verwijzing naar de adviezen van 25 februari en 14 oktober 2013, van de door haar ingeschakelde Adviescommissie Mulder, de aanvraag om toekenning van schadevergoeding toegewezen voor zover het betreft schade die eiser lijdt, omdat hij door de aanpassing van het lokale wegennet moet omrijden naar de tweede bedrijfslocatie. Het Schadeschap heeft deze zogeheten omrijschade begroot op een bedrag van € 121.670,00. Voor het overige heeft het Schadeschap het verzoek van eiser afgewezen. Het Schadeschap heeft in de bezwaren van eiser geen grond gezien het primaire besluit te herroepen en bij het bestreden besluit het bezwaar ongegrond verklaard.

4. Het beroep van eiser is uitsluitend gericht tegen het bestreden besluit voor zover geen schade is toegekend. De toegekende schadevergoeding wegens omrijschade vormt geen onderwerp van geschil. Eiser voert in beroep aan - zoals blijkt uit het beroepschrift en zoals ter zitting door hem is bevestigd - dat het Schadeschap hem ten onrechte geen schadevergoeding heeft toegekend voor door hem geleden schade door grondgeluid, door verschuiving van de geluidcontouren, alsmede door luchtverontreiniging. Daarbij stelt de rechtbank nog vast dat geen verzoek om nadeelcompensatie voorligt. Zoals eiser ter zitting desgevraagd heeft medegedeeld was de beroepsgrond, voor zover hierop betrekking hebbend, slechts zekerheidshalve aangevoerd.

5.1.

Eiser stelt schade te hebben geleden als gevolg van de ingebruikneming van de Polderbaan per 1 november 2003. Met name van het grondgeluid dat wordt veroorzaakt door startende vliegtuigen ondervindt hij hinder. Eiser voert in dat verband in beroep aan dat de door hem ondervonden overlast valt in de categorie ernstige overlast (7-12%), zodat de door hem geleden schade door grondgeluid derhalve dient te worden vastgesteld op 12% van taxatiewaarde van zijn woning per 1 november 2003.

5.2.

Het Schadeschap stelt zich op het standpunt dat mogelijke ten gevolge van grondgeluid ontstane schade kan worden toegerekend aan het bestemmingsplan “Schiphol-West en omgeving”, zijnde de besluitvorming waarmee de aanleg van de Polderbaan planologisch mogelijk is gemaakt. Dit bestemmingsplan is op 29 april 1999 in werking getreden. De Polderbaan is echter pas - na een proefperiode vanaf 1 februari 2003 - op

1 november 2003 in gebruik genomen. Vanaf dat moment heeft ook het grondgeluid - welk fenomeen onbekend was ten tijde van inwerkingtreding van het bestemmingsplan - zich feitelijk gemanifesteerd. De Adviescommissie Mulder hanteert dan ook bij de beoordeling van het verzoek om planschade als gevolg van grondgeluid door de Polderbaan als peildatum

1 november 2003, de datum van ingebruikneming van de Polderbaan. Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van hinder die voor vergoeding in aanmerking komt heeft het Schadeschap, zoals eerder door andere adviescommissies en in dit geval door de Adviescommissie Mulder geadviseerd, de zogeheten Vercammen 3-10% curve (hierna: Vercammen-35) gehanteerd.

Het Schadeschap stelt zich in navolging van de Adviescommissie Mulder evenwel op het standpunt dat in het geval van eiser geen sprake is van schade door grondgeluid van de Polderbaan. Het Schadeschap baseert zich daarbij op het rapport “Grondlawaai nabij Polderbaan, de 5e startbaan te Schiphol - (Laagfrequent) geluidonderzoek en beoordeling” van 11 februari 2013, uitgevoerd door ing. E. Goudriaan en J. Keizer van LBP Sight B.V. (LBP Sight). Voor dit onderzoek zijn, met bemande apparatuur, overdag geluidmetingen verricht op vier locaties aan de IJweg (nummers [nummers] ) op 27 maart 2012 en 4 april 2012. Er is gemeten bij noordoosten wind, onder reflectievrije condities (in het open veld) en op vijf meter hoogte, in het frequentiegebied tussen 6,3 Hz en 125 Hz. Daarbij is geconstateerd dat op [adres 4] , op een afstand van circa 125 meter van de woning van eiser, Vercammen-35 niet wordt overschreden.

