Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:6203

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
16-06-2017
Datum publicatie
21-07-2017
Zaaknummer
15/810167-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Onderzoek Amber. Aflevering, verstrekking en het vervoer van een grote hoeveelheid heroïne. Voorlopige hechtenis opnieuw geschorst. Enkele veroordeling van verdachte brengt niet mee dat verdachte niet opnieuw geschorst moet worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlemmermeer

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/810167-15 (P)

Uitspraakdatum: 16 juni 2017

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 4 mei 2017 en van 2 juni 2017 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] .

Verdachte wordt in dit vonnis ook als “ [verdachte] ” aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. R. Hagemeier en van hetgeen verdachte en zijn raadsman mr. M.A.I. Witlox, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering, ten laste gelegd dat:

Feit 1:

(zaak 1)

hij op of omstreeks 12 mei 2015 te Amsterdam en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad een (grote) hoeveelheid, te weten (ongeveer) 21.008,1 gram, van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Feit 2:

(zaak 1)

hij op of omstreeks 12 mei 2015 te Tiel tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of cocaïne in elk geval een of meer middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, zijnde heroïne en/of cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstig redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat die feit(en),

immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in of bij een gelegen aan de [adres] een of meer verpakkingsmaterialen en/of een pers en/of een of meer stalen frame(s) e/of een weegschaal en/of een of meer hoeveelhe(i)d(en) fenacetine en/of lidocaine, zijnde (een) voorwerp(en) en/of stof(fen) die gebruikt worden bij de bewerking, verwerking en/of bereiding van verdovende middelen voorhanden gehad.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Inleiding
Naar aanleiding van een Meld Misdrijf Anoniem (MMA) melding medio maart 2011, CIE informatie van juni 2011 en 7 december 2011 gecombineerd met de bevindingen uit de FIOD-onderzoeken Sienna en Yoghurt en voorts CIE informatie van september 2013 is op 25 november 2013 een opsporingsonderzoek gestart onder de naam 12RRAMBER. Het onderzoek richtte zich aanvankelijk op [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [betrokkene] , die werden verdacht van in- en uitvoer van verdovende middelen, van deelneming aan een criminele organisatie en van witwassen. Gedurende het onderzoek zijn meer verdachten in beeld gekomen en is het onderzoek voortgezet onder de naam AMBER.

[verdachte] is één van die andere verdachten. Hij is op 12 mei 2015 in beeld gekomen bij een overdracht van verdovende middelen in de wijk IJburg in Amsterdam. Bij die overdracht waren ook [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] betrokken, die hierna als [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] zullen worden aangeduid.

4 Bewijs

4.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

4.2

Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak van beide feiten bepleit.

Ten aanzien van feit 1 heeft de verdediging aangevoerd dat [verdachte] op verzoek van [medeverdachte 6] naar Amsterdam is gegaan omdat er mogelijk een bouwklus voor hem en [medeverdachte 6] zou zijn. In Amsterdam heeft [medeverdachte 6] [verdachte] op enig moment gevraagd een tas aan te nemen. [verdachte] wist niet wat de inhoud was van de tas die hij heeft ontvangen en vervoerd. Pas toen hij de tas optilde en voelde dat deze zwaar was, kon hij wellicht vermoeden dat het om drugs ging, maar toen kon hij niet meer terug. Opzet ontbreekt dus volgens de verdediging.

Subsidiair heeft de verdediging met betrekking tot de hoeveelheid aangetroffen heroïne het volgende aangevoerd. In het proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 5 augustus 2015 (dossierpagina 200) wordt melding gemaakt van een gewicht van de genomen monsters van (in totaal) 12,6 gram, terwijl in het rapport van [verbalisant] (dossierpagina 197) vermeld wordt dat het gewicht van dezelfde monsters (in totaal) 11,21 gram was. Volgens de verdediging moet er dan ook van worden uitgegaan dat in het proces-verbaal sporenonderzoek sprake is van een foutmarge van gemiddeld 12,5 %. Geëxtrapoleerd naar de totale hoeveelheid aangetroffen heroïne brengt dit volgens de verdediging mee dat moet worden uitgegaan van slechts 18,5 kilo in plaats van 21 kilo.

Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging het volgende aangevoerd. [verdachte] wist niet dat de in zijn schuur aangetroffen pers voor het verwerken van verdovende middelen wordt gebruikt. Hij gebruikte hem voor het uitdrukken van klepgeleiders of wiellagers. Hij wist niet dat er methadonpillen en tassen met fenacetine en boorzuur in zijn schuur aanwezig waren en wist bovendien niet dat dit soort spullen kunnen worden gebruikt als versnijdingsmiddel bij het verwerken van verdovende middelen. Hij heeft zijn schuur ter beschikking van [medeverdachte 6] gesteld, maar dat [medeverdachte 6] de schuur gebruikte voor handelingen met betrekking tot verdovende middelen wist hij niet.

Voorwaardelijk - indien de rechtbank niet komt tot een vrijspraak ten aanzien van feit 2 - heeft de verdediging verzocht de versnijdingsmiddelen en de drugs op DNA-sporen van verdachte te onderzoeken.

4.3.

Partiële vrijspraak van feit 2 (ten aanzien van het medeplegen)
De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat [verdachte] het ten laste gelegde feit 2 samen met een ander of anderen heeft gepleegd, omdat het dossier daarvoor onvoldoende aanknopingspunten biedt. De enkele verklaring van [verdachte] dat de pers, mallen en versnijdingsmiddelen in zijn schuur aan [medeverdachte 6] toebehoren is voor een bewezenverklaring van medeplegen onvoldoende. De verklaring van de partner van [verdachte] , voor zover deze inhoudt dat [medeverdachte 6] een sleutel van de schuur had en dat deze spullen van hem waren, is niet mede redengevend omdat zij heeft verklaard dat zij dit van [verdachte] heeft gehoord. Nu in het dossier verder bewijs dat steun biedt aan de verklaring van [verdachte] , ontbreekt, dient [verdachte] van het medeplegen te worden vrijgesproken.

4.4.

Redengevende feiten en omstandigheden ten aanzien van feit 1 1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Op 12 mei 2015 bevinden verbalisanten zich op/nabij IJburg te Amsterdam. Door verbalisanten wordt op de openbare weg een ontmoeting waargenomen tussen vier personen.2 Uit onderzoek blijkt dat het gaat om verdachten [verdachte] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] .3

Verbalisanten zien om 15:55 uur twee personenauto’s, een groene Volkswagen Polo en een grijze Seat Leon aan komen rijden. Beiden voertuigen parkeren in de Maria Austriastraat. Twee, op dat moment nog onbekende mannen (NN1 en NN2) stappen uit de Seat Leon.4 NN1 en NN2 blijken later verdachten [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] te zijn.5 Vervolgens loopt [medeverdachte 5] richting de IJburglaan. [medeverdachte 6] loopt in de richting van de Volkswagen Polo en maakt contact met [verdachte] . [medeverdachte 6] en [verdachte] lopen vervolgens ook richting de IJburglaan. Omstreeks 16:00 uur zien verbalisanten dat zich een vierde man (NN4) voegt bij [medeverdachte 5] . NN4 wordt herkend als verdachte [medeverdachte 4] .6 [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] lopen weg de Daquerrestraat in. Na enkele minuten lopen ook [verdachte] en [medeverdachte 6] de Daquerrestraat in. Zij gaan met z’n vieren in gesprek.

Om 16:06 uur ziet verbalisant dat [medeverdachte 4] naar een Renault Trafic, voorzien van [kenteken] , loopt, als bestuurder in het voertuig stapt en wegrijdt, 180 graden draait en in

de richting rijdt van de kruising Daguerrestraat met de Maria Austriastraat. Daar stopt de Renault Trafic en stapt [verdachte] in als bijrijder. Verbalisant ziet dat [verdachte] op dat moment niets zichtbaars bij zich heeft dan wel draagt. [medeverdachte 6] zit op een betonnen bankje op de kruising van de Daguerrestraat met de Maria Austriastraat. Vanaf hier heeft [medeverdachte 6] overzicht op de Renault Trafic. Enkele minuten later stopt de Renault Trafic in de Maria Austriastraat naast de groene Volkswagen Polo. Hier stapt [verdachte] als bijrijder uit de Renault Trafic. Bij het uitstappen tilt [verdachte] een grote zwarte tas uit de Renault Trafic. [verdachte] loopt vervolgens naar de groene Volkswagen Polo en legt de tas op de achterbank van deze Volkswagen Polo neer.7

Enige tijd later wordt [verdachte] ter hoogte van de Kortenhoevenseweg 85 te Lexmond gecontroleerd. Een verbalisant doorzoekt de tas die op de achterbank staat.8 In de tas treft verbalisant in een vuilniszak met daarin nog een vuilniszak diverse bruine gekleurde blokken aan die hij herkent als zijnde blokken verdovende middelen. De blokken zijn voorzien van het opschrift ‘Rolex 2015’. Hierop wordt verdachte aangehouden.9 Nadat [verdachte] is aangehouden, probeert de mobiele telefoon met [telefoonnummer 1] , in gebruik bij [medeverdachte 6] , nog verschillende malen [verdachte] te bereiken.10

In de tas worden in totaal 42 pakketten aangetroffen. Eén van deze pakketten is door de politie Amsterdam veiliggesteld en onderzocht.11 Uit het rapport van het Laboratorium Forensische Opsporing te Amsterdam blijkt dat de aangetroffen stof heroïne betreft.12

Verbalisanten hebben de overige pakketten gewogen en een deel van de pakketten is bemonsterd. Het netto gewicht per pakket bedroeg gemiddeld ongeveer 500 gram. Deze bemonsteringen zijn eveneens voor nader onderzoek naar het Laboratorium Forensische Opsporing te Amsterdam gezonden.13 Uit het rapport van het Laboratorium Forensische Opsporing te Amsterdam blijkt dat de aangetroffen stof in de overige bemonsteringen ook heroïne betreft.14

Op de buitenzijde van de buitenste vuilniszak in de sporttas wordt een dactyloscopisch spoor aangetroffen.15 Uit het rapport dactyloscopisch onderzoek blijkt dat dit spoor afkomstig is van [medeverdachte 4] .16

Later die dag (op 12 mei 2015 omstreeks 20.58 uur) wordt [medeverdachte 4] aangehouden. Kort voor zijn aanhouding wordt gezien dat hij als passagier in een Landrover Freelander [kenteken] stapt (20.32 uur) en daarmee wegrijdt.17 Tijdens een latere doorzoeking worden in de Landrover onder meer een telefoon, merk Nokia 105, alsmede de sleutel van de Renault Traffic aangetroffen.18

Uit onderzoek blijkt dat de mobiele telefoon die is gevonden in de Landrover (Nokia 105), met [telefoonnummer 2] , op het moment van de in dit zaakdossier bedoelde overdracht van heroïne aan [verdachte] ook in IJburg te Amsterdam was. Bij het uitlezen van de telefoon worden sms-berichten in de Turkse taal aangetroffen, die als volgt luiden:

“Roggeplein 9 Zaandam” (11 mei 2015, 13.34:24 uur)

“2 dak” (11 mei 2015, 14.57:40 uur) [vertaald als: 2 minuten] en

“IJburglaan 717 Amsterdam” (12 mei 2015, 14.06:56 uur).

Deze berichten zijn verzonden naar het [telefoonnummer 3] .

Op 11 mei 2015 om 14.45 uur wordt van het [telefoonnummer 3] een sms gestuurd naar [telefoonnummer 2] luidend: “Geldik”. Dat betekent “wij zijn gekomen” en om 14.57 uur “wij zijn in dat koffiehuis” (vertaald).

Tussen de beide telefoons vinden op 11 en 12 mei 2015 nog meer contacten plaats.19

Op 18 juni 2015 belt het mobiele [telefoonnummer 3] om 05.30 uur met de politie, alarmnummer 112. In het gesprek wordt door de eigenaar van [café] , gevestigd [adres café] melding gedaan van een inbraak in het café. De eigenaar is genaamd [medeverdachte 5] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] en wonend [adres] .20

De mobiele telefoon met [telefoonnummer 3] is op 2 mei 2015 voor het eerst op het Nederlandse netwerk en heeft met uitzondering van 11 en 12 mei 2015 bijna uitsluitend zendmasten aangestraald in Tiel of in de directe omgeving van Tiel (Echteld).

Op 11 mei 2015 is deze mobiele telefoon in Zaandam. Op 12 mei 2015 is deze mobiele telefoon in Amsterdam.21

[medeverdachte 6] maakt op 11 en 12 mei 2015 gebruik van het [telefoonnummer 1] .22

Op 11 mei 2015 omstreeks 15.00 uur is deze telefoon in Zaandam in de buurt van het Lijns Tewisz Roggeplein 9. De aangestraalde zendmasten wijzen op een die dag afgelegde route van Tiel naar Zaandam en op dezelfde dag weer terug. Uit de zendmastgegevens blijkt dat de telefoon op 12 mei 2015 omstreeks 14.30 uur is vertrokken uit Tiel en is gereden richting Amsterdam. Na 16.15 uur heeft de mobiele telefoon zich weer verplaatst richting Tiel.23

[verdachte] heeft verklaard dat hij op 12 mei 2015 rond 14.30/15.00 uur is gebeld door [medeverdachte 6] . [medeverdachte 6] liet hem weten dat hij een klusje had waar [verdachte] blij van zou worden. Na dit telefoongesprek is hij naar Beesd gereden alwaar hij [medeverdachte 6] en een voor hem onbekende man bij een tankstation heeft ontmoet en geld voor benzine heeft gekregen.24 [verdachte] heeft voorts verklaard dat hij vervolgens samen met [medeverdachte 6] en de onbekende man richting Amsterdam is gereden. [verdachte] reed op dat moment in zijn eigen auto en [medeverdachte 6] en de onbekende man reden in een grijze Seat Leon. In Amsterdam ontmoetten ze een vierde man, die [verdachte] ook niet kende. Dit betrof een kalende man van ongeveer 1.80 meter. [medeverdachte 6] vertelde [verdachte] dat hij een tas aan moest nemen en deze aan iemand anders moest afgeven. Vervolgens kwam een bus aanrijden die werd bestuurd door de kalende man van 1.80 meter. Als verbalisanten [verdachte] later tijdens zijn derde verhoor een foto van [medeverdachte 4] tonen, verklaart [verdachte] dat deze man de chauffeur van de bus zou kunnen zijn. Vervolgens is [verdachte] bij deze voor hem onbekende man in de auto, een Renault Trafic, gestapt en op zijn, [verdachte] , aanwijzen zijn zij naar zijn auto gereden. [verdachte] heeft vervolgens uit de ruimte onder de achterbank van de Renault Trafic een tas gepakt en in zijn auto gezet. Hij is even later in zijn auto terug richting Tiel gereden. [verdachte] heeft verklaard dat hij van [medeverdachte 6] had gehoord dat hij de tas moest pakken. Toen hij voelde hoe zwaar de tas was, dacht hij wel dat er heroïne of cocaïne in de tas zou zitten. Hij had op de heenweg naar Amsterdam al een onderbuikgevoel dat het niet goed zat.25

[medeverdachte 6] heeft verklaard dat hij op 12 mei 2015 in IJburg te Amsterdam was en dat hij [verdachte] daar ook heeft gezien.26

4.5.

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 1

Met betrekking tot het opzet.

Het verweer van de verdediging dat [verdachte] geen opzet had op het voorhanden hebben en vervoeren van een hoeveelheid heroïne wordt verworpen. [verdachte] heeft immers zelf verklaard dat hij op de heenweg naar Amsterdam al een onderbuikgevoel had dat het niet goed zat. Hij zou naar Amsterdam gaan voor een bouwklus, maar toen hij in Amsterdam was aangekomen hoorde hij van [medeverdachte 6] dat hij een tas van een onbekende man moest aannemen. Toen hij voelde hoe zwaar de tas was die hij uit de Renault Trafic van de man moest pakken, dacht hij dat het niet om een tas met geld ging maar om heroïne of cocaïne. Door vervolgens de tas uit de Renault Trafic te tillen en in zijn auto te plaatsen en daarmee richting Tiel te rijden, heeft hij dus bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij een grote hoeveelheid heroïne vervoerde.

Met betrekking tot de hoeveelheid heroïne.

De rechtbank ziet in de omstandigheid dat in de door de verdediging aangehaalde stukken inderdaad verschillende gewichten van de genomen monsters worden vermeld, aanleiding om tot bewezenverklaring van “een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne” te komen.

Slotsom.

De rechtbank is gezien het voorgaande van oordeel dat [verdachte] zich heeft schuldig gemaakt aan het samen met anderen opzettelijk verstrekken en vervoeren van een grote hoeveelheid heroïne.

4.6.

Redengevende feiten en omstandigheden ten aanzien van feit 2

De rechtbank komt na de hiervoor opgenomen partiële vrijspraak voor wat betreft het medeplegen, tot bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Op 12 mei 2015 vindt in de woning van verdachte [verdachte] gelegen aan de [adres] te Tiel een doorzoeking plaats. In de tuin wordt een blauwe vuilniszak aangetroffen met daarin opengesneden gebruikt huishoudfolie met sporen van bruin poeder.27 In de schuur behorende bij de woning wordt een hydraulische drukpers aangetroffen. Van dit type pers is bekend dat deze gebruikt wordt voor het persen van blokken heroïne of cocaïne.28 Tevens worden in de schuur mallen en allerlei chemische materialen die gebruikt worden voor de bereiding en het versnijden van verdovende middelen aangetroffen. Ook worden verschillende weegschalen, waaronder een weegschaal met daarop een plastic zakje bruine brokstukjes, aangetroffen en verpakkingsmateriaal. Tot slot worden diverse zakjes met wit poeder aangetroffen en twee jerrycans met chemicaliën.29

De in de schuur aangetroffen zakjes met stoffen (poeders) zijn voor nader onderzoek overgedragen aan de afdeling Forensische Opsporing. Uit nader onderzoek blijkt dat de aangetroffen en in beslag genomen stoffen onder meer fenacetine en lidocaïne bevatten. Beide stoffen kunnen worden gebruikt voor het versnijden van verdovende middelen.30

[verdachte] maakte zelf gebruik van de schuur bij zijn woning.31

4.7.

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 2

De rechtbank is van oordeel dat het verweer dat [verdachte] niet wist dat er spullen in zijn schuur stonden die bestemd waren voor de bewerking van verdovende middelen, als ongeloofwaardig moet worden verworpen.

De rechtbank stelt voorop dat de schuur hoort bij de woning die [verdachte] bewoont en dat [verdachte] de schuur zelf gebruikte. [verdachte] heeft verklaard dat de spullen niet van hem, maar van [medeverdachte 6] zijn en dat [medeverdachte 6] de spullen daar moet hebben neergezet. Deze verklaring wordt niet ondersteund door bewijs uit een andere bron. Voor zover moet worden uitgegaan van deze verklaring overweegt de rechtbank als volgt.

Ter terechtzitting van 4 mei 2017 zijn op verzoek van de verdediging fragmenten van het verhoor van [verdachte] bij de politie op 5 juni 2015 beluisterd. Op de geluidsopname is te horen dat [verdachte] verklaart dat [medeverdachte 6] de spullen in zijn schuur had gezet omdat hij, [medeverdachte 6] , geen risico wilde lopen. [verdachte] verklaarde voorts dat hij enkele maanden voor 12 mei 2015 aan [medeverdachte 6] had gevraagd om zijn spullen uit zijn schuur te halen. Op de vraag van de verbalisant of hij wist of had moeten weten over de verkeerde dingen, heeft hij geantwoord “ja” en op de vraag of hij daarom had gezegd dat [medeverdachte 6] weg moest omdat hij het risico niet wilde, heeft hij ook “ja” geantwoord. Daarnaast is op de geluidsopname te horen dat [verdachte] op de vraag van de verbalisant “Wij kunnen ons niet voorstellen dat u niet wist wat er zich in uw schuur afspeelde. Waarom wilt of kunt u ons dat niet vertellen?” heeft geantwoord dat hij van de spullen in zijn schuur ‘in zijn hoofd afstand was gaan nemen, je wil het niet weten’ en ‘in de schuur alleen zijn eigen dingen pakte en niet goed keek’ of woorden van dergelijke strekking. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze verklaringen van [verdachte] met betrekking tot de gewraakte spullen in zijn schuur niet tot een andere conclusie leiden dan dat hij wist dat ze er stonden en ook wist dat dit spullen zijn die bestemd zijn voor het versnijden, verwerken en/of persen van verdovende middelen. De verklaring van verdachte ter terechtzitting dat hij hier eerst ná het lezen van het strafdossier van op de hoogte is geraakt, en dat zijn antwoorden tijdens het verhoor bij de politie in dat licht moeten worden bezien, is – gelet op het bovenstaande – volstrekt ongeloofwaardig. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan strafbare voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a lid 1 sub 3 van de Opiumwet.

4.8.

Het voorwaardelijk verzoek van de verdediging.

Dit verzoek wordt afgewezen, omdat de enkele afwezigheid van DNA van [verdachte] , dan wel aanwezigheid van DNA van [medeverdachte 6] op de versnijdingsmiddelen en de drugs die in de schuur zijn aangetroffen, naar het oordeel van de rechtbank niet aan het voorgaande af doet.

4.9.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

Feit 1:

hij op 12 mei 2015 te Amsterdam en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en vervoerd een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne;

Feit 2:

hij op 12 mei 2015 te Tiel om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, en/of vervoeren van een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen

- voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad waarvan hij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,

immers heeft hij bij een woning en/of schuur gelegen aan de [adres] verpakkingsmaterialen en een pers en een weegschaal en fenacetine en lidocaïne, zijnde voorwerp en stoffen die gebruikt worden bij de bewerking, verwerking en/of bereiding van verdovende middelen voorhanden gehad.

5 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod.

Feit 2: een feit, bedoeld in het vierde lid van art. 10 Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7 Motivering van de sanctie

7.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 18 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De officier van justitie heeft daarbij gevorderd dat aan verdachte bijzondere voorwaarden worden opgelegd.

7.2.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de aflevering, verstrekking en het vervoer van een grote hoeveelheid heroïne. De rechtbank ziet in het door de verdediging gevoerde verweer ten aanzien van het gewicht aanleiding om uit te gaan van een hoeveelheid van ongeveer 18,5 kilogram. Daarnaast heeft verdachte in zijn schuur spullen die bestemd zijn voor het verwerken van heroïne opgeslagen gehad. Heroïne is een voor de gezondheid schadelijke, verslavende stof, met grote nadelige psychische en lichamelijke effecten voor de gebruiker. Het gebruik van en de handel in heroïne leidt bovendien direct en indirect tot vele andere vormen van criminaliteit en vormt aldus een bron van overlast voor de samenleving. Verdachte heeft door zijn handelen hieraan bijgedragen.

Gelet hierop is alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een passende reactie.

Daar staat tegenover dat verdachte blijkens het dossier slechts een uitvoerende en niet een mede-organiserende rol in dit drugstransport heeft gehad, hetgeen de rechtbank als relatief minder zwaar beoordeelt.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 12 januari 2017 waaruit blijkt dat hij niet eerder ter zake van soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld. De rechtbank heeft voorts kennis genomen van de rapporten van Reclassering Nederland (hierna: reclassering) van 16 oktober 2015 en van 2 mei 2017. Samengevat komt uit deze rapporten naar voren dat verdiepingsdiagnostiek heeft uitgewezen dat er bij verdachte sprake is van een persoonlijkheidsstoornis NAO en van enig sociaal maatschappelijk disfunctioneren. Een ambulante behandeling door een psycholoog wordt nodig geacht. Daarnaast wordt geadviseerd om aan verdachte een meldplicht bij de reclassering op te leggen.

De rechtbank is van oordeel dat het advies van de reclassering, enigszins aangepast, moet worden gevolgd. Weliswaar heeft verdachte verklaard dat hij op dit moment geen psychische klachten ervaart en dat het in zijn persoonlijk leven goed gaat, maar niet is in te schatten hoe dit is als verdachte weer wordt geconfronteerd met een tegenslag in zijn leven, zoals dit veroordelend vonnis. Daarom is de rechtbank van oordeel dat een gedeelte van de op te leggen gevangenisstraf in voorwaardelijke zin moet worden opgelegd, met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden, waaronder een meldplicht bij de reclassering.

Omdat het advies om een ambulante behandeling bij een psycholoog op te leggen, voortkomt uit diagnostisch onderzoek dat in november 2015 heeft plaatsgevonden, zal de rechtbank dit onderdeel van de op te leggen bijzondere voorwaarden aldus formuleren dat de behandeling alleen verplicht is, indien nader onderzoek (door of in opdracht van de reclassering) meebrengt dat dit nog steeds noodzakelijk is. Verdachte is verplicht om aan dit nader onderzoek mee te werken.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd, waarbij wordt aangetekend dat de rechtbank de ernst van het feit gezien de rol van verdachte anders weegt dan de officier van justitie. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van 2 jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Daarnaast acht de rechtbank het noodzakelijk dat bijzondere voorwaarden aan het voorwaardelijk gedeelte van de gevangenisstraf worden verbonden, opdat uitvoering wordt gegeven aan hetgeen hiervoor is overwogen.

Voorlopige hechtenis.

De voorlopige hechtenis is geschorst tot aan de uitspraak. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of dit veroordelend vonnis meebrengt dat de voorlopige hechtenis niet opnieuw moet worden geschorst. De rechtbank overweegt in dit verband dat de enkele veroordeling van verdachte daartoe niet voldoende is. Beoordeeld moet worden of sprake is van enig redelijk doel bij het opnieuw in voorlopige hechtenis nemen van verdachte. Dit is naar het oordeel van de rechtbank niet het geval. Gesteld noch gebleken is dat verdachte in de periode dat zijn voorlopige hechtenis geschorst was, zich niet heeft gehouden aan de gestelde schorsingsvoorwaarden. Hieruit leidt de rechtbank af dat het recidivegevaar kennelijk in de afgelopen periode voldoende kon worden ingeperkt door de aan verdachte opgelegde schorsingsvoorwaarden. De rechtbank ziet niet in dat dit na deze veroordeling anders zal zijn. Nu ook overigens niet is gebleken van omstandigheden die meebrengen dat hernieuwde schorsing van de voorlopige hechtenis onwenselijk zou zijn, is de rechtbank van oordeel dat de voorlopige hechtenis van verdachte opnieuw moet worden geschorst, onder gelijkluidende voorwaarden.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14a, 14b, 14c, 47, 57 van het Wetboek van Strafrecht;

2, 10, 10a van de Opiumwet.

9 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.9 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder feiten 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (ACHTTIEN) maanden.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 9 (NEGEN) niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van 2 jaren.

Stelt als algemene voorwaarde(n) dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

- zich binnen vijf dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis meldt bij de Reclassering Nederland op het adres: Nieuwe Oeverstraat 65, 6811 JB Arnhem;

- zich houdt aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft en dat hij zich gedurende door de reclassering bepaalde perioden blijft melden zo frequent als de reclassering dit nodig acht;

- meewerkt aan een nader diagnostisch onderzoek om vast te stellen of een behandeling bij Kairos of soortgelijke ambulante forensische zorg noodzakelijk is, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van dat nader onderzoek door of namens de reclassering worden gegeven;

- indien de noodzaak tot behandeling uit vorenbedoeld onderzoek naar voren komt (zulks ter beoordeling van de reclassering), meewerkt aan behandeling bij Kairos of soortgelijke ambulante zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij hij zich houdt aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar worden gegeven.

Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht).

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst af het voorwaardelijke verzoek van de verdediging tot DNA-onderzoek.

Schorst opnieuw de voorlopige hechtenis waarin verdachte zich bevindt.

Verbindt aan deze schorsing de navolgende voorwaarden dat verdachte:

1. indien de opheffing van de schorsing mocht worden bevolen, zich aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis niet zal onttrekken;

2. ingeval hij wegens de feiten waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen, tot andere dan vervangende vrijheidsstraf mocht worden veroordeeld, zich aan de tenuitvoerlegging daarvan niet zal onttrekken;

3. zich niet aan strafbare feiten zal schuldig maken;

4. gehoor zal geven aan iedere oproep van politie, justitie, rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken en rechtbank;

5. iedere wijziging in zijn verblijfadres terstond aan de officier van justitie zal doorgeven.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.C. Smits, voorzitter,

mr. S.I.A.C. Angenent-Bakker en mr. E.J. Bellaart, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers mr. V.J.M. Goldschmeding en mr. S.C. Naeije,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 16 juni 2017.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Het proces-verbaal van niet stelselmatige observatie 12 mei 2015 d.d. 13 mei 2015 (O-120, Map 20, Zaaksdossier 1, pagina 256).

3 Het proces-verbaal van bevindingen telecom 11 en 12 mei 2015 d.d. 13 oktober 2015 (E-214, Map 20, Zaaksdossier 1, pagina 158).

4 Het proces-verbaal van niet stelselmatige observatie 12 mei 2015 d.d. 13 mei 2015 (O-120, Map 20, Zaaksdossier 1, pagina 256/257).

5 Het proces-verbaal van bevindingen telecom 11 en 12 mei 2015 d.d. 13 oktober 2015 (E-214, Map 20, Zaaksdossier 1, pagina 158).

6 Het proces-verbaal van bevindingen aanleiding tot inval en aanhoudingen d.d. 13 mei 2015 (E-110, Map 20, Zaaksdossier 1, pagina 86).

7 Het proces-verbaal van niet stelselmatige observatie 12 mei 2015 d.d. 13 mei 2015 (O-120, Map 20, Zaaksdossier 1, pagina 257 - 259).

8 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 mei 2015 (E-109, Map 20, Zaaksdossier 1, pagina 81 en 82).

9 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 juli 2015 (E-109-1, Map 20, Zaaksdossier 1, pagina 83).

10 Het proces-verbaal van bevindingen telecom 11 en 12 mei 2015 d.d. 13 oktober 2015 (E-214, Map 20, Zaaksdossier 1, pagina 167).

11 Het proces-verbaal van sporenonderzoek d.d. 5 augustus 2015 (F-14, Map 20, Zaaksdossier 1, pagina 199).

12 Een schriftelijk stuk, te weten een rapport d.d. 20 mei 2015 van de Politie Amsterdam, Dienst Regionale Recherche, Laboratorium Forensische Opsporing, opgemaakt door [verbalisant] (F-09-1, Map 20, Zaaksdossier 1, pagina 196).

13 Het proces-verbaal van sporenonderzoek d.d. 5 augustus 2015 (F-14, Map 20, Zaaksdossier 1, pagina 199 -201).

14 Een schriftelijk stuk, te weten een rapport d.d. 13 augustus 2015 van de Politie Amsterdam, Dienst Regionale Recherche, Laboratorium Forensische Opsporing, opgemaakt door [verbalisant] (F-12, Map 20, Zaaksdossier 1, pagina 198).

15 Het proces-verbaal onderzoek stuk van overtuiging d.d. 23 september 2015 (F-31, Map 20, Zaaksdossier 1, pagina 215, 218).

16 Een schriftelijk stuk, te weten een rapport dactyloscopisch onderzoek d.d. 24 augustus 2015 van de politie, landelijke eenheid, opgemaakt door [verbalisant] (F-23, Map 20, Zaaksdossier 1, pagina 211, 212).

17 Het proces-verbaal van observatie dinsdag 12 mei 2015 d.d. 18 mei 2015 (O-129, Map 20, Zaaksdossier 1, pagina 266, 267).

18 Het proces-verbaal van bevindingen telecom 11 en 12 mei 2015 d.d. 13 oktober 2015 (E-214, Map 20, Zaaksdossier 1, pagina 159).

19 Het proces-verbaal van bevindingen telecom 11 en 12 mei 2015 d.d. 13 oktober 2015 (E-214, Map 20, Zaaksdossier 1, pagina 160, 161).

20 Het proces-verbaal van bevindingen telecom 11 en 12 mei 2015 d.d. 13 oktober 2015 (E-214, Map 20, Zaaksdossier 1, pagina 165).

21 Het proces-verbaal van bevindingen telecom 11 en 12 mei 2015 d.d. 13 oktober 2015 (E-214, Map 20, Zaaksdossier 1, pagina 162).

22 Proces-verbaal bevindingen telecom 11 en 12 mei 2015 d.d. 13 oktober 2015, (map 20 dossierpagina 169-170) en proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 4 juni 2015 (map 20, dossierpagina 314).

23 Proces-verbaal bevindingen telecom 11 en 12 mei 2015 d.d. 13 oktober 2015 (map 20, dossierpagina 166 en 167).

24 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 4 juni 2015 (V15 VKL03, Map 20, pagina 314 en 315).

25 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 4 juni 2015 (V15 VKL03, Map 20, pagina 315).

26 Het proces-verbaal van verhoor getuige [medeverdachte 6] d.d. 25 november 2016 van de rechter-commissaris.

27 Het proces-verbaal van bevindingen doorzoeking [adres] d.d. 13 mei 2015 (E-137, Map 20, Zaaksdossier 1, pagina 125, 128, 129).

28 Het proces-verbaal inbeslagname d.d. 21 mei 2015 (E-136, Map 20, Zaaksdossier 1, pagina 123).

29 Het proces-verbaal van bevindingen doorzoeking [adres] d.d. 13 mei 2015 (E-137, Map 20, Zaaksdossier 1, pagina 125, 129-132).

30 Het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen d.d. 12 augustus 2015, (F-07, Map 20, Zaaksdossier 1, pagina 191-194) alsmede een schriftelijk stuk, te weten een rapport van het Laboratorium Forensische Opsporing te Amsterdam d.d. 13 augustus 2015, opgemaakt door [verbalisant] (F-11, Map 20, Zaaksdossier 1, pagina 197).

31 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 4 juni 2015 (V15 VKL03, Map 20, pagina 321).