Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:6262

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
21-07-2017
Datum publicatie
06-10-2017
Zaaknummer
5830189 AO VERZ 17-40
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek van werknemer tot toekenning van een billijke vergoeding wegens tekortschieten werkgever in re-integratieverplichtingen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/5182
AR-Updates.nl 2017-1204
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 5830189 \ AO VERZ 17-40

Uitspraakdatum: 21 juli 2017

Beschikking in de zaak van:

[werkneemster] ,

wonende te [woonplaats]

verzoekende partij

verder te noemen: [werkneemster]

gemachtigde: mr. B.G. Baljet

tegen

de stichting

[werkgever] ,

gevestigd te [vestigingsplaats]

verwerende partij

verder te noemen: [werkgever]

gemachtigde: mr. B.S. Nonnekes

1 Het procesverloop

1.1.

[werkneemster] heeft op 17 maart 2017 een verzoekschrift - ex artikel 7:682 lid 1 aanhef en onderdeel c van het Burgerlijk Wetboek (BW) - met producties ingediend. [werkgever] heeft daarop gereageerd bij verweerschrift met producties.

1.2.

Op 9 juni 2017 heeft een zitting plaatsgevonden. Voorafgaand aan de zitting heeft [werkneemster] bij brief van 2 juni 2017 nog stukken toegezonden. De gemachtigde van [werkneemster] heeft ter zitting pleitaantekeningen overgelegd en voorgedragen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen verder ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.

2 De feiten

2.1.

[werkneemster] , geboren op [geboortedatum] , is op 1 september 2002 in dienst getreden bij [werkgever] . De laatste functie die [werkneemster] vervulde, is die van (parttime) leerkracht, met een salaris van € 1.554,36 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag en emolumenten.

2.2.

Op de arbeidsovereenkomst is de CAO PO 2016-2017 van toepassing.

2.3.

Op 7 maart 2013 is [werkneemster] ziek gemeld nadat bij haar Multiple Sclerose (MS) is geconstateerd.

2.4.

Tot eind januari 2014 had [werkneemster] geen benutbare mogelijkheden voor re-integratie.

2.5.

Bij brief van 23 januari 2014 heeft de bedrijfsarts geadviseerd een opstart te maken met het terugkeertraject. Er zijn nog steeds beperkingen ten aanzien van energie en fysieke belastbaarheid. Het advies is te starten met 1-2 maal per week circa 2 uur, nog niet in klasgebonden taken. De bedrijfsarts acht de inzet van een jobcoach van Heliomare aangewezen. Doel is terugkeer in eigen werk te begeleiden.

2.6.

Bij brief van 12 maart 2014 heeft de bedrijfsarts, naar aanleiding van een gesprek met [werkneemster] op 6 maart 2014, aangegeven dat [werkneemster] wellicht ook klasgebonden taken kan uitvoeren, maar dan in een boventallige situatie.

2.7.

Op 11 april 2014 heeft een intake gesprek tussen [werkneemster] (en haar echtgenoot), [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) van [werkgever] en jobcoach [jobcoach] plaatsgevonden. Afgesproken is toen onder meer dat [werkneemster] na de meivakantie op 16 mei 2014 zal starten met 1 uur aanwezigheid en dat de jobcoach in overleg met de bedrijfsarts een urenschema gaat maken. [werkneemster] heeft aangegeven dat zij haar collega [collega] graag als ‘maatje’ wil. Omdat [werkneemster] geen wensen voor het komende schooljaar heeft doorgegeven, heeft [betrokkene 1] haar gevraagd dit alsnog te doen.

2.8.

In april 2014 is [werkneemster] begonnen met re-integreren in groep 6 bij haar collega [collega] .

2.9.

Bij brief van 26 mei 2014 heeft de bedrijfsarts, naar aanleiding van een op die dag gevoerd gesprek met [werkneemster] , geadviseerd ten aanzien van klasgebonden taken te streven naar één klas/groep leerlingen en één klaslokaal, om geen energie te hoeven steken in wisselende omstandigheden of het telkens verplaatsen van hulpmiddelen.

2.10.

Bij e-mail van 5 juni 2014 heeft [betrokkene 1] met betrekking tot de formatie voor het komende schooljaar 2014-2015 aan [werkneemster] (onder meer) medegedeeld, dat [werkneemster] blijft werken in de voor haar vertrouwde bovenbouw, op donderdag in groep 7 en op vrijdag in groep 8.

2.11.

Bij e-mail van 22 juni 2014 heeft [werkneemster] [werkgever] (onder meer) laten weten dat bovengenoemde formatie in strijd is met het advies van de bedrijfsarts.

2.12.

Op 27 juni 2014 heeft, in vervolg op een evaluatiegesprek van 6 juni 2014, een evaluatiegesprek plaatsgevonden tussen [werkneemster] , [betrokkene 1] en de jobcoach. In het van dit gesprek opgemaakte verslag is (onder meer) vermeld dat [betrokkene 1] in het nieuwe schooljaar samen met [werkneemster] en haar collega [collega] zal bespreken hoe het opbouwschema in de groep van [collega] er uit zal zien. Tevens is in dit verslag (onder meer) vermeld dat [werkneemster] , op de vraag van [betrokkene 1] wat zij nodig heeft om het komende schooljaar goed te kunnen re-integreren, aangeeft dat zij de spraakversterker al heeft en dat zij onder andere een goede zitgelegenheid nodig heeft. De jobcoach heeft geadviseerd dit direct na het (hierna te noemen) arbeidsdeskundig rapport in gang te zetten.

2.13.

Op 16 september 2014 heeft Heliomare het hiervoor bedoelde arbeidsdeskundig rapport uitgebracht naar aanleiding van een onderzoek op 28 augustus 2014. In dat rapport is onder meer vermeld, dat het onduidelijk is of [werkneemster] op termijn voldoende belastbaar zal zijn om weer tenminste ruim 5,5 uur per dag les te kunnen geven. De arbeidsdeskundige raadt aan om de re-integratie ook te gaan richten op ander, beter passend werk buiten de organisatie (spoor 2). Plan A blijft echter inzet op volledige terugkeer in eigen werk. Zodra duidelijk is of en wanneer volledige en duurzame re-integratie in het eigen werk mogelijk is, kunnen de inspanningen gericht op re-integratie in spoor 2 gestopt worden, aldus de arbeidsdeskundige. Verder concludeert de arbeidsdeskundige dat wanneer de duurbelastbaarheid van [werkneemster] voldoende is om weer 19 uur per week te functioneren als leraar in het basisonderwijs, structurele aanpassingen noodzakelijk zijn, te weten: het zoveel mogelijk beperken van wisselende omstandigheden en het verplaatsen van hulpmiddelen, een (reeds aanwezige) stemversterker, een adequate stoel of kruk en aanpassingen in de arbeidsinhoud waardoor concentratie vergende taken deels op een andere dag dan een lesdag uitgevoerd kunnen worden.

2.14.

Op 29 september 2014 heeft de jobcoach een tussenrapportage opgemaakt. In deze rapportage is onder meer vermeld: ‘Op dit moment ziet mevrouw [werkneemster] beperkte mogelijkheden in het re-integreren in haar formatieplaats; 1 dag groep 7 en 1 dag groep 8. Zij ervaart deze plaats als te intensief om voor haar gegronde redenen. Werkgever heeft hier een andere visie op. (…). In mijn functie van jobcoach kan ik mij goed vinden in de argumenten van die mevrouw [werkneemster] aandraagt. Tevens kan ik mij vinden in de visie die werkgever heeft op de nu geboden formatieplaats aan mevrouw [werkneemster] . (…)’

2.15.

Op 3 oktober 2014 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [werkneemster] (en haar echtgenoot), de jobcoach, de personeelsadviseur van [werkgever] en [betrokkene 1] over de conclusies uit het (onder 2.13 genoemde) arbeidsdeskundig onderzoek. Tussen partijen is in dit gesprek (onder meer) afgesproken dat [werkneemster] vooralsnog re-integreert in de groep van [collega] , dat de inzet van de jobcoach wordt voortgezet tot 1 januari 2015 en dat [werkneemster] offertes zal aanvragen voor aanpassingen op de werkplek zoals zit-sta meubilair en aanpassingen digibord. Met betrekking tot de plek in de formatie zijn partijen niet tot overeenstemming gekomen en is afgesproken dat zowel [werkneemster] als [werkgever] een deskundigenoordeel aan het UWV zullen vragen.

2.16.

Op 24 oktober 2014 heeft andermaal een evaluatiegesprek tussen [werkneemster] (en haar dochter), [betrokkene 1] en de jobcoach plaatsgevonden. Blijkens het van dit gesprek opgemaakte verslag heeft [werkneemster] op de vraag van de jobcoach of zij, naast de benodigde hulpmiddelen, behoefte heeft om andere zaken bespreekbaar te maken, zoals de sfeer die er heerst tijdens het gesprek, aangegeven dat zij het fijn vindt dat collega’s haar steun bieden tijdens de re-integratie en dat er voor haar geen bespreekpunten zijn met betrekking tot de sfeer.

