Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:6341

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
27-07-2017
Datum publicatie
08-08-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 4264
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schadevergoedingsverzoek wegens onrechtmatige besluitvorming SVB.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:88
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2017/149
Viditax (FutD), 10-08-2017
FutD 2017-2082
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 16/4264

uitspraak van de meervoudige kamer van 27 juli 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , verzoeker,

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (SVB), verweerder

(gemachtigde: mr. J.A.H. Koning).

Procesverloop

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen de bij besluit van 23 augustus 2016 gehandhaafde beslissing van 11 april 2016 tot afwijzing van het verzoek om schadevergoeding.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2017. Eiser is verschenen, vergezeld door zijn partner [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1.

Verzoekers partner [naam] (hierna: de partner) ontving inkomsten uit diverse pensioenen en uit een WW-uitkering. Bij besluit van 5 november 2014 heeft verweerder aan verzoeker met ingang van 21 december 2014 een AOW-pensioen toegekend. Daarbij is vermeld dat de inkomsten, aangeduid als “overig inkomen”: uitkeringen en pensioenen, van de partner van € 1.610,07 volledig zijn afgetrokken van de maximale AOW-toeslag van

€ 737,76. In het besluit is tevens aangekondigd dat in 2015 de toeslag vervalt en wordt naar de website van verweerder verwezen om te zien wanneer vanaf 2015 nog een toeslag kan worden gekregen.

1.2.

Verzoeker heeft op 10 november 2014 bij verweerder geïnformeerd naar de eventuele gevolgen van het stopzetten van de WW-uitkering van zijn partner - welk recht per maart 2016 zou eindigen - en of hij bij het stopzetten daarvan in 2015 recht zou hebben op partnertoeslag op grond van AOW. Op 24 november 2014 is verzoeker op gesprek bij verweerder geweest. Naar aanleiding van dit gesprek is een rapport opgesteld. Daarin is onder meer vermeld dat verzoeker op zijn vraag of hij nog recht op toeslag heeft als zijn partner tot en met 15 december WW zal ontvangen, is meegedeeld dat hij moet weten hoeveel haar WW tot en met die periode bedraagt, dat hij dat bedrag moet optellen bij haar pensioenen en dat dat bedrag onder de inkomensgrens moet komen om recht te hebben op toeslag in december. Voorts is in het rapport vermeld dat verzoeker voldoende is geïnformeerd en met zijn partner gaat overleggen. Vervolgens heeft de partner de WW-uitkering per 30 november 2014 stopgezet en heeft verzoeker verweerder daarop verzocht om hem een AOW-toeslag per 1 december 2014 toe te kennen.

1.3.

Bij besluit van 1 december 2014 heeft verweerder verzoeker medegedeeld dat hij vanaf 21 december 2014 recht heeft op een AOW-pensioen, dat hij in december 2015 € 519,08 netto ontvangt en dat hij vanaf 1 januari 2015 een AOW-pensioen ontvangt van € 1.319,44 netto per maand, bestaande uit AOW-pensioen van € 737,76, een KOB van € 25,12 en een AOW-toeslag van € 737,76. Aan verzoeker is bij dit besluit derhalve het maximale pensioen en het maximale bedrag aan AOW-toeslag toegekend, zonder verrekening met inkomsten van zijn partner. Tegen dit besluit heeft verzoeker geen bezwaar gemaakt.

1.4.

Bij besluit van 17 maart 2015 heeft verweerder verzoeker medegedeeld dat hij recht heeft op een ander bedrag aan AOW-toeslag, omdat de hoogte van het inkomen van de partner is veranderd vanaf december 2014. Daarbij is meegedeeld dat verzoeker over december 2014 tot en met februari 2015 een onjuist bedrag aan toeslag heeft ontvangen, omdat van oude inkomensgegevens van de partner is uitgegaan. Vanwege het “inkomen uit arbeid” van de partner heeft verzoeker recht op een AOW-toeslag van € 513,16 per maand en ontvangt verzoeker vanaf maart 2015 aan AOW-pensioen en AOW-toeslag van in totaal

€ 1.159,83 netto per maand. Bij een afzonderlijk besluit van 17 maart 2015 heeft verweerder de vanaf december 2014 tot en met februari 2015 teveel ontvangen toeslag op zijn AOW-uitkering van in totaal € 535,56 bruto van verzoeker teruggevorderd.