Planvergelijking

6.1.

Eiser bestrijdt deze conclusie en voert aan dat het Schadeschap bij de planvergelijking dient uit te gaan van de meest ongunstige invulling van het nieuwe planologische regime. Dit houdt volgens eiser in dat in dit geval moet worden uitgegaan van een maximaal feitelijk gebruik van de Polderbaan. Nu in het bestemmingsplan geen restricties zijn opgenomen over het gebruik van de Polderbaan, moet - aldus eiser - rekening worden gehouden met gebruik van de Polderbaan door de meest overlastgevende vliegtuigen, gedurende een aaneengesloten periode van 24 uur. Voorts dient betrokken te worden de verwachting dat het aantal vliegbewegingen bij Schiphol fors blijft groeien. Nu van een dergelijke maximale invulling niet is uitgegaan had het Schadeschap zich niet mogen baseren op het advies van de Adviescommissie.

6.2.

Het Schadeschap stelt zich op het standpunt dat de meest nadelige invulling van het bestemmingsplan en daarmee van de gebruiksmogelijkheden van de Polderbaan werden en worden ingevuld door het Aanwijzingsbesluit 1996 en de Luchthavenverkeerbesluiten 2003/2004 en 2008. Voorts is het maximale gebruik in het bestemmingsplan weergegeven op bijlagen waarin op kaarten de geluidcontouren zijn ingetekend. Van een onbeperkt gebruik van de Polderbaan zonder restricties zoals eisers voorstaan, is derhalve geen sprake, aldus het Schadeschap.

Indien het aantal vliegbewegingen bij Schiphol in de toekomst toeneemt, dient hierin voorzien te worden in een in de toekomst vast te stellen Luchthavenverkeersbesluit. Eiser kan dan ten aanzien daarvan een verzoek om schadevergoeding ingevolge artikel 8.31 van de Wet luchtvaart indienen.

6.3.

De rechtbank stelt vast dat gelet op de restricties aan het gebruik van de Polderbaan die volgen uit de geluidcontouren bij het bestemmingsplan en de Luchthavenverkeerbesluiten 2003/2004 en 2008 niet kan worden staande gehouden dat de maximale gebruiksmogelijkheid geen beperking kent in aantallen vliegbewegingen, soort vliegtuigen en tijd. Een hiervan afwijkend gebruik zal zich op grond van deze besluiten niet kunnen voordoen. Het Schadeschap heeft zich in de planvergelijking bij de inschatting van de maximale gebruiksmogelijkheden van de Polderbaan dan ook in redelijkheid kunnen baseren op het in 2012 door LBP Sight gemeten feitelijk gebruik. Daarbij merkt de rechtbank op dat in het kader van de planvergelijking de peildatum van 1 november 2003 heeft te gelden als moment waarop de maximale gebruiksmogelijkheden moeten worden bepaald. Door metingen uit 2012 te hanteren, is eiser dan ook njet benadeeld. Niet aannemelijk is immers dat het gebruik van de Polderbaan in 2012 minder hinder door grondgeluid veroorzaakte dan in 2003. De beroepsgrond van eiser slaagt niet.

Vercammen-curve

7.1.

Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van waardevermindering als gevolg van hinder door grondgeluid die voor vergoeding in aanmerking komt, heeft het Schadeschap zich gebaseerd op het advies van de Adviescommissie Mulder. Zoals eerder aangegeven heeft de Adviescommissie hierbij gebruik gemaakt van Vercammen-35. Deze curve is een methode om de te verwachten hinder door laagfrequent geluid tot uitdrukking te brengen. Het bepaalt de grenswaarden van toelaatbare geluidsniveaus waarbij 3 tot 10% van de doorsnee bevolking hinder ondervindt. De Adviescommissie heeft aangenomen dat een overschrijding van Vercammen-35 leidt tot een dusdanige mate van hinder van laagfrequent geluid dat sprake is van substantieel planologisch nadeel als gevolg waarvan tot een vermindering van de waarde van de woning kan worden geconcludeerd. Zoals hierboven reeds is vermeld, is op [adres 4] , nabij de woning van eiser, geen overschrijding van deze curve geconstateerd.

7.2.

Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de Adviescommissie Mulder ten onrechte Vercammen-35 als maatstaf heeft gebruikt om te bepalen of zich een dusdanige hinder als gevolg van grondgeluid voordoet dat moet worden geconcludeerd tot een waardedaling van de woning van eiser. Volgens eiser had moeten worden getoetst aan de zogeheten NSG-curve of, omdat ook in de avond en nacht van de Polderbaan gebruikt wordt gemaakt, van de zogenaamde Vercammen 25 dBa curve (hierna: Vercammen-25).

7.3.

Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2396) dient een geobjectiveerde vergelijking te worden gemaakt tussen de planologische maatregel waarvan gesteld wordt dat deze schade heeft veroorzaakt en het voordien geldende planologische regime. Subjectieve elementen spelen daarbij geen rol. Dat betekent dat in dit geval grondgeluid objectief dient te worden geduid om te kunnen worden vergeleken in de oude en nieuwe planologische situatie. Gelet hierop en omdat de ervaring van grondgeluid een subjectief element is, heeft de Adviescommissie er terecht voor gekozen het grondgeluid te objectiveren teneinde de waardedaling van de woning te kunnen bepalen. De Adviescommissie heeft aangenomen dat de aanwezigheid van grondgeluid leidt tot een waardedaling van de woning als sprake is van (een bepaalde mate van) hinder door het grondgeluid. Dat standpunt acht de rechtbank niet onredelijk. Evenmin is onredelijk dat Vercammen-35 is gebruikt als maatstaf om te bepalen of sprake is van een dusdanige hinder dat geconcludeerd moet worden tot een waardedaling van de woning, omdat bij een overschrijding van deze curve 3 tot 10% van de doorsnee bevolking het geluid als hinderlijk ervaart. De NSG-curve en Vercammen-25 zijn voor de bedoelde beoordeling onvoldoende bruikbaar, omdat deze curven de gemiddelde gehoorgrens volgen. Overschrijding van deze laatste twee curven leidt ertoe dat laagfrequent geluid weliswaar hoorbaar is, maar dat hoeft nog niet te betekenen dat dit geluid ook als hinderlijk wordt ervaren. Niet gebleken is dat het daarbij uitmaakt of laagfrequent geluid in avond- of nachturen ervaren wordt. Bij overschrijding van Vercammen-35 wordt het grondgeluid door een niet heel geringe groep als hinderlijk ervaren. Daarmee is de omvang van deze hinder zodanig dat aannemelijk is dat overschrijding leidt tot een waardedaling van de woning. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat ook overschrijding van de NSG-curve en Vercammen-25 leidt tot een waardedaling van de woning. Het betoog van eiser slaagt niet.

Metingen LBP Sight

8.1.

Eiser heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat het rapport van LBP Sight en de daarop gebaseerde conclusies berusten op onvoldoende (zorgvuldig) onderzoek. In dat verband stelt hij onder meer dat LBP Sight ten onrechte is uitgegaan van in het vrije veld gemeten geluidsniveaus en er derhalve ten onrechte geen rekening is gehouden met bodem- en gevelreflectie. Voorts heeft LBP Sight geen rekening gehouden met de winterperiode, waarin meer hinder door grondgeluid plaatsvindt, is er niet altijd onder de juiste windcondities gemeten, is ten onrechte niet gemeten in 63 Hz en is geen rekening gehouden met het feit dat de woning van eiser geen geluidsisolatie heeft.

8.2.

LBP Sight heeft op 9 mei 2017 gereageerd op de door eiser aangevoerde punten. LBP Sight heeft in deze reactie laten weten dat de geluidmetingen inderdaad zijn uitgevoerd in het vrije veld. Indien echter de geluidmeting aan de nabijgelegen [adres 5] als referentie wordt genomen voor de woning van eiser aan de [adres 2] , kan worden geconstateerd dat indien rekening wordt gehouden met een 5 dB hoger geluidsniveau als gevolg van bodem- en gevelreflectie, Vercammen-35 zowel op 27 maart 2012 als op 4 april 2012 niet wordt overschreden. De waarden liggen in de 63 Hz band - waar de metingen het dichtst bij de normcurve komen - nog steeds meer dan 6 dB onder de normcurve.

Met betrekking tot de klacht dat niet is gemeten in de winterperiode, heeft LBP Sight te kennen gegeven dat uit onderzoek van TNO is gebleken dat in de winter bij harde bodem, hogere geluidsniveaus tot 5 dB kunnen ontstaan. Omdat er echter niet één maatgevend spectrum is aan te geven dat maatgevend is voor iedere positie aan de rand van Hoofdorp, heeft LBP Sight ervoor gekozen uit te gaan van een gemiddelde situatie (meewind en droog weer), in plaats van uiterste situaties. Ten aanzien van de windcondities zijn de metingen steeds uitgevoerd onder meewindcondities, wat de voor hinder door grondgeluid ongunstige windrichting is. Ook is, zoals uit het rapport blijkt, de 63 Hz band wel gemeten. Tot slot heeft LBP Sight opgemerkt dat in het onderzoek is uitgegaan van een gemiddelde woningisolatie van een niet-geïsoleerde woning.

8.3.

De rechtbank stelt voorop dat het onderzoek zoals uitgevoerd door LBP Sight, waarbij ter plaatse metingen zijn uitgevoerd teneinde te onderzoeken in hoeverre sprake is van hinder door grondgeluid, voor het Schadeschap kan dienen als basis bij zijn besluitvorming. Het betoog van eiser dat niet is gemeten in de 63 Hz band mist feitelijke grondslag, omdat uit de meetresultaten blijkt dat in het gebied van 6,3 Hz tot 125 Hz metingen zijn uitgevoerd. Verder betoogt eiser ten onrechte dat geen rekening is gehouden met het ontbreken van geluidsisolatie. LBP Sight is immers uitgegaan van de gemiddelde woningisolatie van een niet-geïsoleerde woning. Eiser heeft niet onderbouwd dat dit uitgangspunt niet overeenkomt met de feitelijke situatie van zijn woning.

Het feit dat ter hoogte van de woning van eiser geen meetpunt was opgesteld, is voorts op zichzelf geen aanleiding om aan de meetgegevens van de in de nabijheid van eisers woning gesitueerde meetpunten geen waarde toe te kennen in de onderhavige besluitvorming. Niet gebleken is dat deze metingen niet representatief zouden zijn voor de situatie op eisers perceel. Voorwaarde om het onderzoek van LBP Sight aan de advisering en daarmee aan de besluitvorming ten grondslag te mogen leggen is echter dat de metingen als zodanig een voldoende betrouwbaar beeld geven over de situatie ter plaatse. Daarvan is in dit geval geen sprake, nu geen juiste uitgangspunten zijn gehanteerd bij de metingen. In dat verband overweegt de rechtbank dat het in beginsel niet onbegrijpelijk is dat LBP Sight gebruik heeft gemaakt van metingen tijdens gemiddelde atmosferische omstandigheden (meewind, droog weer) en niet slechts van metingen tijdens de meest ongunstige (weers)omstandigheden voor grondgeluidhinder. Extremen zullen zich immers weinig voordoen, waardoor te verwachten valt dat de invloed van hinder door grondgeluid in de meest ongunstige situaties op de waarde van de woning gering is. Echter door uitsluitend meetgegevens uit het tijdvak maart-april bij de beoordeling te betrekken, is een groot deel van het jaar buiten beschouwing gebleven, terwijl niet in geschil is dat bij koud weer en een harde ondergrond, derhalve vooral in de winterperiode, het niveau van het grondgeluid hoger kan zijn. Evenmin is in geschil dat er gedurende de winterperiode meer sprake is van wind uit noordoostelijke richting, de windrichting die in dit geval relevant is voor de intensiteit van het grondgeluid. In beginsel acht de rechtbank het derhalve niet onjuist dat LBP Sight bij de toetsing aan Vercammen-35 uit heeft willen gaan van een gemiddelde situatie, maar door de metingen te beperken tot de periode maart-april is onvoldoende duidelijk of de metingen daadwerkelijk de gemiddelde situatie weergeven. Door geen metingen tijdens het koudere deel van het jaar bij de beoordeling te betrekken, valt niet uit te sluiten dat LBP Sight het grondgeluid niet correct heeft vastgesteld, waardoor de hinder ten gevolge van het grondgeluid is onderschat. Dat maakt dat kan worden getwijfeld aan de juistheid en volledigheid van de rapportage van LBP Sight. Dit klemt te meer nu, zoals LBP Sight in de reactie van 9 mei 2017 op de beroepsgronden heeft aangegeven, tevens een correctie voor bodem- en gevelreflectie dient plaats te vinden. Gelet hierop is niet op voorhand uitgesloten dat, met inachtneming van metingen in de winterperiode, blijkt dat Vercammen-35 bij de woning van eiser alsnog wordt overschreden. In zoverre is de rechtbank van oordeel dat het door LBP Sight verrichtte onderzoek niet kan dienen als grondslag voor de besluitvorming. De beroepsgrond slaagt.

Verschuiving 35Ke-geluidscontour en 26 dB(A) Laeq-zone

9.1.

Eiser stelt voorts schade te hebben geleden door de - in het bestemmingsplan “Schiphol-West en omgeving” mogelijk gemaakte - verschuiving van de 35Ke-geluidscontour en 26 dB(A) Laeq-zone. De contour is als gevolg van deze planologische wijziging opgeschoven van circa 1200 meter van de woning naar circa 500 meter naar de woning. Als gevolg hiervan worden eiser en zijn werknemers bloot gesteld aan meer geluid tijdens werkzaamheden op het land, onder meer bij werkzaamheden die zien op de teelt van pioenrozen. Ook wordt het vee blootgesteld aan meer geluid, wat mogelijkerwijs tevens van invloed is op de melkproductie en -kwaliteit.

9.2.

Het Schadeschap voert aan dat eiser niet heeft aangetoond dat al sprake was van werkzaamheden voor buitenbloemteelt ten tijde van de voor het verschuiven van de geluidscontouren te hanteren peildatum van 29 april 1999, de datum van inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Daarbij is voorts van belang dat de agrarische bestemming ook andere werkzaamheden toelaat dan buitenbloemteelt. Het enkele feit dat eiser het dragen van gehoorbescherming bij werkzaamheden op het land lastig vindt, leidt niet tot waardevermindering.

Het Schadeschap ziet overigens geen aanleiding aan te nemen dat sprake is van waardedaling, omdat de transactieprijzen van agrarische gronden in nabijheid van Schiphol op een aanmerkelijk hoger niveau liggen dan op basis van agrarische gebruiksmogelijkheden te verwachten en rechtvaardigen zou zijn. Wellicht zijn de agrarische opstallen minder waard geworden doordat deze minder geschikt zijn voor een melkveebedrijf, maar een redelijk handelend koper zal de gronden en opstallen kopen ten behoeve van een lucratieve bestemming. Daarbij komt, aldus het Schadeschap, dat een redelijk handelend verkoper nooit zal verkopen voor uitsluitend de agrarische waarde. Dat er een aanzienlijke verwachtingswaarde is voor deze agrarische gronden is, aldus het Schadeschap, een feit van algemene bekendheid en de inschatting van de taxateur.

9.3.

De rechtbank stelt voorop dat het, voor wat betreft de verschuiving van de geluidscontouren, in deze alleen gaat om de percelen landbouwgrond, omdat de woning en de bedrijfsbebouwing nog steeds buiten de geluidszones zijn gelegen. In hetgeen eiser heeft aangevoerd is geen grond gelegen om het standpunt van het Schadeschap dat de verschuiving van de geluidscontouren niet leidt tot schade voor onjuist te houden. Eiser stelt weliswaar onder verwijzing naar een transactie van nabijgelegen percelen akkerbouwland die plaatsvond in december 2013, dat de lucratieve verwachtingswaarde die het Schadeschap veronderstelt niet waar wordt gemaakt. Deze transactie dateert echter van ver ná de peildatum van 29 april 1999, zodat daaraan niet de waarde kan worden toegekend die eiser daaraan toekent. Een tegenadvies of andere onderbouwing van de kant van eiser is voorts niet ingebracht. Evenmin heeft eiser onderbouwd dat het Luchthavenindelingbesluit 2003 zodanige beperkingen stelt ten aanzien van zijn percelen dat een redelijk handelend koper geen rekening zal houden met de lucratieve verwachtingswaarde van de percelen.

De gestelde mogelijke gevolgen van de toename van geluid voor de melkproductie- en kwaliteit heeft eiser niet onderbouwd. Ter zitting heeft hij hierover zelf ook desgevraagd verklaard dat hij weliswaar zijn bedenkingen heeft over de gevolgen die de toename van het geluid voor de bedoelde melkproductie- en kwaliteit heeft en een negatieve invloed verwacht, maar dat hij dat niet kan aantonen. Deze beroepsgrond treft dan ook geen doel.

Luchtverontreiniging

10.1.

Eiser voert aan tevens schade te ondervinden als gevolg van lucht- en watervervuiling, stankhinder en fijnstof met daarbij komende gezondheidsrisico’s.

10.2.

Het Schadeschap heeft, verwijzend naar het advies van de Adviescommissie Mulder, aangegeven dat eerst met Luchthavenverkeerbesluit 2003 maxima zijn gesteld aan de uitstoot van bepaalde stoffen door vliegverkeer. Van een verzwaring in die zin dat de voorschriften zijn verruimd en meer verontreiniging dan voorheen is toegelaten is dan ook geen sprake. Maar gelet op de toename van het aantal toegestane vliegbewegingen bij het vierbanenstelsel van 318.600 naar 441.160 bij het vijfbanenstelsel en het feit dat geen maximum aantal vliegbewegingen is genoemd in de daarop volgende Luchthavenverkeerbesluiten, is niet uitgesloten dat op bepaalde plekken in de omgeving van Schiphol sprake is van een verslechtering door toegenomen vliegverkeer. Om dat te kunnen vaststellen zou nader onderzoek moeten plaatsvinden, ook in verband met de komst van nieuwere en schonere vliegtuigen.

Het Schadeschap geeft aan dat eiser zelf eventuele bedrijfsschade als gevolg van luchtverontreiniging aannemelijk had kunnen maken aan de hand van monsters, keuringsrapporten van wellicht afgekeurde melk of extra kosten die hij heeft moeten maken voor bijvoorbeeld drinkwater voor zijn koeien. Eiser heeft echter geen concrete bedrijfsschade aannemelijk kunnen maken. Ook 3,5 jaar na zijn aanvraag heeft eiser de gestelde bedrijfsrisico’s en extra kosten niet onderbouwd. Ook in dat verband verwijst het Schadeschap naar de aanzienlijke verwachtingswaarde van de agrarische gronden die voortvloeit uit de voortdurend grote vraag naar grond veroorzaakt door het tekort aan ruimte rondom Schiphol voor niet-agrarische doelen, zoals infrastructuur en bedrijvigheid.

10.3.

De rechtbank is met het Schadeschap van oordeel dat eiser niet heeft onderbouwd dat hij daadwerkelijk bedrijfsschade heeft geleden als gevolg van lucht- en watervervuiling, stankhinder en fijnstof. Ter zitting heeft hij daarover ook desgevraagd verklaard dat hij nog geen schade heeft geleden als gevolg hiervan, maar dat hij dat in de toekomst met name voor zijn melkproductie (indirecte) schade vreest, mede gezien de toenemende vraag van consumenten naar duurzame producten. De vrees voor schade in de toekomst levert echter geen grond voor schadevergoeding op. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet. Voor de waardevermindering verwijst de rechtbank naar hetgeen hierboven onder 9.3 is overwogen.

Redelijke termijn

11.1.

Eiser heeft aangevoerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden.

11.2.

Omdat het primaire besluit is bekendgemaakt vóór 1 februari 2014 bedraagt de redelijke termijn voor bezwaar en beroep tezamen drie jaar. Eiser heeft op 18 februari 2014 bezwaar gemaakt en dit bezwaarschrift is op 19 februari 2014 door het Schadeschap ontvangen. Vastgesteld kan dan ook worden dat op de datum van deze uitspraak drie jaar, vijf maanden en 21 dagen zijn verstreken, zodat de redelijke termijn is overschreden. Omdat de rechtbank uitspraak doet binnen twee jaar na ontvangst van het beroepschrift, komt de overschrijding van de redelijke termijn voor rekening van het Schadeschap. Nu sprake is van een overschrijding van niet meer dan een half jaar, is het Schadeschap een schadevergoeding verschuldigd van € 500,00. De rechtbank zal het Schadeschap veroordelen tot betaling van deze schadevergoeding.

Vordering tot schadevergoeding wegens overschrijding beslistermijnen en onrechtmatige besluitvorming

12.1.

Eiser heeft verder verzocht om toekenning van schadevergoeding, omdat sinds de indiening van zijn aanvraag een lange periode is verstreken waarbij het Schadeschap alle van toepassing zijnde beslistermijnen heeft overschreden.

12.2.

De enkele omstandigheid dat een bestuursorgaan een besluit neemt met overschrijding van een wettelijke beslistermijn is onvoldoende voor het oordeel dat onrechtmatig wordt gehandeld. Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden nodig (zie het arrest van de Hoge Raad van 22 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM7040). Van dergelijke bijkomende omstandigheden is in dit geval niet gebleken. Evenmin bestaat er overigens grond voor toekenning van een schadevergoeding wegens onrechtmatige besluitvorming van het Schadeschap.

Conclusie

13.1.

Gelet op hetgeen hierboven onder 8.3 is overwogen, is het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt de rechtbank het bestreden besluit, voor zover daarbij is geweigerd eiser een vergoeding toe te kennen voor schade als gevolg van grondgeluid. De rechtbank zal het Schadeschap opdragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. De rechtbank ziet geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen of zelf in de zaak te voorzien, nu het Schadeschap zich dient te beraden op de vaststelling van de waardevermindering van de woning van eiser en mogelijk nieuw advies zal moeten inwinnen en aanvullend onderzoek zal moeten laten uitvoeren. De rechtbank acht het voorts wenselijk dat partijen de gelegenheid krijgen hoger beroep in te stellen tegen het oordeel van de rechtbank, alvorens extra kosten worden gemaakt voor en tijd wordt besteed aan aanvullend onderzoek.

13.2.

Omdat de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat het Schadeschap aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

13.3.

De rechtbank veroordeelt het Schadeschap in de door eiser gemaakte proceskosten. Eiser heeft ter zitting aangegeven zijn verzoek tot vergoeding van werkelijke proceskosten niet te handhaven. De rechtbank stelt de proceskosten dan ook op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand dan ook vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1.

Eiser heeft tevens verzocht om vergoeding van reiskosten voor het bijwonen van de zitting. Deze kosten worden vergoed op basis van gebruik van openbaar vervoer 2e klasse. Over het verzoek van eiser om vergoeding van de proceskosten in bezwaar zal het Schadeschap in het nieuw te nemen besluit op bezwaar opnieuw dienen te beslissen.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij is geweigerd eiser een vergoeding toe te kennen voor schade als gevolg van grondgeluid;

draagt het Schadeschap op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

veroordeelt het Schadeschap tot het betalen van een vergoeding aan eiser van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 500,00;

draagt het Schadeschap op het betaalde griffierecht van € 168,00 aan eiser te vergoeden;

veroordeelt het Schadeschap tot vergoeding van:
- door eiser in verband met de behandeling van zijn beroep gemaakte kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, tot een bedrag van
€ 990,00;

- door eiser in verband met de behandeling van zijn beroep gemaakte reiskosten tot een bedrag van € 4,76.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.A.M. van Brussel, voorzitter, en mr. M.P. de Valk en mr. S. Slijkhuis, leden, in aanwezigheid van mr. Y.R. Boonstra-van Herwijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.