2.17.

Bij e-mail van 29 oktober 2014 heeft [betrokkene 1] aan [werkneemster] (onder meer) medegedeeld dat zij akkoord gaat met het door de jobcoach opgestelde opbouwschema en dat, wanneer [werkneemster] gedeeltelijk hersteld wordt gemeld, opnieuw zal moeten worden bekeken of het mogelijk is dat [werkneemster] in groep 6 blijft of dat zij verder re-integreert in groep 7 en/of 8. Zolang [werkneemster] niet (gedeeltelijk) hersteld is gemeld, levert het organisatorisch geen problemen op dat zij in groep 6 re-integreert in plaats van in groep 7 en/of 8. Voorts heeft [betrokkene 1] in deze e-mail (onder meer) aangegeven dat zij akkoord gaat met de offerte van Heliomare voor het opstarten van een tweede spoor traject, dat [werkneemster] ook heeft ingestemd met het inschakelen van Heliomare en dat [jobcoach] haar diensten als jobcoach zal voortzetten tot 1 januari 2015, waarna samen zal worden bekeken of voortzetting wenselijk is.

2.18.

Naar aanleiding van de aanvragen van [werkneemster] en [werkgever] (bedoeld onder 2.15. van deze beschikking), heeft het UWV op respectievelijk 10 november 2014 en op 11 november 2014 deskundigenoordelen uitgebracht. Deze hebben beide als conclusie dat de re-integratie-inspanningen van de werkgever onvoldoende zijn geweest, dat er onvoldoende rekening is gehouden met de adviezen van de arbeidsdeskundige en de jobcoach en dat het reeds nu inzetten in twee groepen niet wordt geadviseerd.

2.19.

Op 28 november 2014 zijn de deskundigenoordelen tussen partijen besproken. Blijkens de van dat gesprek opgemaakte verslag heeft [betrokkene 2] (leidinggevende van [betrokkene 1] ) met betrekking tot de onwenselijkheid van het werken in twee groepen aangegeven dat er wel een afspraak mogelijk is, maar niet voor een periode van meerdere jaren. Ook kan volgens [betrokkene 2] niet de garantie worden gegeven dat er een vast lokaal voor [werkneemster] komt waar ze de komende jaren kan blijven werken.

2.20.

In december 2014 is de aangepaste stoel aangeschaft. Het digibord is niet aangeschaft.

2.21.

Op 11 december 2014 heeft [werkneemster] een aanvraag voor een WIA-uitkering ingediend.

2.22.

Op 22 december 2014 heeft de bedrijfsarts, naar aanleiding van een gesprek met [werkneemster] , gerapporteerd dat er nog steeds geen duidelijke afspraken omtrent de re-integratie zijn gemaakt en dat deze onduidelijkheid de medische situatie van [werkneemster] geen goed doet.

2.23.

Met ingang van 1 januari 2015 is het contract met de jobcoach niet verlengd.

2.24.

Op 9 januari 2015 is [werkneemster] in het ziekenhuis opgenomen.

2.25.

Op 2 februari 2015 heeft de bedrijfsarts geadviseerd een duidelijk re-integratieplan op te stellen en goede afspraken te maken, ook op termijn.

2.26.

In het kader van de WIA-aanvraag van [werkneemster] heeft de arbeidsdeskundige van het UWV op 6 februari 2015 een rapport uitgebracht. Hierin heeft de arbeidsdeskundige onder het kopje ‘verloop van de re-integratie’ onder ‘eindevaluatie 4 december 2014’ onder meer vermeld dat [werkneemster] , door de inspanningen die de aanvraag van het deskundigenoordeel (van 10 november 2014) met zich meebracht, tijdelijk is gestopt met de re-integratie. Ook heeft de arbeidsdeskundige onder het kopje ‘beoordeling re-integratieinspanningen’ onder meer aangegeven dat het reeds nu inzetten op twee groepen niet aansluit bij de situatie van [werkneemster] .

2.27.

Bij beslissing van 11 februari 2015 heeft het UWV aan [werkneemster] medegedeeld dat de behandeling van de WIA-aanvraag is uitgesteld, omdat [werkgever] haar re-integratieverplichtingen niet is nagekomen. Het UWV heeft aan [werkgever] een loonsanctie opgelegd, inhoudend dat zij het loon aan [werkneemster] moet doorbetalen tot 4 maart 2015.

2.28.

