Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:6261

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
21-07-2017
Datum publicatie
24-07-2017
Zaaknummer
15/872301-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroving en poging daartoe na ontmoetingen via dating-app Grindr. Gevangenisstraf opgelegd van 12 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/872301-16 + 15/190972-14 (tul) en 16/004208-15 (tul) (P)

Uitspraakdatum: 21 juli 2017

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 7 juli 2017 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. C. Van Venrooij en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. J.C. Duin, advocaat te Hoorn, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 10 december 2016 te Purmerend op/aan de openbare weg en/of een voor het publiek openbaar toegankelijke plek, te weten de Churchilllaan en/of het NS-station Overwhere en/of het John F. Kennedyplein, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk:

- om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever 1] te dwingen tot de afgifte van goederen van zijn/hun gading en/of geld geheel of ten dele toebehorende aan die [aangever 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)

en/of

- van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen goederen van zijn/hun gading en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [aangever 1] te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond( en) dat hij verdachte en/of zijn mededader(s)

- contact heeft/hebben gelegd met [aangever 1] , en/of

- afspra(a)k(en) heeft/hebben gemaakt met en/of instructie(s) heeft/hebben gegeven aan [aangever 1] ten einde tot een ontmoeting te komen, en/of

- ( vervolgens) (uiteindelijk) een ontmoeting met [aangever 1] heeft/hebben afgesproken bij hem/hen thuis aan de [a-straat] , en/of

- terwijl/nadat [aangever 1] middels telefoon- en/of whatsapp-contact aangaf ter plaatse te zijn deze [aangever 1] heeft/hebben aangesproken op/ter hoogte van de Churchilllaan, en/of

- aldaar en toen [aangever 1] heeft/hebben bedreigd met geweld door een op een schroevendraaier en/of priem en/of mes gelijkend voorwerp ter hand te nemen en/of dit aan [aangever 1] te tonen en/of hiermee (een) dreigende (steek)beweging(en) te maken in de richting van [aangever 1] , hierbij/hierna tegen [aangever 1] zeggend dat [aangever 1] (neer)gestoken zou worden als hij, [aangever 1] , niet mee zou werken, en/of

- dat [aangever 1] in zijn nek gestoken zou worden als hij niet meewerkt en/of

- [aangever 1] gezegd dat hij niet gaat vluchten en mee moet lopen omdat hij anders neergestoken wordt en/of

- [aangever 1] hebben vastgepakt met de mededeling: Je loopt niet weg he?

- tegen [aangever 1] heeft/hebben gezegd dat hij, [aangever 1] , geld van zijn rekening moest gaan pinnen en/of (vervolgens) dit geld af zou moeten geven aan hem/hen, en/of

- ( vervolgens) heeft/hebben [aangever 1] (aldus) gedwongen met hen mee te lopen naar een geldautomaat gelegen aan het John F. Kennedyplein om daaruit geld op te nemen van de rekening van [aangever 1] , en/of

- ( vervolgens) (aldus) (aldaar) [aangever 1] heeft/hebben gedwongen zijn pinpas in te brengen en een pincode in te voeren,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2 primair

hij op of omstreeks 14 januari 2017 te Purmerend op/aan de openbare weg, te weten de Mercuriusweg en/of het John F. Kennedyplein en/of het Waterlandplein tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (van 500 euro) en/of een telefoon, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [aangever 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader( s ),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij verdachte en/of zijn mededader(s)

- tegen [aangever 2] heeft gezegd dat verdachte [aangever 2] in puinpoeder zou slaan, en/of

- daarbij ( enige malen) voor te wenden dat verdachte een vuurwapen op [aangever 2] gericht hield en/of [aangever 2] neer zou schieten, en/of

- tegen [aangever 2] te zeggen dat hij, [aangever 2] , ter voorkoming van de uitvoering van vooromschreven dreigementen geld van zijn rekening moest gaan pinnen en/of (vervolgens) dit geld af zou moeten geven aan hem/hen, verdachte(n);

2 subsidiair

hij op of omstreeks 14 januari 2017 te Purmerend op/aan de openbare weg, te weten de

Mercuriusweg en/of het John F. Kennedyplein en/of het Waterlandplein, tezamen en in

vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (twee maal) een bedrag van 250 euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [aangever 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij en/of zijn mededader( s)

- [aangever 2] bedreigd heeft door onder meer

# tegen [aangever 2] te zeggen dat verdachte [aangever 2] in puinpoeder zou slaan, en/of

# daarbij ( enige malen) voor te wenden dat verdachte een vuurwapen op [aangever 2] gericht hield en/of [aangever 2] neer zou schieten, en/of

# tegen [aangever 2] te zeggen dat hij, [aangever 2] , ter voorkoming van de uitvoering van vooromschreven dreigementen geld van zijn rekening moest gaan pinnen en/of (vervolgens) dit geld af zou moeten geven aan hem/hen, verdachte(n);

3.

hij op of omstreeks 20 november 2016 te Purmerend op/aan de openbare weg, te weten (in de omgeving van) de Mercuriusweg en/of het John F. Kennedyplein, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk:

- om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever 3] te dwingen tot de afgifte van een telefoon en/of goederen van zijn/hun gading en/of geld geheel of ten dele toebehorende aan die [aangever 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)

en/of

- van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een telefoon, althans goed( eren) en/of geld( en) van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [aangever 3] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij verdachte en/of zijn mededader(s)

- contact heeft/hebben gelegd met [aangever 3] , en/of

- afspra(a)k(en) heeft/hebben gemaakt met en/of instructie(s) heeft/hebben gegeven aan [aangever 3] ten einde tot een ontmoeting te komen, en/of

- ( vervolgens) (uiteindelijk) een ontmoeting met [aangever 3] heeft/hebben afgesproken bij hem/hen - verdachte(n) - thuis aan de [b-weg] , en/of

- ( vervolgens) als [aangever 3] bij/in de omgeving van voormeld adres is aangekomen en hem - verdachte - aanspreekt, met deze [aangever 3] in gesprek is gegaan, onderwijl verder hun weg (gezamenlijk) vervolgend, en/of

- aldaar en toen heeft/hebben met geweld [aangever 3] tegen de grond gewerkt, in ieder geval [aangever 3] uit balans gebracht zodat/waardoor deze op de grond viel, en/of

- ( vervolgens) heeft/hebben (meermalen) (met kracht) geschopt en/of geslagen en/of gestompt tegen het hoofd van [aangever 3] althans tegen één van zijn ogen en/of tegen (één van) zijn armen en/of tegen (één van) zijn benen, in ieder geval tegen één of meerdere delen van het lichaam van [aangever 3]

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde feit en tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht verdachte vrij te spreken van het onder 1 ten laste gelegde. Verdachte heeft niet gedreigd met geweld en heeft geen schroevendraaier bij zich gehad. De verklaring van aangever is op dit punt inconsistent, aldus de raadsman. Voorts blijkt uit de bewijsmiddelen niet dat sprake is geweest van enige wegnemingshandeling in de zin van de artikelen 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht. Subsidiair is de raadsman van mening dat verdachte dient te worden vrijgesproken omdat niet blijkt van een nauwe en bewuste samenwerking met de andere bij het incident aanwezige persoon en er derhalve geen sprake is geweest van medeplegen.

Ook ten aanzien van feit 2 volgt uit de bewijsmiddelen naar de mening van de raadsman niet dat sprake is geweest van enige wegnemingshandeling in de zin van de artikelen 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht. Evenmin blijkt dat sprake is geweest van geweld dan wel bedreiging met geweld. Verdachte moet daarom ook van dit feit worden vrijgesproken.

Tot slot heeft de raadsman vrijspraak bepleit van het onder 3 ten laste gelegde, bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.

3.3.

Vrijspraak
De rechtbank is evenals de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is om te komen tot een bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde. De rechtbank zal verdachte daarom van dit feit vrijspreken.

3.4.

Bewijs

Feit 1

Redengevende feiten en omstandigheden 1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Op 10 december 2016 was [aangever 1] (hierna: [aangever 1] ) via de dating-app Grindr in contact gekomen met een jongen. Na het uitwisselen van telefoonnummers werd een afspraak gemaakt voor een ontmoeting bij de jongen thuis op de [a-straat] in Purmerend. Rond 21.40 uur die avond kwam [aangever 1] aan in Purmerend en parkeerde zijn auto in de nabijheid van het station Overwhere. Vervolgens heeft hij een berichtje gestuurd om te melden dat hij er was. [aangever 1] is daarop naar de Churchilllaan gelopen. Op het fietspad van de Churchilllaan liepen twee jongens. Een van de jongens sprak [aangever 1] aan met de woorden: “Jij bent het, hè.”. Daarna zei de jongen (door [aangever 1] verder aangeduid als dader 1): “Ik hou niet van pedofielen. Jij bent een pedofiel.”. Hierop ontstond een woordenwisseling. De andere jongen (aangeduid als dader 2) deed of hij de politie ging bellen. Vervolgens kwam er een voorwerp tevoorschijn waarvan [aangever 1] aanvankelijk dacht dat het een mes was. De rechtbank leest de verklaring van aangever, gelet op de overige inhoud daarvan, aldus dat het dader 1 was die dit voorwerp uit zijn rechterbroekzak haalde. Later merkte [aangever 1] dat het geen mes, maar een schroevendraaier betrof, mogelijk een priem. Daarop zei dader 1 dat [aangever 1] maar geld moest gaan pinnen, een bedrag van 500 euro. Dader 1 zei dat [aangever 1] mee moest werken en dat als hij dat niet deed, hij hem neer zou steken. Dader 1 voegde hier aan toe dat hem dat niet uit zou maken omdat hij al eerder ‘gezeten’ had. Hij zou [aangever 1] in zijn nek steken als hij niet meewerkte. [aangever 1] voelde zich door deze woorden bedreigd. [aangever 1] moest onder dwang meelopen naar een pinautomaat. De gelopen route voerde via de Churchilllaan richting het John F. Kennedyplein. De jongens liepen continu naast [aangever 1] , allebei rechts van hem, met dader 1 direct naast [aangever 1] . Dader 1 had de schroevendraaier niet continu in zijn handen, maar borg deze telkens op in zijn rechterbroekzak. Toen [aangever 1] een stap naar links zette, kreeg hij de opmerking: “En je gaat niet vluchten want je loopt mee en anders steek ik je neer.”.2 Dader 1 was de leider en had het steekwapen vast. Onderweg is [aangever 1] een aantal keren vastgepakt met de woorden: “Je loop niet weg hè.”.3 Aan de achterzijde van het winkelcentrum Makado moest [aangever 1] bij een pinautomaat pinnen. [aangever 1] heeft met opzet de verkeerde pincode ingevoerd, waardoor het niet lukte om geld op te nemen. [aangever 1] is daarop naar een woning gelopen waar licht brandde en heeft daar aangebeld. De jongens hebben nog even gewacht, maar zijn uiteindelijk weggelopen.

Dader 1 was een blanke man met blond haar, die een wit overhemd droeg met daarover heen een zwarte trui4.

Kort na de melding van dit feit heeft de politie via email een drietal fotoprints ontvangen van camerabeelden van de pinautomaat aan het J.F. Kennedyplein in Purmerend. Deze beelden zijn gedeeld met de medewerkers van de politie Noord-Holland die op dat moment dienst hadden.5

Verbalisant [verbalisant 1] heeft deze fotoprints op 10 december 2016 gezien en heeft in de afgebeelde persoon, die hij omschrijft als een blanke man gekleed in een donkere trui met daaronder een witte blouse, verdachte herkend.6

Op de camerabeelden van de pinautomaat aan het J.F. Kennedyplein in Purmerend is te zien dat aangever met twee personen de hoek om komt lopen naar de geldautomaat. De voorste van deze twee personen, de persoon met een witte kraag, is herkend als verdachte [verdachte] . Aangever gaat pinnen, terwijl de twee verdachten op een afstandje staan toe te kijken. Nadat het pinnen is mislukt, staan aangever en verdachten enkele minuten bij de pinautomaat. Hierna wordt aangever weggevoerd, waarbij duidelijk te zien is dat hij wordt vastgehouden door verdachte.7

Verdachte heeft verklaard dat hij op 10 december 2016 via Grindr een afspraak heeft gemaakt met [aangever 1] . Verdachte was samen met een andere jongen. Bij het station (de rechtbank begrijpt: in Purmerend) zagen zij de man lopen. Verdachte en zijn metgezel kwamen met het idee om de man geld te laten betalen en zijn met hem richting het John. F. Kennedyplein gelopen zodat hij daar kon gaan pinnen. De pinpas van de man deed het echter niet. Daarom is de pintransactie mislukt.8

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte op 10 december 2016 in Purmerend – kort gezegd – heeft gepoogd om [aangever 1] af te persen, op de wijze als hierna in de bewezenverklaring nader aangeduid.

Bewijsoverweging

Vast staat dat bij de poging tot afpersing van [aangever 1] naast verdachte nog een andere persoon aanwezig is geweest. Wat de rol van deze tweede persoon betreft blijkt uit de verklaringen van aangever dat hij is meegelopen naar de pinautomaat (waarbij hij niet naast aangever, maar naast verdachte [verdachte] liep) en zich enkele malen in het gesprek heeft gemengd. Persoon twee heeft aangever niet vastgepakt en hij heeft volgens [aangever 1] het steekwapen niet in handen gehad. Aangever vermeldt niet dat persoon 2 dreigende taal heeft geuit. Uit de camerabeelden blijkt niet van actief optreden van persoon 2.

Aldus komt de rol van persoon 2 neer op louter een getalsmatige versterking. Dit is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om zijn rol aan te merken als een significante bijdrage aan het strafbare feit van een zodanig gewicht dat gesproken kan worden van de voor medeplegen noodzakelijke nauwe en bewuste samenwerking. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onderdeel ‘tezamen en in vereniging met een ander of anderen’.

Het door de raadsman gevoerde verweer dat verdachte niet heeft gedreigd met geweld en geen schroevendraaier had, vindt zijn weerlegging in de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen. De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangever.

Feit 2

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 2 primair ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

[aangever 2] (hierna: [aangever 2] ) heeft enkele dagen voor 14 januari 2017 via Grindr contact gelegd met een jongen. [aangever 2] ontving een aantal foto’s van de jongen. Op 14 januari 2017 rond 01.00 uur nodigde de jongen [aangever 2] via Grindr uit om langs te komen. Nadat er telefoonnummers waren uitgewisseld, werd [aangever 2] door de jongen gebeld. Het was de bedoeling dat [aangever 2] naar de Mercuriusweg in Purmerend zou komen. Rond 01.30 uur stond [aangever 2] met zijn auto op de parkeerplaats van de Mercuriusweg in Purmerend. Er kwam een blonde jongen naar zijn auto gelopen. [aangever 2] opende zijn portier en sprak de jongen aan. Vervolgens zag [aangever 2] een tweede man, een getinte man. De blonde man deed het woord en vroeg [aangever 2] of hij met zijn minderjarige broertje wilde afspreken. De blonde man zei dat hij de politie ging bellen en ging ook daadwerkelijk bellen. Dit deed hij met de telefoon van [aangever 2] , die hij had afgepakt. De blonde man hing weer op en de getinte man zei tegen [aangever 2] dat hij hem de puinpoeder in zou slaan. De blonde man bracht daarop zijn rechterarm achter zijn rug en zei dat hij [aangever 2] ook ter plekke kon neerschieten. Volgens [aangever 2] wilde de blonde man met dit gebaar kennelijk de indruk wekken dat hij een vuurwapen in zijn broeksband had zitten. [aangever 2] werd hierdoor bang. De getinte man zei herhaaldelijk tegen [aangever 2] : “O wee als je wegscheurt”. [aangever 2] heeft uit angst voorgesteld geld naar de jongens over te maken. Daar gingen zij niet mee akkoord. [aangever 2] moest geld gaan pinnen. De blonde man zei tegen [aangever 2] dat hij 500 euro moest pinnen. [aangever 2] en de twee mannen zijn daarop in de auto van [aangever 2] gestapt. Onder het rijden vroeg de getinte man aan de blonde man of hij zijn pistool nog in de aanslag had. De blonde man greep daarop weer naar zijn broeksband, kennelijk om de indruk te wekken dat hij een pistool had. [aangever 2] is op aanwijzing van de blonde man naar het Makado Centrum gereden. Bij de ING bank is [aangever 2] uitgestapt en naar de geldautomaat gelopen. Daar heeft hij het maximale bedrag van 250 euro opgenomen. Dat geld heeft hij aan de mannen gegeven. Vervolgens moest [aangever 2] naar een ABN-Amro bank aan de achterkant van het Makado Centrum rijden. Omdat [aangever 2] daar geen geld kon opnemen, zijn zij vervolgens naar de Rabobank aan de Waterlandlaan gereden. Daar moest [aangever 2] nog eens 250 euro opnemen. Het geld moest [aangever 2] aan de mannen overhandigen, wat hij ook heeft gedaan. Vervolgens moest [aangever 2] de jongens terugbrengen naar de Mercuriusweg. Bij de rotonde op de Mercuriusweg heeft hij de mannen afgezet. [aangever 2] heeft thuis ontdekt dat een van de foto’s die hij toegestuurd had gekregen goed overeenkomt met verdachte 1, de blonde jongen. Dit betrof een foto waarop hij zijn shirt omhoog trekt.9

Bij de aangifte van [aangever 2] zijn twee prints gevoegd waaruit blijkt dat op 14 januari 2017 om 01.57 uur bij een geldautomaat van de ING bank in Purmerend 250 euro is opgenomen van de bankrekening van [aangever 2] en dat op dezelfde datum om 02.06 uur bij een geldautomaat met de omschrijving ‘Waterland en omstreken’ nog eens 250 euro van deze rekening is opgenomen.10

Verbalisant [verbalisant 2] heeft foto's bekeken die [aangever 2] via Grindr toegestuurd had gekregen. Op een van deze foto’s stond een man voor een spiegel afgebeeld, die zijn trui omhoog trekt. [aangever 2] verklaarde dat dit een van de mannen was die hem later zou dwingen een geldbedrag op te nemen. Verbalisant herkende de man op de foto als verdachte [verdachte] .11

Verdachte heeft verklaard dat hij de blonde jongen was met wie [aangever 2] op 14 januari 2017 in contact is gekomen. Verdachte was toen met een andere, getinte jongen. Die ander heeft toen iets gezegd over in puinpoeder slaan en is uiteindelijk met de 500 euro van [aangever 2] weggegaan.12

De afspraak met [aangever 2] was via Grindr tot stand gekomen. Verdachte en medeverdachte zijn bij [aangever 2] in de auto gestapt en uiteindelijk hebben zij hem geld afhandig gemaakt. De andere jongen zei dat [aangever 2] moest gaan pinnen. In eerste instantie was het plan om alleen de politie te bellen, maar toen zij naar de man toegingen hadden verdachte en zijn mededader al wel afgesproken dat zij hem geld afhandig zouden maken.13

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte op 14 januari 2017 te Purmerend tezamen en in vereniging met een ander [aangever 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van in totaal 500 euro op de wijze als hierna in de bewezenverklaring nader aangeduid.

Het verweer van de raadsman dat geen sprake is geweest van dreiging met geweld, vindt zijn weerlegging in de aangehaalde bewijsmiddelen.

3.5.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

1.

hij op 10 december 2016 te Purmerend op/aan de openbare weg, te weten de Churchilllaan en het John F. Kennedyplein, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om, met het oogmerk om zich te bevoordelen, door bedreiging met geweld [aangever 1] te dwingen tot de afgifte van geld, toebehorende aan die [aangever 1]

- contact heeft gelegd met [aangever 1] en

- een afspraak heeft/hebben gemaakt met [aangever 1] ten einde tot een ontmoeting te komen en

- een ontmoeting met [aangever 1] heeft afgesproken bij hem thuis aan de [a-straat] en

- nadat [aangever 1] middels telefoon- en/of WhatsAppcontact aangaf ter plaatse te zijn deze [aangever 1] heeft aangesproken op de Churchilllaan en

- aldaar en toen [aangever 1] heeft bedreigd met geweld door een op een schroevendraaier of priem gelijkend voorwerp ter hand te nemen, hierbij tegen [aangever 1] zeggend dat [aangever 1] neergestoken zou worden als hij, [aangever 1] , niet mee zou werken en dat [aangever 1] in zijn nek gestoken zou worden als hij niet meewerkt en

- tegen [aangever 1] heeft gezegd dat hij niet gaat vluchten en mee moet lopen omdat hij anders neergestoken wordt en

- [aangever 1] heeft vastgepakt met de mededeling: Je loopt niet weg he? en

- tegen [aangever 1] heeft gezegd dat hij, [aangever 1] , geld van zijn rekening moest gaan pinnen en vervolgens dit geld af zou moeten geven aan hem en

- vervolgens [aangever 1] aldus heeft gedwongen met hem mee te lopen naar een geldautomaat gelegen aan het John F. Kennedyplein om daaruit geld op te nemen van de rekening van [aangever 1] en

- vervolgens aldus aldaar [aangever 1] heeft gedwongen zijn pinpas in te brengen en een pincode in te voeren,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2 primair

hij op 14 januari 2017 te Purmerend op/aan de openbare weg, te weten de Mercuriusweg en het John F. Kennedyplein en het Waterlandplein tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met geweld [aangever 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van 500 euro en een telefoon, toebehorende aan die [aangever 2] ,

welke bedreiging met geweld hierin bestond dat

- zijn mededader tegen [aangever 2] heeft gezegd dat hij [aangever 2] in puinpoeder zou slaan en

- verdachte en/of zijn mededader enige malen hebben voorgewend dat verdachte een vuurwapen op [aangever 2] gericht hield en [aangever 2] neer zou schieten en tegen [aangever 2] hebben gezegd dat hij, [aangever 2] , ter voorkoming van de uitvoering van vooromschreven dreigementen geld van zijn rekening moest gaan pinnen en vervolgens dit geld af zou moeten geven aan hen, verdachten.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1

Poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg

Ten aanzien van feit 2 primair

Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg en door twee of meer verenigde personen

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

In opdracht van de officier van justitie heeft de psycholoog C.C. Mies een onderzoek ingesteld naar de persoon van verdachte. De psycholoog komt in haar rapport gedateerd 21 april 2017 tot de conclusie dat bij verdachte sprake is van een angststoornis in de vorm van een gegeneraliseerde angststoornis met agorafobie. Daarnaast is er sprake van een matig ernstige stoornis in alcoholgebruik en trekken van een antisociale persoonlijkheidsstoornis.

Deze stoornissen waren aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde. Naar het oordeel van de deskundige kan verondersteld worden dat met name het alcoholmisbruik en de antisociale trekken van verdachte in het algemeen en meer specifiek zijn impulsiviteit, gebrekkige coping mechanismen om met oplopende frustratiegevoelens om te gaan en de beïnvloedbaarheid door het sociale netwerk alle van invloed zijn geweest op het gepleegde. Verdachte had cognitief gezien echter weet kunnen hebben van het ontoelaatbare van zijn gedrag. Daarnaast wist hij dat alcoholgebruik een ontremmende invloed op hem heeft.

Alles overziend wordt hij door de deskundige enigszins verminderd toerekeningsvatbaar geacht.

De rechtbank neemt deze conclusie over en is van oordeel dat de bewezenverklaarde feiten verdachte kunnen worden toegerekend, zij het in enigszins verminderde mate.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar en daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden van een meldplicht bij de reclassering en een ambulante behandelverplichting.

6.2.

Standpunt van verdachte/de verdediging

Voor het geval de rechtbank tot een veroordeling komt, heeft de raadsman de rechtbank verzocht bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte. Een onvoorwaardelijk gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van de voorlopige hechtenis gecombineerd met een fors voorwaardelijk strafdeel en een taakstraf voor de duur van 150 uren zou in de ogen van de raadsman passend zijn.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot afpersing en aan het medeplegen van afpersing. In beide gevallen heeft verdachte via een dating app een ontmoeting met het slachtoffer gearrangeerd. Eenmaal op de afgesproken locatie aangekomen, werd het slachtoffer ernstig bedreigd en gedwongen om geld op te nemen bij een pinautomaat. Bij het eerste feit heeft het slachtoffer kans gezien om het pinnen te saboteren, zodat het bij een poging is gebleven. Bij het tweede feit heeft het slachtoffer in totaal € 500,- aan verdachte en zijn medeverdachte moeten afstaan.

Dit zijn ernstige feiten. Het is met name de doortrapte wijze waarop de slachtoffers in de val gelokt zijn en het gebrek aan empathie voor de slachtoffers, die tegen de borst stuiten. De slachtoffers hebben zich zeer bedreigd en angstig gevoeld. Het is bekend dat de gevolgen van dergelijke ervaringen de slachtoffers nog lange tijd parten kunnen spelen en hun dagelijks functioneren kunnen bemoeilijken. Daarnaast vergroten dergelijke feiten, gepleegd op de openbare weg, gevoelens van onveiligheid in de samenleving.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 7 juni 2017, waaruit blijkt dat verdachte reeds eerder ter zake van vermogensdelicten onherroepelijk tot taakstraffen is veroordeeld. De rechtbank weegt deze omstandigheid ten nadele van verdachte mee bij de straftoemeting.

- het over verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 26 april 2017 van mevrouw [reclasseringswerker] , als reclasseringswerker verbonden aan Reclassering Nederland.

- het over verdachte uitgebrachte psychologisch rapport gedateerd 21 april 2017 van drs. C.C. Mies, gz-psycholoog.

Wat betreft de kans op herhaling merkt de psycholoog op dat de bij verdachte vastgestelde angststoornis de kans op (herhaald) middelenmisbruik vergroot, waardoor de kans op recidive vergroot wordt. De trekken van een antisociale persoonlijkheidsstoornis vergroten direct de kans op recidive. Verdachte lijkt onder de indruk te zijn van de preventieve hechtenis die hij ondergaan heeft en heeft in cognitief opzicht ook zeker de mogelijkheden om weloverwogen keuzes te maken, wat recidive-verlagend zal werken. Daarnaast lijkt enerzijds de peer-group van verdachte risico-verhogend te werken en is het milieu waarin hij is opgegroeid historisch gezien ook risico-verhogend, maar lijkt de huidige band met het gezin en met zijn vriendin weer risico-verlagend te kunnen werken. Gelet hierop adviseert de psycholoog een verplicht reclasseringstoezicht en een behandeling in een (forensische) polikliniek zoals de Waag in het kader van een bijzondere voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijke straf, om daar te werken aan verdachtes impulsiviteit, beïnvloedbaarheid, middelenmisbruik en zijn angstproblematiek met aandacht voor de vroegkinderlijke traumatische ervaringen. De behandeling dient in dit juridisch kader plaats te vinden om verdachte zo te stimuleren om door te zetten en niet voortijdig af te haken.

De reclassering heeft zich blijkens het reclasseringsadvies van 26 april 2017 bij het advies van de psycholoog aangesloten.

Zoals hiervoor in de rubriek ‘strafbaarheid van verdachte’ reeds vermeld, neemt de rechtbank het advies van de psycholoog om verdachte voor de bewezen verklaarde feiten enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te achten, over. De rechtbank houdt hier bij het bepalen van de strafmaat rekening mee.

Op grond van de aard en de ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat alleen een vrijheidsbenemende straf als passende sanctie in aanmerking komt. Daarbij heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS).

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Daarbij is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat het met het oog op beperking van recidivegevaar van belang is dat verdachte in een verplicht kader wordt begeleid en ondersteund door de reclassering en dat hij (ambulante) behandeling ontvangt vanuit een forensische polikliniek. De rechtbank zal daartoe strekkende bijzondere voorwaarden aan de proeftijd verbinden.

7 Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

[aangever 1]

De benadeelde partij [aangever 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 768,70 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade bestaat uit reiskosten.

De benadeelde partij heeft de vordering ter zitting nader toegelicht.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering, vermeerderd met de wettelijke rente en daaraan verbonden de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft de rechtbank verzocht het toe te wijzen bedrag, mocht het tot een veroordeling komen, te matigen, nu geen sprake is geweest van bedreiging met geweld of van gebruik van een wapen.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit.

Vergoeding van de immateriële schade komt de rechtbank billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting.

De vordering zal dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Aangezien de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte het bewezen verklaarde feit tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft gepleegd, blijft toepassing van de hoofdelijkheidsclausule achterwege.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 1 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: poging tot afpersing] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

[aangever 2]

De benadeelde partij [aangever 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 500,00 ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van het onder 2 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade bestaat uit contante geldbedragen die de benadeelde onder dwang heeft moeten afgeven. Voorts heeft [aangever 2] gevorderd hem ter zake van door dit feit geleden immateriële schade een vergoeding toe te kennen van € 2000,00, dan wel deze vergoeding te bepalen op enig ander bedrag dat de rechtbank redelijk en billijk acht.

De officier van justitie heeft met betrekking tot de materiële schade geconcludeerd tot toewijzing van de vordering. Wat betreft immateriële schade heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid. Zij acht een bedrag van € 500,00 passend. De bedragen dienen hoofdelijk te worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente. De officier van justitie vordert voorts oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Verdachte heeft zich ter zitting bereid verklaard de materiële schade ten bedrage van € 500,00 te vergoeden.

De raadsman heeft de rechtbank verzocht de vordering voor zover die ziet op immateriële schade af te wijzen bij gebrek aan onderbouwing.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder 2 primair bewezen verklaarde feit. In zoverre kan de vordering worden toegewezen.

Vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 500,00 komt de rechtbank billijk voor, gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting.

De vordering zal daarom worden toegewezen tot het een bedrag van in totaal € 1.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 januari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien de mededader dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 2 primair bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: medeplegen van afpersing] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

[aangever 3]

De benadeelde partij [aangever 3] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 700,00 ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van het onder 3 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De rechtbank is van oordeel dat, nu niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan verdachte onder 3 is tenlastegelegd, de benadeelde partij niet in de vordering, die betrekking heeft op dat ten laste gelegde feit, kan worden ontvangen.

Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering.

8 Vorderingen tot tenuitvoerlegging

15/190972-14

Bij vonnis van 2 juni 2015 in de zaak met parketnummer 15/190972-14 heeft de politierechter te Alkmaar verdachte ter zake van – kort gezegd – joyriding veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van vijftien uren, subsidiair zeven dagen hechtenis. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 1 juli 2015 aan verdachte toegezonden.

De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 17 juni 2015 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.

De officier van justitie vordert thans dat de rechtbank zal gelasten dat die voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering dient te worden toegewezen, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

16/004208-15

Bij vonnis van 11 maart 2015 in de zaak met parketnummer 16/004208-15 heeft de politierechter te Utrecht verdachte ter zake van – kort gezegd – mishandeling veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van tachtig uren, subsidiair veertig dagen hechtenis, waarvan veertig uren, subsidiair twintig dagen hechtenis voorwaardelijk. Ten aanzien van het voorwaardelijk strafdeel is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 28 april 2015 aan verdachte toegezonden.

De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 26 maart 2015 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.

De officier van justitie vordert thans dat de rechtbank zal gelasten dat die voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering dient te worden toegewezen, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57 en 317 van het Wetboek van Strafrecht zijn van toepassing.

10 Beslissing

De rechtbank:

 Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 3 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

 Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.5. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de onder 1 en 2 primair bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

 Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 5 (vijf) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde:

Meldplicht

- zich meldt bij Reclassering Nederland op het adres Wibautstraat 12 te Amsterdam, wanneer hij wordt opgeroepen. Hierna dient veroordeelde zich gedurende de proeftijd te blijven melden, zolang en zo frequent als de reclassering dit nodig acht. Gedurende deze periode moet veroordeelde zich houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde.

Behandelverplichting – Ambulante behandeling

- zich laat behandelen bij De Waag of een vergelijkbare instantie, gericht op veroordeeldes impulsiviteit, beïnvloedbaarheid, middelenmisbruik en angstproblematiek. Veroordeelde dient zich te houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van de behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

Geeft opdracht aan de reclassering toezicht te houden op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

 Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [aangever 1] geleden schade tot een bedrag van € 768,70 (zevenhonderdachtenzestig euro en zeventig cent), bestaande uit € 18,70 als vergoeding voor de materiële en € 750,00 als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [aangever 1] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

 Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [aangever 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 768,70 (zevenhonderdachtenzestig euro en zeventig cent), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

 Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [aangever 2] geleden schade tot een bedrag van € 1.000,00 (duizend euro), bestaande uit € 500,00 als vergoeding voor de materiële en € 500,00 als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 januari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [aangever 2] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

 Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [aangever 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.000,00 (duizend euro) vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 januari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn bevrijd.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

 Verklaart de benadeelde partij [aangever 3] niet-ontvankelijk in de vordering.

 Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 15/190972-14 en gelast de tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 15 (vijftien) uren, opgelegd bij vonnis van de politierechter d.d. 2 juni 2015.

De taakstraf wordt vervangen door 7 (zeven) dagen hechtenis als deze niet goed wordt uitgevoerd.

 Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 16/004208-15 en gelast de tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 40 (veertig) uren, opgelegd bij vonnis van de politierechter d.d. 11 maart 2015.

De taakstraf wordt vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis als deze niet goed wordt uitgevoerd.

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. P. van Steijnen, voorzitter,

mr. A. Warmerdam en mr. M.E. Francke, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier A. Helder,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 juli 2017.

Mr. Francke is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Het proces-verbaal van aangifte met nummer PL1100-2016272328-1 d.d. 11 december 2016, inhoudende de verklaring van [aangever 1] (dossierpagina's 84 t/m 86).

3 Het proces-verbaal van verhoor aangever met nummer 25 d.d. 19 januari 2017, inhoudende de verklaring van [aangever 1] (dossierpagina 107).

4 Het proces-verbaal van aangifte met nummer PL1100-2016272328-1 d.d. 11 december 2016, inhoudende de verklaring van [aangever 1] (dossierpagina's 84 t/m 86).

5 Het proces-verbaal van bevindingen met nummer 54 d.d. 13 maart 2017 (dossierpagina 115).

6 Het proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1100-2016272328-3 d.d. 14 december 2016 (dossierpagina 115).

7 Het proces-verbaal van bevindingen met nummer 16 d.d. 17 januari 2017 (dossierpagina's 215 t/m 217).

8 Het proces-verbaal van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank d.d. 18 januari 2017, inhoudende de verklaring van verdachte.

9 Het proces-verbaal van aangifte met nummer PL1100-2017009808-1 d.d. 14 januari 2017, inhoudende de verklaring van [aangever 2] (dossierpagina's 185 t/m 188).

10 Een tweetal geschriften, te weten prints van banktransacties, als bijlagen gevoegd bij het proces-verbaal van aangifte met nummer PL1100-2017009808-1 (dossierpagina's 189/190).

11 Het proces-verbaal van bevindingen met nummer 11 d.d. 15 januari 2017, dossierpagina 201

12 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 7 juli 2017.

13 Het proces-verbaal van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank d.d. 18 januari 2017, inhoudende de verklaring van verdachte.