1.5.

Bij besluit van 9 juli 2015 heeft verweerder verzoeker medegedeeld dat het inkomen van de partner bij het besluit van 17 maart 2015 niet goed is vastgesteld. De pensioenen die de partner ontvangt heeft verweerder ten onrechte gezien als inkomen als arbeid, in welk geval gedeeltelijke verrekening met de toeslag plaatsvindt. Deze pensioenen dienen echter als “overig inkomen” volledig te worden gekort op de AOW-toeslag. Verzoeker ontvangt daarom vanaf juli 2015 in totaal € 937,62 netto per maand aan AOW-pensioen, inkomensondersteuning AOW en AOW-toeslag. De AOW-toeslag vanaf juli 2015 bedraagt € 220,99 bruto per maand. Verweerder gaat er daarbij van uit dat de partner een inkomen heeft van € 469,49 bruto per maand. Verweerder heeft later toegelicht dat verweerder ervoor heeft gekozen niet al per december 2014 de toeslag te herzien, maar per eerstvolgende gelegenheid, derhalve eerst per juli 2015. De besluiten van 17 maart 2015 en 9 juli 2015 zijn in rechte komen vast te staan.

1.6.

Het Uwv heeft bij besluit van 25 augustus 2015 geweigerd om de WW-uitkering van de partner voort te zetten, omdat zij langer dan 6 maanden niet beschikbaar is geweest voor werk. Verweerder heeft bij brief van 9 september 2015 het Uwv verzocht de termijn, waarbinnen kan worden verzocht om de WW-uitkering voort te zetten en die op 15 juni 2015 verliep, te verlengen. Het Uwv heeft dit verzoek bij brief van 15 september 2015 afgewezen, omdat niet kan worden afgeweken van de wet.

1.7.

Bij brief van 8 februari 2016 hebben verzoeker en zijn partner verweerder over de periode van 1 december 2014 tot 1 januari 2016 aansprakelijk gesteld voor de door hen geleden inkomensschade die zij begroten op een bedrag van € 18.272,43 bruto, zijnde het bedrag aan WW-uitkering van de partner over de periode van 1 december 2014 tot 1 januari 2016, met dien verstande dat over de periode van 1 januari 2016 tot de einddatum van de WW-uitkering op 17 maart 2016 nog een berekening moet worden gemaakt. Verzoeker heeft aan het verzoek tot schadevergoeding ten grondslag gelegd dat als verweerder hem juist had geïnformeerd over de gevolgen van het inkomen van zijn partner voor de AOW-toeslag en (direct) juist had besloten, zijn partner de WW-uitkering niet zou hebben beëindigd en deze in ieder geval binnen de daarvoor geldende termijn zou hebben hervat. Dat zij nu zowel de WW-uitkering als de volledige AOW-toeslag mislopen wijt verzoeker aan verweerder.

1.8.

Verweerder heeft het verzoek om schadevergoeding afgewezen en die afwijzing gehandhaafd bij het besluit van 23 augustus 2016.

2.1.

Op 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (Stb. 2013, 50) deels in werking getreden, door invoering van titel 8.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voor zover hier van belang is de bestuursrechter op grond van het huidige artikel 8:88, eerste lid, van de Awb bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van: (a) een onrechtmatig besluit; (b) een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit.

In artikel 8:90 van de Awb is bepaald dat: (1) het verzoek schriftelijk wordt ingediend bij de bestuursrechter die bevoegd is kennis te nemen van het beroep tegen het besluit; en (2) ten minste acht weken voor het indienen van het in het eerste lid bedoelde verzoekschrift de belanghebbende het betrokken bestuursorgaan schriftelijk vraagt om vergoeding van de schade, tenzij dit redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd.

Voorts is in artikel 8:4, aanhef en onder f, van de Awb bepaald dat geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit inzake vergoeding van schade wegens onrechtmatig bestuurshandelen.

2.2.

Verzoeker stelt dat hij als gevolg van de besluiten van 1 december 2014 en 17 maart 2015, in samenhang met de informatie die hij voorafgaand aan het nemen van het besluit van 1 december 2014 van verweerder heeft gekregen, schade heeft geleden.

2.3.

Hieruit volgt dat eventuele schadetoebrengende besluiten zijn genomen op of na 1 juli 2013, zodat geen voor bezwaar en beroep vatbaar schadebesluit kan worden uitgelokt, maar dat een verzoekschrift kan worden ingediend bij de bestuursrechter met inachtneming van artikel 8:90, tweede lid, van de Awb. De rechtbank zal daarom het beroep omzetten in een verzoekschrift en verweerders besluiten van 11 april 2016 en 23 augustus 2016 in het standpunt van verweerder naar aanleiding van het verzoek van eiser om schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:90, tweede lid, van de Awb.

3. Verzoeker is van mening dat verweerder verantwoordelijk is voor de door hem geleden schade. Verzoeker voert aan dat hij vele malen met verweerder contact heeft gezocht omdat het hem niet helemaal duidelijk was hoe het allemaal in elkaar stak wat betreft pensioenen, uitkeringen, inkomsten e.d. Naar aanleiding van het advies van verweerder heeft verzoeker de WW-uitkering van zijn partner stopgezet. Hij stelt dat hij bij alle contacten in november en december 2014 alle inkomsten van zichzelf en zijn partner heeft overgelegd en dat verweerder hiervan ook kopieën heeft gemaakt. Hij stelt dat hij niets heeft verzwegen en geen foutieve informatie heeft verstrekt.

Op 19 maart 2015 kreeg hij bericht met een herberekening gebaseerd op dezelfde inkomsten die hij in december 2014 had opgegeven. De partnertoeslag werd verlaagd naar € 513,16 bruto per maand en hij moest € 535,36 netto terugbetalen. Het bericht met een herberekening van juli 2015 was ook gebaseerd op dezelfde inkomsten zoals opgegeven in december 2014.

Verweerder heeft zeven maanden nodig gehad om een juiste berekening te maken.

Verzoeker betwist dat hij niet actief gehandeld zou hebben met betrekking tot het raadplegen van de site van de SVB. Echter indien verweerder voor eind juni een juiste berekening had gemaakt, dan had zijn partner de WW-uitkering van het Uwv kunnen doen herleven.

Verzoeker stelt verder dat verweerder ook vele malen heeft erkend dat hij fouten heeft gemaakt en meent dat verweerder een schadevergoeding dient te betalen. Verzoeker stelt dat hij per

1 januari 2016 een inkomensschade had van € 18.272,43. Dit is exclusief de inkomensschade over de periode van 1 januari 2016 tot en met 17 maart 2016, de einddatum van de WW-uitkering.

4.1.

Bij de toepassing van artikel 8:88 van de Awb dient de bestuursrechter, ter beantwoording van de vraag of en in welke omvang de schade die een partij lijdt voor vergoeding in aanmerking komt, naar vaste rechtspraak zoveel mogelijk aansluiting te zoeken bij het civiele schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is, in aansluiting op de artikelen 6:162 en 6:98 van het Burgerlijk Wetboek, vereist dat de gestelde schade verband houdt met een onrechtmatig besluit of het onrechtmatig nalaten daarvan en dat vervolgens alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking komen die in een zodanig verband staan met dat besluit, dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 28 juni 2011, ECLI:NL:CRVB: 2011:BR0611). Als beginsel geldt dat de schadevergoeding de schuldeiser zoveel mogelijk in de toestand moet brengen waarin hij zou verkeren als het schadeveroorzakende feit niet zou hebben plaatsgevonden. Het is aan de verzoeker om schadevergoeding de gestelde schade op objectieve en verifieerbare wijze aannemelijk te maken.

4.2.

Niet in geschil is dat de besluiten van 1 december 2014 en 17 maart 2015 onrechtmatig zijn. Het besluit van 1 december 2014 is onrechtmatig, omdat daarbij de inkomsten van de partner niet in aanmerking zijn genomen en aan verzoeker derhalve ten onrechte de maximale AOW-toeslag is toegekend. Het besluit van 17 maart 2015 is onrechtmatig, omdat daarbij weliswaar de inkomsten van de partner in aanmerking zijn genomen, maar deze ten onrechte zijn aangemerkt als “inkomen uit arbeid”, waardoor deze niet volledig in mindering zijn gebracht op de AOW-toeslag. Verweerder heeft dit ter zitting bevestigd.

4.3.

De vraag waarvoor de rechtbank zich, gelet op het hiervoor weergegeven kader, ten eerste gesteld ziet, is of er een causaal verband bestaat tussen de onrechtmatige besluiten van

1 december 2014 en 17 maart 2015 en de door verzoeker gestelde schade. Die vraag kan de rechtbank niet zonder meer bevestigend beantwoorden. Van het gesprek van verzoeker met de medewerker van verweerder op 24 november 2014 bestaat geen volledig verslag, waardoor niet geheel duidelijk is wat de medewerker tegen verzoeker op basis van welke door verzoeker verstrekte informatie heeft gezegd. Ter zitting heeft verweerder evenwel verklaard dat hij niet kan uitsluiten dat verzoeker is medegedeeld dat hij bij stopzetting van de WW-uitkering recht zou hebben op een AOW-toeslag. Daarbij kan in ieder geval worden vastgesteld dat verzoeker in zijn indruk dat hij bij stopzetting van de WW-uitkering van zijn partner recht zou hebben op een AOW-toeslag, is bevestigd door het (onrechtmatig gebleken) besluit van 1 december 2014. Bij dat besluit, genomen naar aanleiding van het stopzetten van de WW-uitkering, is hem immers een volledige AOW-toeslag toegekend. Voor verzoeker was er op dat moment dan ook geen reden om tot hervatting van de WW-uitkering te besluiten. Onder deze omstandigheden gaat de rechtbank er dan ook van uit dat er dat er een causaal verband bestaat tussen de onrechtmatige besluiten, daarin begrepen de voorafgaand aan het besluit van 1 december 2014 verstrekte informatie, en de gestelde schade.

5.1.

De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of uit deze onrechtmatige besluiten schade voortvloeit die verweerder dient te vergoeden. Die vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend.

5.2.

De rechtbank neemt daartoe ten eerste in aanmerking dat het recht op een AOW-toeslag voor een partner met ingang van 1 januari 2015 is vervallen. Daarvoor kon een AOW-gerechtigde een toeslag boven op zijn of haar AOW-pensioen krijgen als zijn of haar partner nog geen AOW-pensioen ontving en niet te veel verdiende. Een voor 1 januari 2015 toegekende AOW-toeslag blijft bestaan voor zover de partner niet te veel (ander) inkomen geniet. Tot dit inkomen behoort ook een WW-uitkering (“overig inkomen” dat volledig in mindering wordt gebracht op een AOW-toeslag). Verzoeker kon derhalve - bij ongewijzigde voortzetting van de WW-uitkering van zijn partner - na 1 januari 2015 geen AOW-toeslag meer krijgen.

5.3.

De gestelde schade bestaat uit het bruto bedrag van de volledige WW-uitkering van de partner. De rechtbank is, anders dan verzoeker, van oordeel dat het verschil tussen de volledige AOW-toeslag en de volledige WW-uitkering niet voor vergoeding in aanmerking komt, reeds omdat verzoeker en zijn partner hebben ingestemd met het stopzetten van de WW-uitkering, ervan uitgaande dat aan hen het volledige bedrag van de AOW-toeslag zou toekomen. Verzoeker en zijn partner hebben er dus welbewust voor gekozen om het meerdere, derhalve het bedrag tussen de maximale AOW-toeslag en de WW-uitkering, prijs te geven. Dit kan verweerder dan ook niet als schade worden toegerekend. Een schadevergoeding voor eventuele misgelopen WW-uitkering kan daarom hooguit betrekking hebben op een bedrag ter hoogte van de maximale AOW-toeslag, zoals verweerder ter zitting ook terecht heeft gesteld.

5.4.

Met het besluit van 17 maart 2015 is de toeslag (naar later bleek: op onjuiste wijze) verlaagd van € 740,60 naar € 513,16. De rechtbank stelt vast dat verzoeker met deze verlaging impliciet heeft ingestemd, omdat hij hiertegen niet is opgekomen en zijn partner hierin ook geen aanleiding heeft gezien om het Uwv te verzoeken tot hervatting van haar WW-uitkering. Dit strookt ook met hetgeen verzoeker in het beroepschrift heeft geschreven over de verlaging van de toeslag naar € 513,16 bruto en de daaruit voortvloeiende terugvordering van € 535,36: “Hier kon ik mee leven”. Verzoeker heeft deze verlaging en de daaruit voortvloeiende consequenties bewust geaccepteerd en verzoeker en zijn partner zijn in dit verband ook niet schadebeperkend opgetreden. De financiële gevolgen van deze verlaging - dat wil zeggen: voor zover deze meer bedraagt dan € 513,16 per maand - zijn daarom voor rekening van verzoeker, en niet voor verweerder, en komen reeds daarom niet voor vergoeding in aanmerking.

5.5.

Ervan uitgaande dat er sprake is van een causaal verband, zou derhalve in beginsel slechts een bedrag van € 513,16 per maand voor vergoeding als schade in aanmerking kunnen komen. Dit bedrag is immers in de plaats gekomen van de WW-uitkering, waarmee verzoeker heeft ingestemd, zodat het bedrag aan schade voor verzoeker in ieder geval niet hoger kan zijn dan dit bedrag. Het WW-uitkeringsrecht van de partner zou vanwege het bereiken van de maximale uitkeringsduur eindigen per 17 maart 2016. Dit betekent dat verzoeker - grofweg berekend - gedurende de periode van 1 december 2014 tot 17 maart 2016 door onrechtmatige besluitvorming in totaal een bedrag van maximaal ongeveer € 7.950,- (15,5 maanden x € 513,16) aan schadevergoeding zou kunnen toekomen. De stelling van verzoeker dat deze periode nog langer kan zijn, omdat door een (tijdelijke) werkhervatting de uitkeringsduur van de WW-uitkering kan worden verlengd, volgt de rechtbank niet, omdat een dergelijke verlenging te speculatief van aard is om in een schadevergoedingsberekening te kunnen worden gehonoreerd.

5.6.

De beantwoording van de vraag of dit schadebedrag van ongeveer € 7.950,- aan misgelopen WW-uitkering voor vergoeding in aanmerking komt, moet naar het oordeel van de rechtbank vervolgens worden gerelateerd aan het bedrag aan toeslag dat verzoeker aan AOW-toeslag heeft en nog zal ontvangen. Deze toeslag zou verzoeker immers - naar verweerder ter zitting terecht naar voren heeft gebracht - niet hebben ontvangen, indien de WW-uitkering niet voor 1 januari 2015 was stopgezet. Deze toeslag loopt bovendien nog 4,5 jaar door ná de einddatum van de WW-uitkering, namelijk tot augustus 2020. Verweerder heeft het totaalbedrag van deze toeslag berekend op ruim € 20.000,-. Gezien de daarop ter zitting gegeven toelichting ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de juistheid van dit bedrag te twijfelen. De rechtbank stelt gelet hierop vast dat het bedrag dat voor vergoeding als schade in aanmerking zou kunnen komen beduidend lager is dan het totaalbedrag aan AOW-toeslag dat verweerder aan verzoeker heeft betaald vanaf december 2014 en - gelet op de leeftijd van de partner - nog zal betalen. Verzoeker heeft derhalve als gevolg van verweerders onrechtmatige besluiten en onjuiste informatieverstrekking feitelijk geen schade geleden.

6. Het voorgaande betekent dat het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

7. Bij deze uitspraak is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. S. Slijkhuis, voorzitter, en M.E. Fortuin en

mr. R. Stijnen, leden, in aanwezigheid van mr. H.H. Riemeijer, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.