Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:6176

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
20-07-2017
Datum publicatie
25-07-2017
Zaaknummer
15-870671-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Meervoudige strafkamer; promisvonnis. Onderzoek Matong.

Veroordeling op 20 juli 2017 van zes verdachten, waaronder verdachte, voor onder meer invoer van 8 kg cocaïne in olijfolie uit Chili en voorbereiding van invoer van 3 kg cocaïne in boeken uit Venezuela. Verdachte is tevens veroordeeld wegens ambtelijke corruptie. Verdachte zou tegen betaling pakketten met cocaïne doorlaten en heeft daarbij er voor gezorgd dat zij zelf en haar collega en medeverdachte op specifieke dagen werden ingeroosterd. Verdachte is vrijgesproken van deelname aan een criminele organisatie.

Verweer tot uitsluiten van de als gevolg van de machtigingen ex artikel 126m en 126n Sv verkregen bewijsmateriaal is afgewezen.

Verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden met aftrek van het voorarrest. De rechtbank heeft haar straf gematigd, gelet op haar beperkte rol, de korte periode waarin zij deelnam en haar persoonlijke omstandigheden als alleenstaand ouder met de zorg voor een kind van 10 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlemmermeer

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/870671-15 (P)

Uitspraakdatum: 20 juli 2017

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 23 juni 2017, 26 juni 2017, 27 juni 2017, 28 juni 2017, 29 juni 2017, 3 juli 2017 en 6 juli 2017 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1983 te Haarlem,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [woonplaats] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. L.B. Haneveld en van hetgeen verdachte en haar raadsman, mr. P.W. Szymkowiak, advocaat te Maastricht, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314 a van het Wetboek van strafvordering (Sv) en na daarop volgende wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 313 Sv, ten laste gelegd dat:

Feit 1:

Primair

[ZD B 03: Poging invoer in vereniging van ca. 3 kilo cocaïne in een pakket

boeken vanuit Venezuela]

zij en/of één of meer van haar mededader(s) in of omstreeks de periode van 01 september 2015 tot en met 28 september 2015 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of elders in Nederland en/of te Venezuela en/of elders in Zuid-Amerika, tezamen en in vereniging, althans alleen,

ter uitvoering van het door haar, verdachte, en/of haar mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland te brengen, al dan niet als bedoeld in artikel 1, lid 4, van de Opiumwet, ongeveer 3 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

één of meer (uitvoerings)handeling(en) heeft/hebben verricht,

immers heeft/hebben één of meer van haar mededader(s) (een) (aan)betaling(en) gevraagd en/of ontvangen van één of meer (onbekend gebleven) perso(o)n(en) (die zonder het risico van controle en/of onderschepping door de Douane/Belastingdienst in (een) DHL zending(en) cocaïne binnen het grondgebied van Nederland willen brengen)

en/of

heeft/hebben één of meer van haar mededader(s) aan een ander(e mededader) gevraagd of deze als ontvanger en/of geadresseerde van (een) (te verzenden) DHL zending(en) (met cocaïne) wil optreden/fungeren, althans een afleveradres voor (een) DHL zending(en) (met cocaïne) wil opgeven en/of ter beschikking wil stellen

en/of

heeft één van haar mededader(s) het adres [adres 1] Amsterdam aan één of meer van haar (andere) mededader(s), opgegeven en/of ter beschikking gesteld als afleveradres voor één of meer zending(en)

en/of

heeft/hebben één of meer van haar mededader(s) (overeenkomstig (een) tevoren gemaakte afspra(a)k(en)) in Venezuela, althans Zuid-Amerika, een hoeveelheid cocaïne, verpakt en/of verborgen in een pakket (met boeken) en/of (vervolgens) op 24 september 2015 bij DHL in Venezuela aangeboden ter verzending aan [geadresseerde] , [adres 1] Amsterdam

en/of

heeft/hebben één of meer van haar mededader(s) aan de hand van een traceernummer van deze zending op de website van DHL één of meermalen de statusberichten en/of verblijfplaats van deze zending geraadpleegd

en/of

heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar collega-douaneambtenaar [medeverdachte 1] (vervolgens) (overeenkomstig (een) tevoren gemaakte afspra(a)k(en)) in de (vroege) ochtend van 28 september 2015 geregeld en/of georganiseerd en/of ervoor zorggedragen dat deze zelf op 28 september 2015 in de vestiging van DHL op Schiphol-Oost dienst als douaneambtena(a)r(en) kon(den) verrichten en/of had(den)

en/of

heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar collega-douaneambtenaar [medeverdachte 1] (vervolgens) (overeenkomstig (een) tevoren gemaakte afspra(a)k(en)) op 28 september 2015 in de vestiging van DHL op Schiphol-Oost gereed gestaan om, voor en/of in het geval voornoemd pakket door de Douane/Belastingdienst en/of DHL was geselecteerd voor een douanecontrole, voornoemd pakket niet te onderwerpen aan een (deugdelijke) douanecontrole en/of niet in beslag te nemen,

en/of

heeft één van haar mededader(s) bij het adres [adres 1] te Amsterdam gewacht op aflevering van voornoemd pakket door DHL en/of aldaar voornoemd pakket in ontvangst genomen

en/of

heeft/hebben zij, verdachte, en/of één of meer van haar mededader(s) (een) bespreking(en) gevoerd en/of informatie uitgewisseld en/of ingewonnen en/of verschaft over één of meer van de hierboven omschreven (uitvoerings)handeling(en),

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair

zij in of omstreeks de periode van 01 september 2015 tot en met 30 september 2015 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of te Amsterdam en/of elders in Nederland en/of te Venezuela en/of elders in Zuid-Amerika, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen,

om (een) feit(en), bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of vervoeren en/of verstrekken en/of afleveren van een hoeveelheid van ongeveer 3 kilogram, in elk geval een hoeveelheid, cocaïne, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- ( een) ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen en/of te doen plegen en/of mede te plegen en/of uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

- ( een) voorwerp(en) en/of (een) vervoermiddel(en) en/of (een) stof(fen) en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan zij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),

immers heeft/hebben één of meer van haar mededader(s) (een) (aan)betaling(en) gevraagd en/of ontvangen van één of meer (onbekend gebleven) perso(o)n(en) (die zonder het risico van controle en/of onderschepping door de Douane/Belastingdienst in (een) DHL zending(en) cocaïne binnen het grondgebied van Nederland willen brengen)

en/of

heeft/hebben één of meer van haar mededader(s) aan een ander(e mededader) gevraagd of deze als ontvanger en/of geadresseerde van (een) (te verzenden) DHL zending(en) (met cocaïne) wil optreden/fungeren, althans een afleveradres voor (een) DHL zending(en) (met cocaïne) wil opgeven en/of ter beschikking wil stellen

en/of

heeft één van haar mededader(s) het adres [adres 1] Amsterdam aan één of meer van haar (andere) mededader(s), opgegeven en/of ter beschikking gesteld als afleveradres voor één of meer zending(en)

en/of

heeft/hebben één of meer van haar mededader(s) (overeenkomstig (een) tevoren gemaakte afspra(a)k(en)) in Venezuela, althans Zuid-Amerika, een hoeveelheid cocaïne, verpakt en/of verborgen in een pakket (met boeken) en/of (vervolgens) op 24 september 2015 bij DHL in Venezuela aangeboden ter verzending aan [geadresseerde] , [adres 1] Amsterdam

en/of

heeft/hebben één of meer van haar mededader(s) aan de hand van een traceernummer van deze zending op de website van DHL één of meermalen de statusberichten en/of verblijfplaats van deze zending geraadpleegd

en/of

heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar collega-douaneambtenaar [medeverdachte 1] (vervolgens) (overeenkomstig (een) tevoren gemaakte afspra(a)k(en)) in de (vroege) ochtend van 28 september 2015 geregeld en/of georganiseerd en/of ervoor zorggedragen dat deze zelf op 28 september 2015 in de vestiging van DHL op Schiphol-Oost dienst als douaneambtena(a)r(en) kon(den) verrichten en/of had(den)

en/of

heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar collega-douaneambtenaar [medeverdachte 1] (vervolgens) (overeenkomstig (een) tevoren gemaakte afspra(a)k(en)) op 28 september 2015 in de vestiging van DHL op Schiphol-Oost gereed gestaan om, voor en/of in het geval voornoemd pakket door de Douane/Belastingdienst en/of DHL was geselecteerd voor een douanecontrole, voornoemd pakket niet te onderwerpen aan een (deugdelijke) douanecontrole en/of niet in beslag te nemen,

en/of

heeft één van haar mededader(s) bij het adres [adres 1] te Amsterdam gewacht op aflevering van voornoemd pakket door DHL en/of aldaar voornoemd pakket in ontvangst genomen

en/of

heeft/hebben zij, verdachte, en/of één of meer van haar mededader(s) (een) bespreking(en) gevoerd en/of informatie uitgewisseld en/of ingewonnen en/of verschaft over één of meer van de hierboven omschreven handeling(en) en/of over de wijze van verpakking en/of verzending van voornoemde hoeveelheid cocaïne in voornoemd pakket en/of over de wijze waarop voornoemde hoeveelheid cocaïne kwijt en/of verloren en/of vermist is geraakt en/of is kunnen raken;

Feit 2:

Primair

[ZD B 04:Invoer in vereniging van ca. 8 kilo cocaïne in olijfolie vanuit Chili]

zij in of omstreeks de periode van 01 januari 2015 tot en met 19 oktober 2015 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of te Amsterdam en/of elders in Nederland en/of te Chili en/of elders in Zuid-Amerika, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1, lid 4, van de Opiumwet, ongeveer 8 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

immers heeft/hebben één of meer van haar mededader(s) (een) (aan)betaling(en) gevraagd en/of ontvangen van één of meer (onbekend gebleven) perso(o)n(en) (die zonder het risico van controle en/of onderschepping door de Douane/Belastingdienst in (een) DHL zending(en) cocaïne binnen het grondgebied van Nederland willen brengen)

en/of

heeft/hebben één of meer van haar mededader(s) aan een ander(e mededader) gevraagd of deze als ontvanger en/of geadresseerde van (een) (te verzenden) DHL zending(en) (met cocaïne) wil optreden/fungeren, althans een afleveradres voor (een) DHL zending(en) (met cocaïne) wil opgeven en/of ter beschikking wil stellen

en/of

heeft één van haar mededader(s) het adres [adres 2] te Amsterdam aan één of meer van haar (andere) mededader(s) opgegeven en/of ter beschikking gesteld als afleveradres voor één of meer zending(en)

en/of

heeft/hebben zij en/of haar collega-douaneambtenaar [medeverdachte 1] (vervolgens) (overeenkomstig (een) tevoren gemaakte afspra(a)k(en)) geregeld en/of georganiseerd en/of ervoor zorggedragen dat deze zelf op 19 oktober 2015 in de vestiging van DHL op Schiphol-Oost dienst als douaneambtena(a)r(en) kon(den) verrichten en/of had(den)

en/of

heeft/hebben één of meer van haar mededader(s) (overeenkomstig (een) tevoren gemaakte afspra(a)k(en)) in Chili, althans Zuid-Amerika, voornoemde hoeveelheid cocaïne, opgelost in en/of vermengd met olijfolie en/of (vervolgens) één of meer dozen/pakketten met flessen met deze olijfolie en cocaïne op 15 oktober 2015 bij DHL in Chili aangeboden ter verzending aan

voornoemd adres [adres 2] te Amsterdam,

en/of

heeft/hebben één of meer van haar mededader(s) aan de hand van een traceernummer van deze zending op de website van DHL één of meermalen de statusberichten en/of verblijfplaats van deze zending geraadpleegd

en/of

heeft/hebben zij en/of haar collega-douaneambtenaar [medeverdachte 1] (vervolgens) (overeenkomstig (een) tevoren gemaakte afspra(a)k(en)) op 19 oktober 2015 in de vestiging van DHL op Schiphol-Oost gereed gestaan om, voor en/of in het geval voornoemd dozen/pakketten door de Douane/Belastingdienst en/of DHL waren geselecteerd voor een douanecontrole, voornoemde dozen/pakketten niet te onderwerpen aan een (deugdelijke) douanecontrole en/of niet in beslag te nemen

en/of

heeft/hebben zij en/of haar collega-douaneambtenaar [medeverdachte 1] (vervolgens) op 19 oktober 2015 in de vestiging van DHL op Schiphol-Oost tussen de door de Douane/Belastingdienst en/of DHL voor een douanecontrole geselecteerde dozen/pakketten gezocht en/of uitgekeken naar dozen/pakketten verzonden vanuit Chili

en/of

heeft één van haar mededader(s) op het adres [adres 2] te Amsterdam gewacht op de aflevering van voornoemde door DHL op dit adres af te leveren dozen/pakketten met flessen met olijfolie en cocaïne

en/of

heeft/hebben zij, verdachte, en/of één of meer van haar mededader(s) (een) bespreking(en) gevoerd en/of informatie uitgewisseld en/of ingewonnen en/of verschaft over één of meer van de hierboven omschreven handeling(en);

Subsidiair

zij en/of één of meer van haar mededader(s) in of omstreeks de periode van 01 januari 2015 tot en met 19 oktober 2015 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of te Amsterdam en/of elders in Nederland en/of te Chili en/of elders in Zuid-Amerika, tezamen en in vereniging, althans alleen,

ter uitvoering van het door haar, verdachte, en/of haar mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland te brengen, al dan niet als bedoeld in artikel 1, lid 4, van de Opiumwet, ongeveer 8 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

één of meer (uitvoerings)handelingen heeft/hebben verricht,

immers heeft/hebben één of meer van haar mededader(s) (een) (aan)betaling(en) gevraagd en/of ontvangen van één of meer (onbekend gebleven) perso(o)n(en) (die zonder het risico van controle en/of onderschepping door de Douane/Belastingdienst in (een) DHL zending(en) cocaïne binnen het grondgebied van Nederland willen brengen)

en/of

heeft/hebben één of meer van haar mededader(s) aan een ander(e mededader) gevraagd of deze als ontvanger en/of geadresseerde van (een) (te verzenden) DHL zending(en) (met cocaïne) wil optreden/fungeren, althans een afleveradres voor (een) DHL zending(en) (met cocaïne) wil opgeven en/of ter beschikking wil stellen

en/of

heeft één van haar mededader(s) het adres [adres 2] te Amsterdam aan één of meer van haar (andere) mededader(s) opgegeven en/of ter beschikking gesteld als afleveradres voor één of meer zending(en)

en/of

heeft/hebben zij en/of haar collega-douaneambtenaar [medeverdachte 1] (vervolgens) (overeenkomstig (een) tevoren gemaakte afspra(a)k(en)) geregeld en/of georganiseerd en/of ervoor zorggedragen dat deze zelf op 19 oktober 2015 in de vestiging van DHL op Schiphol-Oost dienst als douaneambtena(a)r(en) kon(den) verrichten en/of had(den)

en/of

heeft/hebben één of meer van haar mededader(s) (overeenkomstig (een) tevoren gemaakte afspra(a)k(en)) in Chili, althans Zuid-Amerika, voornoemde hoeveelheid cocaïne, opgelost in en/of vermengd met olijfolie en/of (vervolgens) één of meer dozen/pakketten met flessen met deze olijfolie en cocaïne op 15 oktober 2015 bij DHL in Chili aangeboden ter verzending aan

voornoemd adres [adres 2] te Amsterdam,

en/of

heeft/hebben één of meer van haar mededader(s) aan de hand van een traceernummer van deze zending op de website van DHL één of meermalen de statusberichten en/of verblijfplaats van deze zending geraadpleegd

en/of

heeft/hebben zij en/of haar collega-douaneambtenaar [medeverdachte 1] (vervolgens) (overeenkomstig (een) tevoren gemaakte afspra(a)k(en)) op 19 oktober 2015 in de vestiging van DHL op Schiphol-Oost gereed gestaan om, voor en/of in het geval voornoemd dozen/pakketten door de Douane/Belastingdienst en/of DHL waren geselecteerd voor een douanecontrole, voornoemde dozen/pakketten niet te onderwerpen aan een (deugdelijke) douanecontrole en/of niet in beslag te nemen

en/of

heeft/hebben zij en/of haar collega-douaneambtenaar [medeverdachte 1] (vervolgens) op 19 oktober 2015 in de vestiging van DHL op Schiphol-Oost tussen de door de Douane/Belastingdienst en/of DHL voor een douanecontrole geselecteerde dozen/pakketten gezocht en/of uitgekeken naar dozen/pakketten verzonden vanuit Chili

en/of

heeft één van haar mededader(s) op het adres [adres 2] te Amsterdam gewacht op de aflevering van voornoemde door DHL op dit adres af te leveren dozen/pakketten met flessen met olijfolie en cocaïne

en/of

heeft/hebben zij, verdachte, en/of één of meer van haar mededader(s) (een) bespreking(en) gevoerd en/of informatie uitgewisseld en/of ingewonnen en/of verschaft over één of meer van de hierboven omschreven (uitvoerings)handeling(en),

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Meer subsidiair

zij in of omstreeks de periode van 01 januari 2015 tot en met 27 oktober 2015 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en./of te Amsterdam en/of elders in Nederland en/of te Chili en/of elders in Zuid-Amerika, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen,

om (een) feit(en), bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of vervoeren en/of verstrekken en/of afleveren van een hoeveelheid van ongeveer 8 kilogram, in elk geval een hoeveelheid, cocaïne, voor te bereiden en/of te bevorderen,

-(een) ander(en heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen en/of te doen plegen en/of mede te plegen en/of uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of

-zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

-(een) voorwerp(en) en/of (een) vervoermiddel(en) en/of (een) stof(fen) en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan zij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),

immers heeft/hebben één of meer van haar mededader(s) (een) (aan)betaling(en) gevraagd en/of ontvangen van één of meer (onbekend gebleven) perso(o)n(en) (die zonder het risico van controle en/of onderschepping door de Douane/Belastingdienst in (een) DHL zending(en) cocaïne binnen het grondgebied van Nederland willen brengen)

en/of

heeft/hebben één of meer van haar mededader(s) aan een ander(e mededader) gevraagd of deze als ontvanger en/of geadresseerde van (een) (te verzenden) DHL zending(en) (met cocaïne) wil optreden/fungeren, althans een afleveradres voor (een) DHL zending(en) (met cocaïne) wil opgeven en/of ter beschikking wil stellen

en/of

heeft één van haar mededader(s) het adres [adres 2] te Amsterdam aan één of meer van haar (andere) mededader(s) opgegeven en/of ter beschikking gesteld als afleveradres voor één of meer zending(en)

en/of

heeft/hebben zij en/of haar collega-douaneambtenaar [medeverdachte 1] (vervolgens) (overeenkomstig (een) tevoren gemaakte afspra(a)k(en)) geregeld en/of georganiseerd en/of ervoor zorggedragen dat deze zelf op 19 oktober 2015 in de vestiging van DHL op Schiphol-Oost dienst als douaneambtena(a)r(en) kon(den) verrichten en/of had(den)

en/of

heeft/hebben één of meer van haar mededader(s) (overeenkomstig (een) tevoren gemaakte afspra(a)k(en)) in Chili, althans Zuid-Amerika, voornoemde hoeveelheid cocaïne, opgelost in en/of vermengd met olijfolie en/of (vervolgens) één of meer dozen/pakketten met flessen met deze olijfolie en cocaïne op 15 oktober 2015 bij DHL in Chili aangeboden ter verzending aan

voornoemd adres [adres 2] te Amsterdam,

en/of

heeft/hebben één of meer van haar mededader(s) aan de hand van een traceernummer van deze zending op de website van DHL één of meermalen de statusberichten en/of verblijfplaats van deze zending geraadpleegd

en/of

heeft/hebben zij en/of haar collega-douaneambtenaar [medeverdachte 1] (vervolgens) (overeenkomstig (een) tevoren gemaakte afspra(a)k(en)) op 19 oktober 2015 in de vestiging van DHL op Schiphol-Oost gereed gestaan om, voor en/of in het geval voornoemd dozen/pakketten door de Douane/Belastingdienst en/of DHL waren geselecteerd voor een douanecontrole, voornoemde dozen/pakketten niet te onderwerpen aan een (deugdelijke) douanecontrole en/of niet in beslag te nemen

en/of

heeft/hebben zij en/of haar collega-douaneambtenaar [medeverdachte 1] (vervolgens) op 19 oktober 2015 in de vestiging van DHL op Schiphol-Oost tussen de door de Douane/Belastingdienst en/of DHL voor een douanecontrole geselecteerde dozen/pakketten gezocht en/of uitgekeken naar dozen/pakketten verzonden vanuit Chili

en/of

heeft één van haar mededader(s) op het adres [adres 2] te Amsterdam gewacht op de aflevering van voornoemde door DHL op dit adres af te leveren dozen/pakketten met flessen met olijfolie en cocaïne

en/of

heeft/hebben zij, verdachte, en/of één of meer van haar mededader(s) (een) bespreking(en) gevoerd en/of informatie uitgewisseld en/of ingewonnen en/of verschaft over één of meer van de hierboven omschreven handeling(en) en/of over de reden(en) waarom voornoemde zending(en) niet en/of nog niet en/of niet tijdig op voornoemd (aflever)adres was/waren afgeleverd;

Feit 3:

[ZD B 05: Aannemen geld voor het regelen van diensten bij DHL en het achterwege laten van douanecontroles op en inbeslagneming van pakketten met verdovende middelen]

zij in of omstreeks de periode van 01 januari 2011 tot en met 31 december 2014 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of te Purmerend in elk geval in Nederland, als ambtenaar (douaneambtenaar),

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

één of meer gift(en) en/of één of meer belofte(n) van [medeverdachte 2] en/of een of meer anderen, te weten:

- één of meer contante geldbedragen,

heeft aangenomen,

terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader wist(en) of redelijkerwijs vermoedde(n) dat deze/die gift(en) en/of belofte(n) haar/hen werd(en) gedaan en/of verleend en/of aangeboden,

tengevolge van of naar aanleiding van hetgeen door haar/hen al dan niet in strijd met haar/hun plicht in haar/hun bediening als douaneambtenaar is gedaan of nagelaten (lid 1 sub 2),

en/of

teneinde haar/hen te bewegen om al dan niet in strijd met haar/hun plicht in haar/hun bediening als douaneambtenaar iets te doen of na te laten (lid 1 sub 1),

bestaande dit doen of nalaten uit:

- het (aan)vragen van en/of regelen van en/of organiseren van (een) inroostering(en) op en/of (een) controledienst(en) bij DHL op Schiphol-Oost (op de dag(en) dat (aldaar)(volgens voornemen en/of naar verwachting) (een) (bepaalde) (pakket)zending(en) met cocaïne, althans (een) verdovend(e) middel(en), voor (een) douanecontrole(s) geselecteerd zou(den) kunnen worden en/of onderworpen zou(den) kunnen worden)

en/of

- het achterwege laten van (een) (deugdelijke) douanecontrole(s) op en/of het achterwege laten van (een) inbeslagneming(en) van (pakket)zending(en), waarvan zij en/of haar mededader wist(en) dat daarin (een) hoeveelhe(i)d(en) cocaïne, althans (een) verdovend(e) middel(en), verpakt en/of verborgen was/waren;

en/of

dat zij in of omstreeks de periode van 01 januari 2015 tot en met 04 november 2015 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of te Purmerend in elk geval in Nederland, als ambtenaar (douaneambtenaar),

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

één of meer gift(en) en/of één of meer belofte(n) van [medeverdachte 2] en/of een of meer anderen, te weten:

- één of meer contante geldbedragen,

heeft aangenomen, terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader wist(en) of redelijkerwijs

vermoedde(n) dat deze/die gift(en) en/of belofte(n) haar/hen werd(en) gedaan en/of verleend en/of aangeboden,

ten gevolge van of naar aanleiding van hetgeen door haar/hen in haar/hun bediening als douaneambtenaar is gedaan of nagelaten (lid 1 sub 2),

en/of

teneinde haar/hen te bewegen om in haar/hun bediening als douaneambtenaar iets

te doen of na te laten (lid 1 sub 1),

bestaande dit doen of nalaten uit:

- het (aan)vragen van en/of regelen van en/of organiseren van (een) inroostering(en) op en/of (een) controledienst(en) bij DHL op Schiphol-Oost (op de dag(en) dat (aldaar)(volgens voornemen en/of naar verwachting) (een) (bepaalde) (pakket)zending(en) met cocaïne, althans (een) verdovend(e) middel(en), voor (een) douanecontrole(s) geselecteerd zou(den) kunnen worden en/of onderworpen zou(den) kunnen worden)

en/of

- het achterwege laten van (een) (deugdelijke) douanecontrole(s) op en/of het achterwege laten van (een) inbeslagneming(en) van (pakket)zending(en), waarvan zij en/of haar mededader wist(en) dat daarin (een) hoeveelhe(i)d(en) cocaïne, althans (een) verdovend(e) middel(en), verpakt en/of verborgen was/waren;

Feit 4:

[ZD B 06: Deelneming criminele organisatie]

zij in of omstreeks de periode van 01 januari 2011 tot en met 10 november 2015 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of te Purmerend en/of elders in Nederland

heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van (een) misdrijf/misdrijven als bedoeld in

- artikel 10, derde en/of vierde en/of vijfde lid van de Opiumwet en/of

- artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet en/of

- artikel 11, derde en/of vierde en/of vijfde lid van de Opiumwet;

Feit 5:

[ZD B 01: Voorbereidingshandelingen invoer cocaïne in golftassen vanuit Panama]

zij in of omstreeks de periode van 01 augustus 2015 tot en met 16 oktober 2015 te Purmerend en/of te Haarlem en/of te Amsterdam en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen,

om (een) feit(en), bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of vervoeren en/of verstrekken en/of afleveren van een hoeveelheid van ongeveer 20 kilogram, in elk geval een hoeveelheid, cocaïne, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- ( een) ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen en/of te doen plegen en/of mede te plegen en/of uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

- ( een) voorwerp(en) en/of (een) vervoermiddel(en) en/of (een) stof(fen) en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan zij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),

immers heeft/hebben zij, verdachte, en één of meer van haar mededader(s) (een) bespreking(en) gevoerd en/of informatie uitgewisseld en/of ingewonnen en/of verschaft over

- het voornemen om cocaïne (vanuit Panama) binnen het grondgebied van Nederland te brengen, verborgen in één of meer golftassen en/of

- de wijze van markering van de golftas(sen), waarin de cocaïne verborgen zou (moeten) worden ("gele band" en/of "eentje geven we een aparte kleur") en/of

- het adres en/of de persoon in Nederland, waarheen de golftassen gestuurd zouden (moeten) worden ("naar [F] ") en/of

- een (gunstige en/of de gunstigste) datum, waarop de golftas(ssen) met cocaïne binnen het grondgebied van Nederland gebracht zou(den) worden ("de 21e"/"de 28e") en/of

- de hoeveelheid cocaïne, die binnen het grondgebied van Nederland zou moeten worden gebracht ("20") en/of

- de risico's op en van onderschepping van de golftas(sen) met cocaïne ("Hoe je het ook verstopt, een blok zie je altijd zitten op de scan. Kijk als je met die golftassen twintig doet, als het ergens ook maar een klein scannetje krijgt, dan ben je het gewoon kwijt" en/of "Je moet natuurlijk zien op het moment dat je golftassen hebt met 20 kilo kant en klaar, als het gepakt ergens onderweg, kan het zo maar een een heel onderzoek opleveren") en/of

- een (beter) alternatief voor het binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne, verborgen in één of meer golftassen ("Vermengd in koffie" en/of "je beste kans is het vermengde");

Feit 6:

[ZD B 08: Voorhanden hebben als zaklamp uitziend stroomstootwapen]

zij op of omstreeks 10 november 2015 te [Z] een wapen van categorie II onder 5°, te weten een handwapen waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, niet zijnde een medisch hulpmiddel, voorhanden heeft gehad.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Inleiding
Naar aanleiding van onder andere bij het Team Criminele Inlichtingen van de Belastingdienst/FIOD binnengekomen informatie, die hierna uitgebreider zal worden besproken, is een onderzoek gestart naar ex-douanier [S] , van wie het vermoeden bestond dat hij zich schuldig maakte aan het invoeren van verdovende middelen, met behulp van oud collega’s bij de Douane. Naar aanleiding van dit onderzoek en hierna te noemen TCI-informatie, waarin een link werd gelegd met de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 1] , verlegde het onderzoek zich naar hen. Tijdens dat onderzoek kwamen ook medeverdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] in beeld.

4 Bewijs

4.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2 primair, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde feiten.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van [verdachte] heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat [verdachte] van de onder 1 tot en met 5 ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken wegens het ontbreken van (voorwaardelijk) opzet op het invoeren van verdovende middelen of de voorbereidingshandelingen daartoe, nu [verdachte] geen wetenschap van verdovende middelen heeft gehad. Subsidiair heeft de raadsman de rechtbank verzocht om tot bewijsuitsluiting te komen in verband met een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek. Dit verzuim is daarin gelegen dat niet alleen ten onrechte een machtiging door de rechter-commissaris is afgegeven voor het opnemen en afluisteren van de telefoongesprekken van [verdachte] , maar ook dat deze machtigingen ten onrechte zijn verlengd. Al hetgeen dat als gevolg van het opnemen en afluisteren van de telefoongesprekken is verkregen, dient van het bewijs te worden uitgesloten, waardoor onvoldoende wettig en overtuigend bewijs resteert en verdachte integraal dient te worden vrijgesproken. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat geen sprake is geweest van medeplegen door [verdachte] aan de onder 1, 2 en 5 ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van het derde ten laste gelegde feit ontbreekt het bewijs voor het aannemen van een gift, aldus de raadsman. Voorts dient [verdachte] te worden vrijgesproken van feit 4 nu niet gesproken kan worden van een organisatie als bedoeld in artikel 11b van de Opiumwet en kan [verdachte] niet als deelnemer worden aangemerkt. Ten aanzien van feit 6 (stroomstootwapen) heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3.

Bespreking van het verweer tot uitsluiting van het bewijs

De raadsman van [verdachte] heeft, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat het bewijsmateriaal dat door en als gevolg van het opnemen en afluisteren van telefoongesprekken gevoerd door [verdachte] is verkregen, dient te worden uitgesloten als bewijsmateriaal. Dit in verband met het volgende. De rechter-commissaris heeft op 15 en/of 16 april 2015 machtigingen verstrekt tot het opnemen van telecommunicatie op grond van artikel 126m Sv en tot het verstrekken van verkeersgegevens op grond van artikel 126n Sv. Echter, op dat moment bestond geen redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit ten aanzien van [verdachte] . Er liep een onderzoek naar ex-douanier [S] betreffende de mogelijke invoer van cocaïne. In op 27 maart 2015 beschikbaar gestelde TCI-informatie staat slechts gerelateerd dat [S] en [verdachte] nog contact zouden hebben. Uit opgevraagde telefoongegevens bleek inderdaad van telefonische contacten tussen [S] en [verdachte] in het voorjaar van 2014, derhalve gedateerd. Een in beslag genomen pakket met cocaïne in de haven van Rotterdam dat gelinkt werd aan [S] , kon eveneens niet bijdragen aan een redelijk vermoeden van schuld aan invoer van cocaïne, nu [verdachte] niet werkzaam was in die haven. De rechter-commissaris had in redelijkheid de machtigingen niet mogen afgeven, aldus nog steeds de raadsman. Hetzelfde geldt voor de op 11 mei 2015 verleende machtigingen tot het langer opnemen en afluisteren van de telecommunicatie van [verdachte] , nu uit de afgeluisterde telefoongesprekken geen enkele aanwijzing naar voren was gekomen dat [verdachte] zich bezig zou houden met de invoer van cocaïne.

Oordeel van de rechtbank op het verweer

De rechtbank overweegt het volgende. Uit het dossier blijkt dat (onder meer) de volgende informatie beschikbaar was op het moment dat de rechter-commissaris de eerste machtiging heeft verleend. Op 27 november 2014 was informatie ontvangen van het Team Criminele Inlichtingen (TCI-informatie) met de volgende inhoud: “ [S] zal samen met [B] eind dit jaar weer gaan starten met het afsturen van cocaïne vanuit Suriname naar Schiphol. [S] heeft in Suriname en op Schiphol nog contacten bij de Douane die er voor kunnen zorgen dat de cocaïne ongecontroleerd doorgelaten kan worden.”

In door de Kmar afgeluisterde telefoongesprekken gevoerd door [S] , wordt op

5 februari 2015 over een getallenreeks gesproken die correspondeert met een cijfercombinatie aangetroffen op een op 20 februari 2015 door de Douane in Rotterdam inbeslaggenomen pakket met cocaïne. [S] werkte van 1 maart 2007 tot 29 augustus 2013 bij de Douane, afdeling Post en Koeriers. [verdachte] werkt sinds 1 april 2008 op deze afdeling. Ook medeverdachte [medeverdachte 3] werkt op deze afdeling, ook in de periode dat [S] daar werkte. In maart en april 2014 is telefonisch contact geweest tussen de gebruiker van een telefoonnummer dat [S] aan KLM heeft opgegeven en de gebruiker van een telefoonnummer op naam van [verdachte] . Op 27 maart 2015 was de volgende TCI-informatie (van juli 2014) ontvangen:

“ [S] werkte bij de douane op Schiphol bij de afdeling Post en Koeriers. [S] is in de maand september 2013 weggegaan bij de Douane. [S] zou naar Suriname gaan, waar hij een huis heeft, om daar een bedrijf te beginnen. [S] zou hiervoor een startkapitaal hebben. [S] onderhoudt nog contacten met de douaneambtenaren [verdachte] en [medeverdachte 1] . Tegen de regels in werken [verdachte] en [medeverdachte 1] nog steeds samen als vast koppel. Ze gaan dan vaak samen naar de International Mail Unit van Postnl. Er zijn iedere dag wel drugsbrieven. Het gerucht gaat dat [verdachte] iets heeft met een teamleider. [verdachte] gebruikt gsm-nummer 06- [telefoonnummer 1] (privé) en 06- [telefoonnummer 2] (werk).”

[verdachte] en [medeverdachte 3] verrichten regelmatig samen diensten bij International Mail Unit (IMU) en Sorteercentrum Internationale Pakketten (SCIP). Zij hadden daarnaast regelmatig telefonisch contact met hun privé-telefoons waarbij de telefoon van [verdachte] gebruik maakte van een telecommunicatiepaal in haar woonplaats [Z] .

Gelet op vorengenoemde informatie, die is opgenomen in het proces-verbaal van verdenkingen van 13 april 2015 en dat ten grondslag heeft gelegen aan het verstrekken van de machtigingen van 15 april en 16 april 2015 door de rechter-commissaris, bestond op het moment van dat verstrekken een redelijk vermoeden van schuld van betrokkenheid bij de invoer van cocaïne in Nederland ten aanzien van [verdachte] . Daarbij is van belang dat in de eerst genoemde TCI-informatie wordt gesproken over ‘contacten bij de Douane die ervoor kunnen zorgen dat de cocaïne ongecontroleerd wordt doorgelaten’ en in de daarna genoemde TCI-informatie over dat ‘[S] nog contact onderhoudt met de douaneambtenaren [verdachte] en [medeverdachte 1]’ en dat ‘deze samen werken als vast koppel’. Uit die informatie in samenhang bezien, kon een redelijk vermoeden worden afgeleid dat [medeverdachte 3] en [verdachte] contacten betroffen van [S] die ervoor kunnen zorgen dat cocaïne ongecontroleerd wordt doorgelaten. Dat geen oordeel over de betrouwbaarheid van de TCI-informatie kon worden gegeven, doet daaraan niet af, met name nu de informatie specifiek en gedetailleerd is en op onderdelen werd bevestigd door hetgeen in het overige (voor)onderzoek naar boven kwam. Immers bleek onder meer dat [verdachte] inderdaad werkte op de afdeling Post en Koeriers in de periode dat [S] daar ook werkte, dat zij inderdaad regelmatig samen met [medeverdachte 3] diensten draaide en dat zij inderdaad nog telefonisch contact had gehad met [S] na beëindiging van zijn dienstverband bij de Douane. De rechter-commissaris heeft de machtigingen van 15 en 16 april 2015 dan ook in redelijkheid kunnen verlenen.

De rechtbank is van oordeel dat de rechter-commissaris ook de machtiging tot verlenging van het opnemen van telecommunicatie van 11 mei 2015 in redelijkheid heeft kunnen verlenen. Op dat moment was vorengenoemde informatie immers bekend en daarnaast bleek uit de afgeluisterde telefoongesprekken dat [verdachte] en [medeverdachte 3] in onderling overleg samen hun diensten bij de Douane planden, hetgeen een bevestiging vormde van het in de TCI-informatie genoemde ‘samen draaien van diensten’. Er was op dat moment dan ook nog steeds sprake van een redelijk vermoeden van schuld aan betrokkenheid bij de invoer van cocaïne.

Gelet op het vorenstaande, dat tevens geldt ten aanzien van de jegens [medeverdachte 3] verstrekte machtigingen tot het opnemen van telecommunicatie en tot het opnemen van vertrouwelijke informatie, verwerpt de rechtbank het verzoek van de raadsman tot het uitsluiten van de als gevolg van de machtigingen verkregen bewijsmateriaal.

4.4.

Opzet/wetenschap van zendingen cocaïne

De raadsman van [verdachte] heeft bepleit dat het bewijs ontbreekt dat [verdachte] (voorwaardelijk) opzet zou hebben gehad op de tenlastegelegde feiten. [verdachte] heeft geen wetenschap gehad van zendingen met verdovende middelen. Dat betekent dat [verdachte] , als douaneambtenaar, niet bewust bepaalde diensten op de werklocatie DHL heeft doen plannen ten behoeve van het doorlaten van een zending met verdovende middelen. De raadsman wijst er daartoe op dat onderling overleg tussen [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte 3] over het plannen van bepaalde diensten op bepaalde dagen, waarna [verdachte] zorgde dat die planning werd gerealiseerd, al lange tijd gebruikelijk was. [verdachte] werkte graag met [medeverdachte 3] samen, wegens hun efficiënte werkhouding en hun goede relatie. De raadsman concludeert dan ook tot vrijspraak van alle tenlastegelegde feiten.

De rechtbank overweegt het volgende. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft [verdachte] verklaard dat zij wist dat haar collega [medeverdachte 3] zich bezighield met zendingen met cocaïne, maar dat zij niet wist waar en wanneer deze zouden binnenkomen en dat zij hier niet voor betaald heeft gekregen. De rechtbank verwerpt dan ook de stelling van de raadsman dat [verdachte] geen enkele wetenschap heeft gehad van zendingen met cocaïne. De rechtbank neemt verder het volgende in aanmerking. Op 2 september 2015 heeft [verdachte] een gesprek gevoerd met [medeverdachte 3] op het terras van restaurant [horecagelegenheid] in Haarlem. Dat gesprek is door de Kmar opgenomen en uitgeluisterd en neergelegd in het in de bijlage genoemde proces-verbaal van bevindingen. De rechtbank heeft de opname van dit gesprek tijdens het onderzoek ter terechtzitting beluisterd. Opvalt dat [verdachte] in het begin van het gesprek als [medeverdachte 3] zegt: “Nee, alles is geregeld.” reageert met: “betalingen?”. [medeverdachte 3] reageert daarop met: “Ze betalen allemaal, als de datum, betalen ze standaard (500) vijfhonderd per maandag, dinsdag van te voren, voor de maandag”. [verdachte] reageert hierop met: “Ja”. De rechtbank leidt uit de vraag van [verdachte] naar betalingen af, dat zij op dat moment al (enige) kennis had van betalingen die gedaan zouden worden, nu hieraan voorafgaand nog niets over betalingen is gezegd. Het gesprek verder volgend, legt [medeverdachte 3] een bepaalde gang van zaken uit aan [verdachte] met betrekking tot personen die vijfhonderd betalen voor een maandag, ongeacht of er wel of niets iets op staat. Ook valt op dat als [medeverdachte 3] zegt: “En die andere partij van olijfolie.”, [verdachte] daarop reageert met: “Maar hoe willen ze dat doen dan in euh.. impregneren of euh?”. [medeverdachte 3] spreekt steeds over we en ons: “Dus vanaf nu is het zo dat als ze, als wij zeggen bijvoorbeeld euh..” ( ..) “dan pakken we het af”, en “sturen meerdere dozen naar ons”. Ook blijkt uit verschillende momenten in het gesprek dat het nodig is dat [verdachte] snel weer aan het werk gaat, indien mogelijk ‒ dat wil zeggen, als de bedrijfsarts meewerkt ‒ op of vóór maandag 14 september. Het is belangrijk dat [verdachte] dat zo snel mogelijk aan [medeverdachte 3] laat weten. Later in het gesprek legt hij nog eens uit waarom: “..maandagavond was ie daar, kregen ze allebei euh twee aanbetalingen liggen….(nvt).. ik zei laat ze het maar houden, als je het aanneemt dan moet je (..) wel zeker weten de 14e en je weet natuurlijk nooit hoe zo’n bedrijfsarts gaat reageren, straks zegt ie: ”Nee meissie dat gaat echt niet gebeuren”. Waarop [verdachte] reageert met: “Jawel, weet je als ik gewoon zeg luister euh de muren komen thuis op me af weet je wel”. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft [verdachte] verklaard dat [medeverdachte 3] met haar inderdaad sprak over methodes om cocaïne te smokkelen, maar dat zij dit niet serieus heeft genomen, omdat zij [medeverdachte 3] kent als ‘een clowntje’. Echter, de rechtbank die het gesprek ter terechtzitting heeft beluisterd, heeft waargenomen dat er weliswaar zo nu en dan wordt gelachen zoals gerelateerd in het proces-verbaal, maar dat van een grappige toonzetting geenszins sprake was. De rechtbank heeft daarnaast waargenomen dat tijdens de hiervoor geciteerde, relevante uitspraken, het gesprek een normale, serieuze toon heeft. [verdachte] heeft, uitgaande van haar uitleg van het gesprek, voorts geen plausibele verklaring voor haar eigen uitspraken kunnen geven. De rechtbank leidt uit dit afgeluisterde gesprek en hetgeen [verdachte] hierover ter terechtzitting heeft verklaard, af dat het [verdachte] op dat moment duidelijk was dat [medeverdachte 3] sprak over een methode, volgens welke zij ( [medeverdachte 3] en [verdachte] ) zendingen met cocaïne door kunnen laten, waar betalingen tegenover stonden. Nu ook wordt gesproken over maandagen en DHL, moet het haar duidelijk zijn geweest dat dit plaatshad op maandagen bij DHL. Uit de reacties van [verdachte] op hetgeen [medeverdachte 3] over de smokkelmethode vertelt, blijkt dat zij bereid is om daaraan mee te werken. De rechtbank stelt dan ook vast dat bij [verdachte] in ieder geval vanaf 2 september 2015, bij het op verzoek van [medeverdachte 3] inplannen van diensten bij DHL op maandagen, wel degelijk opzet heeft bestaan op het doorlaten van mogelijke transporten met cocaïne.

Voorwaardelijk verzoek tot horen getuige ‘ [R] ’

De raadsman heeft een voorwaardelijk verzoek gedaan douanier [R] als getuige te horen, nu uit WhatsApp verkeer tussen [verdachte] en [medeverdachte 3] blijkt dat beiden akkoord zijn dat ook collega [R] op 28 september 2015 wordt ingepland bij DHL. De rechtbank acht het niet noodzakelijk om [R] als getuige te horen. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft [verdachte] over de manier van werken (bij DHL) verklaard dat [medeverdachte 3] de te controleren zendingen opende en bekeek en dat [verdachte] aantekeningen maakte. [medeverdachte 3] heeft deze gang van zaken bevestigd als getuige ter terechtzitting. Gelet op die werkwijze, deed de eventuele aanwezigheid van collega [R] kennelijk niet af aan de mogelijkheid om cocaïne ongemoeid door te laten. De rechtbank verwerpt dit verzoek dan ook.

De rechtbank wijst er in dit kader overigens op dat enkele What’s app berichten tussen [verdachte] en [medeverdachte 3] over het mede inplannen van collega [R] op 28 september 2015 niet in het strafdossier waren opgenomen. Dit bleek pas uit het op verzoek van de raadsman bij het strafdossier gevoegde volledige What’s app verkeer tussen [verdachte] en [medeverdachte 3] . Nu het gebrek daarmee was hersteld, zal de rechtbank hier geen verdere gevolgen aan verbinden, een dergelijk verzuim mag echter niet onvermeld blijven.

4.5.

Vrijspraken
Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair (zaaksdossier B03), 4 (zaaksdossier B06) en 5 (zaaksdossier B01) ten laste is gelegd, zodat zij daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Ten aanzien van feit 1 primair (B03):

De rechtbank acht de primair ten laste gelegde poging tot invoer van cocaïne niet bewezen.

Zij overweegt dat voldoende is gebleken dat er aanvankelijk (vóór verzending), cocaïne in het vanuit Venezuela naar Nederland verzonden pakket heeft gezeten. Op enig moment (vóór aflevering door DHL), moet deze cocaïne uit het pakket zijn gehaald. Niet gebleken is op welk moment dit moet zijn gebeurd, mogelijk vóórdat het pakket ter verzending werd aangeboden. In dit laatste geval is derhalve geen begin gemaakt met de uitvoering van de geplande invoer van cocaïne in Nederland, zodat van een strafbare poging daartoe geen sprake is.

Ten aanzien van feit 4 (zaaksdossier B06):

De rechtbank acht de ten laste gelegde deelname aan een criminele organisatie niet bewezen. Het dossier geeft geen blijk van méér betrokkenheid bij cocaïnesmokkel dan hetgeen van het ten laste gelegde bewezen wordt geacht. Daarbij is weliswaar sprake van een zeker patroon, in die zin dat [verdachte] steeds werd gevraagd dan wel geïnstrueerd om ‒ telkens met hetzelfde doel ‒ [medeverdachte 3] en haarzelf op bepaalde maandagen samen op de locatie DHL in te (laten) delen. Op zichzelf genomen levert dit echter niet meer op dat zij steeds door de criminele organisatie werd ingeschakeld en niet dat zij daarvan deel uitmaakte. Daarvoor is immers nodig dat zij behoorde tot het daarvoor vereiste samenwerkingsverband. Hiervan is niet gebleken.

Ten aanzien van feit 5 (B01):

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] dient te worden vrijgesproken van dit feit. In het dossier bevinden zich voornamelijk OVC-gesprekken in de periode 24 augustus 2015 tot en met 16 oktober 2015 tussen de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en tussen [medeverdachte 2] en medeverdachte [medeverdachte 3] . [verdachte] komt in deze gesprekken niet voor. Het eerder genoemde [horecagelegenheid] -gesprek van 2 september 2015 tussen haar en [medeverdachte 3] is de enige aanwijzing van mogelijke betrokkenheid van [verdachte] nu [medeverdachte 3] in dat gesprek tweemaal het woord golftassen laat vallen. [verdachte] gaat daar niet concreet op in. Verdere bewijsmiddelen van betrokkenheid van [verdachte] bij voorbereidingshandelingen ontbreken in het dossier. Derhalve kan niet worden gesteld dat [verdachte] informatie heeft uitgewisseld, ingewonnen of verschaft of anderszins uitvoeringshandelingen heeft verricht die zien op het voorbereiden of bevorderen van de invoer van cocaïne in golftassen vanuit Panama en dient vrijspraak te volgen.

4.6.

Algemene bewijsoverweging

Uit de bewijsmiddelen met betrekking tot de zaaksdossiers B03, B04 en B05 leidt de rechtbank het volgende af.

[medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]

[medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] onderhielden contact en maakten afspraken met organisaties die, zonder risico op inbeslagname door de douane, cocaïne van Zuid-Amerika naar Nederland wilden smokkelen. Tegen (aan)betaling spraken zij af dat een postzending ‒ met daarin de cocaïne ‒ op zodanig moment via DHL werd verzonden, dat deze op een vooraf bepaalde maandag op Schiphol voor eventuele douanecontrole gereed zou liggen. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] regelden ook dat de cocaïne-zending werd verstuurd naar een (relatie van een) persoon die bereid was de zending in ontvangst te nemen. [medeverdachte 2] hield door middel van de Track & Trace service van DHL, het verloop van een transport in de gaten.

[medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]

[medeverdachte 2] stemde de daarvoor geschikte maandagen steeds met [medeverdachte 3] af. Laatstgenoemde werkte als douanier op Schiphol en had onder meer tot taak om vanuit het buitenland via DHL verstuurde postzendingen te controleren. [medeverdachte 3] gaf [medeverdachte 2] ook inlichtingen over de werkwijze van de douane en advies over de wijze van smokkel.

[medeverdachte 3] en [verdachte]

[medeverdachte 3] zorgde ervoor dat hij samen met zijn collega [verdachte] , die hun inroostering kon sturen, op de afgesproken maandagen op de betreffende DHL-locatie op Schiphol werkzaam was. Als werkkoppel met [verdachte] , was hij in staat om een cocaïne-zending ongemoeid door te laten mocht deze voor controle geselecteerd zijn. Vanaf in elk geval 2 september 2015 had [verdachte] hierin een strafrechtelijk relevant aandeel en werd zij, net als [medeverdachte 3] , hiervoor betaald.

4.7.

Bewijsoverweging ten aanzien van het medeplegen

De raadsman van [verdachte] heeft zich ten aanzien van de tenlastegelegde feiten op het standpunt gesteld dat er – gelet op haar rol – geen sprake is van medeplegen.

In aanmerking genomen de hiervoor weergegeven rolverdeling tussen de verdachten, is het de vraag of [verdachte] medepleger is geweest van de tenlastegelegde feiten (waarvan zij niet is vrijgesproken). De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
Ook indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip (onder andere Hoge Raad 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316).

Allereerst overweegt de rechtbank dat bij invoer van ‒ in dit geval cocaïne ‒ elke gebeurtenis logischerwijs wordt opgevolgd door de volgende gebeurtenis, waarbij elke handeling in de keten essentieel en noodzakelijk is. Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van [verdachte] bij het tenlastegelegde het volgende af.

Uit de in de bijlage opgenomen vertrouwelijke gesprekken tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] (op onder meer 13 en 30 september 2015) komt naar voren dat [medeverdachte 3] ervoor zorgt dat [verdachte] en hij, op maandag 28 september 2015 dienst bij DHL hebben zodat de geplande invoer van een partij boeken (met daarin cocaïne) uit Venezuela (zaaksdossier B03) langs de douanecontrole komt. Eerder, op 2 september 2015, had [medeverdachte 3] met [verdachte] besproken dat ‘alles was geregeld’ en dat zij een week van te voren geld zouden krijgen. Ook heeft [medeverdachte 3] op 11 oktober 2015 (zaaksdossier B04) met [medeverdachte 2] gesprekken gevoerd die zagen op smokkel van verdovende middelen vanuit Chili waarbij een vermenging plaats gaat vinden. In het eerder genoemd gesprek op 2 september 2015 met [verdachte] spreekt [medeverdachte 3] over ‘die andere partij van olijfolie’. Uit afgeluisterde telefoongesprekken van [verdachte] blijkt dat [verdachte] op 15 oktober 2015 aan de roosterplanner [G] doorgeeft dat zij en [medeverdachte 3] op maandag bij DHL willen werken en ’s middags bevestigt [verdachte] aan [medeverdachte 3] dat zij [G] (de roosterplanner) nog heeft gebeld. [verdachte] en [medeverdachte 3] hebben beiden op 19 oktober 2015 bij DHL gewerkt.

De rol van [verdachte] , namelijk dat zij er voor zorgt dat zijzelf en haar collega douaneambtenaar [medeverdachte 3] op bepaalde maandagen bij DHL werken, is van cruciaal belang voor het slagen van de beoogde invoer. Hoewel geen sprake is van een gezamenlijke uitvoering, is de bijdrage van [verdachte] aan het tenlastegelegde naar het oordeel van de rechtbank van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen. De conclusie is dan ook dat steeds, ten aanzien van alle te bewijzen feiten, sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking en dus van het medeplegen door het verrichten van die gedragingen.

4.8.

Bewijsoverweging ten aanzien van de voorbereidingshandelingen - feit 1 subsidiair

De in artikel 10a van de Opiumwet strafbaar gestelde voorbereidingshandelingen betreffen, in de onderhavige zaak (feit 1, B03), handelingen die erop gericht zijn om de invoer van cocaïne voor te bereiden of te bevorderen. Gelet op hetgeen ten aanzien van het medeplegen is overwogen, acht de rechtbank bewezen dat [verdachte] tezamen en in vereniging met haar medeverdachten de bewezenverklaarde handelingen heeft verricht. De rechtbank is van oordeel dat die handelingen opleveren de bestanddelen ‘een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen’, namelijk het vragen aan een mededader om als ontvanger van een DHL zending op te treden en het ‘zich of een ander gelegenheid en/of inlichtingen trachten te verschaffen tot het plegen van dat feit’, door het opgeven van het afleveradres, het verpakken van cocaïne in een pakket, het plannen van dienst als douaneambtenaar op 28 september 2015, het op die dag gereed staan en het wachten op de aflevering van het pakket en het voeren van besprekingen hierover.

4.9.

Het als ambtenaar aannemen van een gift – feit 3

De rechtbank acht bewezen dat vanaf 2 september 2015 tot en met 4 november 2015 sprake is geweest van omkoping van de douanebeambte [verdachte] , alsmede van haar collega douanebeambte [medeverdachte 3] , door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . De rechtbank leidt uit de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen af dat er bepaalde maandagen werden gepland waarop [verdachte] en [medeverdachte 3] dienst zouden doen bij DHL, met als doel een mogelijke zending met cocaïne door te laten, en dat daarvoor betalingen werden verstrekt en ontvangen. De rechtbank wijst daarbij op de communicatie tussen [verdachte] en [medeverdachte 3] over het plannen van diensten op bepaalde dagen en de communicatie tussen [verdachte] enerzijds en [G] of [D] anderzijds over de inroostering. De rechtbank wijst met betrekking tot het doen van betalingen met name op het OVC-gesprek op 2 september 2015 tussen [verdachte] en [medeverdachte 3] waarin [medeverdachte 3] onder meer tegen [verdachte] zegt: “ze betalen allemaal, als de datum, betalen ze standaard (500) vijfhonderd per maandag, dinsdag van te voeren, voor de maandag”, het OVC-gesprek op 13 september 2015 waarin [medeverdachte 2] tegen [medeverdachte 3] onder meer zegt: “dus je krijgt honderd (100) procent volgende week euh.. dinsdag, zal woensdag worden voor jullie dan, heb ze euh.. dus jij krijgt het dinsdag, dus zij krijgt het woensdag. Heb je honderd (100) procent aanbetalingen”, het OVC-gesprek op 23 september 2015 tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , tijdens welk gesprek geld wordt overhandigd aan [medeverdachte 3] en het OVC-gesprek op 5 oktober 2015 tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] waarin onder meer wordt gesproken over een ‘borg’.

Dat [verdachte] (in ieder geval) vanaf september 2015 voor het plannen van de diensten ook werd betaald door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] leidt de rechtbank met name af uit het hiervoor genoemde OVC-gesprek van 2 september 2015 tussen [medeverdachte 3] en [verdachte] en het OVC-gesprek van 13 september 2015 waarin [medeverdachte 3] tegen [medeverdachte 2] onder meer zegt: “Als zij zegt, ik kan het niet aan.. of ik ga het niet euh..dit kan ik niet.. dan houdt het hele verhaal op [medeverdachte 2] , ze krijgt, ze krijgt godverdomme net zoveel geld als ik, ze krijgt net zoveel geld als ik, naja.. hè luister euh.. voor echt véél minder werk”.

4.10.

Bewijsmiddelen

De door de rechtbank in de bijlage bij dit vonnis als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen. De in de bijlage genoemde schriftelijke stukken worden slechts gebruikt in samenhang met de overige bewijsmiddelen. De bewijsmiddelen zijn, ook in onderdelen, telkens slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

4.11.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 subsidiair, 2 primair, 3 en 6 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

Feit 1 – zaaksdossier B03:

Subsidiair

zij in of omstreeks de periode van 01 september 2015 tot en met 30 september 2015 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en te Amsterdam en te Venezuela,

tezamen en in vereniging met anderen,

om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en afleveren van een hoeveelheid

van ongeveer 3 kilogram cocaïne, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- ( een) ander(en) heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen en/of mede te plegen en/of om daartoe gelegenheid en/of inlichtingen te verschaffen, en

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen

immers heeft/hebben één of meer van haar mededader(s) aan een andere mededader

gevraagd of deze als ontvanger van een te verzenden DHL zending met cocaïne wil optreden

en

heeft één van haar mededaders het adres [adres 1] Amsterdam aan één of meer van haar (andere) mededader(s), opgegeven als afleveradres voor een zending

en

heeft/hebben één of meer van haar mededader(s) in Venezuela, een hoeveelheid cocaïne, verpakt en/of verborgen in een pakket met boeken

en

heeft/hebben zij, verdachte, en haar collega-douaneambtenaar [medeverdachte 1] vervolgens overeenkomstig een tevoren gemaakte afspraak geregeld dat deze zelf op 28 september 2015 in de vestiging van DHL op Schiphol-Oost dienst als douaneambtenaren konden verrichten

en

heeft/hebben zij, verdachte, en haar collega-douaneambtenaar [medeverdachte 1] vervolgens overeenkomstig een tevoren gemaakte afspraak op 28 september 2015 in de vestiging van DHL op Schiphol-Oost gereed gestaan om, in het geval voornoemd pakket door de Douane/Belastingdienst was geselecteerd voor een douanecontrole, voornoemd pakket niet te onderwerpen aan een deugdelijke douanecontrole en/of niet in beslag te nemen,

en

heeft één van haar mededaders bij het adres [adres 1] te Amsterdam gewacht op aflevering van voornoemd pakket door DHL en aldaar voornoemd pakket in ontvangst genomen.

Feit 2 – zaaksdossier B04:

Primair

zij in of omstreeks de periode van 1 september 2015 tot en met 19 oktober 2015 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en Amsterdam en te Chili, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer 8 kilogram

cocaïne,

immers heeft één van haar mededaders aan een ander gevraagd of deze als ontvanger en geadresseerde van een te verzenden DHL zending met cocaïne wil optreden

en

heeft één van haar mededaders het adres [adres 2] te Amsterdam aan één of meer van haar andere mededaders opgegeven als afleveradres voor een zending

en

hebben zij en haar collega-douaneambtenaar [medeverdachte 1] overeenkomstig een tevoren gemaakte afspraak geregeld dat deze zelf op 19 oktober 2015 in de vestiging van DHL op Schiphol-Oost dienst als douaneambtenaren konden verrichten

en

heeft/hebben één of meer van haar mededaders in Chili, voornoemde hoeveelheid cocaïne, vermengd met olijfolie en vervolgens dozen met flessen met deze olijfolie en cocaïne op 15 oktober 2015 bij DHL in Chili aangeboden ter verzending aan voornoemd adres [adres 2] te Amsterdam,

en

heeft één van haar mededaders aan de hand van een traceernummer van deze zending op de website van DHL meermalen de statusberichten en/of verblijfplaats van deze zending geraadpleegd;

Feit 3 – zaaksdossier B05:

zij in de periode van 1 september 2015 tot en met 4 november 2015 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of te Purmerend, als douaneambtenaar, tezamen en in vereniging met anderen, giften van [medeverdachte 2] en/of een of meer anderen, te weten:

- één of meer contante geldbedragen,

heeft aangenomen,

terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader wist(en) dat deze/die gift(en) haar/hen werd(en) gedaan,

ten gevolge van of naar aanleiding van hetgeen door haar/hen in haar/hun bediening als douaneambtenaar is gedaan of nagelaten (lid 1 sub 2),

en

teneinde haar/hen te bewegen om in haar/hun bediening als douaneambtenaar iets te doen of na te laten (lid 1 sub 1),

bestaande dit doen of nalaten uit:

- het regelen van inroosteringen op controlediensten bij DHL op Schiphol-Oost op de dagen dat aldaar (een) (bepaalde) (pakket)zending(en) met cocaïne, voor (een) douanecontrole(s) geselecteerd zou(den) kunnen worden en/of onderworpen zou(den) kunnen worden)

en/of

- het achterwege laten van (een) (deugdelijke) douanecontrole(s) op en/of het achterwege laten van (een) inbeslagneming(en) van (pakket)zending(en), waarvan zij en/of haar mededader wist(en) dat daarin (een) hoeveelhe(i)d(en) cocaïne, was/waren;

Feit 6 – zaaksdossier B08:

zij op 10 november 2015 te [Z] een wapen van categorie II onder 5°, te weten een handwapen waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, niet zijnde een medisch hulpmiddel, voorhanden heeft gehad.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in haar verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder 1 subsidiair, 2 primair, 3 en 6 meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

1. subsidiair: medeplegen van het voorbereiden van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, door een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen en/of mede te plegen en /of daartoe gelegenheid of inlichtingen te verschaffen en door zich of een ander gelegenheid en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;

2 primair: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod;

3. als ambtenaar een gift aannemen, wetende dat deze hem gedaan wordt ten gevolge van of naar aanleiding van hetgeen door hem in zijn bediening als douaneambtenaar is gedaan of nagelaten

en

als ambtenaar een gift aannemen, wetende dat deze hem gedaan wordt teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten;

6. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7 Motivering van de sanctie

7.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaar met aftrek van de periode die zij in voorarrest heeft doorgebracht. Voorts heeft de officier van justitie de verbeurdverklaring gevorderd van het onder haar in beslag genomen geldbedrag van € 350,-, bestaande uit 7 bankbiljetten van 50 euro.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit – in geval de rechtbank tot enige bewezenverklaring komt – aan [verdachte] een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan het reeds ondergane voorarrest en daarnaast een ruime voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De raadsman heeft daarbij gewezen op haar beperkte rol en uitdrukkelijk op haar persoonlijke omstandigheden: zij is alleenstaand ouder van een dochter van (inmiddels) 10 jaar oud die volledig van haar afhankelijk is. [verdachte] heeft reeds 6 maanden in voorarrest gezeten hetgeen voor haar dochter zeer traumatisch is geweest. Daarnaast heeft zij haar baan bij de douane verloren en als gevolg van het voorarrest ook haar woning. Tot slot heeft de raadsman verzocht het inbeslaggenomen bedrag van € 350,- aan [verdachte] te retourneren nu dit geld betrof dat zij van [medeverdachte 3] had geleend.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

[verdachte] heeft zich in de periode van 1 september 2015 tot en met 19 oktober 2015 schuldig gemaakt aan het medeplegen van de invoer van 8 kg cocaïne in olijfolie vanuit Chili naar Nederland. Daarnaast heeft zij zich in deze periode schuldig gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen gericht op invoer van cocaïne in een pakket boeken vanuit Venezuela. [verdachte] werkte bij de Douane Cargo Schiphol, afdeling Post & Koeriers en was verantwoordelijk voor de douaneafhandeling van internationale post, bestaande uit brieven en pakketten. Zij werkte samen met haar naaste collega, medeverdachte [medeverdachte 3] , met wie zij een relatie had. Op initiatief van [medeverdachte 3] zorgde [verdachte] ervoor dat zij beiden ingeroosterd werden op bepaalde maandagen op de werklocatie DHL zodat eventuele zendingen met cocaïne via DHL ongemoeid zouden worden gelaten. Daar heeft zij ook betaald voor gekregen. Daarom heeft zij zich ook schuldig gemaakt aan ambtelijke omkoping. De rechtbank heeft tot slot bewezen verklaard dat zij in het bezit was van een stroomstootwapen.

De rechtbank acht de gepleegde feiten ernstig. Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door de gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. Aan opzettelijke invoer van cocaïne zijn hoge wettelijke strafmaxima verbonden ter voorkoming van het ontstaan van een grootschalige binnenlandse markt. Ook handelingen gericht op de voorbereiding van invoer van cocaïne worden met aanzienlijke straffen bedreigd. Daarbij weegt de rechtbank mee dat [verdachte] de haar verweten Opiumwetfeiten heeft gepleegd in georganiseerd verband.

De rechtbank tilt zeer zwaar aan het feit dat [verdachte] in haar hoedanigheid van douanebeambte zich via haar collega [medeverdachte 3] heeft laten lenen voor het doorlaten van cocaïne via haar werklocatie DHL. [verdachte] heeft, louter om er zelf financieel beter van te worden, bijgedragen aan de internationale drugshandel, terwijl zij als douaneambtenaar juist tot taak had om de samenleving tegen de invoer van ‒ onder andere ‒ drugs te beschermen. Door zich hiervoor te laten omkopen heeft zij de douane als overheidsinstituut in diskrediet gebracht en het vertrouwen dat de burger in de douane moet kunnen stellen, aangetast. Dit treft ook de niet corrupte, integere collega’s van [verdachte] .

Verdachte heeft er voor gekozen slechts beperkt te verklaren tijdens het politieonderzoek. Tijdens de inhoudelijke behandeling van haar strafzaak heeft zij een summiere, deels bekennende verklaring afgelegd maar geen volledige openheid van zaken gegeven over haar beweegredenen. De rechtbank kan die dan ook niet meewegen bij de strafoplegging.

Al het voorgaande maakt dat de rechtbank in beginsel een gevangenisstraf van langere duur aangewezen acht.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

  • -

    Het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 18 april 2017 waaruit blijkt dat verdachte een blanco strafblad heeft,

  • -

    het over haar uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 9 mei 2016 van [opsteller] , als reclasseringswerkster werkzaam bij Reclassering Nederland, samengevat en zakelijk weergegeven inhoudende:

[verdachte] is een (thans) 34-jarige vrouw en alleenstaand ouder van een dochter van (thans)10 jaar. [verdachte] is een ontkennende verdachte en beroept zich op haar zwijgrecht om welke reden de reclassering geen volledig beeld van haar heeft kunnen krijgen en evenmin van eventuele delict gerelateerde problemen op de leefgebieden. Voorafgaand aan de aanhouding is niet gebleken van problemen op deze leefgebieden. Zij komt over als een daadkrachtige- en zelfstandige vrouw. Gelet op haar proceshouding kan de reclassering geen strafadvies geven.

Nu de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie zal de rechtbank een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

Ook houdt de rechtbank rekening met de volgende omstandigheden. [verdachte] heeft een beperkte rol gehad bij de bewezenverklaarde feiten. [medeverdachte 3] was degene die daartoe het initiatief nam. Zij handelde op instructie van [medeverdachte 3] en uit het dossier is niet gebleken dat zij zelf rechtstreeks contact heeft gehad met de andere medeverdachten in deze zaak. Hoewel dit [verdachte] niet ontslaat van haar strafrechtelijke verantwoordelijkheid, ziet de rechtbank naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting aanwijzingen dat de relatie tussen [verdachte] en [medeverdachte 3] van invloed is geweest op de door haar gemaakte keuzes. Daarnaast zijn de bewezen verklaarde feiten gepleegd gedurende een korte periode, namelijk vanaf 1 september 2015 tot en met 19 oktober 2015 en bevinden zich in het dossier geen aanwijzingen dat [verdachte] flinke bedragen heeft ontvangen voor haar strafbare gedragingen.

Daarnaast ziet de rechtbank in de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] aanleiding om de gevorderde straf aanzienlijk te matigen. Met name de positie van [verdachte] als de enig verzorgende ouder van een minderjarige dochter brengt mee dat langdurige detentie haar onevenredig hard zal treffen en dat haar dochter elders ondergebracht zal moeten worden. De rechtbank gaat echter niet zo ver dat [verdachte] een straf zal worden opgelegd gelijk aan de periode van voorarrest zoals door haar raadsman verzocht. Daarvoor zijn de gepleegde feiten te ernstig.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat het voorhanden hebben van het stroomstootwapen niet is meegenomen in het bepalen van de hoogte van de straf.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 42 maanden, met aftrek van voorarrest, opgelegd dient te worden.

8. Overige beslissingen omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen

De rechtbank is van oordeel dat het onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten een geldbedrag van € 350,-, dient te worden teruggegeven aan verdachte.

9 Verzoek om bevel gevangenneming

De officier van justitie heeft verzocht om bij uitspraak de gevangenneming te bevelen van [verdachte] .

[verdachte] is op 10 november 2015 aangehouden en in verzekering gesteld. Daarna is zij in bewaring gesteld en is de gevangenhouding bevolen. Met ingang van 17 mei 2016 tot en met 25 oktober 2016 is haar voorlopige hechtenis geschorst geweest onder voorwaarden en met ingang van 26 oktober 2016 opgeheven.

Bij het beantwoorden van de vraag of de gevangenneming moet worden bevolen bij einduitspraak hanteert de rechtbank als uitgangspunt dat een persoon in beginsel in vrijheid zijn berechting mag afwachten. Hoewel met dit vonnis berechting is geschied, acht de rechtbank het in de gegeven omstandigheden niet opportuun dat [verdachte] , zolang dit vonnis nog niet onherroepelijk is, opnieuw vast komt te zitten. Het verzoek van de officier van justitie wordt afgewezen

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 47, 57 en 363 van het Wetboek van Strafrecht;

artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet;

artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair, 4 en 5 is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;

verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 subsidiair, 2 primair, 3 en 6 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.11 weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 subsidiair, 2 primair, 3 en 6 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt haar daarvan vrij;

bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden;

bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

gelast de teruggave aan verdachte van:

-een geldbedrag van € 350,-;

wijst af de vordering tot gevangenneming.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.C. van den Bos, voorzitter,

mr. I.A.M. Tel en mr. G.A.M. van Dijk, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier D.L. Meyer,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 juli 2017.