Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:6268

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
07-06-2017
Datum publicatie
24-07-2017
Zaaknummer
5733535 CV EXPL 17-1593
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Betalingsregeling. Schuldeiser kan overeengekomen betalingsregeling niet eenzijdig beëindigen. Onder omstandigheden kan van een schuldeiser in redelijkheid niet worden verlangd dat deze met de ongewijzigde betalingsregeling genoegen blijft nemen, bijvoorbeeld in het geval dat de financiële situatie van de schuldenaar zich sinds de totstandkoming van de betalingsregeling aanzienlijk heeft verbeterd. Daarvan is hier geen sprake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3863
Prg 2017/276
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 5733535 \ CV EXPL 17-1593

Uitspraakdatum: 7 juni 2017

Vonnis in de zaak van:

de besloten vennootschap Ingenieursbureau I.O.B. B.V.

gevestigd te Hellevoetsluis

eiseres

verder te noemen: I.O.B.

gemachtigde: GGN Amsterdam

tegen

[naam gedaagde]

wonende te [woonplaats]

gedaagde

verder te noemen: [gedaagde]

gemachtigde: mr. S.I.P. Schouten

1 Het procesverloop

1.1.

I.O.B. heeft bij dagvaarding van 30 januari 2017 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

Op 8 mei 2017 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting hebben partijen bij brieven van 11 april 2017 en 1 mei 2017 nog stukken toegezonden.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] heeft aannemingsbedrijf De Nijs (hierna: De Nijs) in 2007 opdracht gegeven een woning te Vijfhuizen te verbouwen. [gedaagde] en De Nijs hebben een conflict gekregen over de verbouwing. [gedaagde] heeft in dat kader I.O.B. ingeschakeld om een rapport op te stellen, en nadien heeft I.O.B. ook voor [gedaagde] opgetreden in een arbitragezaak. I.O.B. heeft voor haar werkzaamheden verschillende facturen aan [gedaagde] gestuurd.

2.2.

Voor de werkzaamheden in het kader van het opstellen van een rapport heeft I.O.B. op 26 juni 2009 en 30 juli 2009 drie facturen aan [gedaagde] gestuurd, voor een bedrag van respectievelijk € 2.360,96, € 1.189,35 en € 3.847,03. Die facturen heeft [gedaagde] betaald.

2.3.

Voor de werkzaamheden in het kader van de arbitragezaak heeft I.O.B. een factuur van 25 maart 2011 opgesteld, voor een bedrag van € 7.422,82.

2.4.

[gedaagde] heeft in een e-mail van 8 april 2011 het volgende geschreven aan [X] (hierna: [x] ), destijds vestigingsmanager van I.O.B.: “Ik zie een rekening binnen komen van IOB voor de begeleiding op 10 februari. Deze kosten bedragen € 7422,82. Volgens mij heb ik ook nog zo’n soortgelijk bedrag aan IOB te betalen uit 2010. Ik weet dat dit bedrag toen bewust opgedreven is om de kosten bij de Nijs te verhalen. Met andere woorden daar zat wisselgeld in voor de toen nog lopende zaak bij de RvA. Hoe moet ik dit factuur nu plaatsen Jaap? Beide facturen opgeteld praten we inmiddels over een kleine € 15.000,-.”

2.5.

[x] heeft in reactie daarop bij e-mail van 8 april 2011 het volgende laten weten: “De factuur die in de voorbereiding al was voorzien was ter dekking van maar 1 zitting en de nodige voorbereiding daarvoor. Die uren zijn inmiddels op (ruim overschreden in 2010). Daar heb ik tot een streep onder gezet en dat niet doorberekend. Wat ik in 2011 gedaan heb voor de 2e zitting dat zouden we factureren. Ik moet daarbij opmerken dat wij dat dus niet goed gedaan hebben. Die factuur lijkt me niet goed en ik zal die laten crediteren en laten corrigeren. Excuses voor het ongemak.”

2.6.

In een e-mail van 24 januari 2012 van [x] is naar aanleiding van overleg over een betalingsregeling aan [gedaagde] gevraagd of hij € 50,00 per maand kon betalen. Daarop is door [gedaagde] in een e-mail van 25 januari 2012 gereageerd met de mededeling dat hij
€ 75,00 per maand kon betalen. [gedaagde] is nadien feitelijk € 75,00 per maand gaan betalen.

2.7.

I.O.B. heeft in een brief van 8 juni 2016 aan [gedaagde] meegedeeld dat hij niet had gereageerd op een eerdere brief van 24 mei 2016 en dat er nog een vordering openstond van € 17.384,77. Ook wordt in die brief het volgende meegedeeld: “De met u in 2012 afgesproken betalingsregeling ad € 75 per maand trekken wij hierbij in”.

2.8.

Bij brief van 3 augustus 2016 heeft [gedaagde] in reactie op de brief van I.O.B. van 8 juni 2016 laten weten dat hij de betalingsregeling trouw nakomt en niet in gebreke is.

2.9.

In een e-mail van 27 september 2016 heeft I.O.B. aan [gedaagde] meegedeeld dat er naast de factuur van 25 maart 2011 van € 7.422,82 nog drie facturen open staan, te weten drie facturen van 7 september 2009, 9 oktober 2009 en 4 oktober 2010, voor bedragen van respectievelijk € 4.122,16, € 8.092,00 en € 1.797,79.

2.10.

[gedaagde] heeft in een e-mail van 30 september 2016 aan I.O.B. meegedeeld dat hij alleen bekend is met de factuur van 25 maart 2011 van € 7.422,82, dat daarvoor een betalingsregeling is getroffen, en dat hij niet bekend is met facturen van 7 september 2009, 9 oktober 2009 en 4 oktober 2010.

3 De vordering

3.1.

I.O.B. vordert dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 22.016,25.

3.2.

I.O.B. legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat zij voor haar werkzaamheden voor [gedaagde] betreffende het opstellen van een rapport en het optreden in een arbitragezaak verschillende facturen heeft gestuurd, met een totaal bedrag van
€ 21.343,77, waarop [gedaagde] door middel van een betalingsregeling € 4.500,00 is betaald, zodat nog een bedrag van € 16.843,77 openstaat. Verder maakt I.O.B. aanspraak op
€ 4.132,63 aan rente en € 948,85 aan buitengerechtelijke incassokosten.

4 Het verweer

4.1.

[gedaagde] betwist de vordering. Hij voert aan dat tussen partijen een betalingsregeling is overeengekomen van € 75,00 per maand en dat I.O.B. niet eenzijdig kan overgaan tot intrekking daarvan. Verder wijst [gedaagde] erop dat hij alleen bekend is met de factuur van 25 maart 2011 van € 7.422,82, dat hij niet bekend is met andere facturen, en dat het bedrag van € 7.422,82 al een meer dan redelijke vergoeding is voor de werkzaamheden van I.O.B.

4.2.

Daarnaast beroept [gedaagde] zich op verjaring ten aanzien van de facturen van 7 september 2009, 9 oktober 2009 en 4 oktober 2010, omdat hij met deze facturen pas bekend is geworden door de brief van I.O.B. van 8 juni 2016.

5 De beoordeling

5.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of [gedaagde] moet worden veroordeeld tot betaling van € 22.016,25.

5.2.

De kantonrechter stelt vast dat niet in geschil is dat partijen in 2012 een betalingsregeling zijn overeengekomen van € 75,00 per maand. Het verweer van [gedaagde] dat I.O.B. deze betalingsregeling niet eenzijdig mocht beëindigen, zoals I.O.B. heeft gedaan met haar brief van 8 juni 2016, treft doel. De beëindiging van de betalingsregeling door I.O.B. moet worden gezien als een buitengerechtelijke ontbinding van de overeenkomst tussen partijen met betrekking tot de betalingsregeling. Een dergelijke ontbinding is gelet op artikel 6:265 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) alleen gerechtvaardigd als [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst en hij in verzuim was. Niet ter discussie staat dat [gedaagde] vanaf 2012 en tot 1 januari 2016 telkens € 75,00 per maand heeft betaald, dat hij daarna de termijnbetaling enige tijd achterwege heeft gelaten, maar dat hij op 23 mei 2016 opnieuw zes termijnen van € 75,00 heeft betaald. Gelet daarop was er ten tijde van de buitengerechtelijke ontbinding door I.O.B. op 8 juni 2016 geen sprake van een tekortkoming in de nakoming van de betalingsregeling en ook geen verzuim. [gedaagde] had immers op 23 mei 2016 alle verschuldigde termijnen al voldaan. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat partijen geen fatale termijn zijn overeengekomen voor termijnbetalingen en evenmin hebben afgesproken dat de regeling zou komen te vervallen bij niet tijdige betaling van een termijn.

5.3.

Voor zover er al wel sprake zou zijn van een tekortkoming, overweegt de kantonrechter dat [gedaagde] niet deugdelijk in gebreke is gesteld, zodat hij ook nog niet in verzuim is gekomen en buitengerechtelijke ontbinding niet gerechtvaardigd was. I.O.B. heeft een brief overgelegd van 19 mei 2016, maar niet gebleken is dat deze door [gedaagde] is ontvangen, zodat die brief niet een ingebrekestelling kan opleveren. Bovendien valt in de brief van 19 mei 2016 niet te lezen dat [gedaagde] in gebreke wordt gesteld wat betreft de betalingsregeling.

5.4.

Onder verwijzing naar een uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam (ECLI:NL: GHAMS:2013:2786) heeft I.O.B. betoogd dat zij de betalingsregeling in dit geval mocht staken. Dat betoog kan niet worden gevolgd. In genoemde uitspraak is geoordeeld dat onder omstandigheden van een schuldeiser in redelijkheid niet kan worden verlangd dat deze met de ongewijzigde betalingsregeling genoegen blijft nemen, waarbij is overwogen dat dit bijvoorbeeld het geval kan zijn als de financiële situatie van de schuldenaar zich sinds de totstandkoming van de betalingsregeling aanzienlijk heeft verbeterd. In dit geval is niet gesteld en ook niet gebleken dat de financiële omstandigheden van [gedaagde] zijn verbeterd, zodat daarin geen reden kan worden gevonden om de betalingsregeling aan te passen. De enkele omstandigheid dat het nog geruime tijd zal duren voor de door I.O.B. gestelde hoofdsom is afgelost, is geen bijzondere omstandigheid die meebrengt dat van I.O.B. niet in redelijkheid kan worden verlangd om genoegen te (blijven) nemen met de huidige betalingsregeling. Die omstandigheid was immers al bekend bij I.O.B. bij aanvang van de betalingsregeling.

5.5.

De conclusie is dat de betalingsregeling nog geldt en dat de vordering van I.O.B. dus niet ineens opeisbaar is, zodat die vordering al daarom moet worden afgewezen.

5.6.

Met het oog op een finale geschilbeslechting zal de kantonrechter ook een oordeel geven over de volgende, overige geschilpunten tussen partijen.

5.7.

Het beroep op verjaring door [gedaagde] ten aanzien van de twee facturen van 7 september 2009 en 4 oktober 2010 slaagt. Uitgaande van de in die facturen genoemde betalingstermijn van 30 dagen is de vordering betreffende die facturen op grond van artikel 3:307 lid 1 BW verjaard op 5 oktober 2014 en 2 november 2015. Er is niet komen vast te staan dat die verjaring is gestuit door een schriftelijke aanmaning of erkenning in de zin van de artikelen 3:317 en 3:318 BW, gelet op het volgende.

5.8.

[gedaagde] heeft de ontvangst van de twee facturen van 7 september 2009 en 4 oktober 2010 betwist en heeft erop gewezen dat hij daarmee pas bekend is geraakt door de brief van I.O.B. van 8 juni 2016. I.O.B. heeft daartegenover haar standpunt dat [gedaagde] die facturen wel heeft ontvangen, onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd. Dat geldt ook voor de stelling van I.O.B. dat [gedaagde] bekend was met de twee facturen van 7 september 2009 en 4 oktober 2010 door een e-mail van I.O.B. van 22 augustus 2011 en een daarbij toegezonden brief van 18 augustus 2011, en door brieven van 14 december 2011 en 5 februari 2014. Ook de ontvangst van die e-mail en genoemde brieven wordt door [gedaagde] ontkend en ook hiervoor geldt dat I.O.B. onvoldoende heeft toegelicht waarom zou moeten worden aangenomen dat [gedaagde] die e-mail en brieven desondanks heeft ontvangen. Vast staat dat de betreffende brieven niet aangetekend zijn verzonden en uit het door I.O.B. overgelegde e-mailbericht blijkt slechts dat deze is verzonden aan “Richard [gedaagde] ”, zonder dat duidelijk is aan welk e-mailadres dit bericht is gericht. Gelet op het voorgaande is er ook geen reden om I.O.B. in de gelegenheid te stellen om nader bewijs te leveren. Daarbij weegt mee dat I.O.B. in de dagvaarding in strijd met de artikelen 21 en 111 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) niet alle van belang zijnde feiten volledig heeft aangevoerd en geen melding heeft gemaakt van het verweer van [gedaagde] . In de dagvaarding is immers geen melding gemaakt van de uitgebreide voorgeschiedenis van de zaak en van het al bekende verweer van [gedaagde] .

5.9.

Uitgaande van hetgeen hiervoor is overwogen, is de verjaring van de vordering ten aanzien van de facturen van 7 september 2009 en 4 oktober 2010 niet gestuit door enige aanmaning die [gedaagde] (tijdig) heeft bereikt en werking heeft gehad. Het treffen van de betalingsregeling in 2012 is evenmin een erkenning door [gedaagde] van de verschuldigdheid van die facturen. Niet gebleken is dat [gedaagde] bij het aangaan van de betalingsregeling bekend was met de betreffende facturen, zodat een erkenning in dat kader ook geen betrekking kan hebben op die facturen.

5.10.

De kantonrechter neemt wel als vaststaand aan dat [gedaagde] bekend was met de factuur van 9 oktober 2009 voor een bedrag € 8.092,00 (€ 6.800,00 exclusief btw). Uit de hiervoor aangehaalde e-mailcorrespondentie tussen [gedaagde] en [x] van 8 april 2011 en toelichting daarop van [gedaagde] op de zitting, blijkt dat [gedaagde] destijds met deze factuur bekend was en daarover overleg heeft gehad met [x] . Echter, uit die e-mailcorrespondentie moet ook worden afgeleid dat [x] erkent dat de factuur van 9 oktober 2009 onjuist is. [x] schrijft immers: “Die factuur lijkt me niet goed en ik zal die laten crediteren en laten corrigeren.” Voor zover I.O.B. het standpunt inneemt dat [x] op een andere factuur doelde, kan zij daarin niet worden gevolgd, omdat daarvoor geen steun is te vinden in die e-mailcorrespondentie en de stukken. Op de zitting heeft I.O.B., daarnaar gevraagd, in dit verband ook geen nadere uitleg of toelichting kunnen geven, anders dan dat [x] niet meer bij I.O.B. werkzaam is en kennelijk niet bereid is om informatie te geven. Dat komt voor rekening en risico van I.O.B. Dat betekent dat als vaststaand moet worden aangenomen dat [gedaagde] de factuur van 9 oktober 2009 niet verschuldigd is.

5.11.

Ook vanwege hetgeen hiervoor onder 5.7 tot en met 5.10 is overwogen, moet de vordering van I.O.B. dus worden afgewezen. Voor zover [gedaagde] nog meer of andere verweren heeft gevoerd, hoeven deze daarom niet meer te worden besproken.

5.12.

De proceskosten komen voor rekening van I.O.B., omdat zij ongelijk krijgt. De kantonrechter ziet geen reden om I.O.B. in de volledige proceskosten te veroordelen, zoals [gedaagde] heeft verzocht. Voor een dergelijke veroordeling is alleen aanleiding in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Dat kan aan de orde zijn als een eisende partij zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden (zie: HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR: 2012:BV7828). Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Gelet ook op die vereiste terughoudendheid is het enkele feit dat I.O.B. in de dagvaarding geen melding heeft gemaakt van de uitgebreide voorgeschiedenis van de zaak en van het al bekende verweer van [gedaagde] , onvoldoende grond om te oordelen dat I.O.B. haar vordering heeft gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

wijst de vordering af;

6.2.

veroordeelt I.O.B. tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor [gedaagde] worden vastgesteld op een bedrag van € 800,00 aan salaris van de gemachtigde van [gedaagde] .

6.3.

verklaart de veroordeling onder 6.2 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Jansen en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter