Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:6318

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
28-07-2017
Datum publicatie
08-08-2017
Zaaknummer
16/4449
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:3361, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/4170
OGR-Updates.nl 2017-0151
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 16/4449

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juli 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. K. van Driel),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beverwijk, verweerder

(gemachtigde: J.A. Zijlstra).

Procesverloop

Bij besluit van 21 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan Café Restaurant [naam] een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een terras op het perceel [adres] .

Bij besluit van 27 september 2016 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld.

Bij besluit van 10 november 2016 heeft verweerder het bestreden besluit I ingetrokken. Bij besluit van 30 januari 2017 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Het onderzoek ter zitting is aangevangen op 7 juni 2017. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van R.T. Potma en mr. N. Wijdenes.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen nadere informatie over de precieze ligging van de woning van eiser te overleggen.

Verweerder heeft bij brief van 7 juni 2017 nadere informatie gegeven.

Eiser heeft daarop bij faxbericht van 9 juni 2017 gereageerd.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting, met toestemming van partijen, zonder het houden van een nadere zitting gesloten op 16 juni 2017.

Overwegingen

1.1

Hangende beroep heeft verweerder het bestreden besluit I ingetrokken en het bestreden besluit II genomen. Eiser heeft voldoende belang bij een beoordeling van het bestreden besluit II, nu in dat besluit niet aan zijn bezwaren is tegemoetgekomen. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft het beroep van eiser daarom van rechtswege mede betrekking op het bestreden besluit II.

1.2.

De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij de beoordeling van het bestreden besluit I. Eiser heeft aangegeven dat zijn procesbelang bij de beoordeling van het bestreden besluit gelegen is in de vergoeding van proceskosten in bezwaar en beroep. De rechtbank is van oordeel dat de beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit I niet kan leiden tot een proceskostenvergoeding in bezwaar. Het beroep omvat immers niet meer dan de vraag of verweerder al dan niet terecht het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard. Aan een beoordeling van de rechtmatigheid van het primaire besluit kan de rechtbank in die procedure niet toekomen. Daarom kan de beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit I niet leiden tot vergoeding van proceskosten in bezwaar. Daarin is dus geen procesbelang gelegen. Vergoeding van proceskosten in beroep levert volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State evenmin procesbelang op.

1.3.

De rechtbank verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit I, daarom niet-ontvankelijk.

1.4.

Nu verweerder met het bestreden besluit II heeft erkend dat hij het bezwaarschrift van eiser ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard vanwege het ontbreken van gronden van bezwaar en eiser dus terecht beroep heeft ingesteld tegen het bestreden besluit I, ziet de rechtbank reeds hierom aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de door eiser in het kader van dat beroep gemaakte proceskosten.

2. Verweerder heeft in het bestreden besluit II de bij het primaire besluit verleende omgevingsvergunning gehandhaafd. De omgevingsvergunning is verleend op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2ᵒ, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in verbinding met artikel 4, aanhef en achtste lid, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor).

3.1.

Verweerder betoogt in zijn verweerschrift dat hij het bezwaar van eiser in het bestreden besluit II ten onrechte ontvankelijk heeft geacht. Eiser is geen belanghebbende, omdat geen sprake is van hinder van enige betekenis. De afstand tussen de woning van eiser en het terras bedraagt tussen de 35 en 40 meter en daartussen bevinden zich een appartementencomplex en bomen, die het uitzicht van eiser op het terras voor een belangrijk deel ontnemen. Verder is de ruimtelijke uitstraling van het terras bezien vanuit de woning van eiser beperkt en is geen sprake van onevenredige (toename van) geluidshinder. Eventuele toename van parkeerdruk raakt eiser niet een eigen persoonlijk belang dat hem onderscheidt van anderen. Van belang is tot slot dat bij de gemeente voor zover bekend sinds juli 2014 geen klachten zijn binnengekomen over het terras.

3.2.

Om als belanghebbende in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

3.3.

Gebleken is dat verweerder bij het in het verweerschrift opgenomen standpunt is uitgegaan van aan onjuiste ligging van de woning van eiser. De rechtbank stelt vast dat eiser vanuit zijn woning zicht heeft op het terras, dat op een afstand van ongeveer 35m van de woning is gelegen. Reeds gelet daarop is eiser naar het oordeel van de rechtbank belanghebbende bij het bestreden besluit II.

4. Niet in geschil is dat het realiseren van het terras in strijd is met het geldende bestemmingsplan “Bomenbuurt, Vondelkwartier en Akerendam”, omdat de planregels voor de voor het perceel geldende bestemming ‘Verkeer’ dat niet mogelijk maken.

5.1

Eiser heeft aangevoerd dat verweerder de omgevingsvergunning niet op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2ᵒ, van de Wabo in verbinding met artikel 4, aanhef en achtste lid, van bijlage II bij het Bor heeft kunnen verlenen, primair omdat het realiseren van een commercieel terras geen herinrichting ten behoeve van openbaar gebied is waarop artikel 4, achtste lid, ziet. Dit artikel is ook niet bedoeld voor het realiseren van een commercieel terras. Dit artikel is bedoeld, zo blijkt uit de Nota van Toelichting bij het Besluit van 4 september 2014 tot wijziging van onder meer het Bor (Stbl. 2014, 333), om bijvoorbeeld parkeerplekken in de bestemming ‘Groen’ mogelijk te maken of het aanleggen van een plantsoen op de bestemming ‘Weg’. Dat het in de Nota van Toelichting genoemde plaatsen van straatmeubilair gelijk zou zijn aan het exploiteren van een commercieel terras, zoals verweerder stelt, is onjuist.
Subsidiair stelt eiser zich op het standpunt dat de herinrichting van de grond met een terras van circa 75 m2 niet aangemerkt kan worden als een niet-ingrijpende herinrichting. Ook daarom kan artikel 4, aanhef en achtste lid, van bijlage II bij het Bor geen grondslag bieden voor verlening van de omgevingsvergunning.

5.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de omgevingsvergunning kon worden verleend op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2ᵒ, van de Wabo in verbinding met artikel 4, aanhef en achtste lid, van bijlage II bij het Bor. Verweerder heeft het afwegingskader voor de uitleg en toepassing van artikel 4 van het Bor vastgelegd in “Beleidsregels Planologische kruimelgevallen 2016”. In deze beleidsregels is ‘de herinrichting van openbaar gebied ter realisatie van een terras conform de regeling uit de AVV Terrassen’ expliciet benoemd als (procedurele) mogelijkheid. Volgens verweerder is daarom de juiste procedure gevolgd. Verder is van belang dat de Nota van Toelichting bij het Bor erop wijst dat bij de beantwoording van de vraag of al dan niet sprake is van een ingrijpende herinrichting van het openbaar gebied, ook het plaatsen van straatmeubilair betrokken moet worden. Dit duidt erop dat het plaatsen van straatmeubilair in elk geval ook gerekend moet worden tot het inrichten van openbaar gebied. Het gebied blijft voorts openbaar toegankelijk, zodat het realiseren van het terras kan worden aangemerkt als herinrichting ten behoeve van openbaar gebied. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat de gevolgen van de herinrichting voor de omgeving beperkt zullen blijven, waardoor sprake is van een niet-ingrijpende herinrichting.

5.3

Op grond artikel 4, aanhef en achtste lid, van bijlage II bij het Bor kan een vergunning voor gebruik in strijd met het bestemmingsplan worden verleend voor het gebruiken van gronden voor een niet-ingrijpende herinrichting van openbaar gebied.

5.4

Op pagina 54 van genoemde Nota van Toelichting staat over deze bepaling het volgende:
‘In het vrijgekomen onderdeel 8 is een nieuwe activiteit toegevoegd. Het gaat om het gebruiken van gronden voor een niet-ingrijpende herinrichting van openbaar gebied. Het kan bijvoorbeeld gaan om het toevoegen van een aantal parkeerplaatsen in een groenstrook, het verleggen van trottoirs of het aanbrengen van groenvoorzieningen. Een herinrichting van openbaar gebied vindt vaak ook plaats in samenhang met het bouwen van een vergunningvrij bouwwerk, zoals vuilcontainers, sport- of speeltoestellen en straatmeubilair. Bij het beantwoorden van de vraag of er al dan niet sprake is van een ingrijpende herinrichting van openbaar gebied, zullen onder andere moeten worden betrokken de te verwachten gevolgen van de herinrichting voor omwonenden en gebruikers van het desbetreffende gebied.’

5.5

De rechtbank is van oordeel dat uit de in Nota van Toelichting genoemde voorbeelden die vallen onder artikel 4, achtste lid, van bijlage II bij het Bor kan worden afgeleid dat sprake is van een herinrichting als bedoeld in dit artikel als met de betreffende herinrichting sprake is van, of deze plaats heeft ten behoeve van infrastructurele of openbare voorzieningen. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan bij het realiseren van een commercieel terras geen sprake.

Dat in de Nota van Toelichting gesproken wordt over straatmeubilair maakt het voorgaande niet anders. Anders dan verweerder veronderstelt, wordt met straatmeubilair, in samenhang waarmee bedoelde herinrichting volgens de Nota van Toelichting vaak gepaard gaat, naar het oordeel van de rechtbank niet gedoeld op terrasmeubilair, maar op straatmeubilair omschreven in artikel 2, aanhef en onder 18, sub g, van de bij het Bor behorende Bijlage II, te weten een bouwwerk ten behoeve van infrastructurele of openbare voorziening.

Dat verweerder in zijn genoemde beleid ter uitwerking van artikel 4, achtste lid, van bijlage II bij het Bor de realisatie van een terras conform de regeling uit de AVV Terrassen expliciet benoemd als (procedurele) mogelijkheid, maakt evenmin dat genoemd artikel als grondslag kan dienen voor het gevraagde terras. Verweerder kan in zijn beleid geen verdergaande bevoegdheden creëren dan de wettelijke regeling hem biedt.

5.6

Uit het voorgaande volgt dat verweerder de aanvraag voor het realiseren van een terras op het perceel [adres] ten onrechte heeft aangemerkt als een herinrichting van openbaar gebied als bedoeld in artikel 4, achtste lid, bijlage II bij het Bor. De vraag of voldaan is aan de voorwaarde dat de herinrichting niet-ingrijpend is, kan daarmee onbeantwoord blijven.
Verweerder was dus niet bevoegd om de omgevingsvergunning op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2ᵒ, van de Wabo in verbinding met artikel 4, achtste lid, van bijlage II bij het Bor te verlenen. De beroepsgrond slaagt.

6. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, nu het in strijd met artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2ᵒ, van de Wabo in verbinding met artikel 4, achtste lid, van bijlage II bij het Bor genomen is. Verweerder heeft niet gesteld en de rechtbank is niet gebleken dat er andere mogelijkheden zijn om de vergunning voor afwijkend gebruik op de voet van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1ᵒ dan wel 2ᵒ, van de Wabo te verlenen. Dit betekent dat er geen mogelijkheid is om de gevraagde vergunning alsnog met toepassing van de reguliere voorbereidingsprocedure te verlenen. Om die reden ziet de rechtbank aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en het primaire besluit te herroepen.

7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

8. Gelet op hetgeen in rechtsoverweging 1.4. en 6. is overwogen veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten in bezwaar en beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.980,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting; 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit I, niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit II, gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit II;

  • -

    herroept het primaire besluit;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het bestreden besluit II;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.980,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.B. de Vries – van den Heuvel, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H. Bakker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.