Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:6336

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
19-07-2017
Datum publicatie
11-08-2017
Zaaknummer
C/15/255740 / FA RK 17-1186
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Art. 1:267, tweede lid, BW Raad vraagt op verzoek GI oordeel rechtbank of gezagsbeëindiging moet volgen

De Raad heeft besloten geen verzoek tot gezagsbeëindiging in te dienen en vervolgens op grond van artikel 1:267, tweede lid, BW op verzoek van de GI de rechtbank verzocht te beoordelen of beëindiging van het gezag moet volgen.

De rechtbank is met de Raad van oordeel dat voldoende is gebleken dat de ouders zich sinds hun terugkeer naar Nederland in mei 2016 positief hebben ontwikkeld. Beide ouders zijn beschikbaar en bereikbaar geweest voor de GI en hebben inzicht hebben gegeven in het hulpverleningsproces van de moeder en hebben toestemming gegeven voor de geïndiceerde hulpverlening voor de kinderen. De positieve ontwikkeling van de kinderen enerzijds en de stabiliteit en continuïteit die hen geboden wordt binnen het familienetwerk anderzijds, is van groot belang voor de verdere ontwikkeling van de kinderen. De ouders en de grootouders werken op een positieve manier samen waar het gaat om de kinderen. De rechtbank is van oordeel dat voor de kinderen de aanvaardbare termijn, te weten de periode van onzekerheid over de vraag waar zij zullen opgroeien zonder verdergaande ernstige schade voor hun ontwikkeling, niet is verstreken. De GI heeft ook ter zitting onvoldoende nader onderbouwd waaruit de ontwikkelingsbedreiging voor de kinderen zou bestaan bij het voortduren van het ouderlijk gezag. De eerdere beslissing van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 22 januari 2016, waarin geoordeeld is dat het opvoedperspectief van de kinderen niet langer bij de ouders ligt, is hiermee niet in tegenspraak. Integendeel, het opvoedperspectief blijft bij de grootmoeder (mz) liggen, maar de situatie heeft zich voor het overige ten positieve ontwikkeld. Nu ook duidelijk is dat de kinderen geen schade zullen oplopen als niet wordt overgegaan tot een gezagsbeëindigende maategel, acht de rechtbank beëindiging van het gezag van de ouders op dit moment dan ook niet in het belang van de kinderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2017-0231
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Haarlem

beëindiging van het ouderlijk gezag ex artikel 1:267 BW

zaak-/rekestnr.: C/15/255740 / FA RK 17-1186

beschikking van de meervoudige kamer voor familiezaken van 26 juli 2017

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen de Raad,

gevestigd te Haarlem,

betreffende

- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,

hierna te noemen [minderjarige] ,

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,

hierna te noemen [minderjarige] ,

- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,

hierna te noemen [minderjarige] .

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] , hierna te noemen: de moeder,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. S. Akkas, kantoorhoudende te Haarlem,

[de vader] , hierna te noemen: de vader,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. S. Akkas, voornoemd,

de gecertificeerde instelling De Jeugd- en Gezinsbeschermers,

gevestigd te Haarlem, hierna: de GI,

[de grootmoeder] , de pleegmoeder, hierna: de grootmoeder (mz).

1 Procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift, met bijlagen, van de Raad, ingekomen ter griffie op 16 februari 2017.

1.2.

Op 22 juni 2017 heeft de rechtbank de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Hierbij zijn verschenen en gehoord:

  • -

    de ouders, bijgestaan door mr. S. Akkas;

  • -

    [naam] , vertegenwoordiger van de Raad;

  • -

    [naam] , vertegenwoordiger van de GI;

  • -

    [de grootmoeder] , de grootmoeder (mz).

Ter zitting is aan de ouders bijstand verleend door een tolk in de Turkse taal.

1.3.

De minderjarige [minderjarige] heeft haar mening schriftelijk kenbaar gemaakt.

2 De feiten

2.1.

Het ouderlijk gezag over [minderjarige] , [minderjarige] en [minderjarige] wordt uitgeoefend door de ouders.

2.2.

Bij beschikking van de kinderrechter van 13 februari 2012 zijn [minderjarige] , [minderjarige] en [minderjarige] onder toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling nu nog voortduurt tot 13 februari 2018.

2.3.

Bij beschikking van de kinderrechter van 22 januari 2015 is machtiging verleend [minderjarige] , [minderjarige] en [minderjarige] uit huis te plaatsen, welke machtiging telkens is verlengd en nu eindigt op 13 februari 2018. Zij wonen sinds 22 januari 2015 in het gezin van de grootmoeder (mz).

2.4.

Bij beschikking van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 12 februari 2016 is bepaald dat het opvoedperspectief van [minderjarige] , [minderjarige] en [minderjarige] in het gezin van de grootmoeder (mz) ligt.

2.5.

De Raad heeft op 22 november 2016 een verzoek van de GI ontvangen om onderzoek te doen naar een gezagsbeëindigende maatregel voor de ouders.
De Raad heeft na afronding van het onderzoek 13 februari 2017 telefonisch aan de GI meegedeeld geen verzoek tot beëindiging van het gezag van de ouders bij de rechtbank te zullen indienen.

2.6.

Bij brief van 13 februari 2017 heeft de GI aan de Raad meegedeeld dat de GI, wanneer de Raad volhardt in de eindconclusie van het onderzoek, bij de rechtbank het verzoek zal doen om conform artikel 1:267, eerste lid (naar de rechtbank begrijpt: tweede lid), van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) het oordeel van de rechtbank te vragen of beëindiging van het ouderlijk gezag van ouders over [minderjarige] , [minderjarige] en [minderjarige] noodzakelijk is.

2.7.

De Raad heeft vervolgens het verzoek op 16 februari 2017 bij de rechtbank ingediend.

3 Verzoek

De Raad heeft de rechtbank op grond van artikel 1:267, tweede lid, BW verzocht een oordeel te geven over de vraag of beëindiging van het gezag van de ouders over [minderjarige] , [minderjarige] en [minderjarige] noodzakelijk en geboden is.

4 Standpunten

de Raad
4.1. De Raad heeft in zijn rapport geconcludeerd dat geen sprake is van een zodanig ernstig bedreigde ontwikkeling van [minderjarige] , [minderjarige] en [minderjarige] dat een gezagsbeëindigende maatregel noodzakelijk is. Een gezagsbeëindigende maatregel heeft geen meerwaarde en zal op dit moment niet leiden tot meer duidelijkheid, rust en stabiliteit in hun opvoedingscontext. [minderjarige] , [minderjarige] en [minderjarige] ontwikkelen zich op een positieve wijze bij de grootmoeder (mz). Ze maken een ontspannen indruk, hebben positieve contacten met leeftijdsgenoten en gaan dagelijks naar een school voor speciaal basisonderwijs. Gelet op hun ontwikkeling hebben zij, meer dan hun leeftijdsgenoten, behoefte aan structuur, veiligheid en stimulans en uit het onderzoek is gebleken dat de grootmoeder (mz) hen een passende, stabiele, veilige, stimulerende en perspectiefbiedende plek kan bieden.

Sinds de ouders na de behandeling voor de psychiatrische klachten van de moeder in mei 2016 zijn teruggekeerd naar Nederland, maken de ouders een zeer positieve ontwikkeling door. Hierdoor zijn de omstandigheden ten opzichte van de eerder getrokken conclusies op basis van de beoordelingsboog, zodanig gewijzigd dat een gezagsbeëindigende maatregel niet langer noodzakelijk is. De Raad is van mening dat handhaving van het gezag
de ontwikkeling van [minderjarige] , [minderjarige] en [minderjarige] niet zal bedreigen. Bij hen is geen sprake van loyaliteitsproblematiek doordat het ouderlijk gezag en de feitelijke opvoeding niet in handen zijn van dezelfde personen. Gevreesd wordt dat beëindiging van het gezag juist ingaat tegen het belang van de kinderen en de ouders op een bescherming van hun onderlinge band.

de GI

4.2.

De GI is van mening dat het gezag van de ouders over [minderjarige] , [minderjarige] en [minderjarige] moet worden beëindigd. Dit standpunt is ingenomen door alle hulpverleners rond de drie kinderen tijdens een teamoverleg van de GI en is ook in overeenstemming met de eerdere beslissing van de rechtbank.

[minderjarige] , [minderjarige] en [minderjarige] hebben veel meegemaakt en zijn betrokken geweest bij incidenten. Er is hulpverlening ingezet voor de ouders, maar dit resulteerde niet in het stabiliseren van de situatie rond de drie kinderen. Daarom zijn die in februari 2012 bij de grootmoeder (mz) geplaatst, waar ze zich goed ontwikkelen. De grootmoeder (mz) is zeer betrokken bij haar kleinkinderen.

De ouders zijn in oktober 2015 zonder enig bericht aan de minderjarigen en de GI naar het buitenland vertrokken. [minderjarige] , [minderjarige] en [minderjarige] hebben daar veel problemen mee gehad: zij dachten dat hun ouders niet meer leefden.

De GI maakt zich zorgen over de stabiliteit van de moeder. De in Turkije ingezette hulpverlening heeft wel tot goede resultaten geleid, maar de moeder heeft kort geleden meegedeeld dat zij met haar medicatie wilde stoppen. Beëindiging van het gezag betekent dat er duidelijkheid ontstaat voor [minderjarige] , [minderjarige] en [minderjarige] over de plaats waar zij verder zullen opgroeien, wie hen zal opvoeden en wie er voortaan beslissingen over hen zal nemen.


De ouders hebben sinds de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing voldoende kansen gekregen om te bewijzen dat zij in staat zijn zelf voor hun kinderen te zorgen, maar zijn daar niet in geslaagd. Wanneer de maatregelen ieder jaar opnieuw verlengd moeten worden, zal er steeds sprake zijn van onrust bij zowel de ouders, de grootmoeder (mz) als de minderjarigen, wat niet in hun belang wordt geacht.

De GI is bereid mee te werken aan een uitbreiding van de omgangscontacten tussen de ouders en de kinderen. Wanneer de ouders over eigen woonruimte beschikken waar de kinderen kunnen verblijven, bestaat er ook een mogelijkheid dat zij bij hun ouders kunnen logeren.

de ouders

4.3.

De ouders zijn het eens met het rapport van de Raad. De moeder erkent dat in het verleden bij haar sprake is geweest van psychiatrische problematiek. Omdat een behandeling in Nederland niet tot verbetering van haar omstandigheden leidde, heeft zij zich via een behandelaar in België in Turkije succesvol laten behandelen. De ouders betwisten dat zij de GI niet op de hoogte hebben gesteld van hun plannen voor deze medische behandeling in Turkije. De ouders hebben vanuit Turkije steeds contact met [minderjarige] , [minderjarige] en [minderjarige] opgenomen.

De ouders betreuren het dat de GI steeds terugkomt op zaken die in het verleden niet goed gegaan zijn. De moeder houdt zich aan de voorgeschreven medicatie. Voor zover de medicatie mag worden afgebouwd, gebeurt dat uitsluitend in overleg met haar arts. De moeder is aangemeld voor verdere begeleiding bij de Stichting MEE.

4.4.

De advocaat van de ouders stelt dat er geen gronden zijn om het gezag van de ouders te beëindigen. De omstandigheid dat de GI van mening is dat sfeer tussen de ouders en de GI is verpest, waardoor er geen goede samenwerking meer is, is onvoldoende om het gezag van de ouders te beëindigen. Er is geen sprake van een ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige] , [minderjarige] of [minderjarige] . Hoewel de ouders het liefst zelf voor hen zouden zorgen, zijn zij het er mee eens dat de drie kinderen bij de grootmoeder (mz) blijven wonen en door haar worden opgevoed. Beëindiging van het gezag zal niet leiden tot meer rust in de situatie.

Naast de omgangscontacten brengen de ouders de kinderen naar hun sportactiviteiten. Ook overleggen de ouders samen met de Stichting MEE met de grootmoeder (mz) over beslissingen die over de kinderen genomen moeten worden.

de grootmoeder (mz)

4.5.

De grootmoeder (mz) is het eens met het advies van de Raad. Zij heeft er geen bezwaar tegen dat de ouders belast blijven met het gezag over [minderjarige] , [minderjarige] en [minderjarige] , terwijl zij de kinderen verzorgt en opvoedt. De ziekte van de moeder is haar overkomen en zij is blij dat een arts in Turkije de moeder heeft behandeld en de juiste medicatie heeft voorgeschreven. Het gaat erg goed met de moeder. De grootmoeder overlegt met de ouders wanneer er beslissingen over de kinderen genomen moeten worden. Wanneer de ouders en zij van mening verschillen, neemt zij de beslissing die ze in het belang van de kinderen nodig acht of overlegt ze met de GI. De grootmoeder ontkent dat er sprake is van een slechte verstandhouding tussen haar en de GI of van de ouders en de GI. Zij heeft de GI vaak genoeg meegedeeld dat medewerkers welkom zijn om bij haar thuis te komen, zelfs wanneer daarvoor niet van te voren een afspraak is gemaakt.

5 Beoordeling

5.1.

Op grond van artikel 1:266, eerste lid, BW, voor zover hier van belang, kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen, indien:

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn.

5.2.

Op grond van artikel 1:267, eerste lid, BW kan beëindiging van het gezag worden uitgesproken op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming of het openbaar ministerie. Tevens is degene die niet de ouder is en de minderjarige gedurende ten minste een jaar als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, bevoegd tot het doen van het verzoek indien de Raad voor de Kinderbescherming niet tot een verzoek overgaat.

5.3.

Artikel 1:267, tweede lid, BW bepaalt dat de Raad, indien deze niet overgaat tot een verzoek als bedoeld in het eerste lid nadat hij een verzoek tot onderzoek hiertoe van de gecertificeerde instelling (GI) die de ondertoezichtstelling over de minderjarige uitvoert, heeft ontvangen, dit schriftelijk meedeelt aan de GI.
De GI kan na ontvangst van die mededeling de Raad verzoeken het oordeel van de rechtbank te vragen, of beëindiging van het gezag noodzakelijk is. De Raad die van de GI zodanig verzoek ontvangt, vraagt binnen twee weken na de dagtekening van dat verzoek het oordeel van de rechtbank of beëindiging van het gezag moet volgen. In dat geval kan de rechtbank de beëindiging van het gezag ambtshalve uitspreken.

5.4.

Hoewel de Raad de GI niet schriftelijk heeft geïnformeerd over de beslissing om niet over te gaan tot het indienen van een verzoek tot een gezagsbeëindigende maatregel, heeft de Raad, nadat de GI op 13 februari 2017 een verzoek daartoe bij hem heeft gedaan, binnen de in artikel 1:267, tweede lid, BW gestelde termijn een verzoek ingediend en de rechtbank verzocht te beoordelen of beëindiging van het gezag moet volgen. De Raad is daarom ontvankelijk in het verzoek.

5.5.

De rechtbank is met de Raad van oordeel dat uit het rapport van de Raad en hetgeen te zitting naar voren is gebracht, voldoende is gebleken dat de ouders zich sinds hun terugkeer naar Nederland in mei 2016 positief hebben ontwikkeld. De moeder is medicatie- en behandeltrouw en volgt de adviezen van haar arts op. Haar situatie is sindsdien stabiel, ondanks dat zij geconfronteerd is met de mededeling dat [minderjarige] , [minderjarige] en [minderjarige] niet meer door haar en de vader zullen worden opgevoed, maar bij de grootmoeder (mz) zullen blijven wonen. De vader is een stabiele factor en ondersteunt - met toestemming van de GI - de grootmoeder (mz) wanneer de kinderen naar zwemles en voetbal gaan.
Daarnaast is gebleken dat beide ouders beschikbaar en bereikbaar zijn geweest voor de GI, dat zij inzicht hebben gegeven in het hulpverleningsproces van de moeder en dat zij toestemming hebben gegeven voor de geïndiceerde hulpverlening voor de kinderen.
Beide ouders hebben sinds mei 2016 een begeleide contactregeling met hun kinderen. Deze contacten verlopen volgens pleegzorg in een warme, ontspannen sfeer, waarbij de ouders aansluiten bij de pedagogische vraag van de kinderen. Bovendien “trekken” de ouders niet aan de kinderen. Inmiddels vinden deze contacten plaats zonder aanwezigheid van professionals.

5.6.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de positieve ontwikkeling van de kinderen enerzijds en de stabiliteit en continuïteit die hen geboden wordt binnen het familienetwerk anderzijds, van groot belang voor de verdere ontwikkeling van [minderjarige] , [minderjarige] en [minderjarige] . De ouders en de grootouders wonen dicht bij elkaar en werken op een positieve manier samen waar het gaat om de kinderen. De over hen te nemen beslissingen komen in samenspraak met elkaar, op een verantwoorde manier en voldoende voortvarend tot stand. Wanneer de positieve ontwikkeling in de gezondheidssituatie van de moeder zich voortzet, kan de grootmoeder (mz) - wanneer daar mogelijkheden voor zijn - de ouders nog meer dan zij nu al doet, betrekken bij de zorg voor de kinderen.

Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat voor [minderjarige] , [minderjarige] en [minderjarige] de aanvaardbare termijn, te weten de periode van onzekerheid over de vraag waar zij zullen opgroeien zonder verdergaande ernstige schade voor hun ontwikkeling, niet is verstreken.

Hetgeen door de GI ter zitting naar voren is gebracht, maakt dit oordeel niet anders.

De GI heeft ook onvoldoende nader onderbouwd waaruit de ontwikkelingsbedreiging voor de kinderen zou bestaan bij het voortduren van het ouderlijk gezag.
Er is in deze opvoedsituatie bovendien niet gebleken van een loyaliteitsconflict. [minderjarige] , [minderjarige] en [minderjarige] weten dat zij in het gezin van hun grootmoeder (mz) mogen blijven wonen en zijn al een hechtingsrelatie met haar aangegaan. De eerdere beslissing van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 22 januari 2016, waarin geoordeeld is dat het opvoedperspectief van de kinderen niet langer bij de ouders ligt, is hiermee niet in tegenspraak. Integendeel, het opvoedperspectief blijft bij de grootmoeder (mz) liggen, maar de situatie heeft zich voor het overige ten positieve ontwikkeld, waarmee iedereen alleen maar gelukkig kan zijn.

Nu ook duidelijk is dat [minderjarige] , [minderjarige] en [minderjarige] geen schade zullen oplopen als niet wordt overgegaan tot een gezagsbeëindigende maategel, acht de rechtbank beëindiging van het gezag van de ouders op dit moment dan ook niet in het belang van de kinderen. Daarom is de rechtbank van oordeel dat gezagsbeëindiging niet noodzakelijk is en zal deze maatregel dan ook niet uitspreken. De begeleiding van de drie kinderen en de ouders kan blijven plaatsvinden in het kader van de ondertoezichtstelling.

De rechtbank gaat er van uit dat de GI de ouders met oog voor de zich positief ontwikkelende situatie zal bejegenen en zich zal inzetten uitvoering te geven aan de door [minderjarige] , mede namens haar zusje en broertje, in haar brief aan de kinderrechter geuite wens meer contact met haar ouders te hebben.

6 Beslissing

De rechtbank:

bepaalt dat geen beëindiging van het gezag van:

[de moeder] en [de vader]

over:

- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,

- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,

moet volgen.

Deze beschikking is gegeven door mr. B.M.A. Bataille, voorzitter, mr. A.L. Diender en mr. Ph. Burgers, rechters, allen tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van M.P. Joukes, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 juli 2017.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.