Op 13 februari 2015 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [werkneemster] en haar echtgenoot en [betrokkene 2] van [werkgever] (die de rol van [betrokkene 1] in het re-integratietraject heeft overgenomen). In het van dit gesprek opgemaakte verslag staat (onder meer) het volgende vermeld:

‘Begin februari 2015 is [werkneemster] bij de Arbo arts geweest. Daarvoor had ze een radiostilte gevraagd vanaf de kerstvakantie. De Arbo arts heeft geadviseerd dat er duidelijkheid moet komen, voordat [werkneemster] (weer) gaat re-integreren.

(…)

Acties [betrokkene 2] :

1. Afspraak voor de rest van dit schooljaar (denkrichting is re-integreren bij [collega] in groep 6 Juno) afstemmen met [naam 1] en [betrokkene 3] (vervanger van [naam 3] ).

2. Afspraak voor volgend schooljaar (denkrichting is plaats in formatie naast [collega] in groep 6 Juno op werkdagen donderdag en vrijdag) afstemmen met [naam 1] en [betrokkene 3] .

(…)

4. Nieuwe offerte opvragen voor jobcoach bij Heliomare. Ingangsdatum is eerste dag van re-integratie op basis van 0 uren contract (…)

Verdere acties en informatie:

(…)

- [werkneemster] geeft aan moeite te hebben met ‘het innemen van iemand anders zijn plaats’. Met andere woorden: als zij gaat re-integreren in groep 6 van [collega] en ze wordt op een gegeven moment gedeeltelijk beter gemeld, dan zal de duo van [collega] (Marguerite) een andere groep moeten krijgen. (…) Gezien het feit dat het februari is, wordt de kans klein geacht dat [werkneemster] voor de zomervakantie al twee dagen volledig voor de klas zal staan, nog niet zo groot geacht, door zowel [betrokkene 2] als [werkneemster] .’

2.29.

Bij e-mail van 20 februari 2015 heeft [betrokkene 2] [werkneemster] laten weten wat het resultaat is van de in voornoemd verslag genoemde acties, namelijk dat de re-integratie voor de rest van het schooljaar kan plaatsvinden in groep 6 bij [collega] en dat de afspraak voor het komende schooljaar is dat [werkneemster] gaat werken in groep 6 naast [collega] .

2.30.

Op 20 maart 2015 is er een gesprek geweest tussen [werkneemster] en [werkgever] waarin [werkneemster] heeft aangegeven dat zij een arbeidsconflict ervaart.

2.31.

Naar aanleiding van een gesprek met [werkneemster] op 31 maart 2015 heeft de bedrijfsarts in zijn advies van 1 april 2015 vermeld dat [werkneemster] medisch gezien nog steeds in staat geacht kan worden te starten met re-integratie. De bedrijfsarts maakt melding van een arbeidsconflict en adviseert om te komen tot goede afspraken omtrent de re-integratie en daarbij een mediationtraject te starten.

2.32.

Bij brief van 7 april 2015 heeft [betrokkene 2] [werkneemster] medegedeeld dat zij, hoewel zij zelf geen voorstander is van mediation in deze fase van de re-integratie, naar aanleiding van het advies van de bedrijfsarts d.d. 31 maart 2015 heeft besloten het advies met betrekking tot de mediation wel op te volgen. Tevens heeft [betrokkene 2] [werkneemster] bij deze brief opgeroepen om op vrijdag 10 april 2015 op het werk te verschijnen.

2.33.

[werkneemster] is op 10 april 2015 op het werk verschenen en kort na aankomst weer vertrokken. Zij was ontvangen door leidinggevende [betrokkene 3] . [werkneemster] heeft bij e-mail van 13 april 2015 aan [betrokkene 2] medegedeeld, dat het door [betrokkene 3] aan haar overgelegde opbouwschema niet in overleg met [werkneemster] is opgesteld en niet voldeed aan de voorwaarden die de bedrijfsarts en de jobcoach hadden geadviseerd en dat er eerst duidelijke afspraken over haar re-integratie gemaakt moesten worden. [betrokkene 3] heeft bij e-mail van 10 april 2015 aan [betrokkene 2] een andere visie op de gebeurtenissen op 10 april 2015 gegeven.

2.34.

Na een intakegesprek heeft op 13 mei 2015 een eerste mediationsessie plaatsgevonden. In het logboek van de bedrijfsarts (productie 92 zijdens [werkneemster] ) is onder de datum 28 mei 2015 vermeld dat de mediation niet tot een oplossing heeft geleid en dat is besloten een spoor 2 re-integratietraject in te zetten.

2.35.

Op 3 juni 2015 ontvangt [werkneemster] een mail van [werkgever] die gezonden is aan alle medewerkers met als bijlage de formatie voor het schooljaar 2015-2016. [werkneemster] is in deze formatie opgenomen. Achteraf blijkt dit een vergissing.

2.36.

Op 22 juni 2015 vindt een intake plaats bij Heliomare voor het opstarten van het spoor 2 traject. In het logboek van de bedrijfsarts (onder de datum 23 juni 2015) is vermeld dat Heliomare [werkneemster] heeft geadviseerd psychische hulp te zoeken. Psychologische ondersteuning is door [werkgever] voor [werkneemster] ingekocht.

2.37.

Rond juni/juli 2015 is [werkneemster] wegens een toename van haar MS klachten opgenomen in het ziekenhuis.

2.38.

Bij e-mail van 7 juli 2015 heeft Heliomare medegedeeld dat zij geen passend spoor 2 traject kan inzetten.

2.39.

Op 20 augustus 2015 heeft een intakegesprek plaatsgevonden bij het door [werkgever] ingeschakelde bureau Enroute voor de begeleiding van de re-integratie in spoor 2. Blijkens het door Enroute opgemaakte verslag van 4 september 2015 kan Enroute echter geen passend traject bieden, maar moeten eerst de mogelijkheden in spoor 1 nader worden onderzocht. Pas als vaststaat dat hiervoor geen mogelijkheden zijn, kan een tweede spoortraject worden ingezet. Als beide partijen overeenkomen om buiten de eigen organisatie op zoek te gaan naar passend werk, kan alsnog worden besloten het tweede spoortraject op te starten, aldus Enroute.

2.40.

Op 3 september 2015 heeft [werkneemster] weer een deskundigenoordeel bij het UWV aangevraagd omtrent vraag of [werkgever] voldoet aan haar re-integratieverplichtingen. Bij besluit van 29 oktober 2015 heeft het UWV – op basis van een arbeidsdeskundige rapportage van 28 oktober 2015 - geoordeeld dat [werkgever] voldoende meewerkt aan de re-integratie van [werkneemster] . In de arbeidsdeskundige rapportage is onder meer vermeld: ‘(...) De werkgever heeft werknemer een aanbod gedaan voor het schooljaar 2015-2016 voor werkzaamheden in 1 groep op 1 locatie. (…) Gezien de belastbaarheid die is vastgesteld door de bedrijfsarts zijn de aangeboden werkzaamheden passend. De werkgever heeft m.i. terecht een dwingende oproep gedaan aan werknemer om te starten met de re-integratie. De inzet van mediation in de vastgelopen situatie is adequaat. (…)’

2.41.

Medio oktober 2015 is [werkneemster] weer enige tijd in het ziekenhuis opgenomen geweest.

2.42.

Bij brief van 27 november 2015 heeft ( [betrokkene 2] van) [werkgever] [werkneemster] opgeroepen om een start te maken met de re-integratie in spoor 1. Als bijlage bij deze brief heeft [betrokkene 2] een re-integratieplan gevoegd gemaakt op basis van een eerder re-integratieplan uit oktober 2014 dat is opgesteld door de jobcoach en heeft zij meegedeeld dat het re-integratietraject in spoor 1 volgens dit plan kan worden uitgevoerd.

2.43.

Bij e-mail van 1 december 2015 heeft [werkneemster] aan [betrokkene 2] meegedeeld dat zij het hiervoor genoemde re-integratieschema minder geschikt vindt omdat zij dan pas na januari (2016) weer voor de klas zou verschijnen en dat zij om die reden een ander schema heeft opgesteld waarin zij direct al gaat meelopen in de toegewezen klas. [werkneemster] heeft aangegeven dat de in het plan genoemde administratieve werkzaamheden over te willen slaan omdat zij daar ongelukkig van wordt.

2.44.

Op 8 december 2015 heeft [werkneemster] een aangepaste versie van voornoemd plan van aanpak ondertekend voor ‘gezien’.

2.45.

Op 15 december 2015 is [werkneemster] weer in de klas van [collega] (groep 6) aanwezig.

2.46.

Naar aanleiding van een verzoek van [werkgever] heeft het UWV bij beslissing van
15 december 2015 geoordeeld dat [werkgever] voldoet aan haar re-integratieverplichtingen en is de loonsanctie bekort tot en met 16 december 2015. Bij brief van 15 december 2015 heeft het UWV aan [werkneemster] meegedeeld dat de aanvraag voor een WIA-uitkering per 17 december 2015 alsnog in behandeling wordt genomen. [werkneemster] dient daartoe te verschijnen bij de verzekeringsarts.

2.47.

Op 24 december 2015 heeft [werkneemster] een afspraak bij de bedrijfsarts. Deze heeft vastgesteld dat sprake is van arbeidsproblematiek die de re-integratie belemmert en een negatieve invloed heeft op het medisch beeld van [werkneemster] . De bedrijfsarts heeft geadviseerd dit op te lossen alvorens de re-integratie voort te zetten.

2.48.

Op 12 januari 2016 heeft de WIA keuring van [werkneemster] plaatsgevonden. Op 26 januari 2016 is de beslissing over de uitkering van het UWV gevolgd. De arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 44,42% (categorie 35-80%) en de WIA-uitkering is toegekend. [werkneemster] heeft op 7 maart 2016 bezwaar aangetekend tegen deze beslissing.

2.49.

Op 26 januari 2016 heeft [werkneemster] bezwaar aangetekend tegen de beslissing van het UWV van 15 december 2015 inzake de opheffing van de loonsanctie per 17 december 2015.

2.50.

Op 11 februari 2016 ontvangt [werkneemster] het bericht dat [werkgever] een ontslagvergunning voor haar heeft aangevraagd. Op 25 februari 2016 wordt deze aanvraag ingetrokken.

2.51.

Op 11 maart 2016 is een mediationtraject tussen partijen gestart, dat is afgesloten op 16 juni 2016 zonder dat partijen tot een vergelijk zijn gekomen.

2.52.

Van 28 juni 2016 tot en met 2 juli 2016 is [werkneemster] in het ziekenhuis opgenomen.

2.53.

Op 4 augustus 2016 heeft het UWV beslist op de bezwaren van [werkneemster] tegen de beslissingen van 15 december 2015 en van 26 januari 2016. Het bezwaar tegen de beslissing van 26 januari 2016 met betrekking tot het arbeidsongeschiktheidspercentage is gegrond verklaard. Die beslissing is herroepen in die zin dat [werkneemster] 100% arbeidsongeschikt is.
Het bezwaar tegen de beslissing van 15 december 2015 inzake het herstel van de tekortkomingen van [werkgever] in de re-integratieverplichtingen en het opheffen van de loonsanctie is ongegrond verklaard. Die beslissing is gehandhaafd onder een gewijzigde motivering, namelijk dat er door het gewijzigde medische oordeel een nieuwe situatie is ontstaan, waarop de bezwaargronden niet van toepassing zijn. De loonsanctie is terecht bekort omdat [werkneemster] niet belastbaar wordt geacht en er valt voor [werkgever] niets meer te repareren inzake de re-integratie-inspanningen.

2.54.

Op 7 oktober 2016 heeft [werkgever] toestemming aan het UWV gevraagd de arbeidsovereenkomst met [werkneemster] op te zeggen wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. Op 24 november 2016 heeft UWV de toestemming verleend. Vervolgens heeft [werkgever] het dienstverband van [werkneemster] opgezegd bij brief van 30 november 2016 met ingang van 31 januari 2017.

2.55.

[werkgever] heeft een transitievergoeding ad € 10.974,79 bruto aan [werkneemster] betaald.

3 Het verzoek

3.1.

[werkneemster] verzoekt, bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [werkgever] te veroordelen tot betaling van:

I. een billijke vergoeding ad € 250.000,- bruto;

II. de wettelijke rente daarover vanaf het tijdstip van opeisbaarheid;

III. de proceskosten en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente indien betaling binnen 14 dagen na de uitspraak uitblijft.

3.2.

[werkneemster] legt – kort weergegeven – het volgende aan haar verzoek ten grondslag. De opzegging van de arbeidsovereenkomst is het gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [werkgever] zoals bedoeld in artikel 7:682 lid 1 aanhef en onder c BW. [werkgever] is ernstig tekort geschoten in haar re-integratieverplichtingen waardoor de re-integratie van [werkneemster] uiteindelijk volledig is geblokkeerd. Hierom dient aan [werkneemster] ten laste van [werkgever] een billijke vergoeding te worden toegekend van € 250.000,-.

4 Het verweer

4.1.

[werkgever] concludeert primair tot afwijzing van het verzoek. Zij voert daartoe - kort gezegd - aan dat de arbeidsovereenkomst op redelijke gronden is opgezegd wegens langdurige arbeidsongeschiktheid van [werkneemster] en dat deze opzegging niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [werkgever] . Subsidiair verzoekt [werkgever] de hoogte van de billijke vergoeding te matigen, een en ander met veroordeling van [werkgever] in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

5 De beoordeling

5.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of aan [werkneemster] een billijke vergoeding moet worden toegekend. [werkneemster] heeft het verzoek tijdig ingediend, omdat het is ontvangen binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.

5.2.

Uit het bepaalde artikel 7:682 lid 1 aanhef en onderdeel c BW volgt dat de kantonrechter op verzoek van een werknemer van wie de arbeidsovereenkomst is opgezegd met de toestemming van het UWV, aan die werknemer een billijke vergoeding kan toekennen, indien een opzegging wegens omstandigheden als bedoeld in artikel 7:669 lid 3, onderdeel b, BW het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever zich slechts zal voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als een werkgever zijn re-integratieverplichtingen bij ziekte ernstig heeft veronachtzaamd of als een werknemer arbeidsongeschikt is geworden (en uiteindelijk wordt ontslagen) als gevolg van verwijtbaar onvoldoende zorg van de werkgever voor de arbeidsomstandigheden (zie: Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34). Een dergelijke situatie doet zich naar het oordeel van de kantonrechter hier niet voor, gezien het volgende.

5.3.

De kantonrechter overweegt dat het enkele feit dat het re-integratietraject in aanvang niet vlekkeloos is verlopen en heeft geleid tot een tijdelijke loonsanctie onvoldoende is om aan te nemen dat [werkgever] gedurende het re-integratietraject ernstig verwijtbaar zou hebben gehandeld. [werkgever] heeft in dat kader gewezen op de nadien verschenen beoordeling van het UWV over de re-integratie inspanningen door [werkgever] , welke als voldoende zijn beoordeeld.

5.4.

[werkneemster] heeft als verwijt met name gesteld dat zij, tegen de adviezen van de bedrijfsarts en de jobcoach, moest re-integreren in twee groepen en in verschillende lokalen, terwijl zij juist was gebaat bij duidelijkheid en regelmaat. Dit verwijt kan niet slagen. Het staat tussen partijen vast dat (sedert de aanvang van de re-integratie in april 2014) [werkneemster] nimmer in een andere klas dan groep 6 bij [collega] in een vast lokaal heeft gere-integreerd, conform haar wens. Voor zover is gesproken over twee klassen in de e-mail van 5 juni 2014, had dit betrekking op de periode waarbij gesproken is over een mogelijkheid indien [werkneemster] (gedeeltelijk) hersteld zou zijn verklaard. Dat heeft niet plaatsgevonden. Daar komt bij dat de jobcoach in haar rapport van 29 september 2014 aangeeft dat zij zich kan vinden in de visie van de werkgever. Veeleer komt uit het dossier naar voren dat nadien vooral door [werkneemster] zelf over een toekomstige situatie is gesproken en dat, gelet op de bewoordingen, daarbij kennelijk om garanties is gevraagd die [werkgever] niet kon en wilde geven. Het moge zo zijn dat [werkneemster] meer zekerheid wilde hebben, niet gebleken is dat [werkgever] die zekerheid kon bieden. Weliswaar heeft de bedrijfsarts op 2 februari 2015 aangegeven goede afspraken te maken, ook voor de toekomst, doch het staat vast dat het niet tot een verbetering of (gedeeltelijke) herstelmelding is gekomen, zodat niet kan worden geoordeeld dat [werkgever] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door geen afspraken te maken voor de nog onzekere toekomst.

5.5.

[werkneemster] heeft verder gesteld dat [werkgever] ernstig in gebreke is gebleven met de aanschaf van aangepast meubilair. Ook deze stelling faalt. Het staat vast dat eerst in januari 2014 is geadviseerd een aanvang te maken met het re-integratietraject. Uit het verslag van het evaluatiegesprek op 27 juni 2014 (r.o. 2.12) volgt dat [werkneemster] de stemversterker al had. De jobcoach heeft met betrekking tot onder andere een goede zitgelegenheid aangegeven dit na het arbeidsdeskundig rapport in gang te zetten. Dat rapport is uitgebracht op 16 september 2014. De arbeidsdeskundige heeft in zijn rapport aangegeven dat een (reeds aanwezige) stemversterker en een adequate stoel pas noodzakelijk zijn wanneer de duurbelastbaarheid van [werkneemster] voldoende is om weer 19 uur per week als leraar in het basisonderwijs te functioneren. Vervolgens is op 3 oktober 2014 afgesproken dat [werkneemster] offertes zou aanvragen voor de benodigde hulpmiddelen, zoals zitmeubilair en aanpassingen digibord.
Uit de overgelegde factuur volgt dat de aangepaste stoel in december 2014 is aangeschaft.
Het is mogelijk dat een en ander wellicht sneller had gekund, doch daarmee staat nog niet vast dat dit aan [werkgever] te wijten is, in de zin dat zij ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.
Het digibord is uiteindelijk niet aangeschaft, maar, zoals door [werkgever] onweersproken ter zitting is aangevoerd, dit bord zou worden aangeschaft als [werkneemster] daadwerkelijk weer voor de klas zou staan. Zo ver is het niet gekomen.

5.6.

Ook de verwijten ten aanzien van de mediation en de gebeurtenissen op 10 april 2015 kunnen niet slagen. Bij brief van 7 april 2015 had [werkgever] aangegeven aan mediation mee te zullen werken. Verder volgt uit de overgelegde e-mail van [betrokkene 3] aan [betrokkene 2] van 10 april 2015, dat [werkneemster] niet in gesprek heeft willen gaan met [betrokkene 3] toen deze aangaf dat het de bedoeling was juist op die dag het tijdpad waarin de opbouw van de werkzaamheden stond beschreven samen met [werkneemster] concreet te invullen en vast te stellen. [werkneemster] is na een paar minuten vertrokken. Dat [werkgever] in dezen ernstig verwijtbaar zou hebben gehandeld is niet gebleken (zie ook het deskundigenoordeel hieromtrent). Uit het logboek van de bedrijfsarts volgt dat de mediation niet tot een oplossing heeft geleid en dat [werkneemster] graag het tweede spoor wil starten. Partijen hebben daarover vervolgens afspraken gemaakt. [werkgever] heeft daarvoor een extern bureau ingeschakeld. Ook is psychologische ondersteuning ingekocht.
In 2016 is nogmaals een mediationtraject gestart. Dat dit traject door ernstig verwijtbaar handelen van [werkgever] is vastgelopen, is niet komen vast te staan.

5.7.

Wat betreft de overige door [werkneemster] aangevoerde verwijten jegens [werkgever] , overweegt de kantonrechter als volgt. Het moge zo zijn dat bij [werkneemster] het gevoel is ontstaan dat er een conflicterende situatie was, dit wordt niet door de feitelijke situatie ondersteund. Partijen hebben uitvoerig over de mogelijkheden gecorrespondeerd en daaruit volgt dat [werkgever] wel oog had voor de situatie van [werkneemster] . Het valt niet uit te sluiten dat dit in de ogen van [werkneemster] onvoldoende is geweest, doch de kantonrechter moet dit naar objectieve maatstaven beoordelen. Er zijn geen stukken van de jobcoach noch de bedrijfsarts die wijzen op een ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door [werkgever] . Ook het UWV komt niet tot een dergelijke conclusie. Het moge zo zijn dat de bedrijfsarts melding maakt van het feit dat [werkneemster] een arbeidsconflict ervaart en mediation heeft geadviseerd, daarmee staat nog niet vast dat er daadwerkelijk een arbeidsconflict was en dat dit door [werkgever] is veroorzaakt. Ook al is het re-integratietraject niet altijd geheel vlekkeloos verlopen, waarbij beide partijen een rol hebben gespeeld, dat alleen is onvoldoende om tot een toekenning van een billijke vergoeding te komen. Het is meer dan begrijpelijk dat [werkneemster] spanningen heeft ondervonden, het traject is ook meerdere keren onderbroken voor ziekenhuisopnamen. Echter, daarmee is niet komen vast te staan dat de diverse terugvallen in haar ziekteproces louter zijn veroorzaakt door [werkgever] .

5.8.

Al het voorgaande in overweging nemend, komt de kantonrechter tot het oordeel dat niet is komen vast te staan dat [werkgever] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en dat betekent dat het verzoek van [werkneemster] zal worden afgewezen.

5.9.

De proceskosten komen voor rekening van [werkneemster] , omdat zij ongelijk krijgt. Daarbij wordt [werkneemster] ook veroordeeld tot betaling van € 100,- aan nasalaris voor zover daadwerkelijk nakosten door [werkgever] worden gemaakt. De wettelijke rente is toewijsbaar zoals hierna vermeld.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

wijst het verzoek af;

6.2

veroordeelt [werkneemster] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [werkgever] tot en met vandaag vaststelt op € 800,- voor salaris van de gemachtigde van [werkgever] ,

en veroordeelt [werkneemster] tot betaling van € 100,- aan nasalaris voor zover daadwerkelijk nakosten door [werkgever] worden gemaakt, te vermeerderen met de wettelijke rente over voornoemde bedragen vanaf 14 dagen na betekening van deze beschikking voor zover die bedragen niet binnen die termijn zijn voldaan.

Deze beschikking is gegeven door mr. L.M. de Vries, kantonrechter en op 21 juli 2017 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter