Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:6600

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
03-08-2017
Datum publicatie
07-08-2017
Zaaknummer
C/15/261661 / KG ZA 17-557
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering van eindexamenkandidateop grond van artikel 843a Rv in kort geding tot afgifte van het door haar gemaakte eindexamenwerk herexamen biologie teneinde te kunnen controleren of de correctoren aan haar punten overeenkomstig het officiële correctievoorschrift goed hebben toegekend.

Voor het vak biologie betekent de huidige uitkomst dat eiseres 0,1 punt te kort kwam om een certificaat voor dat vak te bemachtigen.

Zij heeft aangevoerd dat zij twijfelt over de beoordeling van vraag 15 nu zij haar antwoord heeft voorgehouden aan haar bijlesdocent die het antwoord goed vond.

In overleg met de school heeft men geen aanleiding gezien om eiseres alsnog een punt toe te kennen voor haar antwoord op deze vraag.

School maakt gemotivbeerd bezwaar tegen afgifte van (een afschrift van) het gemaakte werk.

Verder vordert eiseres afgifte van het examenwerk dat zij gemaakt heeft in andere vakken waarvoor zij gezakt is.

De voorzieningenrechter oordeelt dat aan eiseres een afschrift verstrekt moet worden van haar beantwoording van vraag 15. Voor het overige worden haar vorderingen tot afgifte van examenwerk afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer / rolnummer: C/15/261661 / KG ZA 17-557

Vonnis in kort geding van 3 augustus 2017

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. R.H. van Duivenboden te Amsterdam,

tegen

de stichting

ONDERWIJSSTICHTING ZELFSTANDIGE GYMNASIA,

gevestigd te Haarlem,

gedaagde,

advocaat mr. G.J. Heussen te Huis ter Heide.

Partijen zullen hierna [eiseres] en de stichting genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de brief d.d. 26 juli 2017 met aanvullende producties

  • -

    de conclusie van antwoord met producties

  • -

    de brief van 27 juli 2017 met een aanvullend verweer en aanvullende producties

  • -

    de mondelinge behandeling d.d. 28 juli 2017

  • -

    de pleitnota van [eiseres]

  • -

    de pleitnota van de stichting.

1.2.

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling zijn verschenen [eiseres], bijgestaan door mr. Van Duivenboden, voornoemd, en namens de stichting de heer [A.], rector van het Vossius Gymnasium te [woonplaats] en als zodanig rector/bestuurder van het collectief bestuur van de stichting, bijgestaan door mr. Heussen, voornoemd.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] heeft in het schooljaar 2016-2017 de zesde klas van het Vossius Gymnasium te Amsterdam gevolgd. Deze school maakt onderdeel uit van de stichting.

2.2.

[eiseres] heeft eindexamen gedaan en heeft dit eindexamen niet gehaald.

2.3.

Op 21 juni 2017 heeft [eiseres] deelgenomen aan het centraal schriftelijk eindexamen Biologie 2e tijdvak (hierna: herexamen Biologie). Dit herexamen bestond uit 22 open vragen en 15 multiple choice vragen.

2.4.

Dit herexamen is beoordeeld door een docent van het Vossius Gymnasium, mevrouw [B.] (de examinator) en een tweede corrector (de gecommitteerde) van een andere school. Voor het herexamen is aan [eiseres] een score van 29 punten toegekend. Die score komt overeen met het cijfer 5,2. Bij een score van 30 punten zou [eiseres] een 5,3 hebben behaald, hetgeen zou resulteren in een voldoende eindcijfer voor Biologie. [eiseres] zou dan recht hebben gehad op een certificaat voor dit vak.

2.5.

Op 3 juli 2017 heeft [eiseres] in aanwezigheid van haar vader en van de rector van de school inzage gehad in het door haar in het kader van genoemd herexamen gemaakte werk. Bij deze gelegenheid was het niet toegestaan kopieën te maken of aantekeningen te maken. Bij het gesprek was geen Biologiedocent aanwezig zodat het niet mogelijk was het herexamen te bespreken.

2.6.

Tijdens de inzage heeft [eiseres] geconstateerd dat de beantwoording op de vragen met minder punten is gehonoreerd dan zij op basis van haar eigen vergelijking met het officiële correctievoorschrift had verwacht. Haar eigen docente, [B.], had bovendien minder punten toegekend dan de tweede corrector. Dit viel vooral op bij vraag 15. De examenopgave voor deze vraag luidde:

De ziekteverschijnselen bij mannelijke fabry-patiënten zijn ernstiger dan bij vrouwelijke patiënten, bij wie de ernst van de symptomen sterk varieert. Geef een verklaring voor dit verschil.

2.7.

Het officiële correctievoorschrift voor deze opgave luidt:

Maximumscore 1

Uit het antwoord moet blijken dat bij (de meeste) vrouwelijke patiënten de afwijking maar in een deel van de cellen (als een mozaïek) voorkomt en bij mannen in alle cellen (waardoor de symptomen heftiger zullen zijn).

2.8.

Tijdens de inzage op 3 juli 2017 heeft de vader van [eiseres] (in het bijzijn van de rector) het door haar gegeven antwoord op vraag 15 ingesproken op zijn smartphone. Dit antwoord luidt:

Mannen hebben als laatste chromosomenpaar XY en vrouwen hebben XX. Bij de man kan het dus veel ernstiger zijn als het X-chromosoom niet werkzaam is. Bij vrouwen is het minder ernstig omdat ze twee X-chromosomen hebben, en dus een minder grote kans dat de ernst van de fabry-ziekte heel groot is.

2.9.

Voorafgaand aan het herexamen heeft [eiseres] examentraining Biologie gevolgd. Zij heeft haar hiervoor weergegeven antwoord voorgelegd aan haar bijlesdocent en zijn mening gevraagd over haar antwoord. Deze docent, die anoniem wenst te blijven, heeft [eiseres] in een sms-bericht het volgende meegedeeld:

Ik heb met me collega gekeken naar je antwoord en we vinden het gewoon een goed antwoord.

2.10.

[eiseres] heeft vervolgens getracht in contact te komen met haar docent [B.], maar deze wilde niet inhoudelijk reageren.

2.11.

In een brief van 5 juli 2017 heeft de vader van [eiseres] de school verzocht te erkennen dat vraag 15 met een punt beoordeeld had moeten worden en gemotiveerd en goed onderbouwd aan te geven waarom de school c.q. de correctoren van oordeel zijn dat de beantwoording niet voldoet aan het correctievoorschrift. Voorts is in deze brief verzocht om toezending van kopieën van het door [eiseres] gemaakte herexamen Biologie.

2.12.

Op 6 juli 2017 heeft de school laten weten contact op te nemen met de docent waarna deze een toelichting zou geven aan de leerling.

Deze toelichting is op 10 juli 2017 door [B.] gegeven aan [eiseres]. [B.] heeft in deze toelichting gezegd dat geen punten zijn toegedeeld omdat:

  1. [eiseres] het in haar examen heeft over geslachtscellen en niet over gewone cellen

  2. [eiseres] niet aangeeft waarom de ernst van de symptomen sterk varieert

  3. Het antwoord niet goed is omdat het niet goed is geformuleerd, terwijl een goede formulering zeer belangrijk is.

[eiseres] kreeg niet de gelegenheid hierop te reageren.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. Ten aanzien van vraag 15 van het herexamen Biologie:

Primair:

a. De stichting zal bevelen om binnen 5 dagen na betekening van dit vonnis een procedure in gang te zetten, leidend tot het alsnog toekennen van een punt voor vraag 15 en deze procedure voortvarend voort te zetten en af te ronden;

Subsidiair:

De stichting zal bevelen om binnen 5 dagen na betekening van dit vonnis een procedure in gang te zetten tot herbeoordeling van vraag 15 door twee onafhankelijke, nieuw te benoemen, correctoren, en deze procedure voortvarend voort te zetten en af te ronden;

De stichting zal bevelen om deze procedure tot herbeoordeling zodanig in te richten dat de beoordelaar vooraf kennis neemt van dit vonnis;

d. De stichting zal bevelen om deze procedure tot herbeoordeling zodanig in te richten dat de nieuwe beoordeling vergezeld gaat van een uitvoerige en toetsbare motivatie van de herbeoordelaars;

2 Ten aanzien van het herexamen Biologie, tweede tijdvak:

Primair:

  1. De stichting zal veroordelen tot afgifte van afschriften van het door [eiseres] gemaakte eindexamenwerk Biologie, tweede tijdvak, binnen 5 dagen na betekening dit vonnis, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,-- voor iedere dag dat zij daarmee in gebreke is, met een maximum van € 25.000,- totaal aan dwangsom;

  2. De stichting zal veroordelen tot afgifte van een afschrift van het door de correctoren ingevulde beoordelingsformulier bij het eindexamen Biologie, tweede tijdvak, binnen 5 dagen na betekening van dit vonnis, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,-- voor iedere dag dat zij daarmee in gebreke is, met een maximum van € 25.000,- totaal aan dwangsom;

Subsidiair:

De stichting zal veroordelen om [eiseres] inzage te geven in haar examenwerk Biologie, tweede tijdvak, op zodanige wijze dat zij de gegeven beantwoordingen en de beoordelingen daadwerkelijk kan overschrijven.

3 Ten aanzien van het examen Biologie, eerste tijdvak:

Primair:

  1. De stichting zal veroordelen tot afgifte van afschriften van het door [eiseres] gemaakte eindexamenwerk Biologie, eerste tijdvak, binnen 5 dagen na betekening van dit vonnis, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat zij daarmee in gebreke is, met een maximum van € 25.000,- totaal aan dwangsom;

  2. De stichting zal veroordelen tot afgifte van een afschrift van het door de correctoren ingevulde beoordelingsformulier bij het eindexamen Biologie, eerste tijdvak, binnen 5 dagen na betekening van dit vonnis, zulks op straffe van een dwangsom van

€ 500,- voor iedere dag dat zij daarmee in gebreke is, met een maximum van

€ 25.000,- totaal aan dwangsom;

Susidiair:

De stichting zal veroordelen om [eiseres] inzage te geven in haar examenwerk Biologie eerste tijdvak, op zodanige wijze dat zij de gegeven beantwoordingen en de beoordelingen daadwerkelijk kan overschrijven.

4. Ten aanzien van de examens Scheikunde, Natuurkunde, Engels, Nederlands en Aardrijkskunde, eerste tijdvak:

Primair:

  1. De stichting zal veroordelen tot afgiften van afschriften van het door [eiseres] gemaakte eindexamenwerk Scheikunde, Natuurkunde, Engels, Nederlands en Aardrijkskunde, eerste tijdvak binnen 5 dagen na betekening van dit vonnis, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat zij daarmee in gebreke is, met een maximum van € 25.000,- totaal aan dwangsom;

  2. De stichting zal veroordelen tot afgifte van een afschrift van de door de respectieve correctoren ingevulde beoordelingsformulieren bij het eindexamen Scheikunde, Natuurkunde, Engels, Nederlands en Aardrijkskunde, eerste tijdvak, binnen 5 dagen na betekening van dit vonnis, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dag zij daarmee in gebreke is, met een maximum van € 25.000,- totaal aan dwangsom;

Subsidiair:

De stichting zal veroordelen om [eiseres] inzage te geven in haar examenwerk Scheikunde, Natuurkunde, Engels, Nederlands en Aardrijkskunde, eerste tijdvak, op zodanige wijze dat zij de gegeven beantwoordingen en de beoordelingen daadwerkelijk kan overschrijven.

5 Ten aanzien van alle gevraagde voorzieningen:

(meer) subsidiair:

Een zodanige voorziening zal treffen als hij in goede justitie vermeent te behoren;

Primair, subsidiair en meer subsidiair:

De stichting zal veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2.

[eiseres] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat de stichting onrechtmatig heeft gehandeld jegens haar. Zij stelt dat de beoordeling van vraag 15 van het herexamen Biologie aantoonbaar onjuist is althans dat er op redelijke gronden een redelijk c.q. sterk vermoeden is ontstaan dat de correctoren een aperte fout/onzorgvuldigheid hebben gemaakt en/of dat gelijke gevallen ongelijk worden behandeld. Zij stelt dat zij een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen zodat zij vóór de aanvang van tijdvak 3, medio augustus, kan beoordelen of zij nog een herkansing in een ander vak moet overwegen of anders te bepalen welke vakken zij over moet doen en voor welke vakken er mogelijk nog sprake kan zijn van een herbeoordeling.

3.3.

De stichting voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Ten aanzien van het spoedeisend belang

4.1.

Het meest verstrekkende verweer van de stichting is dat [eiseres] geen spoedeisend belang heeft bij haar vordering. De stichting heeft in dat verband aangevoerd dat het voor [eiseres] niet mogelijk is om deel te nemen aan de examens in tijdvak 3 omdat deze examens bedoeld zijn voor examenkandidaten die door ziekte of overmacht niet in de gelegenheid geweest zijn tijdens het eerste of het tweede tijdvak het (her)examen in een vak af te leggen, welke situatie niet van toepassing is op [eiseres]. Bovendien dienden kandidaten voor dit tijdvak zich uiterlijk op 7 juli 2017 aan te melden voor deelname, hetgeen [eiseres] niet heeft gedaan.

4.2.

In reactie op dit verweer heeft [eiseres] haar standpunt omtrent het spoedeisend belang bijgesteld in die zin dat zij thans tevens stelt dat zij er belang bij heeft om vóór het begin van het nieuwe schooljaar op 1 september a.s. te weten of zij ook lessen in Biologie moet volgen om ook in dat vak opnieuw examen te doen.

4.3.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Het is voldoende aannemelijk geworden dat [eiseres] niet kan deelnemen aan examens in het derde tijdvak dat medio augustus 2017 van start gaat. Voor zover haar spoedeisend belang op die grond is gesteld wordt dit afgewezen.

4.4.

[eiseres] heeft er echter voldoende spoedeisend belang bij om vóór aanvang van het nieuwe schooljaar per 1 september a.s. te weten of zij ook voor het vak Biologie lessen dient te volgen en opnieuw examen dient te doen, zodat zij voldoende spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. Het verweer van de stichting faalt.

Inhoudelijke beoordeling

4.5.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat het bij het toekennen van punten voor een examenantwoord gaat om een vakdeskundige beoordeling van het kennen en/of kunnen van een eindexamenkandidaat, die in een geval als dit in principe aan de desbetreffende vakdocent en/of de mede-corrector is voorbehouden. De rechter zal zich uiterst terughoudend op moeten stellen in een beoordeling van die vakdeskundige beoordeling. Er zal slechts plaats zijn om in te grijpen als sprake is van een apert onzorgvuldige beoordeling, bijvoorbeeld blijkend uit evident grove fouten, dan wel indien duidelijk is dat de beoordeling op uiterst onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, of de beoordeling duidelijk ongelijk is bij gelijke prestaties. Alleen onder die omstandigheden kan sprake zijn van onrechtmatig handelen.

4.6.

[eiseres] stelt dat sprake is van een apert onjuiste beoordeling of dat tenminste sprake is van een redelijk vermoeden dat sprake is van ongelijke behandeling bij gelijke prestaties. In dat verband wijst zij op de reactie van haar bijlesdocent, die zelf ook als docent Biologie op gymnasiumniveau werkzaam is en die haar heeft meegedeeld dat haar antwoord op vraag 15 van het herexamen Biologie, tweede tijdvak (verder: vraag 15) gewoon goed is, terwijl zij voor deze vraag geen punt heeft gekregen.

4.7.

De stichting heeft betwist dat er sprake is van een apert onzorgvuldige beoordeling, dat de beoordeling op uiterst onzorgvuldige wijze tot stand gekomen is en dat er sprake is van ongelijke beoordeling van gelijke prestaties. Zij heeft betoogd dat het bezwaar van [eiseres] tegen de beoordeling van vraag 15 is besproken met haar vakdocente, tevens eerste corrector, [B.] en dat deze hierover samen met de betrokken tweede corrector nader overleg heeft gehad. Zij zijn echter niet tot een ander oordeel gekomen, zodat er geen grond bestaat de score die aan [eiseres] is toegekend te wijzigen.

4.8.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet voldoende aannemelijk geworden is dat sprake is van een apert onzorgvuldige beoordeling. De enkele mening in een sms-bericht van een andere docent die anoniem wenst te blijven, niet betrokken is geweest bij de beoordeling van het door [eiseres] gemaakte examenwerk en geen inzage heeft gehad in dat werk, is daarvoor onvoldoende. Niet is aannemelijk gemaakt dat deze docent indien hij wel als examinator betrokken zou zijn geweest bij de beoordeling van het werk van [eiseres] in overleg met de tweede corrector tot het oordeel zou zijn gekomen dat het antwoord wel goed was en daarvoor een punt zou hebben toegekend. Ook de formulering in het sms-bericht van deze docent, weergegeven onder 2.9, laat ruimte voor een ander oordeel, nu aangegeven is dat de docent en zijn collega het gewoon een goed antwoord vinden. Ten slotte zijn er geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat het oordeel van deze docenten zwaarder zou moeten wegen dan het oordeel van de eerste en tweede corrector.

4.9.

Ook kan op basis van het sms-bericht van deze docent niet worden aangenomen dat sprake is van ongelijke behandeling bij gelijke prestaties. Daarvan zou naar het oordeel van de voorzieningenrechter slechts sprake zijn indien een andere examenkandidaat voor (nagenoeg) hetzelfde antwoord wel een punt heeft gekregen. Dat is niet gesteld en ook niet gebleken.

4.10.

Uit het voorgaande volgt dat er geen grond bestaat om de vorderingen sub 1, zowel primair als subsidiair, toe te wijzen. Deze vorderingen zullen daarom worden afgewezen.

4.11.

[eiseres] heeft ook afgifte of inzage gevorderd van een afschrift van het door haar gemaakte examenwerk voor het herexamen Biologie, tweede tijdvak, alsmede van het door haar in het eerste tijdvak gemaakte examenwerk Biologie, Scheikunde, Natuurkunde, Aardrijkskunde, Engels en Nederlands en van de bij al deze examens door de correctoren ingevulde beoordelingsformulieren. Zij baseert deze vorderingen op artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en stelt dat zij belang heeft bij afschrift of inzage om inzage te verkrijgen in de kwaliteit van haar eigen werk en de kwaliteit van het werk van de correctoren.

4.12.

De stichting heeft benadrukt dat zij, op basis van de geldende wet- en regelgeving, gehouden is uiterst zorgvuldig om te gaan met eindexamenwerk en de antwoorden zolang mogelijk onder zich te houden. Zij heeft aangevoerd dat haar belang bij het niet verstrekken van de gevraagde afschriften is gelegen in het voorkomen van frauduleuze praktijken en van een stroom van bezwaren en gerechtelijke procedures, die zou kunnen ontstaan als examenwerk kan worden opgeëist teneinde de beoordeling ervan te kunnen betwisten. Tenslotte heeft zij zich op het standpunt gesteld dat [eiseres] bij de door haar gevorderde afgifte geen rechtens te respecteren belang heeft, alleen al niet omdat zij zich heeft gecommitteerd aan het examenreglement van de school waarin is bepaald dat de examinator en de gecommitteerde in onderling overleg het aantal punten voor het centraal examen vaststellen.

4.13.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat anders dan de stichting lijkt te betogen wet- en regelgeving haar niet verbieden om afschriften van het gemaakte examenwerk aan de kandidaten te verstrekken. Een dergelijk verbod volgt ook niet uit het examenreglement van de school. Dit neemt niet weg dat het de stichting in beginsel vrijstaat om als (ongeschreven) regel geen afschriften van het examenwerk te verstrekken. Het belang dat zij heeft bij het voorkomen van (een stroom van) bezwaren tegen de beoordeling van leerlingen en/of hun ouders is begrijpelijk en te respecteren. Dit geldt te meer nu de procedure om tot vaststelling van het aantal behaalde punten te komen naar het oordeel van de voorzieningenrechter op zich zorgvuldig is. Voorts heeft de stichting terecht aangevoerd dat discussie over en/of bezwaar tegen de beoordeling van het examenwerk moeilijk inpasbaar is in het wel in wet- en regelgeving verankerde systeem van examenmogelijkheden in drie tijdvakken die dicht op elkaar liggen.

4.14.

Artikel 843 a Rv vormt een uitzondering op de hoofdregel dat iemand onder hem berustende bescheiden niet aan een ander ter inzage hoeft af te geven. Bij de beoordeling van een vordering ex artikel 843a Rv geldt dan ook als uitgangspunt dat dit artikel niet voorziet in een onbeperkt recht op inzage van bescheiden jegens degene die deze te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, maar dat deze bepaling het recht op inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde bescheiden afhankelijk stelt van een aantal cumulatieve vereisten. Op grond van het eerste lid van artikel 843a Rv moet [eiseres] een rechtmatig belang hebben bij de afgifte of inzage, moet het gaan om bepaalde bescheiden en moeten die bescheiden zien op een rechtsbetrekking waarbij zij partij is; daaronder valt mede een rechtsbetrekking uit onrechtmatige daad. Artikel 843a Rv biedt niet de mogelijkheid voor het opvragen van documenten waarvan [eiseres] slechts vermoedt dat zij wel eens steun zouden kunnen geven aan haar stellingen in een nog aanhangig te maken bodemprocedure. Alleen al hierom zal de vordering worden afgewezen voor wat betreft het complete herexamen Biologie, tweede tijdvak, alsmede voor het door [eiseres] in het eerste tijdvak gemaakte examenwerk Biologie, Scheikunde, Natuurkunde, Aardrijkskunde, Engels en Nederlands en voor wat betreft de bij al deze examens door de correctoren ingevulde beoordelingsformulieren. Het door [eiseres] gestelde belang om inzage te verkrijgen in de kwaliteit van haar eigen werk en de kwaliteit van het werk van de correctoren is niet een rechtmatig belang in de zin van artikel 843a Rv. In zoverre kan het door [eiseres] ervaren controledeficit op de beoordeling van het examenwerk niet in deze procedure worden geheeld.

4.15.

Anders is het voor de beantwoording door [eiseres] van vraag 15. Ten aanzien daarvan is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter met de verklaring van de bijlesdocent een voldoende concrete aanwijzing dat de beoordeling van het examenwerk mogelijk apert onzorgvuldig is. Daarvan zou sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat het antwoord van [eiseres] op deze vraag op grond van aantoonbare, vakinhoudelijke argumenten als juist of gedeeltelijk juist aangemerkt kan worden. Ingevolge artikel 3.3 van de algemene regels van het toepasselijke correctievoorschrift moeten immers in dat geval scorepunten worden toegekend, in overeenstemming met het beoordelingsmodel.
De stichting heeft onder meer aangevoerd dat [eiseres] ter onderbouwing van haar standpunt dat er sprake is geweest van een apert onzorgvuldige beoordeling met meer zal moeten komen dan alleen een anonieme verklaring van een docent die niet als examinator/corrector betrokken is geweest bij de beoordeling van haar examenwerk. Nu de stichting ter zitting niet kon verklaren dat de weergave door [eiseres] van het door haar gegeven antwoord op vraag 15 overeenstemt met haar examenwerk, heeft [eiseres] ter onderbouwing van haar stelling in bijvoorbeeld een bodemprocedure een afschrift van haar beantwoording van vraag 15 in dat examenwerk nodig. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de bijlesdocent niet verder heeft willen meewerken, mede omdat hij het examenwerk van [eiseres] niet heeft kunnen bekijken.

[eiseres] kan op korte termijn niet op enige andere wijze aan een afschrift van haar antwoord komen. Om over het originele examenwerk de beschikking te krijgen zou de wettelijke bewaartermijn van zes maanden na het vervaardigen van het werk verstreken moeten zijn. Dit betekent dat [eiseres] pas in de loop van het nieuwe schooljaar de beschikking zou kunnen krijgen over het door haar gemaakte examenwerk. Door een dergelijke gang van zaken zou zij in haar belangen geschaad worden, aangezien zij er belang bij heeft om zo snel mogelijk te weten of zij het vak Biologie over moet doen, of dat er nog een kans bestaat op herbeoordeling.

Om die reden wordt geoordeeld dat het belang van [eiseres] bij afgifte van een afschrift van de door haar gemaakte beantwoording van vraag 15 op dit moment zwaarder weegt dan het belang van de stichting bij het weigeren van afschrift.

Het betoog van de stichting dat [eiseres] zich heeft gecommitteerd aan het examenreglement van de school en om die reden geen belang heeft bij het gevorderde afschrift treft geen doel. In het examenreglement is immers bepaald dat het aantal behaalde punten wordt vastgesteld volgens de door de CEVO vastgestelde normen. Nu [eiseres] zich op het standpunt stelt dat dit ten aanzien van vraag 15 niet is gebeurd, kan het examenreglement haar door de stichting niet worden tegengeworpen.

4.16.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering zal worden toegewezen voor wat betreft de beantwoording van vraag 15. Ook de gevorderde dwangsom zal worden toegewezen, zij het dat aan die dwangsom een lager maximum wordt verbonden.

4.17.

Aangezien ieder van partijen gedeeltelijk in het gelijk en gedeeltelijk in het ongelijk zal worden gesteld, zullen de kosten zo worden gecompenseerd dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt de stichting tot afgifte van een afschrift van de beantwoording door [eiseres] van vraag 15 van het herexamenwerk Biologie, tweede tijdvak, binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis, op straffe van een dwangsom van € 500,-- voor elke dag dat zij na ommekomst van genoemde termijn met die afgifte in gebreke blijft, met een maximum aan de te verbeuren dwangsommen van € 10.000,--;

5.2.

compenseert de proceskosten tussen partijen zo dat ieder van hen de eigen kosten draagt;

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier C. Vis-van Zanden op 3 augustus 2017.1

1 type: 1155 coll: