Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:6554

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
02-08-2017
Datum publicatie
15-08-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 2698 en 17_2714
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag PW op de grond dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt te verblijven op opgegeven adres. Onvoldoende feitelijke grondslag voor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 17/2698 en HAA 17/2714

uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 augustus 2017 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. S. Faber),

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem, verweerder

(gemachtigde: R. de Vos).

Procesverloop

Bij besluit van 24 februari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker van 23 december 2016 om een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) afgewezen. Bij besluit van 29 mei 2017, verzonden 6 juni 2017, (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2017. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en gelast dat het vooronderzoek wordt hervat om verweerder in de gelegenheid te stellen nader onderzoek te verrichten. Verweerder heeft op 21 juli 2017, door de rechtbank ontvangen op 25 juli 2017, gereageerd en nadere stukken ingebracht. Van de kant van verzoeker is daarop bij brief van 25 juli 2017 gereageerd. Met toestemming van partijen is verder onderzoek ter zitting achterwege gebleven. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten.

Overwegingen

1. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

2.1

De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten. Verzoeker ontving eerder een Pw-uitkering. Verweerder heeft die uitkering met ingang van 18 oktober 2016 ingetrokken omdat het recht op bijstand niet meer viel vast te stellen. Daaraan lag ten grondslag dat hij zonder bericht niet was verschenen op een gepland rechtmatigheidsonderzoek.

Verzoeker heeft zich op 23 december 2016 weer gemeld voor een nieuwe aanvraag. Hem is verzocht diverse gegevens in te leveren en hij is uitgenodigd voor een gesprek op 8 februari 2017. Omdat was gebleken dat verzoeker regelmatig en langere tijd in Duitsland verbleef bij vrienden en hij daar ook onder behandeling is bij een arts, is besloten aansluitend aan het gesprek een huisbezoek af te leggen. De bevindingen van het huisbezoek zijn neergelegd in het rapport nader onderzoek bij aanvraag. De conclusie van de onderzoekers is dat de woning geen bewoonde indruk maakte. Verweerder heeft bij het primaire besluit de aanvraag afgewezen omdat verzoeker onvoldoende heeft aangetoond op het opgegeven adres aan de [adres] te verblijven en hij zelf heeft verklaard in Duitsland te hebben verbleven.

2.2

Verweerder heeft de afwijzing in bezwaar gehandhaafd. Verweerder stelt dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de beoordelingsperiode op het opgegeven adres aan de [adres] zijn feitelijke verblijfplaats heeft gehad. Verweerder heeft daarbij gewezen op de bevindingen van het huisbezoek, de verklaringen van verzoeker zelf, de Duitse arts en Vluchtelingenwerk en op de eerdere intrekkingsgrond. Verweerder stelt dat verzoeker de inlichtingenverplichting heeft geschonden met als gevolg dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2.3

Uit de stukken blijkt verder nog dat naar aanleiding van een nieuwe aanvraag inmiddels aan verzoeker vanaf 1 mei 2017 weer een Pw-uitkering is toegekend.

3.1

Verzoeker heeft aangevoerd dat hij tot medio december 2016 in Duitsland heeft verbleven bij een oom vanwege medische behandeling en dat die ook in zijn onderhoud heeft voorzien. Daarna is hij teruggekeerd naar [plaats] en sindsdien heeft hij daar verbleven. Hij is alleen in het weekend van 4 februari 2017 voor een kort bezoek aan zijn oom in Duitsland geweest. Verzoeker betwist de conclusies die verweerder uit het huisbezoek heeft getrokken. Hij wijst op de verklaringen die hij in bezwaar heeft overgelegd en die volgens hem bevestigen dat hij vanaf medio december 2016 in [plaats] woont. Verzoeker meent dat hij voldoende heeft aangetoond woonachtig te zijn in [plaats] . Hij stelt ook nog steeds een spoedeisend belang te hebben. Hij heeft al lang geen inkomen en heeft geen financiële reserves. Hij heeft een huurachterstand en er loopt een gerechtelijke procedure. Hij dient binnenkort de achterstand te voldoen.

3.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat er, gelet op het afgelegde huisbezoek, ernstige twijfels zijn over het feitelijk verblijf van verzoeker op het door hem opgegeven adres en dat hij die twijfels niet heeft kunnen wegnemen. Verweerder zet vraagtekens bij het spoedeisend belang, omdat verzoeker thans weer een uitkering ontvangt.

4.1

Het gaat hier om een afwijzend besluit op een aanvraag om bijstand. Bij aanvragen om bijstand rust de bewijslast van de bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. De aanvrager dient duidelijkheid te verschaffen over zijn feitelijke woon- en leefsituatie en zijn inkomenssituatie, zo nodig ook over de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag, omdat deze gegevens van essentieel belang zijn voor de vaststelling van het recht op bijstand. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren.

4.2

De beschikbare - en summiere - onderzoeksbevindingen bieden naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen toereikende grondslag voor het standpunt van verweerder dat verzoeker onvoldoende heeft aangetoond dat hij verbleef op het opgegeven adres. Ook lijkt het erop dat sommige conclusies deels berusten op aannames en veronderstellingen, zonder dat er verder onderzoek is gedaan en dat er vanwege verzoekers beperkte kennis van het Nederlands mogelijk sprake is geweest van verwarring en misverstanden over vragen en antwoorden.

4.3

Tijdens het huisbezoek is geconstateerd dat de inrichting karig is en het binnenklimaat kil (thermostaat op 12 graden). Dit is op zich onvoldoende aanwijzing. Voorstelbaar is immers dat iemand met een gebrek aan financiële middelen ook weinig bezittingen heeft en de thermostaat laag zet. Verder is het niet zo dat er in het geheel geen essentiële zaken zijn aangetroffen. Er waren wel poststukken, verzorgingsartikelen en kleding aanwezig. Dat (een deel van) die spullen in een koffer lagen en niet in een kast acht de voorzieningenrechter gelet op de uitleg die verzoeker heeft gegeven, namelijk dat hij het weekend in Duitsland is geweest, niet zonder meer onaannemelijk. De gemachtigde heeft er op zitting op gewezen dat uit de bankafschriften ook blijkt van pinbetalingen in Duitsland op 4 en 5 februari 2017, hetgeen er op wijst dat hij dat weekend in Duitsland is geweest. Tijdens het huisbezoek is in de woning een laptop aangetroffen. Verzoeker heeft verklaard dat hij een internetaansluiting heeft en tv kijkt via internet, hetgeen ook bevestiging vindt in het door verzoeker in bezwaar overgelegde ‘internet, tv en bellen abonnement’ van Telfort. In het onderzoeksrapport staat onder het kopje ‘Conclusie en advies’ dat er in de woning op een pak melk na in de koelkast geen levensmiddelen zijn aangetroffen. Die conclusie valt uit het verslag niet zonder meer te trekken. Onder het kopje ‘Bevindingen Huisbezoek’ staat dat zich in de koelkast alleen een pak melk bevond en verder geen etenswaren. Er blijkt niet of er in de kast(en) is gekeken. Verzoeker heeft hierover zelf verklaard dat er in een keukenkastje wel houdbare levensmiddelen aanwezig waren, maar dat er in die kast niet is gekeken.

Verder blijkt uit de stukken niet dat bij het huisbezoek aan verzoeker concrete vragen zijn gesteld over relevante aspecten van zijn maatschappelijk leven, zoals waar hij doorgaans de maaltijd bereidt/gebruikt, waar hij boodschappen doet en over zijn bezigheden. Evenmin blijkt daaruit dat is doorgevraagd over de aangetroffen treinkaartjes, terwijl dat voor de hand had gelegen, gezien de bedenkingen bij verweerder over het geconstateerde regelmatige verblijf van verzoeker in Duitsland. Deze bedenkingen waren immers ook de aanleiding om een huisbezoek af te leggen.

4.4

De verklaringen van het voetbalteam en van Vluchtelingenwerk bevestigen het verhaal van verzoeker dat hij vanaf medio december 2016 weer zijn hoofdverblijf heeft op het adres aan de [adres] . De verklaringen van de buren, met inbegrip van de nadere op 21 juli 2017 afgelegde verklaringen, zijn weliswaar niet in alle opzichten even helder, maar ontkrachten in ieder geval niet het verhaal van verzoeker.

4.5

De voorzieningenrechter is al met al van oordeel dat verzoeker voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten tijde in geding zijn hoofdverblijf weer had op het opgegeven adres. En dit betekent dat het recht op bijstand van verzoeker wel kan worden vastgesteld.

5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het bestreden besluit een voldoende draagkrachtige motivering ontbeert. Het beroep is dan ook gegrond en de voorzieningenrechter vernietigt het bestreden besluit wegens schending van artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Nu anderszins niet is gebleken dat er belemmeringen zijn om tot het toekennen van een Pw-uitkering over te gaan, zal de voorzieningenrechter zelf in de zaak voorzien door het besluit van 24 februari 2017 te herroepen en te bepalen dat aan verzoeker vanaf de datum van de aanvraag een Pw-uitkering wordt toegekend naar de norm van een alleenstaande.

6. Omdat het beroep gegrond is en de zaak finaal wordt afgedaan, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

7. Omdat het beroep gegrond is, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht voor het beroep vergoedt. Vanwege de uitkomst van de zaak ziet de voorzieningenrechter ook aanleiding te bepalen dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht voor het verzoek om voorlopige voorziening vergoedt.

8. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.485,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift om een voorlopige voorziening en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit van 29 mei 2017;

- herroept het primaire besluit van 24 februari 2017 en bepaalt dat verzoeker vanaf de datum van de aanvraag recht heeft op een Pw-uitkering naar de norm van een alleenstaande. - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van totaal € 92,- aan verzoeker te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.485,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Terwiel-Kuneman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.R.A. Horring, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 augustus 2017.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.