Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:5966

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
13-07-2017
Datum publicatie
18-07-2017
Zaaknummer
6023541 OA VERZ 17-54
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Terecht ontslag op staande voet vanwege schending door de werknemer van het geheimhoudingsbeding en het nevenwerkzaamhedenbeding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3763
AR-Updates.nl 2017-0922
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 6023541 \ AO VERZ 17-54

Uitspraakdatum: 13 juli 2017

Beschikking in de zaak van:

de besloten vennootschap GloMar Offshore B.V.,

gevestigd te Den Helder

verzoekende partij

verder te noemen: Glomar

gemachtigde: mr. P.P. van Schaik en Y.M. van der Pol

tegen

[naam verweerder] ,

wonende te [plaats]

verwerende partij

verder te noemen: [verweerder]

gemachtigde: mr. C.N. Schmidt

1 Het procesverloop

1.1.

Glomar heeft een verzoek gedaan om [verweerder] te veroordelen tot betaling van een vergoeding op grond van artikel 7:677 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), met verschillende nevenvorderingen, en een verzoek gedaan om op grond van artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) een voorlopige voorziening te treffen. [verweerder] heeft een verweerschrift ingediend en een tegenverzoek gedaan tot vernietiging van een ontslag op staande voet.

1.2.

Op 22 juni 2017 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten, mede aan de hand van pleitaantekeningen, naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting hebben partijen bij brieven van 15, 19, 20 en 21 juni 2017 nog stukken toegezonden.

2 De feiten

2.1.

Glomar is een offshore-onderneming. De activiteiten van Glomar richten zich op het bemiddelen en aanbieden van een vloot voor offshore-ondersteunende schepen.

2.2.

[verweerder] , geboren [datum] , is op 17 augustus 2015 in dienst getreden bij Glomar. De laatste functie die [verweerder] vervulde, is die van commercieel directeur, met een salaris van € 8.100,00 bruto per maand.

2.3.

In de schriftelijke arbeidsovereenkomst is in artikel 14 een geheimhoudingsbeding opgenomen, dat als volgt luidt:

“Geheimhouding

Artikel 14.

14.1

Zowel tijdens als na beëindiging van de dienstbetrekking bestaat voor werknemer de

verplichting tot volstrekte geheimhouding omtrent alle bedrijfsaangelegenheden van werkgever, en de met haar gelieerde ondernemingen, in de ruimste zin des woords. Deze geheimhouding omvat mede alle gegevens van cliënten en andere relaties van werkgever waarvan werknemer uit hoofde van zijn/haar functie kennis heeft genomen.

14.2

Bij overtreding van bovengenoemd verbod verbeurt werknemer aan werkgever een dadelijk en ineens zonder sommatie of ingebrekestelling opeisbare boete groot € 2.500 onverminderd zijn/haar gehoudenheid tot betaling aan werkgever van een volledige schadevergoeding voor deze kwestie indien deze schade hoger is dan genoemd boetebedrag; overtreding zal voor werkgever een dringende reden vormen tot ontslag op staande voet van werknemer.”

2.4.

In de arbeidsovereenkomst staat ook een nevenwerkzaamhedenbeding:

“Verplichtingen werknemer en nevenwerkzaamheden

Artikel 15.

(...) 15.2 Werknemer verbindt zich gedurende de loop van de arbeidsovereenkomst voor geen andere werkgever of opdrachtgever werkzaam te zullen zijn, noch direct noch indirect, en zich te zullen onthouden van het doen van zaken voor eigen rekening welke de activiteiten van Glomar kunnen schaden. Eventuele neven functies zullen door werknemer en werkgever onderling worden afgestemd, waarbij werkgever akkoord kan geven voor de nevenfuncties.”

Aan het nevenwerkzaamhedenbeding is geen boetebeding verbonden.

2.5.

Met een e-mail van 28 februari 2017 heeft [verweerder] de arbeidsovereenkomst opgezegd met ingang van 1 april 2017.

2.6.

Op 29 maart 2017 heeft Glomar [verweerder] op staande voet ontslagen. In een brief van 29 maart 2017 heeft Glomar daarover het volgende meegedeeld aan [verweerder] :

“2.1 Overtreding nevenwerkzaamhedenbeding

Op basis van onze bevindingen kan worden vastgesteld dat je tijdens jouw dienstverband met Glomar nevenwerkzaamheden hebt verricht voor derden en/of jouw eigen persoonlijke vennootschap. Er kan vastgesteld worden dat:

  1. je zonder onderlinge afstemming en/of het akkoord van Glomar nevenwerkzaamheden hebt verricht voor Mark Marine B.V., in elk geval op 9 januari 2016 door deze vennootschap ten tijde van het dienstverband op te richten;

  2. je zonder onderlinge afstemming en/of het akkoord van Glomar nevenwerkzaamheden hebt verricht door op of rond 23 februari 2016 een concurrent van Glomar (Dutch Marine Contractors) de gelegenheid te bieden een quote te geven voor een Prompt Delivery opdracht in Rugen;

  3. je zonder onderlinge afstemming en/of het akkoord van Glomar nevenwerkzaamheden hebt verricht door op of rond 20 december 2016 een schip van een concurrent aan een potentiële cliënt van Golmar (Seatech) voor het Rentel-project aan te bieden;

  4. je zonder onderlinge afstemming en/of het akkoord van Glomar nevenwerkzaamheden hebt verricht door op 22 november 2016 een deal met twee multicats van [A] probeerde te bewerkstelligen zonder daarbij Glomar te betrekken;

  5. je zonder onderlinge afstemming en/of het akkoord van Glomar nevenwerkzaamheden hebt verricht door op of rond 11 januari 2017 samen met een concurrent (JR Shipping/SeaZip) een deal met betrekking tot fishfarm support en feedvessels op te zetten;

  6. je zonder onderlinge afstemming en/of het akkoord van Glomar nevenwerkzaamheden hebt verricht door op of rond 17 februari 2017 een schip van een concurrent (de Panda) aan een potentiële klant van Glomar, Marine Harvest Scotland LtU. ( [B] ) aan te bieden;

  7. je zonder onderlinge afstemming en/of het akkoord van Glomar nevenwerkzaamheden hebt verricht door op of rond 20 maart 2017 jouw contactgegevens van jouw nieuwe werkgever aan (een) potentiële klant(en) van Glomar te sturen;

  8. je al het voorgaande niet met ons hebt afgestemd, laat staan dat wij daar ex artikel 15 van jouw arbeidsovereenkomst toestemming voor hebben verleend, hetgeen een schending van artikel 15 van jouw arbeidsovereenkomst is.

2.2

Overtreding geheimhoudingsbeding

Verder hebben wij geconstateerd dat je meerdere malen bedrijfsgevoelige en/of -geheime informatie van Glomar hebt gedeeld met concurrenten en/of derden. Er kan worden vastgesteld dat:

9. je op of rond 21 juli 2016 de OPEX van de Wave hebt gedeeld met een concurrent (JR Shipping/SeaZip). Dit betreft vertrouwelijke informatie die onder het geheimhoudingsbeding valt;

10. je op of rond 9 november 2016 de marges in de markt van Glomar hebt gedeeld met een concurrent (JR Shipping/SeaZip). Dit betreft vertrouwelijke informatie die onder het geheimhoudingsbeding valt;

11. je op of rond 9 november 2016 de rate van de Damen-boot met betrekking tot een Vestas tender hebt gedeeld met de concurrent (JR Shipping/SeaZip). Dit betreft vertrouwelijke informatie die onder het geheimhoudingsbeding valt;

12. je op of rond 9 november 2016 de aard van de bemanning van de Damen-boot met betrekking tot een Vestas-tender hebt gedeeld met een concurrent (JR Shipping/ SeaZip). Dit betreft vertrouwelijke informatie die onder het geheimhoudingsbeding valt;

13. je op of rond 9 november 2016 de OPEX van de Damen-boot met betrekking tot een Vestas tender hebt gedeeld met de concurrent (JR Shipping/SeaZip). Dit betreft vertrouwelijke informatie die onder het geheimhoudingsbeding valt;

14. je op of rond 15 november 2016 informatie over 5 tenders die in Qatar op de markt zullen komen hebt gedeeld met een concurrent (JR Shipping/SeaZip). Dit betreft vertrouwelijke informatie die onder het geheimhoudingsbeding valt;

15. je op of rond 6 februari 2017 met klant van Glomar (Jifmar) contact hebt gehad over de commerciële support van hun schepen in Nederland en deze informatie vervolgens hebt gedeeld een concurrent (JR Shipping /SeaZip). Dit betreft vertrouwelijke informatie die onder het geheimhoudingsbeding valt;

16. je op of rond 13 februari 2017 de gegevens van [C] hebt gedeeld met de concurrent (JR Shipping/SeaZip). Dit betreft vertrouwelijke informatie die onder het geheimhoudingsbeding valt;

17. je op of rond 13 februari 2017 de gegevens van [D] hebt gedeeld met de concurrent (JR Shipping/SeaZip). Dit betreft vertrouwelijke informatie die onder het geheimhoudingsbeding valt;

18. je op of rond 15 november 2016 het feit dat Fugro een klant is van Glomar hebt gedeeld met de concurrent (Dutch Marine Contractors). Dit betreft vertrouwelijke informatie die onder het geheimhoudingsbeding valt;

19. het voorgaande een overtreding van het geheimhoudingsbeding is, hetgeen ex artikel 14.2 wordt gesanctioneerd met een ontslag op staande voet.

2.3

Geen openheid van zaken

20. Tot besluit hebben wij geconstateerd dat je geen openheid van zaken over het voorgaande wilde geven. Belangrijke feiten heb je verzwegen.

Wij hebben het voorgaande gewogen en zijn van mening dat alle hiervoor genoemde feiten ieder voor zich en tevens in onderlinge samenhang, reden(en) zijn voor een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens dringende redenen (‘ontslag op staande voet’). Geconcludeerd moet worden dat je op grovelijke wijze de uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende verplichtingen als goed werknemer hebt veronachtzaamd en/of dat jij je schuldig hebt gemaakt aan schending van de binnen Glomar geldende voorschriften. Door jouw handelwijze hebben wij alle vertrouwen in jou als werknemer verloren. Wij zijn dan ook van mening dat het van Glomar redelijkerwijs niet gevergd kan worden jouw arbeidsovereenkomst te laten voortduren. In de overwegingen die tot ons besluit hebben geleid, zijn alle omstandigheden, waaronder jouw verklaring voor jouw handelwijze en jouw persoonlijke omstandigheden, voor zover bekend, meegenomen.”

2.7.

[verweerder] is op 2 april 2017 in dienst getreden bij J.R. Shipping/SeaZip B.V. (hierna: J.R. Shipping), in de functie van commercieel directeur, voor onbepaalde tijd en tegen een salaris van € 7.500,00 bruto per maand. De activiteiten van J.R. Shipping richten zich evenals die van Glomar op het bemiddelen en aanbieden van een vloot voor offshore-ondersteunende schepen.

3 Het verzoek

3.1.

Glomar verzoekt de kantonrechter [verweerder] te veroordelen tot betaling van de vergoeding als bedoeld in artikel 7:677 lid 2 BW, ter hoogte van € 9.594,58 bruto, en tot betaling van onverschuldigd betaald salaris ter hoogte van € 846,58 bruto. Aan dit verzoek legt Glomar ten grondslag – kort weergegeven – dat [verweerder] op 29 maart 2017 terecht op staande voet is ontslagen, zodat hij de genoemde vergoeding verschuldigd is en het al betaalde salaris over de periode van 29 maart 2017 tot 1 april 2017 moet terugbetalen.

3.2.

Verder verzoekt Glomar voor recht te verklaren dat [verweerder] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld, op de grond dat [verweerder] volgens Glomar stelselmatig het tussen partijen overeengekomen geheimhoudingsbeding en nevenwerkzaamhedenbeding heeft overtreden, [verweerder] klanten heeft bewogen om geen diensten meer van Glomar af te nemen en [verweerder] nagenoeg alle vertrouwelijke bedrijfsgegevens van Glomar heeft gekopieerd en op een externe server heeft gezet.

3.3.

Glomar vordert daarnaast dat [verweerder] wordt veroordeeld tot betaling van een boete van € 245.000,00, waarbij Glomar stelt dat [verweerder] 98 keer het geheimhoudingsbeding heeft overtreden en dat hij op grond van artikel 14 lid 2 van de arbeidsovereenkomst per overtreding telkens een boete van € 2.500,00 verbeurt. Wegens schending van het nevenwerkzaamhedenbeding vordert Glomar ook € 2.668,00 aan te veel betaald salaris terug van [verweerder] .

3.4.

Ook vordert Glomar dat [verweerder] wordt veroordeeld tot betaling van € 100,00 per kalenderdag vanaf 1 november 2016 vanwege misgelopen opbrengsten van het zogenoemde

Bitunamelcontract, tot betaling van de kosten van een door Glomar ingeschakelde ICT-deskundige tot een bedrag van € 2.500,00, en tot het (laten) verwijderen door een accountant van alle bedrijfsinformatie van Glomar op een zogeheten TransIP Stack.

3.5.

Tot slot wordt gevorderd dat het [verweerder] voor de duur van zes maanden na 1 april 2017 verboden wordt om op enigerlei wijze, direct of indirect, activiteiten te ontplooien die gelijk, gelijksoortig of verwant zijn aan de activiteiten van Glomar.

4 Het verweer en het tegenverzoek

4.1.

[verweerder] heeft verweer gevoerd tegen het verzoek en de vorderingen van Glomar.

4.2.

Wat betreft het ontslag op staande voet stelt [verweerder] dat dit niet rechtsgeldig is, omdat hij het geheimhoudings- en nevenwerkzaamhedenbeding niet heeft geschonden en er dus geen sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet. Verder voert [verweerder] aan dat het ontslag ook niet onverwijld is gegeven.

4.3.

[verweerder] betwist dat hij onrechtmatig heeft gehandeld, waarbij hij ook in dit kader het standpunt inneemt dat hij het overeengekomen geheimhoudings- en nevenwerkzaamhedenbeding (nagenoeg) niet heeft overtreden. [verweerder] heeft wel erkend dat hij regelmatig bedrijfsinformatie van Glomar heeft uitgewisseld en gedeeld met derden, met name andere bedrijven, maar volgens [verweerder] moet dit worden bezien in de “maritieme context” waarin Glomar actief is. [verweerder] heeft toegelicht dat het in de offshore-industrie gebruikelijk is dat verschillende bedrijven met elkaar samenwerken in geval van een opdracht van een klant, waarbij bijvoorbeeld meerdere vaartuigen moeten worden ingezet, en dat die bedrijven in verband met een dergelijke samenwerking bedrijfsgegevens met elkaar uitwisselen en delen. Volgens [verweerder] is in de offshore-industrie dan ook eerder sprake van handelspartners dan van concurrenten, en worden opdrachten, aanbestedingen (zogenoemde ‘tenders’) en informatie daarover aan elkaar doorgespeeld en gegund. [verweerder] stelt dat Glomar hiermee ook bekend was en instemde met de wijze waarop hij zijn werkzaamheden verrichtte.

4.4.

Daarnaast stelt [verweerder] dat het geheimhoudingsbeding onduidelijk is en te ruim geformuleerd, en dat het nietig is omdat het beding zowel het vorderen van boetes als schadevergoeding mogelijk maakt.

4.5.

Voor zover nodig verzoekt [verweerder] om matiging van de gevorderde boete, omdat veroordeling tot betaling van een boete van € 245.000,00 tot onaanvaardbare gevolgen leidt, waaronder zijn faillissement. In dat kader merkt [verweerder] ook op dat niet is gebleken dat Glomar enige schade heeft geleden.

4.6.

Wat betreft de gestelde schending van het nevenwerkzaamhedenbeding neemt [verweerder] het standpunt in dat zijn nevenwerkzaamheden, voor zover daarvan al sprake was, plaatsvonden met medeweten, op instructie en met instemming van Glomar.

4.7.

[verweerder] betwist dat hij schade zou moeten vergoeden vanwege door Glomar misgelopen opbrengsten van het zogenoemde Bitunamelcontract, onder andere omdat niet is gebleken van misgelopen opbrengsten. Ook stelt [verweerder] dat er geen grond is om hem te veroordelen tot betaling van de kosten van een ICT-deskundige.

4.8.

[verweerder] is bereid om mee te werken aan het (laten) verwijderen van alle bedrijfsinformatie van Glomar op een zogeheten TransIP Stack, maar hij vindt dat hij niet de kosten daarvoor hoeft te dragen.

4.9.

[verweerder] betoogt dat de vordering van Glomar om hem te verbieden voor de duur van zes maanden na 1 april 2017 op enigerlei wijze activiteiten te ontplooien die gelijk zijn aan de activiteiten van Glomar, moet worden afgewezen, omdat geen concurrentie- en relatiebeding is overeengekomen.

4.10.

Bij wijze van tegenverzoek heeft [verweerder] verzocht om het ontslag op staande voet te vernietigen en voor recht te verklaren dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen op rechtsgeldige wijze is geëindigd per 1 april 2017, subsidiair om voor recht te verklaren dat [verweerder] geen schadevergoeding verschuldigd is aan Glomar. Glomar heeft verweer gevoerd tegen de tegenvordering en daarbij onder meer gesteld dat het verzoek van [verweerder] om vernietiging van het ontslag op staande voet niet-ontvankelijk is vanwege overschrijding van de vervaltermijn van artikel 7:686a lid 4 BW.

5 De beoordeling

5.1.

De kantonrechter overweegt dat alle verzoeken en vorderingen van partijen in deze verzoekschriftprocedure kunnen worden behandeld. Het verzoek van Glomar om toekenning van een vergoeding op grond van artikel 7:677 lid 2 BW heeft betrekking op het einde van de arbeidsovereenkomst en alle overige verzoeken kunnen worden aangemerkt als daarmee verband houdende andere vorderingen, zoals bedoeld in artikel 7:686a lid 3 BW. Het verzoek en het tegenverzoek lenen zich overigens voor een gezamenlijke behandeling.

het (tegen)verzoek om vernietiging van het ontslag op staande voet

5.2.

Het (tegen)verzoek van [verweerder] om het ontslag op staande voet te vernietigen moet gelet op artikel 7:686a lid 4, onder a en 20, BW niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat dit verzoek is ingediend na afloop van de vervaltermijn van twee maanden. Immers, de arbeidsovereenkomst is geëindigd op 29 maart 2017 door het ontslag op staande voet en het verzoek van [verweerder] is meer dan twee maanden daarna ingediend, te weten op 16 juni 2017.

5.3.

[verweerder] meent dat in dit geval moet worden voorbijgegaan aan de vervaltermijn, omdat hij de aard en de omvang van het verzoek van Glomar niet kon voorzien en het ontslag op staande voet onaanvaardbare gevolgen voor hem heeft. Onder omstandigheden kan een beroep op of toepassing van de vervaltermijn van artikel 7:686a lid 4 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn, zoals bedoeld in artikel 6:248 lid 2 BW. De rechter moet echter terughoudend zijn bij de beoordeling van een beroep op de redelijkheid en billijkheid, temeer als het gaat om een regel van dwingend recht, zoals in dit geval (zie: HR 22 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5695, NJ 2012/396 (ABN AMRO/Van Streepen)). Dat het ontslag onaanvaardbare gevolgen heeft voor [verweerder] kan op zichzelf niet leiden tot de conclusie dat het beroep op de vervaltermijn door Glomar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Verder is op de zitting gebleken dat [verweerder] al vóór het verstrijken van de vervaltermijn werd bijgestaan door zijn advocaat en dat er bewust voor is gekozen geen verzoek in te dienen tot vernietiging van het ontslag op staande voet. Die keuze komt voor rekening en risico van [verweerder] en staat in de weg aan een beroep op artikel 6:248 lid 2 BW. Datzelfde geldt voor de omstandigheid dat [verweerder] de aard en omvang van het verzoek van Glomar niet heeft voorzien.

5.4.

Het nadere en subsidiaire (tegen)verzoek van [verweerder] om voor recht te verklaren dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen op rechtsgeldige wijze is geëindigd per 1 april 2017 dan wel dat [verweerder] geen schadevergoeding verschuldigd is aan Glomar, wordt niet verhinderd door een vervaltermijn. Eerdergenoemde vervaltermijn heeft alleen betrekking op de bevoegdheid om een verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet in te dienen. Het nadere en subsidiaire (tegen)verzoek van [verweerder] moet echter worden afgewezen, zoals volgt uit hetgeen hierna wordt overwogen.

het verzoek om toekenning van een vergoeding op grond van artikel 7:677 lid 2 BW

5.5.

Het verzoek van Glomar om [verweerder] te veroordelen tot betaling van de vergoeding als bedoeld in 7:677 lid 2 BW, wordt toegewezen. Daarover wordt het volgende overwogen.

5.6.

Op grond van artikel 7:677 lid 2 BW is de partij die door opzet of schuld aan de wederpartij een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen, aan de wederpartij een vergoeding verschuldigd, indien de wederpartij van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt. Gelet op artikel 7:677 lid 3 BW is die vergoeding gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren.

5.7.

De omstandigheid dat het (tegen)verzoek van [verweerder] om het ontslag op staande voet te vernietigen niet-ontvankelijk wordt verklaard, betekent niet dat ook als vaststaand zou moeten worden aangenomen dat [verweerder] een dringende reden heeft gegeven aan Glomar voor het ontslag op staande voet. Alleen de bevoegdheid van [verweerder] om vernietiging te verzoeken van dat ontslag is vervallen, niet zijn recht om verweer te voeren tegen het verzoek om hem te veroordelen tot betaling van de vergoeding op grond van artikel 7:677 lid 2 BW. De kantonrechter moet dus beoordelen of [verweerder] door opzet of schuld aan Glomar een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen.

5.8.

De stelling van [verweerder] dat het ontslag niet onverwijld is gegeven, treft geen doel. Voor de vraag of het ontslag onverwijld is gegeven, is beslissend het tijdstip waarop de dringende reden tot dat ontslag ter kennis is gekomen van degene die bevoegd was het ontslag te verlenen (zie: HR 27 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1347, JAR 2001/95 (De Lange/Wennekes Lederwaren)). Verder is de van een werkgever te vergen mate van voortvarendheid afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder de aard en omvang van een eventueel noodzakelijk onderzoek, de eventuele noodzaak tot het inwinnen van rechtskundig advies en tot het verzamelen van bewijsmateriaal, en de door de werkgever in acht te nemen zorg om te vermijden dat de werknemer in zijn gerechtvaardigde belangen zou worden geschaad als een bepaald vermoeden ongegrond blijkt te zijn (zie: HR 15 februari 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC4006, NJ 1980/328 (Geldersche Tramweg Maatschappij)). Uit de brief van Glomar van 22 maart 2017 blijkt dat haar bestuurders, [E] , CEO van Glomar, en [F] , CFO van Glomar, rond die datum ter ore is gekomen dat [verweerder] mogelijk betrokken is geweest bij een schending van het geheimhoudings- en nevenwerkzaamhedenbeding. [verweerder] is gevraagd om in een gesprek van 27 maart 2017 daarover uitleg te komen geven en vragen te beantwoorden. [verweerder] heeft in reactie daarop bij e-mail van 23 maart 2017 laten weten dat hij zich mogelijk van juridische bijstand wil voorzien, waarna Glomar in een e-mail van 23 en 24 maart 2017 concrete vragen heeft gesteld aan [verweerder] . De advocaat van [verweerder] heeft vervolgens in een e-mail van 24 maart 2017 aan Glomar laten weten dat [verweerder] meer tijd nodig had voor een reactie en dat de advocaat vanwege een volle agenda niet eerder een gesprek kon aangaan met Glomar dan op 31 maart 2017. [verweerder] heeft zich ziekgemeld en is niet verschenen op 27 maart 2017. Gelet op deze gang van zaken heeft Glomar voldoende voortvarend gehandeld bij het geven van het ontslag op staande voet op 29 maart 2017 en de mededeling van de dringende reden op die datum. Glomar heeft in dat kader ook voldoende gelegenheid tot hoor en wederhoor aan [verweerder] gegeven. Zij hoefde niet in te gaan op de uitnodiging van de advocaat van [verweerder] om pas op 31 maart 2017 een gesprek aan te gaan.

5.9.

Volgens artikel 7:678 lid 1 BW worden voor de werkgever als dringende redenen voor een ontslag op staande voet beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. In artikel 7:678 lid 2, onderdeel k, BW is bepaald dat een dringende reden onder andere aanwezig kan zijn wanneer de werknemer grovelijk de plichten veronachtzaamt die de arbeidsovereenkomst hem oplegt.

5.10.

Bij de beoordeling van de vraag of van een dringende reden sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren in de eerste plaats te worden betrokken de aard en ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt, en verder de aard en duur van de dienstbetrekking, de wijze waarop de werknemer deze heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben. Ook indien de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van deze persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de conclusie leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeids-overeenkomst gerechtvaardigd is (zie: HR 21 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4436; NJ 2000/190; JAR 2000/45 (Prins/Hema)).

5.11.

Glomar heeft aan het ontslag op staande voet onder andere als dringende reden ten grondslag gelegd dat [verweerder] ten minste elf keer het geheimhoudingsbeding heeft overtreden, zoals concreet benoemd in de hiervoor genoemde brief van Glomar van 29 maart 2017. Naar het oordeel van de kantonrechter stelt Glomar terecht dat in de door haar genoemde gevallen sprake is geweest van een overtreding van het geheimhoudingsbeding. Uit de door Glomar aangehaalde en als productie overgelegde WhatsApp-berichten van de (zakelijk gebruikte) telefoon van [verweerder] blijkt immers dat hij in de periode van 23 januari 2016 tot en met 8 maart 2017 gegevens over de zogeheten OPEX van Glomar (gegevens betreffende de operationele kosten die de prijs van een product bepalen), gegevens over verschillende ‘tenders’ (verzoeken van opdrachtgevers om een aanbieding te doen voor een bepaalde opdracht), gegevens over de mogelijke aankoop door een opdrachtgever van schepen, gegevens over de (winst)marge en tarieven die Glomar hanteert bij de prijsbepaling, gegevens over verzoeken van opdrachtgevers om bepaalde diensten, en gegevens over producten, bouwtekeningen van schepen, prijsstellingen, klanten en contactgegevens van Glomar, heeft gedeeld met derden. Die derden waarmee de gegevens zijn gedeeld, zijn blijkens de WhatsApp-berichten [G] , bestuurder van Dutch Marine Contractors, [H] , bestuurder van [H] B.V., [I] en [J] , medewerkers van Signum B.V., [K] , medewerker van DUC Marine Group B.V., de besloten vennootschap Mark Marine B.V., door [verweerder] zelf opgericht op 9 januari 2016, en [L] , directeur van J.R. Shipping. Het gaat hier steeds om ondernemingen in de offshore-industrie. Door het delen van de gegevens heeft [verweerder] het geheimhoudingsbeding overtreden, omdat alle genoemde gegevens bedrijfsaangelegenheden van Glomar betreffen, en gegevens van cliënten en andere relaties van Glomar, waarvan [verweerder] uit hoofde van zijn functie kennis heeft genomen. [verweerder] heeft ook niet betwist dat hij de genoemde gegevens heeft gedeeld met de betreffende personen en hij heeft ook niet, althans onvoldoende bestreden dat het gaat om gegevens over bedrijfsaangelegenheden, cliënten en relaties van Glomar. Anders dan [verweerder] , ziet de kantonrechter niet in dat het geheimhoudingsbeding onduidelijk of vaag is geformuleerd, nu daarin voldoende concreet wordt omschreven dat het gaat om alle bedrijfsaangelegenheden van Glomar, waaronder gegevens van cliënten en andere relaties van Glomar waarvan [verweerder] uit hoofde van zijn functie kennis heeft genomen.

5.12.

Het verweer van [verweerder] dat het delen van informatie met derden voor hem een normale werkwijze was en dat Glomar daarvan op de hoogte was en daarmee instemde, kan niet worden gevolgd. Op de zitting heeft [verweerder] verklaard dat hij bij aanvang van het dienstverband nadrukkelijk met Glomar heeft onderhandeld over de arbeidsovereenkomst en dat op zijn verlangen een aanvankelijk in de arbeidsovereenkomst opgenomen concurrentie- en relatiebeding is komen te vervallen. [verweerder] heeft daarbij niet het hem ook bekende geheimhoudingsbeding aan de orde of ter discussie gesteld en evenmin aan Glomar gevraagd of zij ondanks dat beding instemde met het delen van informatie met derden. Indien [verweerder] meende dat hij zijn werk niet goed kon doen bij handhaving van het geheimhoudingsbeding, zoals hij heeft gesteld, had het op zijn weg gelegen dat aan de orde te stellen bij Glomar. Dat hij dat niet heeft gedaan, komt voor zijn rekening en risico. Verder is niet, althans onvoldoende gebleken dat er van de zijde van Glomar toestemming is verleend voor het delen van dergelijke informatie, dat [verweerder] om een dergelijke toestemming heeft gevraagd of dat Glomar zich bewust was van de aard en omvang van het delen door [verweerder] van informatie met derden.

5.13.

De stelling van [verweerder] dat het delen van informatie in de offshore-industrie gebruikelijk is en dat andere bedrijven in feite meer handelspartner dan concurrent zijn, kan er niet aan af doen dat het geheimhoudingsbeding is geschonden. Het gaat er in dit geval immers niet zozeer om wat gebruikelijk is in de offshore-industrie, maar wat partijen over de geheimhoudingsverplichting zijn overeengekomen. Ook is voldoende gebleken dat de derden waarmee [verweerder] informatie heeft gedeeld concurrenten van Glomar zijn. Al deze derden zijn immers zelfstandige ondernemingen die uit de aard van hun activiteit bezig zijn om een positie op de markt van de offshore-industrie te krijgen of te houden. Dat zij daarbij soms ook samenwerken en als handelspartners optreden, doet daaraan niet af. Overigens is, zoals hiervoor al vermeld, op verlangen van [verweerder] het concurrentie- en relatiebeding uit de arbeidsovereenkomst geschrapt, omdat [verweerder] de mogelijkheid wilde openhouden om bij concurrenten in dienst te kunnen treden. Ook [verweerder] zelf ging er daarbij dus vanuit dat andere ondernemingen in de offshore-industrie als concurrenten moeten worden gezien.

5.14.

Aan [verweerder] kan worden toegegeven dat uit de door hem overgelegde verklaringen van derden, werkzaam in de offshore-industrie, kan worden afgeleid dat het delen van informatie tot op zekere hoogte gebruikelijk is, maar uit die verklaringen komt niet een eenduidig beeld naar voren. Zo wordt bijvoorbeeld in de overgelegde verklaring van [M] gesteld dat gegevens over OPEX en marges gemakkelijk te verkrijgen zijn zonder interne informatie, maar daaruit volgt nog niet dat het in de branche gebruikelijk is die gegevens zonder meer te delen met concurrenten. Uit de verklaring van Deep B.V. volgt dat informatie over marges juist als bedrijfsgeheim moet worden gezien en in de verklaring van Bitunamel Feldmann GmbH staat dat details over marges niet worden gedeeld. Verder blijkt uit de overgelegde stukken dat tussen partijen in de offshore-industrie die samenwerken regelmatig sprake is van een NDA, een Non-Disclosure Agreement, waarin juist wordt bedongen dat partijen volledige geheimhouding betrachten over alle informatie betreffende een bepaalde transactie. Daartoe heeft Glomar verwezen naar door haar overgelegde NDA’s met MHI Vesta Offshore Wind, Fugro en Siemens. Er is gelet op het voorgaande dus niet gebleken van een zodanig algemeen en vergaand gebruik in de offshore-industrie betreffende het delen van informatie dat dit een rechtvaardiging van de schending door [verweerder] van het geheimhoudingsbeding zou kunnen opleveren.

5.15.

Bovendien moet worden vastgesteld dat ook uit de eigen verklaringen van [verweerder] kan worden afgeleid dat hij in dit verband onjuist heeft gehandeld. [verweerder] erkent dat hij op 6 februari 2017 een verzoek van de onderneming Jifmar om commerciële support heeft doorgegeven aan J.R. Shipping en niet heeft gedeeld met Glomar. Naar de kantonrechter begrijpt uit de verklaringen van [verweerder] , heeft hij die informatie aan Glomar onthouden, omdat hij deze opdracht voor zichzelf wilde verkrijgen zodra hij in dienst was bij J.R. Shipping. Echter, op 6 februari 2017 was [verweerder] nog in dienst van Glomar en overtrad hij het geheimhoudingsbeding door de informatie over de opdracht door te spelen aan J.R. Shipping. [verweerder] behoorde op dat moment als werknemer de belangen van Glomar te dienen en zich aan zijn verplichtingen uit het dienstverband met Glomar te houden. Hetzelfde geldt voor het feit dat [verweerder] op 9 februari 2017 aan J.R. Shipping liet weten dat de onderneming Siemens bezig was met een NDA voor een mogelijke opdracht. De stelling van [verweerder] dat J.R. Shipping geen concurrent is ten aanzien van een mogelijke opdracht van Siemens, wordt niet gevolgd, zoals hiervoor onder 5.13 al is overwogen. Ook heeft Glomar voldoende aangetoond dat J.R. Shipping ten behoeve van de mogelijke opdracht van Siemens al beschikte over schepen die vergelijkbaar zijn met die van Glomar dan wel bezig was dergelijke schepen te verkrijgen, zodat J.R. Shipping zonder meer als concurrent was te beschouwen. [verweerder] heeft eveneens erkend dat hij aanvragen voor een opdracht voor DP2-schepen heeft doorgegeven aan J.R. Shipping. Dat Glomar zelf die schepen niet kon leveren, doet niet af aan de schending van het geheimhoudingsbeding, waarbij bovendien door Glomar onweersproken is gesteld dat zij ook als bemiddelaar had kunnen optreden bij de opdracht en zodoende commissie had kunnen krijgen. [verweerder] stelt zelf ook dat zijn handelen in dit verband “misschien niet netjes” was. Verder erkent [verweerder] dat hij tarieven van handelspartners van Glomar heeft gedeeld met J.R. Shipping en dat dit “niet handig” was. Daarnaast merkt [verweerder] in het verweerschrift op dat hij inderdaad [K] van DUC Marine Group heeft geïnformeerd over een aanvraag voor DP2-schepen en dat dit “misschien niet handig” was, maar “een nevenactiviteit” van hem betrof.

5.16.

De kantonrechter neemt ook als vaststaand aan dat [verweerder] in een aantal van de door Glomar genoemde gevallen het nevenwerkzaamhedenbeding heeft geschonden. Zoals hiervoor al is overwogen, is [verweerder] met het oog op zijn aanstaande dienstbetrekking bij J.R. Shipping al tijdens zijn dienstverband bij Glomar bezig geweest om opdrachten voor J.R. Shipping te verkrijgen, in ieder geval betreffende Jifmar, DUC Marine Group, Siemens en een opdracht voor DP2-schepen. Dat is in strijd met het nevenwerkzaamhedenbeding, nu [verweerder] op grond daarvan voor geen andere werkgever of opdrachtgever werkzaam mag zijn, ongeacht de vraag of daardoor schade is ontstaan. Ook staat vast dat [verweerder] tijdens zijn dienstverband met Glomar een eigen onderneming heeft opgericht, Mark Marine B.V., en niet, althans onvoldoende gemotiveerd is weersproken dat [verweerder] in de door Glomar genoemde gevallen voor eigen rekening en buiten Glomar om schepen heeft aangeboden aan opdrachtgevers of offshore-activiteiten heeft opgezet. Er is niet gebleken dat [verweerder] overeenkomstig het nevenwerkaamhedenbeding één en ander heeft afgestemd met Glomar of daarvoor toestemming heeft gevraagd of verkregen. In het verweerschrift heeft [verweerder] op dit punt opgemerkt dat hij slechts gebruik heeft gemaakt van zijn bestaande netwerk en dit netwerk heeft willen onderhouden, en dat voor zover vast komt te staan dat de betreffende werkzaamheden niet ten goede zijn gekomen aan Glomar, daardoor geen schade is geleden. Deze opmerking miskent echter dat het onderhouden van een netwerk wat anders is dan het verrichten van nevenwerkzaamheden voor eigen rekening of voor derden en dat de vraag of schade is geleden door Glomar losstaat van de schending van het nevenwerkzaamhedenbeding.

5.17.

De kantonrechter is van oordeel dat de hiervoor genoemde schendingen van het geheimhoudings- en nevenwerkzaamhedenbeding een dringende reden voor ontslag op staande voet hebben opgeleverd voor Glomar. [verweerder] heeft immers door die schendingen grovelijk de plichten veronachtzaamd die de arbeidsovereenkomst hem oplegt, temeer nu hij daarbij met voorbijgaan aan zijn positie als werknemer de belangen van zijn werkgever Glomar heeft achtergesteld bij de belangen van andere ondernemingen en zijn eigen onderneming. Dat valt [verweerder] aan te rekenen en rechtvaardigt een ontslag op staande voet. Glomar kan ook worden gevolgd in haar stelling dat zij door de handelwijze van [verweerder] alle vertrouwen in hem als werknemer heeft verloren. Dat [verweerder] de arbeidsovereenkomst al had opgezegd tegen 1 april 2017 doet daaraan niet af, evenmin als de omstandigheid dat mogelijk geen schade is ontstaan door schending van het geheimhoudings- en nevenwerkzaamhedenbeding. Ook de overige en persoonlijke omstandigheden van [verweerder] leggen tegenover de ernst en aard van de dringende reden onvoldoende gewicht in de schaal om te oordelen dat ontslag op staande voet niet gerechtvaardigd zou zijn.

5.18.

Voor zover niet exact alle door Glomar in de ontslagbrief van 29 maart 2017 genoemde feiten als vaststaand kunnen worden aangenomen, is het ontslag op staande voet eveneens gerechtvaardigd. De hiervoor genoemde en door de kantonrechter als vaststaand aangenomen feiten kunnen namelijk op zichzelf beschouwd al als een dringende reden voor ontslag op staande voet worden beschouwd. Daarbij is aannemelijk dat Glomar [verweerder] ook uitgaande van de door de kantonrechter als vaststaand aangenomen feiten op staande voet zou hebben ontslagen. Dit laatste moet voor [verweerder] ook duidelijk zijn geweest. Glomar heeft immers in de ontslagbrief van 29 maart 2017 gesteld dat alle feiten ieder voor zich en in onderlinge samenhang de dringende reden zijn voor het ontslag (zie: HR 16 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW6109 en HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:290).

5.19.

De stelling van [verweerder] dat het bewijs met betrekking tot het ontslag op staande voet, te weten de WhatsApp-berichten uit zijn zakelijke telefoon, onrechtmatig is verkregen en daarom buiten beschouwing had moeten worden gelaten, wordt niet gevolgd. Ook als Glomar dit bewijs onrechtmatig zou hebben verkregen, hoeft dat bewijs niet buiten beschouwing te worden gelaten in deze procedure, omdat het belang van de waarheidsvinding hier zwaarder weegt dan de privacy van [verweerder] (zie: HR 11 juli 2014, ECLI: NL:HR:2014:1632). Daarbij weegt mee dat de berichten niet zien op privégesprekken van [verweerder] , maar zakelijke gesprekken zijn die hij heeft gevoerd met een zakelijke telefoon.

5.20.

Niet alleen is sprake van een dringende reden voor ontslag op staande voet, zoals hiervoor is overwogen, maar [verweerder] heeft die dringende reden ook door schuld aan Glomar gegeven, nu [verweerder] in strijd met het geheimhoudings- en nevenwerkzaamhedenbeding heeft gehandeld. Niet in geschil is dat de vergoeding van artikel 7:677 lid 2 BW een bedrag is van € 9.594,58 bruto. [verweerder] zal dus worden veroordeeld tot betaling daarvan.

het verzoek om terugbetaling van te veel betaald salaris

5.21.

Vast staat dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd door het ontslag op staande voet per 29 maart 2017 en niet betwist is dat aan [verweerder] feitelijk salaris is betaald tot en met 31 maart 2017. Dat betekent dat de vordering tot terugbetaling van salaris over de periode van 29 maart tot en met 31 maart 2017 kan worden toegewezen tot het gevorderde bedrag van
€ 846,58 bruto.

5.22.

Het verzoek om terugbetaling van € 2.668,00 aan te veel betaald salaris in verband met de schending van het nevenwerkzaamhedenbeding wordt afgewezen. Uit de stelling van Glomar dat [verweerder] op 29 dagen werkzaamheden voor derden zou hebben verricht, volgt nog niet dat [verweerder] voor Glomar korter heeft gewerkt dan het overeengekomen aantal van 40 uur per week. Dit geldt temeer nu uit sommige WhapsApp-berichten met derden blijkt dat [verweerder] die berichten ’s avonds heeft verstuurd of ontvangen.

het verzoek om veroordeling van [verweerder] tot betaling van een boete van € 245.000,00

5.23.

Hiervoor is geoordeeld dat [verweerder] in de door Glomar in de ontslagbrief van 29 maart 2017 genoemde elf gevallen het geheimhoudingsbeding heeft geschonden. De kantonrechter is van oordeel dat ook in de overige 19 door Glomar in het verzoekschrift genoemde gevallen sprake is geweest van een dergelijke schending. Daarbij wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder 5.11 tot en met 5.15 is overwogen. Die gestelde overige 19 schendingen van het geheimhoudingsbeding blijken ook voldoende uit de door Glomar aangehaalde en overgelegde WhatsApp-berichten. Op grond van dat beding verbeurt [verweerder] bij iedere overtreding een boete van € 2.500,00. Dat betekent dat [verweerder] ten aanzien van de hiervoor vastgestelde 30 schendingen van het geheimhoudingsbeding in beginsel een boete van € 75.000,00 verschuldigd is. Er is geen reden om te oordelen dat het boetebeding op grond van artikel 7:651 lid 1 BW nietig is, zoals [verweerder] stelt. Dat artikel bepaalt alleen dat een werkgever terzake van hetzelfde feit niet een boete mag heffen èn schadevergoeding mag vorderen. Glomar vordert in het kader van de schending van het geheimhoudingsbeding alleen een boete en geen schadevergoeding, en dat mag dus.

5.24.

Anders dan Glomar, ziet de kantonrechter niet in dat [verweerder] ook in 67 andere gevallen het geheimhoudingsbeding heeft geschonden, namelijk door het uploaden van 67 documenten met bedrijfsgegevens van Glomar naar de server van TransIP Stack. TransIP Stack is een ‘clouddienst’ die de mogelijkheid van opslag van gegevens biedt. [verweerder] heeft in het verweerschrift en op de zitting toegelicht dat Glomar kampte met ICT-problemen, dat de server van Glomar niet goed werkte en niet goed bereikbaar was, en dat op advies van de ICT-medewerker van Glomar, [N] , door [verweerder] bedrijfsgegevens waarmee hij werkte, zijn verplaatst naar zijn account bij TransIP Stack. Ook heeft [verweerder] in dat kader toegelicht dat er in 2016 door de ICT-medewerker van Glomar een tool op zijn zakelijke laptop is geïnstalleerd, waarmee de bedrijfsgegevens ook automatisch werden opgeslagen op zijn account bij TransIP Stack. Die toelichting is door Glomar onvoldoende gemotiveerd betwist. De stelling dat de systeembeheerder van Glomar gebruik van een account bij TransIP Stack zou hebben afgeraden, voor welke stelling overigens geen nadere onderbouwing wordt gegeven, is in dit kader niet genoeg.

5.25.

[verweerder] heeft onder verwijzing naar artikel 7:650 lid 6 BW verzocht om matiging van de boete. Glomar stelt dat die bepaling niet van toepassing is en dat matiging alleen kan plaatsvinden als de billijkheid dit klaarblijkelijk eist, zoals bedoeld in artikel 6:94 BW.

5.26.

Uit rechtspraak kan worden afgeleid dat artikel 7:650 BW geheel of ten dele niet van toepassing is in geval van een boete in verband met de schending van een concurrentiebeding (zie: HR 4 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2844). Er is echter geen rechtspraak of rechtsregel die meebrengt dat artikel 7:650 BW niet zou gelden in een geval als hier aan de orde, waar het gaat om de schending van een geheimhoudingsbeding.

5.27.

Volgens artikel 7:650 lid 5 BW mag binnen een week aan de werknemer geen hoger bedrag aan gezamenlijke boetes worden opgelegd dan zijn in geld vastgesteld loon voor een halve dag, en mag geen afzonderlijke boete hoger dan dit bedrag worden gesteld. Volgens artikel 7:650 lid 6 BW mag bij schriftelijk aangegane overeenkomst van dit beding worden afgeweken, maar alleen ten aanzien van werknemers van wie het in geld vastgesteld loon meer bedraagt dan het minimumloon. Is van een dergelijke afwijking sprake, dan is de rechter op grond van artikel 7:650 lid 6 BW steeds bevoegd de boete op een kleinere som te bepalen, indien de opgelegde boete hem bovenmatig voorkomt. Naar het oordeel van de kantonrechter houdt het boetebeding van artikel 14.2 van de schriftelijke arbeidsovereenkomst een afwijking in van artikel 7:650 lid 5 BW en was die afwijking toegestaan, omdat [verweerder] meer verdient dan het minimumloon. Dat betekent ook dat de kantonrechter op grond van artikel 7:650 lid 6 BW bevoegd is de boete te matigen indien deze hem bovenmatig voorkomt.

5.28.

De kantonrechter overweegt dat de hiervoor vastgestelde schendingen van het geheimhoudingsbeding strikt genomen weliswaar telkens verschillende overtredingen van dat beding inhouden, maar dat de overtredingen naar aard en inhoud steeds gelijksoortig zijn. Verder heeft Glomar tegenover de betwisting daarvan door [verweerder] , onvoldoende gesteld en onderbouwd dat zij schade heeft geleden door de schending van het geheimhoudingsbeding en zo ja, tot welke hoogte en in welke mate. Slechts ten aanzien van het mislopen van commissie in het kader van eerdergenoemd Bitunamelcontract heeft Glomar concreet gesteld en onderbouwd dat zij schade heeft geleden. Die schade is echter niet ontstaan door schending van het geheimhoudingsbeding, maar door een schending van het nevenwerkzaamhedenbeding. Verder zou toewijzing van een boete van € 75.000,00 tot een onaanvaardbare (financiële) last voor [verweerder] leiden, gelet op zijn inkomen en zijn financiële en sociale omstandigheden. Daarbij weegt ook mee dat [verweerder] in deze zaak al wordt veroordeeld tot betaling van andere substantiële bedragen aan Glomar. Gelet daarop zal de kantonrechter de boete matigen tot 10%, te weten tot € 7.500,00, omdat een hogere boete hem in de omstandigheden van dit geval bovenmatig voorkomt.

5.29.

[verweerder] wordt dus veroordeeld tot betaling van € 7.500,00 aan boetes.

het verzoek tot betaling van de kosten van een ICT-deskundige

5.30.

Glomar heeft verzocht om [verweerder] te veroordelen tot betaling van de kosten van een door Glomar ingeschakelde ICT-deskundige tot een bedrag van € 2.500,00. Blijkens de door Glomar overgelegde factuur van de ICT-deskundige gaat het daarbij om werkzaamheden in het kader van een onderzoek naar de gegevens van [verweerder] op zijn account bij TransIP Stack. Echter, hiervoor is geoordeeld dat [verweerder] niet het geheimhoudingsbeding heeft geschonden door het uploaden van 67 documenten met bedrijfsgegevens van Glomar naar de server van TransIP Stack. Dat betekent dat ook niet kan worden geoordeeld dat [verweerder] onrechtmatig of in strijd met zijn verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst heeft gehandeld. Er is daarom geen grond om [verweerder] te veroordelen tot schadevergoeding.

het verzoek tot het (laten) verwijderen bedrijfsgegevens op TransIP Stack

5.31.

Op de zitting heeft [verweerder] verklaard dat hij bereid is om mee te werken aan het laten verwijderen van alle bedrijfsgegevens van Glomar op zijn account bij TransIP Stack.

5.32.

De door Glomar geformuleerde vordering, om [verweerder] daartoe ook te veroordelen, kan echter niet worden toegewezen. Die vordering gaat er vanuit en heeft als grondslag dat [verweerder] onrechtmatig heeft gehandeld. Zoals hiervoor onder 5.24 en 5.30 al is overwogen, heeft [verweerder] in dit kader het geheimhoudingsbeding niet geschonden, heeft hij niet onrechtmatig of in strijd met zijn verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst gehandeld, en is er dus ook geen grond [verweerder] te veroordelen tot het verwijderen van de betreffende gegevens. De kantonrechter gaat ervan uit dat [verweerder] vrijwillig zal meewerken aan het verwijderen van de gegevens en dat die verwijdering uit een praktisch oogpunt wordt begeleid en uitgevoerd door de systeembeheerder van Glomar, zoals op de zitting al is besproken.

het verzoek om schadevergoeding in verband met het Bitunamelcontract

5.33.

Glomar vordert dat [verweerder] wordt veroordeeld tot betaling van € 100,00 per kalenderdag vanaf 1 november 2016, vanwege misgelopen opbrengsten van het zogenoemde

Bitunamelcontract.

5.34.

De kantonrechter neemt gelet op de stukken en de standpunten van partijen als vaststaand aan dat Glomar in 2016 op basis van een overeenkomst met Bitunamel aanspraak kon maken op een commissie van € 100,00 per dag. Die overeenkomst was aangegaan voor drie maanden met een optie voor een verlenging van telkens drie maanden, en is na een aantal verlengingen door Bitunamel beëindigd met ingang van 1 november 2016.

5.35.

In een e-mail van 21 december 2016 schrijft [verweerder] aan [I] en [J] , medewerkers van Signum B.V., onder meer het volgende:

“Ik kan van [O] [kantonrechter: van Bitunamel] een commissie krijgen van 50 per dag ex BTW. Dit zit nu bij GloMar, maar gaat in de toekomst naar Mark Marine BV.

Omdat ik niet wil dat er een papertrail naar mij loopt in mijn GloMar tijd wil ik vragen of dit via een van Jente zijn entiteiten kan lopen?”

5.36.

Gelet op deze e-mail van [verweerder] kan de kantonrechter niet anders dan vaststellen dat [verweerder] voor zijn eigen onderneming Mark Marine B.V. een verlenging van de overeenkomst met Bitunamel en een aanspraak op commissie van € 50,00 per dag heeft bewerkstelligd en daarmee Glomar kennelijk bewust buitenspel heeft gezet. Deze handelwijze is in strijd met het nevenwerkzaamhedenbeding en de verplichting van [verweerder] zich als goed werknemer te gedragen, zoals bedoeld in artikel 7:611 BW. Gelet daarop is [verweerder] ook aansprakelijk voor de daardoor door Glomar geleden schade.

5.37.

Het verweer van [verweerder] dat de commissie van Bitunamel in feite voortvloeide uit een reeds bestaand recht van hemzelf op grond van een agentuurovereenkomst die hij had met Bitunamel, kan niet worden gevolgd. [verweerder] heeft eventuele aanspraken uit een dergelijke agentuurovereenkomst prijsgegeven toen hij in dienst trad bij Glomar en het nevenwerkzaamhedenbeding aanvaardde. Ook staat vast en was [verweerder] ermee bekend dat de aanspraak op commissie van Bitunamel in 2016 aan Glomar toekwam en niet aan hem. Dat Glomar niet geïnteresseerd was in de commissie van Bitunamel, zoals [verweerder] stelt, is onlogisch en is ook nergens uit gebleken.

5.38.

Glomar begroot de schade op € 100,00 per kalenderdag vanaf 1 november 2016. Echter, uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat [verweerder] een commissie van € 50,00 per dag heeft kunnen bedingen, niet € 100,00. Daarnaast is niet gebleken dat Glomar, indien de overeenkomst met Bitunamel na 1 november 2016 weer was verlengd met drie maanden, met ingang van 1 februari 2017 opnieuw een verlenging had kunnen verkrijgen. Glomar heeft geen gegevens overgelegd waaruit blijkt dat die overeenkomst überhaupt is verlengd na 1 februari 2017. Gelet daarop zal de kantonrechter de schade begroten op een bedrag van
€ 4.600,00, te weten de misgelopen commissie van € 50,00 per kalenderdag over de periode van 1 november 2016 tot 1 februari 2017. [verweerder] zal dus worden veroordeeld tot betaling van € 4.600,00.

het verzoek om voor recht te verklaren dat [verweerder] onrechtmatig heeft gehandeld

5.39.

Het is de kantonrechter niet duidelijk welk belang Glomar nog heeft om naast hetgeen in deze uitspraak al wordt overwogen, nog een oordeel te krijgen over de verzochte verklaring voor recht dat [verweerder] stelselmatig het tussen partijen overeengekomen geheimhoudingsbeding en nevenwerkzaamhedenbeding heeft overtreden. Dit verzoek zal daarom bij gebrek aan belang op grond van artikel 3:303 BW worden afgewezen.

het verzoek [verweerder] te verbieden activiteiten gelijk aan die van Glomar te ontplooien

5.40.

Glomar heeft gevorderd dat het [verweerder] voor de duur van zes maanden na 1 april 2017 wordt verboden om op enigerlei wijze, direct of indirect activiteiten te ontplooien die gelijk, gelijksoortig of verwant zijn aan de activiteiten van Glomar. Zij heeft daartoe aangevoerd dat er een reële dreiging is dat [verweerder] onrechtmatig zal handelen en blijven handelen jegens Glomar, nu hij al eerder het geheimhoudingsbeding heeft geschonden en in dienst is getreden bij concurrent J.R. Shipping.

5.41.

Zoals hiervoor is overwogen, hebben partijen bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst nadrukkelijk gesproken over het concurrentie- en relatiebeding. Glomar heeft, op verlangen van [verweerder] , ermee ingestemd dat het concurrentie- en relatiebeding is komen te vervallen. De vordering van Glomar komt er in feite op neer dat zij via een beroep op het geheimhoudingsbeding [verweerder] alsnog wil binden aan een concurrentie- en relatiebeding. Daar waar partijen er juist expliciet voor hebben gekozen dat concurrentie- en relatiebeding te laten vervallen, kan dat beding niet via de achterdeur van het geheimhoudingsbeding feitelijk alsnog tussen partijen gaan gelden.

5.42.

Een ex-werknemer kan ook los van een concurrentiebeding onrechtmatig handelen, als die werknemer door concurrerende activiteiten stelselmatig en substantieel de duurzame omzet- en afzetmogelijkheden van de ex-werkgever afbreekt, met gebruikmaking van kennis en gegevens die bij de voormalige werkgever vertrouwelijk zijn verkregen door de ex-werknemer (zie: HR 9 december 1955, NJ 1956/157 (Boogaard/Vestia) en Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 25 juni 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:2508). Glomar heeft echter geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit kan blijken dat sprake is van activiteiten van [verweerder] waarmee hij stelselmatig en substantieel de duurzame omzet- en afzetmogelijkheden van Glomar afbreekt. Daarvan is ook niet gebleken. De enkele stelling dat de vrees bestaat dat [verweerder] het geheimhoudingsbeding zal schenden, is in dit verband niet genoeg.

5.43.

De vordering van Glomar zal dus worden afgewezen.

het verzoek om een voorlopige voorziening

5.44.

Nu in deze beschikking al een beslissing wordt gegeven over alle verzoeken van Glomar, is er geen reden meer om met toepassing van artikel 223 Rv een voorlopige voorziening te treffen. Een voorlopige voorziening op grond van dat artikel kan immers alleen worden getroffen voor de duur van het geding.

de proceskosten ten aanzien van het verzoek en het tegenverzoek

5.45.

Nu partijen over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld, is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.

6 De beslissing

De kantonrechter:

het verzoek

6.1.

veroordeelt [verweerder] tot betaling aan Glomar van de vergoeding ex artikel 7:677 lid 2 BW ter hoogte van € 9.594,58, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 29 mei 2017 tot aan de dag van de gehele betaling;

6.2.

veroordeelt [verweerder] tot betaling aan Glomar van het onverschuldigd betaalde salaris ter hoogte van € 846,58, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 29 mei 2017 tot aan de dag van de gehele betaling;

6.3.

veroordeelt [verweerder] tot betaling aan Glomar van de verbeurde boetes ter hoogte van € 7.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 29 mei 2017 tot aan de dag van de gehele betaling;

6.4.

veroordeelt [verweerder] tot betaling aan Glomar van de misgelopen opbrengsten van het Bitunamelcontract ter hoogte van € 4.600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 29 mei 2017 tot aan de dag van de gehele betaling;

6.5.

wijst het verzoek voor het overige af;

6.6.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

6.7.

verklaart de veroordeling onder 6.1, 6.2, 6.3 en 6.4 van deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

het tegenverzoek

6.8.

verklaart het verzoek niet-ontvankelijk, voor zover wordt verzocht om vernietiging van het ontslag op staande voet;

6.9.

wijst het verzoek voor het overige af;

6.10.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gewezen door mr. P.J. Jansen, kantonrechter en op 13 juli 2017 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter