Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:6175

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
20-07-2017
Datum publicatie
25-07-2017
Zaaknummer
15-870672-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Meervoudige strafkamer; promisvonnis. Onderzoek Matong.

Veroordeling op 20 juli 2017 van zes verdachten, waaronder verdachte, voor onder meer invoer van 8 kg cocaïne in olijfolie uit Chili en voorbereiding van invoer van 3 kg cocaïne in boeken uit Venezuela. Verdachte is tevens veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie en voor ambtelijke corruptie. Verdachte zou tegen betaling pakketten met cocaïne doorlaten en heeft daarbij zijn collega en medeverdachte ingeschakeld om hen in te roosteren op specifieke dagen. Verdachte was zelf op afroep beschikbaar en werd daarvoor betaald.

Verweer tot uitsluiten van de als gevolg van de machtigingen ex artikel 126m en 126n Sv verkregen bewijsmateriaal is afgewezen.

Verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaar met aftrek van het voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlemmermeer

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/870672-15 (P)

Uitspraakdatum: 20 juli 2017

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 23 juni 2017, 26 juni 2017, 27 juni 2017, 28 juni 2017, 29 juni 2017, 3 juli 2017 en 6 juli 2017 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1967 te Amsterdam,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [woonplaats] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. L.B. Haneveld en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. M.M.H. Zuketto, advocaat te Maastricht, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en na daarop volgende wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 313 Sv, ten laste gelegd dat:

Feit 1:

Primair

[ZD B 03: Poging invoer in vereniging van ca. 3 kilo cocaïne in een pakket boeken vanuit Venezuela]

hij en/of één of meer van zijn mededader(s) in of omstreeks de periode van 01 september 2015 tot en met 28 september 2015 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of elders in Nederland en/of te Venezuela en/of elders in Zuid-Amerika, tezamen en in vereniging, althans alleen,

ter uitvoering van het door hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland te brengen, al dan niet als bedoeld in artikel 1, lid 4, van de Opiumwet, ongeveer 3 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

één of meer (uitvoerings)handeling(en) heeft/hebben verricht,

immers heeft/hebben één of meer van zijn mededader(s) (een) (aan)betaling(en) gevraagd en/of ontvangen van één of meer (onbekend gebleven) perso(o)n(en) (die zonder het risico van controle en/of onderschepping door de Douane/Belastingdienst in (een) DHL zending(en) cocaïne binnen het grondgebied van Nederland willen brengen)

en/of

heeft/hebben één of meer van zijn mededader(s) aan een ander(e mededader) gevraagd of deze als ontvanger en/of geadresseerde van (een) (te verzenden) DHL zending(en) (met cocaïne) wil optreden/fungeren, althans een afleveradres voor (een) DHL zending(en) (met cocaïne) wil opgeven en/of ter beschikking wil stellen

en/of

heeft één van zijn mededader(s) het adres [adres 1] Amsterdam aan één of meer van zijn (andere) mededader(s), opgegeven en/of ter beschikking gesteld als afleveradres voor één of meer zending(en)

en/of

heeft/hebben één of meer van zijn mededader(s) (overeenkomstig (een) tevoren gemaakte afspra(a)k(en)) in Venezuela, althans Zuid-Amerika, een hoeveelheid cocaïne, verpakt en/of verborgen in een pakket (met boeken) en/of (vervolgens) op 24 september 2015 bij DHL in Venezuela aangeboden ter verzending aan [geadresseerde] , [adres 1] Amsterdam

en/of

heeft/hebben één of meer van zijn mededader(s) aan de hand van een traceernummer van deze zending op de website van DHL één of meermalen de statusberichten en/of verblijfplaats van deze zending geraadpleegd

en/of

heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn collega-douaneambtenaar [medeverdachte 1] (vervolgens) (overeenkomstig (een) tevoren gemaakte afspra(a)k(en)) in de (vroege) ochtend van 28 september 2015 geregeld en/of georganiseerd en/of ervoor zorggedragen dat deze zelf op 28 september 2015 in de vestiging van DHL op Schiphol-Oost dienst als douaneambtena(a)r(en) kon(den) verrichten en/of had(den)

en/of

heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn collega-douaneambtenaar [medeverdachte 1] (vervolgens) (overeenkomstig (een) tevoren gemaakte afspra(a)k(en)) op 28 september 2015 in de vestiging van DHL op Schiphol-Oost gereed gestaan om, voor en/of in het geval voornoemd pakket door de Douane/Belastingdienst en/of DHL was geselecteerd voor een douanecontrole, voornoemd pakket niet te onderwerpen aan een (deugdelijke) douanecontrole en/of niet in beslag te nemen,

en/of

heeft één van zijn mededader(s) bij het adres [adres 1] te Amsterdam gewacht op aflevering van voornoemd pakket door DHL en/of aldaar voornoemd pakket in ontvangst genomen

en/of

heeft/hebben hij, verdachte, en één of meer van zijn mededader(s) (een) bespreking(en) gevoerd en/of informatie uitgewisseld en/of ingewonnen en/of verschaft over één of meer van de hierboven omschreven (uitvoerings)handeling(en),

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 01 september 2015 tot en met 28 september 2015 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of te Amsterdam en/of elders in Nederland en/of te Venezuela en/of elders in Zuid-Amerika, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen,

om (een) feit(en), bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of vervoeren en/of verstrekken en/of afleveren van een hoeveelheid van ongeveer 3 kilogram, in elk geval een hoeveelheid, cocaïne, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- ( een) ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen en/of te doen plegen en/of mede te plegen en/of uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

- ( een) voorwerp(en) en/of (een) vervoermiddel(en) en/of (een) stof(fen) en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),

immers heeft/hebben één of meer van zijn mededader(s) (een) (aan)betaling(en) gevraagd en/of ontvangen van één of meer (onbekend gebleven) perso(o)n(en) (die zonder het risico van controle en/of onderschepping door de Douane/Belastingdienst in (een) DHL zending(en) cocaïne binnen het grondgebied van Nederland willen brengen)

en/of

heeft/hebben één of meer van zijn mededader(s) aan een ander(e mededader) gevraagd of deze als ontvanger en/of geadresseerde van (een) (te verzenden) DHL zending(en) (met cocaïne) wil optreden/fungeren, althans een afleveradres voor (een) DHL zending(en) (met cocaïne) wil opgeven en/of ter beschikking wil stellen

en/of

heeft één van zijn mededader(s) het adres [adres 1] Amsterdam aan één of meer van zijn (andere) mededader(s), opgegeven en/of ter beschikking gesteld als afleveradres voor één of meer zending(en)

en/of

heeft/hebben één of meer van zijn mededader(s) (overeenkomstig (een) tevoren gemaakte afspra(a)k(en)) in Venezuela, althans Zuid-Amerika, een hoeveelheid cocaïne, verpakt en/of verborgen in een pakket (met boeken) en/of (vervolgens) op 24 september 2015 bij DHL in Venezuela aangeboden ter verzending aan [geadresseerde] , [adres 1] Amsterdam

en/of

heeft/hebben één of meer van zijn mededader(s) aan de hand van een traceernummer van deze zending op de website van DHL één of meermalen de statusberichten en/of verblijfplaats van deze zending geraadpleegd

en/of

heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn collega-douaneambtenaar [medeverdachte 1] (vervolgens) (overeenkomstig (een) tevoren gemaakte afspra(a)k(en)) in de (vroege) ochtend van 28 september 2015 geregeld en/of georganiseerd en/of ervoor zorggedragen dat deze zelf op 28 september 2015 in de vestiging van DHL op Schiphol-Oost dienst als douaneambtena(a)r(en) kon(den) verrichten en/of had(den)

en/of heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn collega-douaneambtenaar [medeverdachte 1] (vervolgens) (overeenkomstig (een) tevoren gemaakte afspra(a)k(en)) op 28 september 2015 in de vestiging van DHL op Schiphol-Oost gereed gestaan om, voor en/of in het geval voornoemd pakket door de Douane/Belastingdienst en/of DHL was geselecteerd voor een douanecontrole, voornoemd pakket niet te onderwerpen aan een (deugdelijke) douanecontrole en/of niet in beslag te nemen,

en/of

heeft één van zijn mededader(s) bij het adres [adres 1] te Amsterdam gewacht op aflevering van voornoemd pakket door DHL en/of aldaar voornoemd pakket in ontvangst genomen

en/of heeft/hebben hij, verdachte, en één of meer van zijn mededader(s) (een) bespreking(en) gevoerd en/of informatie uitgewisseld en/of ingewonnen en/of verschaft over één of meer van de hierboven omschreven handeling(en) en/of over de wijze van verpakking en/of verzending van voornoemde hoeveelheid cocaïne in voornoemd pakket en/of over de wijze waarop voornoemde hoeveelheid cocaïne kwijt en/of verloren en/of vermist is geraakt en/of is kunnen raken;

Feit 2:

Primair

[ZD B 04: Invoer in vereniging van ca. 8 kilo cocaïne in olijfolie vanuit Chili]

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2015 tot en met 19 oktober 2015 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of te Amsterdam en/of elders in Nederland en/of te Chili en/of elders in Zuid-Amerika, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1, lid 4, van de Opiumwet, ongeveer 8 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

immers heeft/hebben één of meer van zijn mededader(s) (een) (aan)betaling(en) gevraagd en/of ontvangen van één of meer (onbekend gebleven) perso(o)n(en) (die zonder het risico van controle en/of onderschepping door de Douane/Belastingdienst in (een) DHL zending(en) cocaïne binnen het grondgebied van Nederland willen brengen)

en/of

heeft/hebben één of meer van zijn mededader(s) aan een ander(e mededader) gevraagd of deze als ontvanger en/of geadresseerde van (een) (te verzenden) DHL zending(en) (met cocaïne) wil optreden/fungeren, althans een afleveradres voor (een) DHL zending(en) (met cocaïne) wil opgeven en/of ter beschikking wil stellen

en/of

heeft één van zijn mededader(s) het adres [adres 2] te Amsterdam aan één of meer van zijn (andere) mededader(s) opgegeven en/of ter beschikking gesteld als afleveradres voor één of meer zending(en)

en/of

heeft/hebben hij en/of zijn collega-douaneambtenaar [medeverdachte 1] (vervolgens) (overeenkomstig (een) tevoren gemaakte afspra(a)k(en)) geregeld en/of georganiseerd en/of ervoor zorggedragen dat deze zelf op 19 oktober 2015 in de vestiging van DHL op Schiphol-Oost dienst als douaneambtena(a)r(en) kon(den) verrichten en/of had(den)

en/of

heeft/hebben één of meer van zijn mededader(s) (overeenkomstig (een) tevoren gemaakte afspra(a)k(en)) in Chili, althans Zuid-Amerika, voornoemde hoeveelheid cocaïne, opgelost in en/of vermengd met olijfolie en/of (vervolgens) één of meer dozen/pakketten met flessen met deze olijfolie en cocaïne op 15 oktober 2015 bij DHL in Chili aangeboden ter verzending aan

voornoemd adres [adres 2] te Amsterdam,

en/of

heeft/hebben één of meer van zijn mededader(s) aan de hand van een traceernummer van deze zending op de website van DHL één of meermalen de statusberichten en/of verblijfplaats van deze zending geraadpleegd

en/of

heeft/hebben hij en/of zijn collega-douaneambtenaar [medeverdachte 1] (vervolgens) (overeenkomstig (een) tevoren gemaakte afspra(a)k(en)) op 19 oktober 2015 in de vestiging van DHL op Schiphol-Oost gereed gestaan om, voor en/of in het geval voornoemd dozen/pakketten door de Douane/Belastingdienst en/of DHL waren geselecteerd voor een douanecontrole, voornoemde dozen/pakketten niet te onderwerpen aan een (deugdelijke) douanecontrole en/of niet in beslag te nemen

en/of

heeft/hebben hij en/of zijn collega-douaneambtenaar [medeverdachte 1] (vervolgens) op 19 oktober 2015 in de vestiging van DHL op Schiphol-Oost tussen de door de Douane/Belastingdienst en/of DHL voor een douanecontrole geselecteerde dozen/pakketten gezocht en/of uitgekeken naar dozen/pakketten verzonden vanuit Chili

en/of

heeft één van zijn mededader(s) op het adres [adres 2] te Amsterdam gewacht op de aflevering van voornoemde door DHL op dit adres af te leveren dozen/pakketten met flessen met olijfolie en cocaïne

en/of

heeft/hebben hij, verdachte, en één of meer van zijn mededader(s) (een) bespreking(en) gevoerd en/of informatie uitgewisseld en/of ingewonnen en/of verschaft over één of meer van de hierboven omschreven handeling(en);

Subsidiair

hij en/of één of meer van zijn mededader(s) in of omstreeks de periode van 01 januari 2015 tot en met 19 oktober 2015 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of te Amsterdam en/of elders in Nederland en/of te Chili en/of elders in Zuid-Amerika, tezamen en in vereniging, althans alleen,

ter uitvoering van het door hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland te brengen, al dan niet als bedoeld in artikel 1, lid 4, van de Opiumwet, ongeveer 8 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

één of meer (uitvoerings)handelingen heeft/hebben verricht,

immers heeft/hebben één of meer van zijn mededader(s) (een) (aan)betaling(en) gevraagd en/of ontvangen van één of meer (onbekend gebleven) perso(o)n(en) (die zonder het risico van controle en/of onderschepping door de Douane/Belastingdienst in (een) DHL zending(en) cocaïne binnen het grondgebied van Nederland willen brengen)

en/of

heeft/hebben één of meer van zijn mededader(s) aan een ander(e mededader) gevraagd of deze als ontvanger en/of geadresseerde van (een) (te verzenden) DHL zending(en) (met cocaïne) wil optreden/fungeren, althans een afleveradres voor (een) DHL zending(en) (met cocaïne) wil opgeven en/of ter beschikking wil stellen

en/of

heeft één van zijn mededader(s) het adres [adres 2] te Amsterdam aan één of meer van zijn (andere) mededader(s) opgegeven en/of ter beschikking gesteld als afleveradres voor één of meer zending(en)

en/of

heeft/hebben hij en/of zijn collega-douaneambtenaar [medeverdachte 1] (vervolgens) (overeenkomstig (een) tevoren gemaakte afspra(a)k(en)) geregeld en/of georganiseerd en/of ervoor zorggedragen dat deze zelf op 19 oktober 2015 in de vestiging van DHL op Schiphol-Oost dienst als douaneambtena(a)r(en) kon(den) verrichten en/of had(den)

en/of

heeft/hebben één of meer van zijn mededader(s) (overeenkomstig (een) tevoren gemaakte afspra(a)k(en)) in Chili, althans Zuid-Amerika, voornoemde hoeveelheid cocaïne, opgelost in en/of vermengd met olijfolie en/of (vervolgens) één of meer dozen/pakketten met flessen met deze olijfolie en cocaïne op 15 oktober 2015 bij DHL in Chili aangeboden ter verzending aan

voornoemd adres [adres 2] te Amsterdam,

en/of heeft/hebben één of meer van zijn mededader(s) aan de hand van een traceernummer van deze zending op de website van DHL één of meermalen de statusberichten en/of verblijfplaats van deze zending geraadpleegd

en/of

heeft/hebben hij en/of zijn collega-douaneambtenaar [medeverdachte 1] (vervolgens) (overeenkomstig (een) tevoren gemaakte afspra(a)k(en)) op 19 oktober 2015 in de vestiging van DHL op Schiphol-Oost gereed gestaan om, voor en/of in het geval voornoemd dozen/pakketten door de Douane/Belastingdienst en/of DHL waren geselecteerd voor een douanecontrole, voornoemde dozen/pakketten niet te onderwerpen aan een (deugdelijke) douanecontrole en/of niet in beslag te nemen

en/of

heeft/hebben hij en/of zijn collega-douaneambtenaar [medeverdachte 1] (vervolgens) op 19 oktober 2015 in de vestiging van DHL op Schiphol-Oost tussen de door de Douane/Belastingdienst en/of DHL voor een douanecontrole geselecteerde dozen/pakketten gezocht en/of uitgekeken naar dozen/pakketten verzonden vanuit Chili

en/of

heeft één van zijn mededader(s) op het adres [adres 2] te Amsterdam gewacht op de aflevering van voornoemde door DHL op dit adres af te leveren dozen/pakketten met flessen met olijfolie en cocaïne

en/of heeft/hebben hij, verdachte, en één of meer van zijn mededader(s) (een) bespreking(en) gevoerd en/of informatie uitgewisseld en/of ingewonnen en/of verschaft over één of meer van de hierboven omschreven (uitvoerings)handeling(en),

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Meer subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2015 tot en met 27 oktober 2015 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en./of te Amsterdam en/of elders in Nederland en/of te Chili en/of elders in Zuid-Amerika, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen,

om (een) feit(en), bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of vervoeren en/of verstrekken en/of afleveren van een hoeveelheid van ongeveer 8 kilogram, in elk geval een hoeveelheid, cocaïne, voor te bereiden en/of te bevorderen,

-(een) ander(en heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen en/of te doen plegen en/of mede te plegen en/of uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of

-zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

-(een) voorwerp(en) en/of (een) vervoermiddel(en) en/of (een) stof(fen) en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan zij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),

immers heeft/hebben één of meer van zijn mededader(s) (een) (aan)betaling(en) gevraagd en/of ontvangen van één of meer (onbekend gebleven) perso(o)n(en) (die zonder het risico van controle en/of onderschepping door de Douane/Belastingdienst in (een) DHL zending(en) cocaïne binnen het grondgebied van Nederland willen brengen)

en/of

heeft/hebben één of meer van zijn mededader(s) aan een ander(e mededader) gevraagd of deze als ontvanger en/of geadresseerde van (een) (te verzenden) DHL zending(en) (met cocaïne) wil optreden/fungeren, althans een afleveradres voor (een) DHL zending(en) (met cocaïne) wil opgeven en/of ter beschikking wil stellen

en/of

heeft één van zijn mededader(s) het adres [adres 2] te Amsterdam aan één of meer van zijn (andere) mededader(s) opgegeven en/of ter beschikking gesteld als afleveradres voor één of meer zending(en)

en/of

heeft/hebben hij en/of zijn collega-douaneambtenaar [medeverdachte 1] (vervolgens) (overeenkomstig (een) tevoren gemaakte afspra(a)k(en)) geregeld en/of georganiseerd en/of ervoor zorggedragen dat deze zelf op 19 oktober 2015 in de vestiging van DHL op Schiphol-Oost dienst als douaneambtena(a)r(en) kon(den) verrichten en/of had(den)

en/of

heeft/hebben één of meer van zijn mededader(s) (overeenkomstig (een) tevoren gemaakte afspra(a)k(en)) in Chili, althans Zuid-Amerika, voornoemde hoeveelheid cocaïne, opgelost in en/of vermengd met olijfolie en/of (vervolgens) één of meer dozen/pakketten met flessen met deze olijfolie en cocaïne op 15 oktober 2015 bij DHL in Chili aangeboden ter verzending aan

voornoemd adres [adres 2] te Amsterdam,

en/of

heeft/hebben één of meer van zijn mededader(s) aan de hand van een traceernummer van deze zending op de website van DHL één of meermalen de statusberichten en/of verblijfplaats van deze zending geraadpleegd

en/of

heeft/hebben hij en/of zijn collega-douaneambtenaar [medeverdachte 1] (vervolgens) (overeenkomstig (een) tevoren gemaakte afspra(a)k(en)) op 19 oktober 2015 in de vestiging van DHL op Schiphol-Oost gereed gestaan om, voor en/of in het geval voornoemd dozen/pakketten door de Douane/Belastingdienst en/of DHL waren geselecteerd voor een douanecontrole, voornoemde dozen/pakketten niet te onderwerpen aan een (deugdelijke) douanecontrole en/of niet in beslag te nemen

en/of

heeft/hebben hij en/of zijn collega-douaneambtenaar [medeverdachte 1] (vervolgens) op 19 oktober 2015 in de vestiging van DHL op Schiphol-Oost tussen de door de Douane/Belastingdienst en/of DHL voor een douanecontrole geselecteerde dozen/pakketten gezocht en/of uitgekeken naar dozen/pakketten verzonden vanuit Chili

en/of

heeft één van zijn mededader(s) op het adres [adres 2] te Amsterdam gewacht op de aflevering van voornoemde door DHL op dit adres af te leveren dozen/pakketten met flessen met olijfolie en cocaïne

en/of

heeft/hebben hij, verdachte, en/of één of meer van zijn mededader(s) (een) bespreking(en) gevoerd en/of informatie uitgewisseld en/of ingewonnen en/of verschaft over één of meer van de hierboven omschreven handeling(en) en/of over de reden(en) waarom voornoemde zending(en) niet en/of nog niet en/of niet tijdig op voornoemd (aflever)adres was/waren afgeleverd;

Feit 3:

[ZD B 05: Aannemen geld voor het regelen van diensten bij DHL en het achterwege laten van douanecontroles op en inbeslagneming van pakketten met verdovende middelen]

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2011 tot en met 31 december 2014 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of te Purmerend in elk geval in Nederland, als ambtenaar (douaneambtenaar),

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

één of meer gift(en) en/of één of meer belofte(n) van [medeverdachte 2] en/of een of meer anderen, te weten:

- één of meer contante geldbedragen,

heeft aangenomen,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader wist(en) of redelijkerwijs vermoedde(n) dat deze/die gift(en) en/of belofte(n) hem/hen werd(en) gedaan en/of verleend en/of aangeboden,

ten gevolge van of naar aanleiding van hetgeen door hem/hen al dan niet in

strijd met zijn/hun plicht in zijn/hun bediening als douaneambtenaar is gedaan

of nagelaten (lid 1 sub 2),

en/of

teneinde hem/hen te bewegen om al dan niet in strijd met zijn/hun plicht in zijn/hun bediening als douaneambtenaar iets te doen of na te laten (lid 1 sub 1),

bestaande dit doen of nalaten uit:

- het (aan)vragen van en/of regelen van en/of organiseren van (een) inroostering(en) op en/of (een) controledienst(en) bij DHL op Schiphol-Oost (op de dag(en) dat (aldaar)(volgens voornemen en/of naar verwachting) (een) (bepaalde) (pakket)zending(en) met cocaïne, althans (een) verdovend(e) middel(en), voor (een) douanecontrole(s) geselecteerd zou(den) kunnen worden en/of onderworpen zou(den) kunnen worden)

en/of

- het achterwege laten van (een) (deugdelijke) douanecontrole(s) op en/of het achterwege laten van (een) inbeslagneming(en) van (pakket)zending(en), waarvan hij en/of zijn mededader wist(en) dat daarin (een) hoeveelhe(i)d(en) cocaïne, althans (een) verdovend(e) middel(en), verpakt en/of verborgen was/waren;

en/of

dat hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2015 tot en met 04 november 2015 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of te Purmerend in elk geval in Nederland, als ambtenaar (douaneambtenaar),

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

één of meer gift(en) en/of één of meer belofte(n) van [medeverdachte 2] en/of een

of meer anderen, te weten:

- één of meer contante geldbedragen,

heeft aangenomen, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader wist(en) of redelijkerwijs

vermoedde(n) dat deze/die gift(en) en/of belofte(n) hem/hen werd(en) gedaan

en/of verleend en/of aangeboden,

ten gevolge van of naar aanleiding van hetgeen door hem/hen in zijn/hun bediening als douaneambtenaar is gedaan of nagelaten (lid 1 sub 2),

en/of

teneinde hem/hen te bewegen om in zijn/hun bediening als douaneambtenaar iets

te doen of na te laten (lid 1 sub 1),

bestaande dit doen of nalaten uit:

- het (aan)vragen van en/of regelen van en/of organiseren van (een) inroostering(en) op en/of (een) controledienst(en) bij DHL op Schiphol-Oost (op de dag(en) dat (aldaar)(volgens voornemen en/of naar verwachting) (een) (bepaalde) (pakket)zending(en) met cocaïne, althans (een) verdovend(e) middel(en), voor (een) douanecontrole(s) geselecteerd zou(den) kunnen worden en/of onderworpen zou(den) kunnen worden)

en/of

- het achterwege laten van (een) (deugdelijke) douanecontrole(s) op en/of het achterwege laten van (een) inbeslagneming(en) van (pakket)zending(en), waarvan hij en/of zijn mededader wist(en) dat daarin (een) hoeveelhe(i)d(en) cocaïne, althans (een) verdovend(e) middel(en), verpakt en/of verborgen was/waren;

Feit 4:

[ZD B 06: Deelneming criminele organisatie]

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2011 tot en met 10 november 2015 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of te Purmerend en/of elders in Nederland

heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van (een) misdrijf/misdrijven als bedoeld in

- artikel 10, derde en/of vierde en/of vijfde lid van de Opiumwet en/of

- artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet en/of

- artikel 11, derde en/of vierde en/of vijfde lid van de Opiumwet;

Feit 5:

[ZD B 01: Voorbereidingshandelingen invoer cocaïne in golftassen vanuit Panama]

hij in of omstreeks de periode van 01 augustus 2015 tot en met 16 oktober 2015 te Purmerend en/of te Haarlem en/of te Amsterdam en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen,

om (een) feit(en), bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of vervoeren en/of verstrekken en/of afleveren van een hoeveelheid van ongeveer 20 kilogram, in elk geval een hoeveelheid, cocaïne, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- ( een) ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen en/of te doen plegen en/of mede te plegen en/of uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

- ( een) voorwerp(en) en/of (een) vervoermiddel(en) en/of (een) stof(fen) en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),

immers heeft/hebben hij, verdachte, en één of meer van zijn mededader(s) (een) bespreking(en) gevoerd en/of informatie uitgewisseld en/of ingewonnen en/of

verschaft over

- het voornemen om cocaïne (vanuit Panama) binnen het grondgebied van Nederland te brengen, verborgen in één of meer golftassen en/of

- de wijze van markering van de golftas(sen), waarin de cocaïne verborgen zou (moeten) worden ("gele band" en/of "eentje geven we een aparte kleur") en/of

- het adres en/of de persoon in Nederland, waarheen de golftassen gestuurd zouden (moeten) worden ("naar [F] ") en/of

- een (gunstige en/of de gunstigste) datum, waarop de golftas(ssen) met cocaïne binnen het grondgebied van Nederland gebracht zou(den) worden ("de 21e"/"de 28e") en/of

- de hoeveelheid cocaïne, die binnen het grondgebied van Nederland zou moeten worden gebracht ("20") en/of

- de risico's op en van onderschepping van de golftas(sen) met cocaïne ("Hoe je het ook verstopt, een blok zie je altijd zitten op de scan. Kijk als je met die golftassen twintig doet, als het ergens ook maar een klein scannetje krijgt, dan ben je het gewoon kwijt" en/of "Je moet natuurlijk zien op het moment dat je golftassen hebt met 20 kilo kant en klaar, als het gepakt ergens onderweg, kan het zo maar een een heel onderzoek opleveren") en/of - een (beter) alternatief voor het binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne, verborgen in één of meer golftassen ("Vermengd in koffie" en/of "je beste kans is het vermengde");

Feit 6:

[ZD B 02: Voorbereidingshandelingen uitvoer cocaïne in brieven naar Australië]

hij op of omstreeks 13 september 2015 te Purmerend en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen,

om (een) feit(en), bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk (meermalen) buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of vervoeren en/of verstrekken en/of afleveren van een (een) hoeveelhe(i)d(en), cocaïne, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- ( een) ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen en/of te doen plegen en/of mede te plegen en/of uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

- ( een) voorwerp(en) en/of (een) vervoermiddel(en) en/of (een) stof(fen) en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),

immers heeft/hebben hij, verdachte, en één of meer van zijn mededader(s) (een) bespreking(en) gevoerd en/of informatie uitgewisseld en/of ingewonnen en/of verschaft over

- het voornemen om cocaïne buiten het grondgebied van Nederland te brengen (naar Australië) in één of meer brieven/enveloppen, te verzenden via DHL en/of

- de kwestie en/of mogelijkheid of deze brieven/enveloppen bij DHL dan al dan niet door [verdachte] aan een (schijn)douanecontrole zouden (kunnen) worden onderworpen ("Ja, maar komt dat ook bij jou?")

- de hoeveelheid cocaïne, die per brief/envelop verstuurd zou (kunnen) worden ("twee en een half ons") en/of

- de frequentie, waarmee cocaïne per brief/envelop verstuurd zou (kunnen) worden ("het liefst elke week, het liefst elke dag zelfs" en/of "hij had wil eigenlijk gewoon continue sturen") en/of

- het voordeel van een dergelijke wijze van het buiten het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne ("Ja, weet je wat het mooie is van brieven? Dat wij overal werken met briefgeheim" en/of "Maar ik kan ze nu gewoon zeggen allemaal niet geopend in verband met briefgeheim").

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Inleiding
Naar aanleiding van onder andere bij het Team Criminele Inlichtingen van de Belastingdienst/FIOD binnengekomen informatie, die hierna uitgebreider zal worden besproken, is een onderzoek gestart naar ex-douanier [S] , van wie het vermoeden bestond dat hij zich schuldig maakte aan het invoeren van verdovende middelen, met behulp van oud collega’s bij de Douane. Naar aanleiding van dit onderzoek en hierna te noemen TCI-informatie, waarin een link werd gelegd met de verdachten [medeverdachte 1] en [verdachte] , verlegde het onderzoek zich naar hen. Tijdens dat onderzoek kwamen ook medeverdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] in beeld.

4 Bewijs

4.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2 primair, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde feiten.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich primair op het standpunt gesteld dat sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs, dat dient te worden uitgesloten, waardoor onvoldoende bewijs resteert voor een bewezenverklaring.

Ook subsidiair heeft de raadsman integraal vrijspraak bepleit. Zijn verweer komt er, kort en zakelijk weergegeven op neer, dat sprake is van een ondeugdelijke poging, dan wel geen strafbare poging (feit 1 primair), [verdachte] geen uitvoeringshandelingen heeft gepleegd of mede heeft gepleegd (feiten 1 subsidiair en 2 primair), en er geen sprake is van een criminele organisatie (feit 4). Voor feit 5 heeft te gelden dat [verdachte] geen voorbereidingshandelingen heeft verricht en ten aanzien van feit 6 heeft [verdachte] geen opzet op voorbereidingshandelingen gehad. Ook heeft de raadsman erop gewezen dat sprake is van eendaadse samenloop tussen feit 3 en de feiten 1 en 2, als gevolg waarvan voor feit 3 geen separate bestraffing mogelijk is.

4.3.

Bespreking van het verweer tot uitsluiting van het bewijs

De raadsman heeft, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat al hetgeen direct of indirect is verkregen als gevolg van het afluisteren van telefoongesprekken gevoerd door [verdachte] , dient te worden uitgesloten als bewijsmateriaal. Dit omdat er geen redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit bestond tegen [verdachte] op het moment dat de rechter-commissaris de machtigingen heeft verleend tot het opnemen van telecommunicatie op grond van artikel 126m Sv en tot het verstrekken van verkeersgegevens op grond van artikel 126n Sv. Dit betekent dat de rechter-commissaris in redelijkheid niet tot het oordeel mocht komen dat de machtigingen gegeven konden worden. Immers, de verdenking tegen [verdachte] rustte slechts op twee processen-verbaal met TCI-informatie waarover geen betrouwbaarheidsoordeel gegeven kon worden. Het eerste TCI proces-verbaal betreft weliswaar het plegen van een strafbaar feit, maar dit betreft alleen [S] en niet [verdachte] . In het tweede TCI proces-verbaal wordt geen enkel vermoeden beschreven van het plegen van enig strafbaar feit door de in het proces-verbaal genoemde personen. Uit het onderzoek dat werd verricht om de TCI-informatie te verifiëren bleek dat er een jaar eerder, in april 2015, telefonisch contact is geweest tussen medeverdachte [medeverdachte 1] en [S] , echter niet tussen [verdachte] en [S] . Dat daarnaast bleek dat [verdachte] en [medeverdachte 1] regelmatig samen dienst en telefonisch contact hadden, maakte evenmin dat sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit.

Oordeel van de rechtbank op het verweer

De rechtbank overweegt het volgende. De rechter-commissaris heeft op 15 april 2015 de (eerste) machtigingen verleend tot het opnemen van telecommunicatie op grond van artikel 126m Sv en tot het verstrekken van verkeersgegevens op grond van artikel 126n Sv. Uit het dossier blijkt dat (onder meer) de volgende informatie beschikbaar was op het moment dat de rechter-commissaris de machtigingen heeft verleend. Op 27 november 2014 was informatie ontvangen van het Team Criminele Inlichtingen (TCI-informatie) met de volgende inhoud: “ [S] zal samen met [B] eind dit jaar weer gaan starten met het afsturen van cocaïne vanuit Suriname naar Schiphol. [S] heeft in Suriname en op Schiphol nog contacten bij de Douane die er voor kunnen zorgen dat de cocaïne ongecontroleerd doorgelaten kan worden.”

In door de Kmar afgeluisterde telefoongesprekken gevoerd door [S] , wordt op

5 februari 2015 over een getallenreeks gesproken die correspondeert met een cijfercombinatie aangetroffen op een op 20 februari 2015 door de Douane in Rotterdam inbeslaggenomen pakket met cocaïne. [S] werkte van 1 maart 2007 tot 29 augustus 2013 bij de Douane, afdeling Post en Koeriers. [verdachte] werkt op deze afdeling, ook in de periode dat [S] daar werkte. Ook [medeverdachte 1] werkt sinds 1 april 2008 op deze afdeling. In maart en april 2014 is telefonisch contact geweest tussen de gebruiker van een telefoonnummer dat [S] aan KLM heeft opgegeven en de gebruiker van een telefoonnummer op naam van [medeverdachte 1] . Op 27 maart 2015 was ontvangen de volgende TCI-informatie (van juli 2014): “ [S] werkte bij de douane op Schiphol bij de afdeling Post en Koeriers. [S] is in de maand september 2013 weggegaan bij de Douane. [S] zou naar Suriname gaan, waar hij een huis heeft, om daar een bedrijf te beginnen. [S] zou hiervoor een startkapitaal hebben. [S] onderhoudt nog contacten met de douaneambtenaren [medeverdachte 1] en [verdachte] . Tegen de regels in werken [medeverdachte 1] en [verdachte] nog steeds samen als vast koppel. Ze gaan dan vaak samen naar de International Mail Unit van Postnl. Er zijn iedere dag wel drugsbrieven. Het gerucht gaat dat [medeverdachte 1] iets heeft met een teamleider. [medeverdachte 1] gebruikt gsm-nummer 06- [telefoonnummer 1] (privé) en 06- [telefoonnummer 2] (werk).” [verdachte] en [medeverdachte 1] verrichten regelmatig samen diensten bij International Mail Unit (IMU) en Sorteercentrum Internationale Pakketten (SCIP). Zij hadden daarnaast regelmatig telefonisch contact met hun privé-telefoons waarbij de telefoon van [medeverdachte 1] gebruik maakte van een telecommunicatiepaal in haar woonplaats [Z] .

Gelet op vorengenoemde informatie, die is opgenomen in het proces-verbaal van verdenkingen van 13 april 2015 en dat ten grondslag heeft gelegen aan het verstrekken van de machtigingen van 15 april 2015 door de rechter-commissaris, bestond op het moment van dat verstrekken een redelijk vermoeden van schuld van betrokkenheid bij de invoer van cocaïne in Nederland ten aanzien van [verdachte] . Daarbij is van belang dat in de eerst genoemde TCI-informatie wordt gesproken over ‘contacten bij de Douane die ervoor kunnen zorgen dat de cocaïne ongecontroleerd wordt doorgelaten’ en in de daarna genoemde TCI-informatie over dat ‘ [S] nog contact onderhoudt met de douaneambtenaren [medeverdachte 1] en [verdachte] ’ en dat ‘deze samen werken als vast koppel’. Uit die informatie in samenhang bezien, kon een redelijk vermoeden worden afgeleid dat [verdachte] en [medeverdachte 1] contacten betroffen van [S] die ervoor kunnen zorgen dat zendingen met cocaïne (ongecontroleerd) worden doorgelaten. Dat geen oordeel over de betrouwbaarheid van de TCI-informatie kon worden gegeven, doet daaraan niet af, met name nu de informatie specifiek en gedetailleerd was en op onderdelen werd bevestigd door hetgeen in het overige (voor)onderzoek naar boven kwam. Immers bleek onder meer dat [verdachte] inderdaad werkte op de afdeling Post en Koeriers in de periode dat [S] daar ook werkte, dat hij inderdaad regelmatig samen met [medeverdachte 1] diensten draaide en dat [medeverdachte 1] inderdaad nog telefonisch contact had gehad met [S] na beëindiging van zijn dienstverband bij de Douane. De rechter-commissaris heeft de machtigingen van 15 april 2015 dan ook in redelijkheid kunnen verlenen.

Gelet op het vorenstaande, verwerpt de rechtbank het verzoek van de raadsman tot het uitsluiten van de als gevolg van de machtigingen verkregen bewijsmateriaal.

4.4.

Vrijspraak ten aanzien van de feiten 1 primair, 5 en 6
Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen [verdachte] onder 1 primair, 5 en 6 ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 1 primair (B03):

De rechtbank acht de primair ten laste gelegde poging tot invoer van cocaïne niet bewezen.

Zij overweegt dat voldoende is gebleken dat er aanvankelijk (vóór verzending), cocaïne in het vanuit Venezuela naar Nederland verzonden pakket heeft gezeten. Op enig moment (vóór aflevering door DHL), moet deze cocaïne uit het pakket zijn gehaald. Niet gebleken is op welk moment dit moet zijn gebeurd, mogelijk vóórdat het pakket ter verzending werd aangeboden. In dit laatste geval is derhalve geen begin gemaakt met de uitvoering van de geplande invoer van cocaïne in Nederland, zodat van een strafbare poging daartoe geen sprake is.

Ten aanzien van feit 5 (B01):

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] dient te worden vrijgesproken van feit 5. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Het dossier bestaat voornamelijk uit een selectie van OVC-gesprekken in de periode 24 augustus 2015 tot en met 16 oktober 2015. In die periode voeren medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] meerdere gesprekken in de auto (Hyundai) van [medeverdachte 2] over de mogelijke invoer van cocaïne in golftassen vanuit Panama. [verdachte] heeft op 2 september 2015 een gesprek met medeverdachte en collega-douanier [medeverdachte 1] op een terras in Haarlem waarin hij haar meedeelt dat ‘het in golftassen zit’. Daarnaast heeft [medeverdachte 2] met [verdachte] op 8 en 30 september 2015 en op 4 en 11 oktober 2015 gesprekken in de Hyundai waarin onder meer gesproken wordt over ’golftassen vanuit Panama’. Uit de inhoud van de afgeluisterde gesprekken – waaraan [verdachte] deel heeft genomen – valt echter niet af te leiden dat [verdachte] uitvoeringshandelingen heeft verricht die zien op het voorbereiden of bevorderen van de invoer van cocaïne in golftassen vanuit Panama. [verdachte] heeft in de gesprekken met [medeverdachte 2] weliswaar alternatieven aangedragen en risico’s geschetst, maar dat is onvoldoende voor het aannemen van dergelijke uitvoeringshandelingen. Om die reden kan niet worden vastgesteld dat de bijdrage van [verdachte] van voldoende gewicht is geweest om te kunnen spreken van het (mede-) plegen van voorbereidingshandelingen.

Ten aanzien van feit 6 (B02):

Ook met betrekking tot feit 6 komt de rechtbank tot vrijspraak. Het enige bewijsmiddel in dit zaaksdossier ten aanzien [verdachte] betreft het gesprek dat hij op 13 september 2015 voert met medeverdachte [medeverdachte 2] , in diens auto. Uit dat OVC-gesprek volgt dat een ‘contact van [medeverdachte 2] ’ het plan heeft om brieven met daarin cocaïne via DHL naar Australië te verzenden. [medeverdachte 2] bespreekt dit voornemen met [verdachte] en informeert bij [verdachte] naar de werkwijze met brieven bij DHL. [verdachte] schetst ‘dat dit niet zo eenvoudig gaat’ maar dat wel sprake is van briefgeheim waardoor brieven in principe niet worden geopend.

Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat geen daadwerkelijke afspraken met [verdachte] zijn gemaakt over de (mogelijke) uitvoer van cocaïne naar Australië. Nu hij ook anderszins, bijvoorbeeld met inlichtingen en/of adviezen, onvoldoende substantieels en/of concreets heeft toegevoegd aan de plannen van (relaties van) [medeverdachte 2] is zijn bijdrage dan ook van onvoldoende gewicht om tot het bewijs te komen van het (mede-) plegen van voorbereidingshandelingen.

4.5.

Algemene bewijsoverweging

Uit de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen met betrekking tot de zaaksdossiers B03, B04, B05 en B06 leidt de rechtbank allereerst het volgende af.

[medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]

[medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] onderhielden contact en maakten afspraken met organisaties die, zonder risico op in beslagname door de douane, cocaïne van Zuid-Amerika naar Nederland wilden smokkelen. Tegen (aan)betaling spraken zij af dat een postzending -met daarin de cocaïne- op zodanig moment via DHL werd verzonden, dat deze op een vooraf bepaalde maandag op Schiphol voor eventuele douanecontrole gereed zou liggen. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] regelden ook dat de cocaïne-zending werd verstuurd naar een (relatie van een) persoon die bereid was de zending in ontvangst te nemen. [medeverdachte 2] hield door middel van de Track & Trace service van DHL, het verloop van een transport in de gaten.

[medeverdachte 2] en [verdachte]

[medeverdachte 2] stemde de daarvoor geschikte maandagen steeds met [verdachte] af. Laatstgenoemde werkte als douanier op Schiphol en had onder meer tot taak om vanuit het buitenland via DHL verstuurde postzendingen te controleren. [verdachte] gaf [medeverdachte 2] ook inlichtingen over de werkwijze van de douane en advies over de wijze van smokkel.

[verdachte] en [medeverdachte 1]

[verdachte] zorgde ervoor dat hij samen met zijn collega [medeverdachte 1] , die hun inroostering kon sturen, op de afgesproken maandagen op de betreffende DHL-locatie op Schiphol werkzaam was. Als werkkoppel met [medeverdachte 1] , was hij in staat om een cocaïne-zending ongemoeid door te laten mocht deze voor controle geselecteerd zijn. Vanaf in elk geval 2 september 2015 had [medeverdachte 1] hierin een strafrechtelijk relevant aandeel en werd zij hiervoor, net als [verdachte] , betaald.

4.6.

Bewijsoverweging omtrent het medeplegen ten aanzien van alle te bewijzen feiten

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de beperkte rol die [verdachte] heeft gehad, er geen sprake is van medeplegen van de hem verweten feiten.

In aanmerking genomen de hiervoor weergegeven rolverdeling tussen de verdachten, is het de vraag of [verdachte] medepleger is geweest van de tenlastegelegde feiten (waarvan hij niet is vrijgesproken). De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
Ook indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip (onder andere Hoge Raad 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316).

Allereerst overweegt de rechtbank dat bij invoer van ‒ in dit geval cocaïne ‒ elke gebeurtenis logischerwijs wordt opgevolgd door de volgende gebeurtenis, waarbij elke handeling in de keten essentieel en noodzakelijk is. Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van [verdachte] bij het tenlastegelegde het volgende af.

Uit de in de bijlage opgenomen vertrouwelijke gesprekken tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] (op onder meer 13 en 30 september 2015) komt naar voren dat [verdachte] ervoor zorgt dat hij en zijn collega [medeverdachte 1] , op maandag 28 september 2015 dienst bij DHL hebben zodat de geplande invoer van een partij boeken (met daarin cocaïne) uit Venezuela (zaaksdossier B03) langs de douanecontrole komt. Eerder, op 2 september 2015, had [verdachte] met [medeverdachte 1] besproken dat ‘alles was geregeld’ en dat zij een week van te voren geld zouden krijgen. Ook heeft [verdachte] op 11 oktober 2015 (zaaksdossier B04) met [medeverdachte 2] gesprekken gevoerd die zagen op smokkel van verdovende middelen vanuit Chili waarbij een vermenging plaats gaat vinden. In het eerder genoemd gesprek op 2 september 2015 met [medeverdachte 1] spreekt [verdachte] over ‘die andere partij van olijfolie’. Uit afgeluisterde telefoongesprekken van [medeverdachte 1] blijkt dat [medeverdachte 1] op 15 oktober 2015 aan de roosterplanner [G] doorgeeft dat zij en [verdachte] op maandag bij DHL willen werken en ’s middags vraagt [verdachte] haar of zij [G] (de roosterplanner) nog heeft gebeld. [verdachte] en [medeverdachte 1] hebben beiden op 19 oktober 2015 bij DHL gewerkt.

De rol van [verdachte] , namelijk dat hij op grond van informatie van [medeverdachte 2] , er voor zorgt dat hijzelf en zijn collega douaneambtenaar [medeverdachte 1] op bepaalde maandagen bij DHL werken, is van cruciaal belang voor het slagen van de beoogde invoer. Hoewel geen sprake is van een gezamenlijke uitvoering, is de bijdrage van [verdachte] aan het tenlastegelegde naar het oordeel van de rechtbank van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen. De conclusie is dan ook dat steeds, ten aanzien van alle te bewijzen feiten, sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking en dus van het medeplegen door het verrichten van die gedragingen.

4.7.

Bewijsoverweging ten aanzien van de voorbereidingshandelingen – feit 1 subsidiair

De in artikel 10a van de Opiumwet strafbaar gestelde voorbereidingshandelingen betreffen, in de onderhavige zaak (feit 1, B03), handelingen die erop gericht zijn om de invoer van cocaïne voor te bereiden of te bevorderen. Gelet op hetgeen ten aanzien van het medeplegen is overwogen, acht de rechtbank bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met zijn medeverdachten de bewezenverklaarde handelingen heeft verricht. De rechtbank is van oordeel dat die handelingen opleveren de bestanddelen ‘een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen’, namelijk het vragen aan een mededader om als ontvanger van een DHL zending op te treden en het ‘zich of een ander gelegenheid en/of inlichtingen trachten te verschaffen tot het plegen van dat feit’, door het opgeven van het adres waarnaar de zending gestuurd moet worden, het verpakken van cocaïne in een pakket, het plannen van dienst als douaneambtenaar op 28 september 2015, het op die dag gereed staan en het wachten op de aflevering van het pakket en het voeren van besprekingen hierover.

4.8.

Bewijsoverweging ten aanzien van de omkoping – feit 3

De rechtbank acht bewezen dat sprake is geweest van omkoping van de douanebeambte [verdachte] in de periode van 15 april 2015 tot en met 4 november 2015 en vanaf 2 september 2015 tot en met 4 november 2015 ook van de douanebeambte [medeverdachte 1] , door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . De rechtbank leidt uit de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen af dat er bepaalde maandagen werden gepland waarop [verdachte] en [medeverdachte 1] dienst zouden doen bij DHL, met als doel een mogelijke zending met cocaïne door te laten, en dat daarvoor betalingen werden verstrekt en ontvangen. De rechtbank wijst daarbij op de communicatie tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] over het plannen van diensten op bepaalde dagen en de communicatie tussen [medeverdachte 1] enerzijds en [G] of [D 1] anderzijds over de inroostering. De rechtbank wijst met betrekking tot het doen van betalingen met name op het OVC-gesprek op 2 september 2015 tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] waarin [verdachte] onder meer tegen [medeverdachte 1] zegt: “ze betalen allemaal, als de datum, betalen ze standaard (500) vijfhonderd per maandag, dinsdag van te voeren, voor de maandag”, het OVC-gesprek op 13 september 2015 waarin [medeverdachte 2] tegen [verdachte] onder meer zegt: “dus je krijgt honderd (100) procent volgende week euh.. dinsdag, zal woensdag worden voor jullie dan, heb ze euh.. dus jij krijgt het dinsdag, dus zij krijgt het woensdag. Heb je honderd (100) procent aanbetalingen”, het OVC-gesprek op 23 september 2015 tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] , tijdens welk gesprek geld wordt overhandigd aan [verdachte] en het OVC-gesprek op 5 oktober 2015 tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] waarin onder meer wordt gesproken over een ‘borg’. Dat [verdachte] ook voorafgaand aan september 2015 werd omgekocht door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] leidt de rechtbank af uit de bewijsmiddelen met betrekking tot de communicatie gevoerd in mei en juni 2015 tussen [J] en [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] en [verdachte] en [medeverdachte 2] over ‘voetbal’, ‘tenues’ en ‘toernooi’. Naar het oordeel van de rechtbank gaan die gesprekken niet daadwerkelijk over genoemde onderwerpen, maar over (mogelijke) zendingen met verdovende middelen. [verdachte] heeft immers bij de Kmar verklaard dat er alleen aan het einde van het seizoen een paar toernooitjes werden gespeeld met zijn voetbalteam en dat deze altijd in het weekend plaatsvonden. De verbalisant heeft daarnaast opgemerkt dat uit het onderzoek naar telecommunicatie niet is gebleken dat op 18 juni 2015 daadwerkelijk wordt geprobeerd een team bij elkaar te krijgen. Daar komt bij dat [medeverdachte 1] op verzoek van [verdachte] een dienst regelt bij DHL op maandag 22 juni 2015 en dat achteraf in de telefoon van [medeverdachte 2] een foto van Track en Trace gegevens is aangetroffen van een zending uit Chili op 22 juni 2015. Gelet op de hiervoor beschreven manier van werken zoals die blijkt uit de bewijsmiddelen die zien op de periode vanaf september 2015, kan het niet anders zijn dan dat [verdachte] (in ieder geval) ook voor het regelen van de dienst op 22 juni bij DHL is betaald. Dit oordeel wordt versterkt door het OVC-gesprek op 8 september 2015 tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] waarin [verdachte] onder meer zegt: “Drie jaar lang hebben ze alle kansen en in een keer komt alles tegelijk weer en dan kunnen wij niet”. Daaruit, en uit de bewijsmiddelen opgenomen terzake van de tenlastegelegde criminele organisatie, leidt de rechtbank af dat de beschreven werkwijze kennelijk al langer bestond.

Dat [medeverdachte 1] (in ieder geval) vanaf september 2015 voor het plannen van de diensten ook werd betaald door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] leidt de rechtbank met name af uit het hiervoor genoemde OVC-gesprek van 2 september 2015 tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] en het OVC-gesprek van 13 september 2015 waarin [verdachte] tegen [medeverdachte 2] onder meer zegt: “Als zij zegt, ik kan het niet aan.. of ik ga het niet euh.. dit kan ik niet.. dan houdt het hele verhaal op [medeverdachte 2] , ze krijgt, ze krijgt godverdomme net zoveel geld als ik, ze krijgt net zoveel geld als ik, naja.. hè luister euh.. voor echt véél minder werk”.

4.9.

Bewijsoverweging ten aanzien van de criminele organisatie – feit 4

De rechtbank acht bewezen dat [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [verdachte] hebben deelgenomen aan een criminele organisatie zoals ten laste gelegd. Zij baseert dit op de bewijsmiddelen die zien op het bewezenverklaarde met betrekking tot de zaaksdossiers B03, B04, B05, steeds waar, en voor zover, zij blijkens hun inhoud betrekking hebben op de bewezenverklaring ter zake van de criminele organisatie, en voorts – voor zover niet reeds hieronder weergegeven – op de bewijsmiddelen opgenomen ten aanzien van B06. De daarin opgenomen stukken die zien op de DHL-zendingen uit oktober en november 2011, juni 2014, december 2014 en juni 2015, dienen ter ondersteuning van de werkwijze en bestendigheid van de organisatie en zien derhalve niet op de deelname van verdachten aan de organisatie.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat een kortere periode dan ten laste gelegd, bewezen is. Hieronder zal de rechtbank overwegingen wijden aan de verschillende aspecten van (de deelname aan) de criminele organisatie.

Voor de werkwijze en taakverdeling tussen de verdachten verwijst de rechtbank naar de hiervoor opgenomen algemene bewijsoverweging. De samenwerking was structureel, duurzaam en intensief.

Tijdens het OVC-gesprek van 9 oktober 2015 praten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] kennelijk over een route vanuit Suriname waarvan bleek dat deze niet geschikt is. [medeverdachte 3] merkt op dat dat niet erg is want “we hebben toch genoeg dingen”. Ze hebben het erover hoeveel ze volgende week gaan doen en met wie en wat er precies was afgesproken. [medeverdachte 3] weet niet meer wat hij heeft afgesproken, hij weet af en toe door de bomen het bos niet meer.

Onderdeel van de werkwijze, die ook de continuïteit daarvan tonen, waren bepaalde betalingsafspraken, bijvoorbeeld het betalen van borg en het tegen betaling reserveren van een smokkelgelegenheid op een maandag.

Tijdens het OVC-gesprek van 2 september 2015 bij [horecagelegenheid] legt [verdachte] aan [medeverdachte 1] uit hoe de werkwijze voortaan is: “ze betalen allemaal, als de datum, betalen ze standaard (500) vijfhonderd per maandag, dinsdag van te voren,(..) of er nu wel of niks gebeurt”.

Ten aanzien van het OVC-gesprek van 2 augustus 2015 tussen [E] en [medeverdachte 2] tekent de verbalisant het volgende op: “En de mensen die zetten zijn de borg niet kwijt als de zending lukt, want dan wordt dat geld verrekend. Als je een serieuze speler bent, leg je die 3, of 5 of 10 gewoon neer. (..) wil je de borg niet betalen, (..) dan ben je niet serieus. Maar het lukt alleen als je genoeg geld hebt, want je moet hier betalen en aan de overkant ook. Je moet geld hebben en contacten.”

Tijdens het OVC-gesprek 28 augustus 2015 [medeverdachte 2] vertelt [medeverdachte 3] over zijn gesprek met een partij over de kosten van de smokkel. “Eerste keer is, je moet er eigenlijk tien (10) voor jezelf op doen dus dat wil je eh, normaal met je kosten eh .. Ik zeg want het kost eh, minimaal 10 kilo. Ik zeg, maar je mag van mij zes kilo doen, ik zeg, maar wij moeten 70 ruggen hebben.”

Men onderzocht verschillende smokkelmethodes. Zo informeert [medeverdachte 2] bij [verdachte] naar de mogelijkheden en risico’s van de uitvoer van kleinere hoeveelheden cocaïne per brief. [verdachte] zegt daarover:

OVC-gesprek van 13 september 2015: “weet je wat het mooie is aan brieven? Dat wij overal werken met briefgeheim (..) .. die nemen wij dan gewoon mee voor openen rc.”

Een bestaande methode werd verfijnd door afstand te doen van het versturen van de cocaïne in vaste blokken maar alleen nog maar vermengd met een andere stof.

Tijdens het OVC-gesprek van 11 oktober 2015, zegt [verdachte] tegen [medeverdachte 2] : “je beste kans is het vermengde en het mooie is ook [medeverdachte 2] als die aantallen niet te groot zijn he, weet je je moet natuurlijk zien op het moment dat je golftassen hebt met 20 kilo kant en klaar, als het gepakt wordt ergens onderweg, kan het zomaar een heel onderzoek opleveren.”

Tijdens het OVC-gesprek van 2 februari 2015, zegt [verdachte] tegen [medeverdachte 2] : “het kan ook zo zijn dat ze het scannen het pakket, een veiligheidsscan en dat ze het zien zitten. (..) ze denken allemaal euh het zit mooi zo, maar een blok zie je altijd zitten [medeverdachte 2] , hoe je het ook verstopt, een blok zie je altijd zitten op de scan. Kijk, dus als hun met die golftassen 20 doen als het ergens ook maar een klein scannetje krijgt, ben je het gewoon kwijt.”

Behaalde winsten leidden tot een zeker financieel verwachtingspatroon.

Tijdens een OVC-gesprek op 23 augustus 2015 spreken [medeverdachte 2] en een nn-man als volgt: “nnm: Nee omdat je altijd meer wilt.

[medeverdachte 2] : nee maar je vergist je als je geld hebt, het gaat er ook snel door heen

nnm: ja je gaat er naar leven, dat klopt ook

[medeverdachte 2] : ik zie het aan me zelf ik heb echt de laatste jaren zoveel

geld binnen gehaald en bijna alles is op. Dan haal ik het

wel weer binnen hoor, het komt wel weer binnen.”

Verder was voor het functioneren van de organisatie essentieel dat ieder zijn rol vervulde. Als dat niet gebeurde kon dat grote consequenties hebben.

Tijdens een OVC-gesprek op 13 september 2015 bespreken [medeverdachte 2] en [verdachte] dat [medeverdachte 1] de 28e moet regelen, dan zijn [D 2] en Harry er niet, degenen die het momenteel regelen. En dat als zij het niet kan, dat dan alles ophoudt. Ook benadrukt [medeverdachte 2] de risico’s die hij loopt als hij tegen die gasten zegt dat het wel kan en achteraf kan het weer niet.

[medeverdachte 2] : “Ik durf je nu al 100% te zeggen op het moment dat die gasten 10 of 20 kilo verliezen, hè, heb ik echt een probleem. (..)

..want dit zijn allemaal hele grote groeperingen hè. (..) Ik werk niet met Pietje op de hoek.”

Deze laatste omstandigheden: het ontstane financiële verwachtings- en uitgavepatroon, het belang dat iemand zijn rol vervulde (en bleef vervullen) en de mogelijke gevolgen wanneer iemand dat niet goed zou doen, hadden – naar aangenomen mag worden – tot effect dat de activiteiten gemakkelijker doorgingen en bevorderden dat de organisatie in stand bleef.

Voorts was sprake van een zeker opsporingsbewustzijn. Men was zich kennelijk bewust van de risico’s van afluisteren door de politie en van door henzelf achtergelaten digitale sporen.

Men vermeed het overbrengen van belastende informatie via de telefoon. [medeverdachte 2] ontmoette zijn medeverdachten vaak persoonlijk. Als er toch over verboden zaken werd gesproken, gebeurde dit met versluierd taalgebruik of nam men andere maatregelen.

Zoals hiervoor overwogen ten aanzien van de omkoping is er berichtenverkeer op 18 en 26 mei 2015, 16 en 18 juni 2015, over voetbal, toernooien en tenues, terwijl niet is gebleken dat er ook gevoetbald werd.

Zoals blijkt uit de bewijsmiddelen ten aanzien van B06 praten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , over het verwijderen van de batterij uit de telefoon, het weggooien van telefoons en over het van hot naar her rijden.

Verder gebruikte [medeverdachte 2] voor het raadplegen van het Track & Trace systeem van DHL niet een aan hem te koppelen computer, maar gebruikte hij daarvoor een openbaar toegankelijk computer in een verzorgingstehuis.

De DHL-zendingen uit november 2011, juni 2014, december 2014

De rechtbank gaat er van uit dat deze zendingen te maken hebben met de invoer van cocaïne op soortgelijke wijze als hier bewezenverklaard. Uit deze eerdere zendingen blijkt dat de organisatie al langere tijd bestond. Genoemde zendingen kwamen via DHL uit een Zuid-Amerikaans land en kwamen op Schiphol binnen, meestal op een maandag. Het gebruikte adres was steeds van een persoon die in relatie stond met [medeverdachte 5] , met uitzondering van de adressering van zending Dox. Steeds was sprake van het raadplegen door [medeverdachte 2] van het verloop van de zending via de Track & Trace service van DHL.

4.10.

Verzuim

De rechtbank wijst er overigens op dat enkele What’s app berichten tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] over het mede inplannen van collega [R] op 28 september 2015 niet in het strafdossier waren opgenomen. Dit bleek pas uit het op verzoek van de raadsman van [medeverdachte 1] bij het strafdossier gevoegde volledige What’s app verkeer tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] . Nu het gebrek daarmee was hersteld, zal de rechtbank hier geen verdere gevolgen aan verbinden, een dergelijk verzuim mag echter niet onvermeld blijven.

4.11.

Bewijsmiddelen

De door de rechtbank in de bijlage bij dit vonnis als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen. De in de bijlage genoemde schriftelijke stukken worden slechts gebruikt in samenhang met de overige bewijsmiddelen. De bewijsmiddelen zijn, ook in onderdelen, telkens slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

4.12.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 subsidiair, 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

Feit 1 – zaaksdossier B03:

Subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 01 september 2015 tot en met 30 september 2015 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en te Amsterdam en te Venezuela,

tezamen en in vereniging met ander(en),

om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en afleveren van een hoeveelheid van ongeveer 3 kilogram cocaïne, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- ( een) ander(en) heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen en/of mede te plegen en/of om daartoe gelegenheid en/of inlichtingen te verschaffen, en

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen

immers heeft/hebben één of meer van zijn mededader(s) aan een andere mededader gevraagd of deze als ontvanger van een te verzenden DHL zending met cocaïne wil optreden

en

heeft één van zijn mededaders het adres [adres 1] Amsterdam aan één of meer van zijn (andere) mededader(s), opgegeven als afleveradres voor een zending

en

heeft/hebben één of meer van zijn mededader(s) in Venezuela, een hoeveelheid cocaïne, verpakt en/of verborgen in een pakket met boeken

en

heeft/hebben hij, verdachte, en zijn collega-douaneambtenaar [medeverdachte 1] vervolgens overeenkomstig een tevoren gemaakte afspraak geregeld dat deze zelf op 28 september 2015 in de vestiging van DHL op Schiphol-Oost dienst als douaneambtenaren konden verrichten

en

heeft/hebben hij, verdachte, en zijn collega-douaneambtenaar [medeverdachte 1] vervolgens overeenkomstig een tevoren gemaakte afspraak op 28 september 2015 in de vestiging van DHL op Schiphol-Oost gereed gestaan om, in het geval voornoemd pakket door de Douane/Belastingdienst was geselecteerd voor een douanecontrole, voornoemd pakket niet te

onderwerpen aan een deugdelijke douanecontrole en/of niet in beslag te nemen,

en

heeft één van zijn mededaders bij het adres [adres 1] te Amsterdam gewacht op aflevering van voornoemd pakket door DHL en aldaar voornoemd pakket in ontvangst genomen

en

heeft verdachte, en één van zijn mededaders besprekingen gevoerd en informatie uitgewisseld over één of meer van de hierboven omschreven handelingen;

Feit 2 – zaaksdossier B04:

Primair

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2015 tot en met 19 oktober 2015 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en Amsterdam en te Chili, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer 8 kilogram cocaïne,

immers heeft één van zijn mededaders aan een ander gevraagd of deze als ontvanger en geadresseerde van een te verzenden DHL zending met cocaïne wil optreden

en

heeft één van zijn mededaders het adres [adres 2] te Amsterdam aan één of meer van zijn andere mededaders opgegeven als afleveradres voor een zending

en

hebben hij en zijn collega-douaneambtenaar [medeverdachte 1] overeenkomstig een tevoren gemaakte afspraak geregeld dat deze zelf op 19 oktober 2015 in de vestiging van DHL op Schiphol-Oost dienst als douaneambtenaren konden verrichten

en

heeft/hebben één of meer van zijn mededaders in Chili, voornoemde hoeveelheid cocaïne, vermengd met olijfolie en vervolgens dozen met flessen met deze olijfolie en cocaïne op 15 oktober 2015 bij DHL in Chili aangeboden ter verzending aan voornoemd adres [adres 2] te Amsterdam,

en

heeft één van zijn mededaders aan de hand van een traceernummer van deze zending op de website van DHL meermalen de statusberichten en/of verblijfplaats van deze zending geraadpleegd;

Feit 3 – zaaksdossier B 05:

hij in de periode van 15 april 2015 tot en met 4 november 2015 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en te Purmerend, als douaneambtenaar, tezamen en in vereniging met anderen, giften van [medeverdachte 2] en/of een of meer anderen, te weten:

- één of meer contante geldbedragen,

heeft aangenomen,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader wist(en) dat deze/die gift(en) hem/hen werd(en) gedaan,

ten gevolge van of naar aanleiding van hetgeen door hem/hen in zijn/hun bediening als douaneambtenaar is gedaan of nagelaten (lid 1 sub 2),

en

teneinde hem/hen te bewegen om in zijn/hun bediening als douaneambtenaar iets te doen of na te laten (lid 1 sub 1),

bestaande dit doen of nalaten uit:

- het regelen van inroosteringen op controlediensten bij DHL op Schiphol-Oost op de dagen dat aldaar (een) (bepaalde) (pakket)zending(en) met cocaïne, voor (een) douanecontrole(s) geselecteerd zou(den) kunnen worden en/of onderworpen zou(den) kunnen worden)

en/of

- het achterwege laten van (een) (deugdelijke) douanecontrole(s) op en/of het achterwege laten van (een) inbeslagneming(en) van (pakket)zending(en), waarvan hij en/of zijn mededader wist(en) dat daarin (een) hoeveelhe(i)d(en) cocaïne, was/waren.

Feit 4 – zaaksdossier B 06:

hij in de periode van 15 april 2015 tot en met 10 november 2015 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en te Purmerend en/of elders in Nederland

heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in

- artikel 10, derde en/of vierde en/of vijfde lid van de Opiumwet en/of

- artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder de onder 1 subsidiair, 2 primair, 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

De raadsman heeft betoogd dat voor de tenlastegelegde uitvoeringshandelingen in de feiten 1 en 2, bij bewezenverklaring, sprake is van eendaadse samenloop met de tenlastegelegde overtreding van artikel 363 Sr. Dit zou inhouden dat voor feit 3 geen separate bestraffing mogelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat ‒ nu de rechtbank de ten laste gelegde handelingen die zien op (aan)betalingen in de feiten 1 en 2 niet bewezen zal verklaren ‒ reeds om die reden geen sprake is van eendaadse samenloop zoals door de raadsman is betoogd. Voor verdere bespreking van dit verweer bestaat dan ook geen noodzaak.

Het bewezenverklaarde levert op:

1. subsidiair: medeplegen van het voorbereiden van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, door een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen en/of mede te plegen en/of om daartoe gelegenheid of inlichtingen te verschaffen en door zich of een ander gelegenheid en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;

2 primair: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod;

3. als ambtenaar een gift aannemen, wetende dat deze hem gedaan wordt ten gevolge van of naar aanleiding van hetgeen door hem in zijn bediening als douaneambtenaar is gedaan of nagelaten

en

als ambtenaar een gift aannemen, wetende dat deze hem gedaan wordt teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten;

4. het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde en/of vierde en/of vijfde lid van de Opiumwet.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7 Motivering van de sancties

7.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht (8) jaren met aftrek van het voorarrest. Voorts heeft de officier van justitie de verbeurdverklaring gevorderd van de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, vermeld op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, behalve de biljetten van 20 en 5 dollar. Deze kunnen terug naar verdachte.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit – indien de rechtbank tot enige bewezenverklaring komt – aan verdachte een veel lagere gevangenisstraf op te leggen dan geëist. In ieder geval dient de schending ex artikel 8 EVRM juncto artikel 10 Grondwet als gevolg van het onrechtmatig geachte afluisteren van (telefoon)gesprekken gevolgen te hebben voor de strafmaat. Daarnaast wijst de raadsman op de beperkte rol die verdachte had, hij feitelijk als douanier niets heeft doorgelaten en dat sprake is van een korte pleegperiode. Tot slot benoemt de raadsman het blanco strafblad van verdachte en het feit dat deze strafzaak al grote gevolgen heeft gehad voor verdachte. Hij is immers oneervol ontslagen bij de douane.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en het door de Reclassering Nederland uitgebracht rapport van 29 februari 2016 is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

[verdachte] heeft zich in de periode van 1 september 2015 tot en met 19 oktober 2015 in georganiseerd verband schuldig gemaakt aan de invoer van 8 kilo cocaïne in olijfolie vanuit Chili naar Nederland en aan voorbereidingshandelingen gericht op de invoer van ongeveer 3 kilo cocaïne via DHL in Nederland. De voorbereidingshandelingen zagen op invoer van cocaïne in een pakket met boeken vanuit Venezuela. Daarnaast heeft [verdachte] in de periode van 15 april 2015 tot en met 10 november 2015 deel uitgemaakt van de criminele organisatie die zich bezig hield met invoer van cocaïne via DHL in Nederland en met voorbereidingshandelingen daartoe. [verdachte] had binnen de organisatie een cruciale rol. Hij werkte bij de Douane Cargo Schiphol, afdeling Post & Koeriers en was verantwoordelijk voor de douaneafhandeling van internationale post, bestaande uit brieven en pakketten. Dat bood hem de gelegenheid pakketten door te laten. Hij roosterde zich met behulp van medeverdachte [medeverdachte 1] in op de maandagen bij DHL; de dag die door de criminele organisatie werd vastgesteld voor drugsinvoer. Hij kreeg betaald als hij zich beschikbaar hield, om welke reden [verdachte] ook is veroordeeld voor ambtelijke omkoping.

De rechtbank acht de gepleegde feiten ernstig. Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door de gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. Aan opzettelijke invoer van cocaïne zijn hoge wettelijke strafmaxima verbonden ter voorkoming van het ontstaan van een grootschalige binnenlandse markt. Ook handelingen gericht op de voorbereiding van invoer van cocaïne worden met aanzienlijke straffen bedreigd.

De rechtbank neemt [verdachte] daarbij zeer kwalijk dat hij in zijn hoedanigheid van douanebeambte deel heeft genomen aan de criminele organisatie en zich heeft laten lenen voor het via zijn werklocatie DHL doorlaten van cocaïne. [verdachte] heeft, louter om er zelf financieel beter van te worden, bijgedragen aan de internationale drugshandel, terwijl hij als douaneambtenaar juist tot taak had om de samenleving tegen de invoer van ‒onder andere ‒ drugs te beschermen. Door zich hiervoor te laten omkopen heeft hij de douane als overheidsinstituut in diskrediet gebracht en het vertrouwen dat de burger in de douane moet kunnen stellen, aangetast. Dit treft ook de niet corrupte, integere collega’s van [verdachte] . De rechtbank betrekt in de ernst van de handelwijze van [verdachte] ook dat hij zijn collega [medeverdachte 1] aanstuurde. Op zijn initiatief zorgde [medeverdachte 1] ervoor dat zij beiden in werden geroosterd op bepaalde maandagen bij DHL.

Het deelnemen aan een criminele organisatie is een delict dat de openbare orde raakt. De strafwaardigheid van deelneming aan een criminele organisatie wordt niet alleen bepaald door de organisatiegraad en het ontwrichtende karakter daarvan voor de openbare orde, maar ook door de aard van de misdrijven die worden beoogd. De invoer van cocaïne en voorbereidingshandelingen daartoe over een langere periode worden als ernstige misdrijvengezien. De rechtbank zal echter de omstandigheid dat [verdachte] zelfstandig wordt verweten lid te zijn geweest van een criminele organisatie als bedoeld in artikel 11b van de Opiumwet, slechts in beperkte mate strafverhogend laten doorwerken bij het bepalen van de strafmaat. Dit omdat de bewezenverklaarde invoer van cocaïne en de voorbereidingshandelingen daartoe ook zien op het plegen daarvan in een georganiseerd verband.

[verdachte] heeft ervoor gekozen te zwijgen tijdens het politieonderzoek en om bij de inhoudelijke behandeling van zijn strafzaak eveneens te zwijgen. Hij heeft geen daadwerkelijke verantwoording afgelegd of blijk gegeven van enig besef van de strafwaardigheid van zijn gedrag.

Al het voorgaande maakt dat de rechtbank in beginsel een gevangenisstraf van langere duur aangewezen acht.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

-het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 18 april 2017 waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor overtreding van de Opiumwet is veroordeeld;

-het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 29 februari 2016 van [opsteller] , als reclasseringswerkster verbonden aan Reclassering Nederland, waarin geen strafadvies kan worden gegeven omdat [verdachte] zich op zijn zwijgrecht beroept. Indien hij schuldig wordt bevonden wordt geadviseerd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Nu de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie (vrijspraak van feit 1 primair en vrijspraak van feit 5 en feit 6) zal een lagere straf worden opgelegd dan geëist door de officier van justitie.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 7 jaar, met aftrek van voorarrest, opgelegd dient te worden.

7.4.

Bijkomende straf

De rechtbank is van oordeel dat de navolgende onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, bestaande uit een geldbedrag van in totaal € 4.400,-, welk geldbedrag bestaat uit:

- 4 bankbiljetten van € 500,-;

- 48 bankbiljetten van € 50,-,

dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat

de voorwerpen aan verdachte toebehoren en die voorwerpen geheel of grotendeels door middel van het strafbare feit zijn verkregen. De rechtbank acht immers bewezen dat [verdachte] zich met de invoer van cocaïne heeft beziggehouden. Daarmee is in de regel bezit van contant geld gemoeid.

8. Overige beslissingen omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten een bankbiljet van 20 dollar en een bankbiljet van 5 dollar, dienen te worden teruggegeven aan verdachte.

9 Verzoek om bevel gevangenneming

De officier van justitie heeft verzocht om bij uitspraak de gevangenneming te bevelen van [verdachte] .

[verdachte] is op 10 november 2015 aangehouden en in verzekering gesteld. Daarna is hij in bewaring gesteld en is de gevangenhouding bevolen. De voorlopige hechtenis is met ingang van 26 oktober 2016 opgeheven.

Bij het beantwoorden van de vraag of de gevangenneming moet worden bevolen bij einduitspraak hanteert de rechtbank als uitgangspunt dat een persoon in beginsel in vrijheid zijn berechting mag afwachten. Hoewel met dit vonnis berechting is geschied, acht de rechtbank het in de gegeven omstandigheden niet opportuun dat [verdachte] , zolang dit vonnis nog niet onherroepelijk is, opnieuw vast komt te zitten. Het verzoek van de officier van justitie wordt afgewezen

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 33, 33a, 47, 57 en 363 van het Wetboek van Strafrecht;

artikelen 2, 10, 10a en 11b van de Opiumwet.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair, 5 en 6 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 subsidiair, 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.12 weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 subsidiair, 2 primair, 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven (7) jaren;

bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

verklaart verbeurd:

-een geldbedrag van € 4.400,-;

gelast de teruggave aan verdachte van:

-een geldbedrag van $ 25,-;

wijst af de vordering tot gevangenneming.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.C. van den Bos, voorzitter,

mr. I.A.M. Tel en mr. G.A.M. van Dijk, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier D.L. Meyer,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 juli 2017.