Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:6234

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
26-07-2017
Datum publicatie
31-07-2017
Zaaknummer
5669453 / CV EXPL 17-722
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Bouwzaak. Schending waarheidsplicht 21 Rv juncto 111, lid 3 Rv. Partijen hebben door hun proceshouding de kantonrechter in ernstige mate belemmerd, althans zijn zij er de oorzaak van dat niet zonder onnodige inspanningen van de kantonrechter en zonder onnodige kosten en vertraging van de procedure kan worden beslist. De kantonrechter verbindt daaraan het gevolg dat hij de (schaarse) stellingen van partijen over en weer passeert en de vorderingen afwijst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/4036
NJF 2017/475
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 5669453 / CV EXPL 17-722 (SJ/JR)

Uitspraakdatum: 26 juli 2017

Vonnis in de zaak van:

de vennootschap onder firma Cortie Bouw V.O.F.

gevestigd en kantoorhoudende te Bovenkarspel

eiseres

verder te noemen: Cortie

gemachtigde: mr. W.M.A. Koster

tegen

de besloten vennootschap Bouwbedrijf Ted Groot B.V.

gevestigd en kantoorhoudende te Heerhugowaard

gedaagde

verder te noemen: Groot

gemachtigde: mr. W.O. Groustra

1 Het procesverloop

1.1.

Cortie heeft bij dagvaarding van 17 januari 2017 een vordering tegen Groot ingesteld. Groot heeft schriftelijk geantwoord en daarbij een tegenvordering ingediend.

1.2.

Cortie heeft schriftelijk gereageerd op de tegenvordering.

1.3.

Bij brief van 19 april 2017 is partijen meegedeeld dat 19 juli 2017 een comparitie na antwoord zal plaatsvinden.

1.4.

Bij brief van 6 juli 2017 heeft Cortie nog stukken toegezonden. Bij brief van 7 juli 2017 heeft Groot nadere stukken toegezonden.

1.5.

Vervolgens heeft de kantonrechter bepaald dat de comparitie van 11 juli 2017 geen doorgang zal vinden en dat vandaag vonnis wordt gewezen.

2 De feiten

2.1.

Cortie heeft aan Groot in de periode van 20 juli 2016 tot en met 3 oktober 2016 zes facturen gestuurd ten bedrage van € 17.955,00 in totaal.

2.2.

Groot heeft nagelaten deze facturen te betalen.

3 De vordering

3.1.

Cortie vordert dat de kantonrechter Groot veroordeelt tot betaling van € 19.306,04, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 17.955,00 vanaf 9 januari 2017 tot de dag van algehele betaling en tot betaling van de proceskosten.

3.2.

Cortie legt aan haar vordering ten grondslag dat zij van Groot opeisbaar te vorderen heeft gekregen een bedrag van € 17.955,00 voor ‘diverse werkzaamheden’. Naast de hoofdsom maakt Cortie aanspraak op de wettelijke handelsrente die tot 9 januari 2017 € 396,49 bedraagt en de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 954,55.

3.3.

Groot betwist de vordering en voert aan dat de door Cortie verrichte werkzaamheden niet goed zijn uitgevoerd en niet zijn afgemaakt, waardoor Groot extra kosten heeft moeten maken om de werkzaamheden te herstellen en af te maken. Verder heeft Groot aangevoerd dat Cortie te veel heeft gefactureerd door ten onrechte op basis van uren te factureren in plaats van naar voortgang van het werk. Ook is er minder werk door Cortie verricht dan waarop de termijnbetalingen zagen.

4 De tegenvordering

4.1.

Groot vordert bij wijze van tegenvordering dat de kantonrechter Cortie veroordeelt tot betaling van € 18.073.03, te vermeerderen met de rente. Voorts vordert Groot dat de kantonrechter Cortie verplicht het bonnenboekje van Groot terug te geven en dat Cortie de juiste documenten overlegt waaruit blijkt dat Groot in het bezit is van een geldige CAR- en aansprakelijkheidsverzekering, op straffe van een dwangsom.

4.2.

Groot legt aan vordering ten grondslag dat zij veel kosten heeft gemaakt om de door Cortie verrichte werkzaamheden te herstellen en af te maken en dat Cortie, ondanks toezegging, heeft nagelaten het bonnenboekje en de verzekeringsdocumenten over te leggen.

4.3.

Cortie betwist dat zij toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming. Voorts betwist Cortie dat door Groot schade is geleden.

5 De beoordeling

de vordering en de tegenvordering

5.1.

De vordering en de tegenvordering lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

5.2.

Op grond van artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) zijn partijen verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.

5.3.

De rechter mag ambtshalve oordelen of (een van de) partijen in strijd heeft/hebben gehandeld met de in artikel 21 Rv bedoelde verplichting en daaraan, ook zonder dat partijen daarover specifiek hebben gedebatteerd, de gevolgen verbinden die in overeenstemming zijn met de aard en de ernst van deze schending (zie HR 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9675). De kantonrechter is van oordeel dat partijen de verplichting van artikel 21 Rv in dit geval niet hebben nageleefd en overweegt als volgt.

5.4.

Cortie heeft aan haar vordering niet méér ten grondslag gelegd dat zij van Groot opeisbaar te vorderen heeft gekregen een bedrag van € 17.955,00 ter zake van het door Cortie in opdracht en voor rekening van Groot verlenen van ‘diverse werkzaamheden’. Uit de e-mails van 9, 15 en 29 september 2016 (producties 11, 6 & 7 bij de conclusie van antwoord) van Groot aan Cortie blijkt echter dat er enorm veel speelt tussen partijen. Het betreft – dat blijkt voorts uit het daags voor de zitting overgelegde kilo aan producties – een uitgebreide bouwzaak ter zake van twee projecten (vermoedelijk aangaande uitgebreide (bouw?)werkzaamheden aan of bij een Lidl aan het Geert Groteplein in Alkmaar en aan of bij de Keizersgracht in Amsterdam), met legio gestelde tekortkomingen en schadeposten assorti. Cortie wist dit. In dat licht is de bij dagvaarding op geen enkele wijze toegelichte stelling dat ‘werkzaamheden’ zijn verricht waarvoor facturen zijn gezonden, onvoldoende. Zulks klemt te meer nu ook de bewuste facturen daarover zelf niet meer vermelden dan ‘diverse werkzaamheden’, waardoor de kantonrechter werkelijk geen idee heeft waar dit over gaat.

5.5.

Ook artikel 111, lid 3 Rv biedt geen soelaas. Onder het kopje ‘verweer door de gedaagde’ vermeldt de dagvaarding het volgende:

Gedaagde heeft bij e-mail d.d. 16 november 2016 bezwaar aangeschreven. Op d.d. 22 november 2016 heeft Das Incasso per e-mail de onderliggende stukken naar gedaagde gezonden (productie 3). Vervolgende heeft gedaagde hierop geen reactie meer verzonden.”

Wie hoopvol naar productie 3 bladert komt bedrogen uit. De onderliggende stukken ontbreken daar. Uit genoemde productie blijkt niet méér dan dat Groot naar aanleiding van een niet nader toegelichte incassobrief van 10 november 2016 (productie 2 bij dagvaarding) per e-mail schrijft:

Hierbij dienen wij ons bezwaar in. Wij zullen u in de loop van volgende week een schriftelijk reactie geven.”

Hierop schrijft de gemachtigde van Cortie op 22 november 2016:

Geachte heer Konijn, Hierbij doe ik u de onderliggende stukken toekomen.”, meer niet. Hieruit blijkt dus niet waarover dit geschil gaat, noch wat er in de aanloop naar dit geschil heeft gespeeld tussen Cortie en Groot. Het blijft raden.

5.6.

Het alsnog laten nemen van re- en dupliek in dit geval, ondermijnt naar het oordeel van de kantonrechter volledig de bedoeling van de wetgever met de wetswijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering d.d. 1 januari 2002. Blijkens de parlementaire geschiedenis is sinds 1 januari 2002 het idee losgelaten dat men in het burgerlijk proces kan procederen zoals het partijen schikt. Verder zijn de voor de rechtspraak beschikbare menskracht en middelen beperkt, en bij de huidige vraag naar rechtspraak zelfs schaars. Een van de belangrijkste gevolgen van voornoemde wetwijziging was het ontnemen van de zekerheid van repliek/dupliek en het pleidooi. Dit was bedoeld als een prikkel voor partijen om hun verantwoordelijkheid serieus te nemen om zo snel mogelijk tot de kern van het geschil te komen en om zo vroeg mogelijk daarvoor alle benodigde feiten in het geding te brengen. In dit geval zijn nul feiten door eiseres gesteld. Dat staat best ver van de bedoeling van de wetgever.

5.7.

Het laten doorgaan van de comparitie in deze zaak treft hetzelfde bezwaar als hierboven weergegeven. Partijen zouden, indien ze in de gelegenheid zouden worden gesteld ter zitting hun vorderingen alsnog toe te lichten, deze eerst dan ‘van de grond af’ kunnen opbouwen, door te stellen wie met wie had afgesproken wat, waar en wanneer te doen, enz. Dat mag in een eenvoudige incassozaak misschien soms geen probleem zijn; dit is geen eenvoudige incassozaak. Dit is een geëscaleerde bouwzaak. En het mag in geval van een gestelde toerekenbare tekortkoming op zijn minst van partijen worden verwacht dat zij bij dagvaarding en tegenvordering stellen bij de uitvoering van welke overeenkomst wie hoe tekort is geschoten. Dat hoeft in een dergelijk complexe zaak niet door de kantonrechter ambtshalve te worden onderzocht. Overigens kan uit de door Cortie bij brief van 6 juli 2017 nader overgelegde stukken evenmin worden opgemaakt waarover het geschil gaat.

5.8.

Voor zover Cortie zich op het standpunt zou willen stellen dat het Groot, blijkens de door haar bij antwoord overgelegde producties, kennelijk duidelijk was waarover het geschil ging, zodat de eisen van hoor en wederhoor niet geschonden zijn, miskent dit standpunt dat niet alleen partijen, maar ook de rechter voorafgaand aan de zitting moet weten waarover de zaak gaat. De rechter tast in dit dossier volledig in het duister. Hoewel partijen vast in staat en bereid zijn om de kantonrechter te vertellen waarover deze zaak gaat, is de comparitie daarvoor te laat.

5.9.

In dit kader heeft de kantonrechter betrokken dat ook Groot in de tegenvordering de verplichting als bedoeld in artikel 21 Rv niet heeft nageleefd. Groot stelt dat Cortie de werkzaamheden niet conform de tussen partijen geldende overeenkomst heeft verricht maar onderbouwt niet alleen niet wat partijen in dat kader hebben afgesproken, maar ook niet op welke wijze tekort is geschoten door Cortie. Uit de door Groot bij brief van 7 juli 2017 overgelegde stukken kan dit ook niet worden opgemaakt.

5.10.

De rechter kan uit het niet naleven door een partij van de waarheidsplicht van artikel 21 Rv slechts dan de gevolgtrekking maken die hij geraden acht, indien hij op grond van de voorliggende processtukken van oordeel is dat een partij geen gewichtige reden had om de bewuste feiten niet, niet aanstonds of niet naar waarheid aan te voeren. Dit is naar het oordeel van de kantonrechter het geval. De kantonrechter is ervan op de hoogte dat het Hof Den Bosch in zijn uitspraak van 7 juli 2009 (ECLI:NL:GHSHE:2009:BJ4469) lijkt te hebben geoordeeld dat het passeren van weren en stellingen een te zware sanctie is op schending van artikel 21 Rv. De kantonrechter is echter van oordeel dat in dit geval geen ander oordeel passend is. Partijen poneren zodanig weinig stellingen dat het de rechter zélf niet duidelijk is waarover het geschil gaat. De onnodige inspanning (en tijd) die het de kantonrechter zou kosten om onderhavig geschil boven water te krijgen, laat zich, anders dan in de zaak die bij het Hof voorlag, niet rechtzetten met een proceskostenveroordeling.

5.11.

Partijen hebben door hun proceshouding de kantonrechter in ernstige mate belemmerd, althans zijn zij er de oorzaak van dat niet zonder onnodige inspanningen van de kantonrechter en zonder onnodige kosten en vertraging van de procedure kan worden beslist. De kantonrechter verbindt daaraan het gevolg dat hij de (schaarse) stellingen van partijen over en weer passeert en de vorderingen afwijst.

5.12.

Nu partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld, is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder de eigen proceskosten dragen.

6 De beslissing

De kantonrechter:

de vordering

6.1.

wijst de vordering af;

6.2.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

de tegenvordering

6.3.

wijst de vordering af;

6.4.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

Dit vonnis is gewezen door mr. J.S. Reid en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter