Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:6654

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
07-08-2017
Datum publicatie
15-08-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 4033
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wmo 2015.Hulp bij het huishouden, Regie en zelfredzaamheid.

Wetsverwijzingen
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 1.1.1, geldigheid: 2016-08-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 16/4033

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 augustus 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: J.M. van Daalen Buissant des Amorie),

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 21 januari 2016 (het primaire besluit I) heeft verweerder het recht van eiseres op hulp bij het huishouden op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) met ingang van 14 februari 2016 beëindigd. Bij afzonderlijk besluit van

21 januari 2016 (het primaire besluit II) heeft verweerder eiseres voor de periode van

14 februari 2016 tot en met 31 december 2016 een toelage toegekend voor huishoudelijke hulp in de vorm van een voucher met een waarde van € 10,00 per uur voor 2,5 uur huishoudelijke hulp per week.

Bij besluit van 21 juli 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is, zonder voorafgaand bericht, niet verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek geschorst, omdat gebleken is dat verweerder zijn gemachtigde niet op de hoogte heeft gebracht van de zittingsdatum.

De rechtbank heeft het onderzoek hervat op 4 juli 2017. Eiseres en haar gemachtigde zijn verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door mr. M.F.A. Dankbaar en J.C.W. Kieviet.

Overwegingen

1.1.

Eiseres ontving eerder met ingang van 13 juni 2012 ter compensatie van haar beperkingen drie uur per week hulp bij het huishouden in natura op grond van de voorganger van de Wmo 2015. De hiervoor afgegeven indicatie was geldig tot en met 14 juni 2017.

1.2.

Op 13 januari 2016 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen eiseres en de

Poortmanager over de herindicatie schoonmaakhulp per 14 februari 2016. In dat gesprek zijn onder meer aan de orde gekomen de woonsituatie, het ziektebeeld van eiseres, mantelzorgers/netwerk/betrokken instanties, dagbesteding, huishouden en de financiële positie van eiseres.

1.3.

Van het gesprek is een verslag gemaakt dat niet door eiseres voor akkoord is getekend. In het verslag zijn de lichamelijke beperkingen van eiseres beschreven. Vanwege haar beperkingen ervaart eiseres een gebrek aan energie, kan zij niet te ver lopen of te lang staan. De dochter van eiseres en haar stiefzoon helpen haar waar nodig. Haar dochter doet wekelijks de boodschappen. Ten gevolge van haar beperkingen is eiseres volgens het verslag niet in staat om zelf huishoudelijk werk te verrichten met als resultaat een schoon huis, maar zij is wel in staat om de schoonmaakhulp zelf aan te sturen en te regelen.

1.4.

Het gesprek heeft geleid tot de primaire besluiten, waarin verweerder het standpunt heeft ingenomen dat eiseres in staat is tot het voeren regie, omdat eiseres in staat is om de schoonmaakhulp aan te sturen en die schoonmaakhulp zelf in te kopen op de particuliere markt. Om die reden merkt verweerder eiseres aan als zelfredzaam als bedoeld in artikel 1.1.1 en 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 en komt zij niet langer in aanmerking voor een maatwerkvoorziening. Daarbij heeft verweerder bij wijze van “zachte landing” voor degenen die geconfronteerd worden met de gevolgen van de invoering van de Wmo 2015 op grond van het door hem gevoerde buitenwettelijk beleid aan eiseres een toelage toegekend in de vorm van een voucher waarmee ze met een korting van 10,00 per uur voor 2,5 uur per week huishoudelijke hulp in kan kopen bij een aantal geselecteerde zorgaanbieders. In het bestreden besluit heeft verweerder - onder afwijking van het advies van de Vaste commissie van Advies voor de bezwaarschriften - het bestreden besluit gehandhaafd. In het verweerschrift heeft verweerder nog toegelicht dat wanneer iemand in staat is om zelf de schoonmaakhulp in te kopen op de particuliere markt, diegene het probleem derhalve kan oplossen op eigen kracht en daarom niet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo.

1.5.

Ter zitting heeft verweerder nog toegelicht dat het beleid inmiddels is gewijzigd. Bij de beoordeling of een persoon in aanmerking komt voor de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden wordt gekeken naar de situatie van de persoon. Indien de persoon een regulier huishouden heeft en in staat is tot het voeren van de regie over dat huishouden, dan komt die persoon niet in aanmerking voor de maatwerkvoorziening. In die situatie kan de betrokkene volgens verweerder op eigen kracht tegemoet komen aan de zelfredzaamheid. Indien geen sprake is van een regulier huishouden en/of de persoon niet in staat is tot het voeren van regie over het huishouden, dan is volgens verweerder een maatwerkvoorziening aan de orde. Bij eiseres is sprake van een regulier huishouden en zij kan zelf de regie over het huishouden voeren. Zij is dus in staat op eigen kracht aan de zelfredzaamheid tegemoet te komen door huishoudelijke hulp op de particuliere markt in te kopen.

De financiële haalbaarheid is voor verweerder geen element bij de beoordeling of al dan niet een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo moet worden verstrekt. Verweerder heeft er voor gekozen om in het geval geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt, een voucher af te geven en/of bijzondere bijstand te verlenen om tegemoet te komen in de kosten voor het inhuren van een particuliere schoonmaakhulp. Verweerder heeft eiseres daarom een toelage in de vorm van een voucher verstrekt, waarmee zij bij een aantal geselecteerde zorgaanbieders wekelijks 2,5 uur huishoudelijke hulp kan inkopen. De 2,5 uur moet voldoende zijn voor het schoonhouden van een regulier huishouden. Met de voucher betaalt verweerder het verschil in de kosten tussen particuliere schoonmaakhulp à € 12,50 per uur en de schoonmaakhulp via de zorgaanbieder à € 22,50 per uur. Nu eiseres niet in aanmerking komt voor bijzondere bijstand, worden haar kosten voor schoonmaakhulp niet volledig gedekt. Het beleid inzake de bijzondere bijstand valt echter buiten het bestek van de Wmo 2015, aldus verweerder.

2. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat verweerder de Wmo onjuist uitlegt en toepast. Verweerder gaat er ten onrechte aan voorbij dat eiseres als gevolg van haar fysieke belemmeringen niet in staat is om haar huis schoon en leefbaar te houden. Verweerder heeft het begrip zelfredzaamheid beperkter uitgelegd dan is beoogd door de wetgever. Ook heeft verweerder feitelijk geen uitvoering gegeven aan de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 18 mei 2016 (onder meer ECLI:NL:CRVB:2016:1402). Verweerder weigert immers te onderzoeken of de algemene voorziening van 2,5 uur per week door middel van vouchers voor eiseres wel toereikend is. Met behulp van de vouchers kan zij weliswaar tot maximaal 2,5 uur per week aan hulp inkopen, maar dat is voor eiseres volstrekt ontoereikend. Haar huis is aan het vervuilen. Daarnaast is het inhuren van een particuliere huishoudelijke hulp financieel niet haalbaar voor eiseres. Zij heeft slechts financiële ruimte om eens per twee weken hulp in te kopen. Vanwege de hoogte van haar inkomen komt eiseres net niet in aanmerking voor bijzondere bijstand om daarmee huishoudelijke hulp in te kopen. Eiseres stelt zich dan ook op het standpunt dat verweerder alsnog dient te compenseren op grond van de Wmo.

3.1.

Ingevolge artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 wordt verstaan onder zelfredzaamheid: het in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden.

3.2.

Artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 bepaalt dat het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid (of participatie) die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid (of participatie) en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

4.1.

De rechtbank acht verweerders standpunt dat eiseres, omdat zij in staat is tot het voeren van regie, zelfredzaam is niet in overeenstemming met de Wmo. Zelfredzaamheid omvat, mede gezien de daarvoor gegeven definitie in artikel 1.1.1 van de Wmo, niet alleen het voeren van regie over een huishouden, maar tevens de zorg voor het huishouden zelf. In dat verband verwijst de rechtbank, evenals de meervoudige kamer van deze rechtbank in de uitspraak van 8 februari 2017 (ECLI:NL:RBNHO:2017:886), naar de uitspraken van de CRvB van 18 mei 2016, waaruit volgt dat het voeren van een gestructureerd huishouden als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 mede de zorg voor het schoon en op orde houden van het huishouden omvat, alsook de zorg voor het kunnen beschikking over schoon beddengoed en schone kleding. De problemen die eiseres ondervindt bij het huishouden komen dus ook onder de Wmo 2015 op grond van artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 voor compensatie in aanmerking. In genoemde uitspraak heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank voorts het volgende overwogen: “Het standpunt van verweerder dat verzoekster geen aanspraak kan maken op compensatie voor de problemen die ze ondervindt in het huishouden omdat ze zelf huishoudelijke hulp in kan kopen en aan kan sturen, volgt de rechtbank niet. Deze zeer stringente uitleg volgt niet uit de Wmo 2015 en ook niet uit de hiervoor genoemde uitspraken. De wetgever heeft beoogd dat de bijdrage die de sociale omgeving levert of kan leveren aan het wegnemen of verminderen van de beperkingen meespeelt bij de vraag of iemand in aanmerking moet komen voor een voorziening op grond van de Wmo 2015, maar dat gaat niet zover dat een voorziening alleen aan de orde is als iemand zelf niet in staat is om huishoudelijke hulp te regelen. In dat systeem past niet dat bijzondere bijstand wordt verstrekt als de in te kopen zorg niet kan worden betaald.”

4.2.

De rechtbank ziet geen aanleiding om thans anders te oordelen. Het door verweerder gemaakte onderscheid tussen enerzijds personen die in staat zijn zelf regie op het huishouden te voeren door het aansturen en inkopen van huishoudelijke hulp en anderzijds degene die hiertoe niet in staat zijn, acht de rechtbank niet geoorloofd en in strijd met de Wmo. Dit betekent immers dat een persoon als eiseres die in staat is tot het voeren van regie zonder meer wordt uitgezonderd van een maatwerkvoorziening, terwijl er slechts ten dele sprake is van zelfredzaamheid. Tot het daadwerkelijk uitvoeren van de huishoudelijke taken is eiseres immers als gevolg van haar fysieke beperkingen niet in staat. Nu eiseres derhalve als gevolg van haar fysieke problemen beperkingen in haar zelfredzaamheid ondervindt doordat zij niet in staat is haar huishouden te voeren, dient zij in beginsel op grond van de Wmo 2015 te worden gecompenseerd. Verweerder dient in dat verband te onderzoeken of eiseres is aangewezen op een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015. Het standpunt van verweerder vervolgens dat eiseres in staat moet worden geacht op eigen kracht haar beperkingen weg te nemen door huishoudelijke hulp op de particuliere markt in te kopen, acht de rechtbank zonder nader onderzoek en nadere motivering evenmin houdbaar. Eiseres heeft immers gemotiveerd gesteld dat zij daartoe niet in staat is. Voor haar is het financieel slechts haalbaar om eens per twee weken huishoudelijke hulp in te kopen voor een beperkt aantal uren, waardoor het beoogde resultaat van een schoon en leefbaar huis niet wordt bereikt. Integendeel, haar huis begint te vervuilen. Verweerder kon een onderzoek naar de financiële draagkracht dan ook niet achterwege laten. De omstandigheid dat eiseres in staat is om zelf huishoudelijke hulp aan te sturen en in te kopen, betekent immers nog niet dat daarmee ook daadwerkelijk het resultaat van een schoon en leefbaar huis wordt bereikt als zij zich dat financieel niet kan veroorloven. Van een compensatie in de beperkingen op eigen kracht is derhalve geen sprake.

4.3.

In aansluiting op het voorgaande overweegt de rechtbank ter nadere informatie van partijen nog dat het door verweerder inmiddels gemaakte onderscheid tussen personen die al dan niet een regulier huishouden voeren - welk onderscheid ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog niet werd gemaakt - evenmin doorslaggevend kan zijn bij de beoordeling van de vraag of een persoon in staat is op eigen kracht tegemoet te komen aan de beperkingen en al dan niet compensatie door middel van een maatwerkvoorziening dient plaats te vinden. Hoogstens kan de aard en omvang van het huishouden worden betrokken bij de vaststelling van de maatwerkvoorziening als zodanig.

4.4.

Tot slot is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt of de in de vouchers toegekende 2,5 uur per week huishoudelijke hulp voldoende is voor de woning van eiseres. Het door verweerder gehanteerde algemene uitgangspunt dat 2,5 uur per week voor een regulier huishouden volstaat, berust niet op objectief onderliggend onderzoek, nog daargelaten dat een op de individuele situatie van eiseres toegespitste beoordeling in het geheel ontbreekt.

5. Gelet op het vorenstaande kan het besteden besluit niet in stand blijven. Het beroep is gegrond. Verweerder zal opnieuw op het bezwaar van eiseres dienen te beslissen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Gelet op het feit dat eiseres al langere tijd slechts eens per twee weken huishoudelijke hulp heeft gekregen en zij onweersproken heeft gesteld dat haar huis aan het vervuilen is, ziet de rechtbank aanleiding een voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb en te bepalen dat eiseres per datum uitspraak een maatwerkvoorziening van 3 uur per week huishoudelijke hulp in natura toekomt tot zes weken nadat verweerder opnieuw op het bezwaar van eiseres heeft beslist.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.485,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 2 x 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,00 en een wegingsfactor 1). Voorts kent de rechtbank met toepassing van artikel 2, eerste lid, onder c, van het Bpb eiseres conform het door haar gedane verzoek een reiskostenvergoeding toe. Nu de kosten voor het bijwonen van beide zittingen per openbaar vervoer de door eiseres gevraagde kosten overstijgen, zal de rechtbank de door eiseres gevraagde kosten van € 18,10 toewijzen. Voor vergoeding van de verletkosten van € 70,00 voor begeleiding in verband met invaliditeit ziet de rechtbank geen grond, nu eiseres deze kosten niet zijn toegelicht noch met stukken zijn onderbouwd.

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder opnieuw op het bezwaar van eiseres beslist met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    bepaalt dat aan eiseres per datum uitspraak een maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp in natura voor 3 uur per week toekomt tot zes weken nadat op het bezwaar is beslist;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.503,10;

  • -

    bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 46,00 aan eiseres vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Slijkhuis, rechter, in aanwezigheid van

D.M.M. Luijckx, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.