Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:5904

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
11-07-2017
Datum publicatie
17-07-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 2871
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

voorlopige voorziening, kindvriendelijke opvang en voorschot bijstand, afgeleid verblijfsrecht artikel 20 VWEU

Wetsverwijzingen
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 2.3.3
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie 20
Wet werk en bijstand 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 17/2871

uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 juli 2017 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster]

te [woonplaats] , verzoekster,

en

[naam] , wettelijk vertegenwoordigd door [verzoekster] ,

te [woonplaats] , verzoeker,

gezamenlijk: verzoekers,

(gemachtigde: mr. E.C. Weijsenfeld),

en

het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar, verweerder

(gemachtigde: mr. E.C.W. van der Poel).

Procesverloop

Verzoekers hebben op 14 juni 2017 bij verweerder een aanvraag ingediend voor bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) en een melding gedaan op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Zij hebben onder meer gevraagd om een tijdelijke maatwerkvoorziening. Omdat verweerder op 20 juni 2017 nog niet tot een beslissing was gekomen, hebben verzoekers op 22 juni 2017 beroep ingesteld (bij de rechtbank geregistreerd onder nummer HAA 17/2872) en een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend.

Bij besluit van 26 juni 2017 heeft verweerder het verzoek om een tijdelijke maatwerkvoorziening afgewezen. Op 27 juni 2017 hebben verzoekers bezwaar gemaakt tegen dat besluit.

Verzoekers hebben eveneens op 27 juni 2017 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen hangende de bezwaarprocedure.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni 2017. Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Ten behoeve van verzoekers was ook aanwezig

M. Jalloh als tolk. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en door M. Hartog.

Overwegingen

1. Voor het treffen van een voorlopige voorziening moet worden bezien of op grond van een afweging van de wederzijds in aanmerking komende belangen bij een al dan niet onmiddellijke uitvoering van de aangevallen uitspraak, het verzoek om een voorlopige voorziening dient te worden toegewezen. In het algemeen speelt bij deze belangenafweging een rol de vraag of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak niet in stand zal blijven en dat daarna de uiteindelijke uitkomst van de procedure aanmerkelijk anders zal zijn. Deze toetsing kan meebrengen dat de voorzieningenrechter een voorlopig oordeel geeft over het geschil in de bodemprocedure.

2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

3.1

Verzoekster is afkomstig uit Liberia. Zij heeft tevergeefs asiel aangevraagd in Nederland.

3.2

Op [datum] 2017 is de zoon van verzoekster geboren, [naam] . Hij heeft de Nederlandse nationaliteit. [naam vader] , de vader, heeft hem erkend.

3.3

Verzoekster had toestemming van de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND) en het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers (COA) gekregen om in het asielzoekerscentrum (AZC) in Alkmaar te verblijven om te bevallen. De periode dat zij en haar zoon daar mogen verblijven verstreek aanvankelijk op 19 juni 2017. Zij zouden die dag worden overgeplaatst naar een gezinslocatie, maar dat is diverse keren uitgesteld. Zij mogen nu tot 17 juli 2017 in het AZC blijven.

3.4

Verzoekster is voornemens bij de IND een procedure te starten voor verblijf, omdat zij stelt de daadwerkelijke en dagelijkse zorg te hebben voor een Unieburger.

3.5.1

Bij brief van 14 juni 2017 hebben verzoekers op grond van artikel 2.3.3 van de Wmo verzocht om toewijzing van een tijdelijke maatwerkvoorziening, in de vorm van passende gezinsopvang voor een Nederlands kind. Zij hebben verweerder verzocht om dat per direct toe te kennen. Daarbij hebben zij verweerder gevraagd om het bijstandsrecht van verzoekster en haar kind te onderzoeken.

3.5.2

Op 15 juni 2017 hebben verzoekers via hun gemachtigde aan verweerder bericht dat de beslistermijn was verstreken en hebben zij hem gevraagd te beslissen. Daarbij hebben verzoekers verzocht om hen binnen 24 uur te informeren over de tijdelijke maatwerkvoorziening.

3.5.3

Verweerder heeft op 16 juni 2017 gereageerd op de brief van 15 juni 2017. Verweerder geeft daarin aan de zaak te zullen bestuderen en dat hij de komende tijd zal gebruiken om de rechten van verzoekers in beeld te brengen en dat hij er zo spoedig mogelijk op terug zal komen.

3.5.4

Bij e-mail van 19 juni 2017 van hun gemachtigde hebben verzoekers aan verweerder gevraagd om uiterlijk op 20 juni om 17:00 uur te melden waar hij verzoekers gaat opvangen. Verweerder heeft hieraan geen gehoor gegeven.

3.5.5

Bij besluit van 26 juni 2017 heeft verweerder het verzoek om een tijdelijke maatwerkvoorziening afgewezen.

4.1

1 In hun eerste verzoek hebben verzoekers de voorzieningenrechter verzocht om hangende het beroep een voorlopige voorziening te treffen, door een opdracht te verstrekken aan verweerder om per direct kindvriendelijke opvang te verstrekken aan verzoekster en haar zoon samen. Verzoekers geven daarbij aan dat leefgeld nodig zal zijn zodat zij voldoende geld hebben voor eten, drinken en luiers.

In hun tweede verzoek hebben verzoekers om eenzelfde voorziening gevraagd, maar dan gedurende het bezwaar tegen het besluit van 26 juni 2017.

4.2

Verzoekers leggen aan beide verzoeken – samengevat – het volgende ten grondslag. Zij worden op 17 juli 2017 op straat gezet. Zij hebben geen alternatieve opvang. De vader van verzoeker woont in een huis bij anderen. Verzoekers kunnen daarom niet bij hem terecht. Verzoekers worden daardoor dakloos. Het recht op familieleven is in gevaar. Verweerder komt zijn verplichtingen jegens verzoeker niet na. Verzoekster is daar volgens vaste rechtspraak aan gekoppeld.

De zoon van verzoekster is een Nederlands kind, dat alle rechten heeft en is volledig afhankelijk van verzoekster. Verzoekster heeft een afgeleid verblijfsrecht. Zijn vader heeft verzoeker nooit verzorgd en bezoekt hem slechts af en toe. Hij heeft geen gezag over hem. Het is niet in het belang van haar zoon om van verzoekster gescheiden te worden.

4.3

Verweerder heeft het volgende standpunt ingenomen over de verzochte tijdelijke maatwerkvoorziening. Verzoekster kan gedurende het onderzoek naar de maatwerkvoorziening verblijven in het AZC en daarna in een gezinsopvanglocatie. Haar zoon kan daar ook naar toe, of naar zijn vader. Als verweerder wel crisisopvang voor verzoekers zou moeten bieden, betekent dit dat verweerder hen in de eerste plaats zou verwijzen naar familie of iemand anders uit hun sociaal netwerk of naar de daklozenopvang. Daar kunnen verzoekers blijven van 21:00 tot 09:00.

5. In deze procedure liggen twee verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening voor. Het eerste verzoek is ingediend op 22 juni 2017. Op dat moment hadden verzoekers beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op hun melding van 14 juni 2017. Verzoekers stellen dat verweerder niet tijdig daarop heeft beslist. Inmiddels heeft verweerder bij besluit van 26 juni 2017 beslist op die aanvraag. Daardoor hebben verzoekers geen belang meer bij een beslissing over het eerste verzoek. In het navolgende zal de voorzieningenrechter daarom enkel een voorlopige beoordeling geven in het kader van het tweede, op 27 juni 2017, ingediende verzoek.

opvang

6.1

De voorzieningenrechter stelt voorop dat verzoeker, de zoon van verzoekster, de Nederlandse nationaliteit heeft. Verzoekers stellen dat verzoekster een afgeleid verblijfsrecht heeft, op basis van artikel 20 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Dit betoog van verzoekers kan niet bij voorbaat als kansloos worden beschouwd. In dit kader komt het erop aan te beoordelen of het kind van verzoekster genoopt zou zijn het grondgebied van de Europese Unie te verlaten als aan verzoekster een verblijfsrecht zou worden geweigerd. Het Hof van Justitie van de EU (HvJEU) heeft in zijn arrest van 10 mei 2017 (ECLI:EU:C:2017:354) uitgesproken dat het voor de beoordeling of een kind, burger van de EU, genoopt zou zijn het grondgebied van de Unie in zijn geheel te verlaten en hem dus het effectieve genot van de essentie van de rechten die dat artikel hem verleent zal worden ontzegd indien aan zijn ouder, onderdaan van een derde land, een verblijfsrecht in de betrokken lidstaat werd geweigerd, de omstandigheid dat de andere ouder, burger van de Unie, daadwerkelijk alleen de dagelijkse daadwerkelijke zorg voor het kind kan en wil dragen, een gegeven vormt dat relevant is, maar dat niet volstaat om te kunnen vaststellen dat er tussen de ouder die onderdaan van een derde land is en het kind niet een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat het kind in geval van een dergelijke weigering het grondgebied van de Unie zou moeten verlaten. Om tot een dergelijke vaststelling te komen moeten, in het hogere belang van het kind, alle betrokken omstandigheden in de beschouwing worden betrokken, meer in het bijzonder de leeftijd van het kind, zijn lichamelijke en emotionele ontwikkeling, de mate van zijn affectieve relatie zowel met de ouder die burger van de Unie is als met de ouder die onderdaan van een derde land is, evenals het risico dat voor het evenwicht van het kind zou ontstaan indien het van deze laatste ouder zou worden gescheiden.

6.2

De voorzieningenrechter acht het voorshands voldoende aannemelijk dat er tussen verzoekster en haar zoon een zodanige afhankelijkheidsrelatie bestaat dat haar zoon het grondgebied van de EU zou moeten verlaten als aan haar geen afgeleid verblijfsrecht zou worden toegekend. Daartoe wordt overwogen dat haar zoon nu ongeveer vier maanden oud is, dat hij sinds zijn geboorte bij verzoekster heeft verbleven en uitsluitend door haar is verzorgd. Hoewel de positie van de vader nog niet volledig is onderzocht, is in deze procedure voldoende aannemelijk geworden dat hij tot nu toe geen rol heeft gespeeld in de opvoeding en verzorging en dat zowel zijn woonsituatie als financiële positie niet toereikend lijken te zijn. Dit brengt de voorzieningenrechter tot het voorlopige oordeel dat niet uit te sluiten valt dat aan verzoekers een afgeleid verblijfsrecht zal worden toegekend en dat zij Nederland niet zal hoeven te verlaten.

6.3

Consequentie van het voorgaande is dat voldoende aannemelijk is dat verzoekster de gelegenheid moet krijgen om een bestaan hier op te bouwen voor zichzelf en haar zoon, waarbij zij haar zoon een plek kan bieden om zich in een veilige omgeving te ontwikkelen en op te groeien. Vooralsnog is niet komen vast te staan dat een gezinsopvanglocatie een dergelijke plek kan zijn, zelfs niet als het verblijf daar tijdelijk zou zijn. Verblijf in een dergelijke locatie zou immers betekenen dat verzoekster onderworpen zou worden aan een vrijheid beperkende maatregel, waar feitelijk haar Nederlandse kind ook door getroffen zou worden. In de jurisprudentie is al eens uitgemaakt dat een gezinsopvanglocatie niet is bedoeld voor Nederlandse kinderen, alsmede dat er een gebrek aan voldoende privacy en nachtrust is en dat er in vergelijking tot een normale woon- of verblijfsituatie onrust is in een gezinsopvanglocatie, ook ’s nachts (ECLI:NL:RBDHA:2014:12171). Een gezinsopvanglocatie volstaat daarom naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet als locatie om verzoekster en haar baby te laten verblijven in afwachting van het onderzoek op grond van de Wmo. Dit betekent dat voorshands aannemelijk is dat verweerder aan verzoekers een tijdelijke maatwerkvoorziening zal dienen te verstrekken.

6.4

Verweerder heeft ter zitting betoogt dat de tijdelijke maatwerkvoorziening crisisopvang betreft, geldt voor mensen die te kampen hebben met huiselijk geweld en eruit bestaat dat iemand wordt verwezen naar familie, het eigen netwerk of anders naar de daklozenopvang. De voorzieningenrechter volgt verweerder niet in zijn betoog dat het enkel geldt voor de door verweerder genoemde situaties. Uit de toelichting bij artikel 2.3.3. volgt dat die zinsnede in de wet is opgenomen om te benadrukken dat het college in crisissituaties acuut in actie moet komen om een passende tijdelijke voorziening te treffen die is gericht op onderdak en begeleiding.

Niet gebleken is dat het voor verzoekers mogelijk is om bij familie of iemand anders uit het netwerk te verblijven. Zoals hiervoor al werd overwogen, is de woonsituatie van de vader daarvoor vermoedelijk niet geschikt. De tijdelijke maatwerkvoorziening, zoals bedoeld in artikel 2.3.3 Wmo hoeft weliswaar niet een precies passende maatregel te zijn maar er moet wel zo veel mogelijk aangesloten worden bij de behoefte van betrokkenen. Voorshands kan niet gezegd worden dat verblijf in een daklozenopvang bij mensen die te kampen hebben met diverse problematiek, aansluit bij de behoefte van een moeder en haar vier maanden oude baby.

6.5

Op grond van al hetgeen hiervoor werd overwogen, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om aan verweerder op te dragen om aan verzoekers samen met ingang van 17 juli 2017 tijdelijk kindvriendelijke opvang te bieden.

leefgeld

7.1

Verzoekers hebben daarnaast verzocht om voldoende leefgeld voor basisbehoeften, zoals eten, drinken en luiers. Zij baseren dit op artikel 16 Pw en stellen dat er zeer dringende redenen zijn om bijstand te verlenen. Verweerder heeft aangevoerd dat verzoekers zowel in het AZC, de gezinsopvanglocatie en de daklozenopvang aanspraak kunnen maken op leefgeld. Zoals uit het voorgaande blijkt, zal verweerder een andere tijdelijke opvang moeten bieden voor verzoekers. Dit betekent dat voorshands aannemelijk is dat zij geen aanspraak zullen kunnen maken op het door verweerder bedoelde leefgeld.

7.2

Daarnaast heeft verweerder naar voren gebracht dat als komt vast te staan dat verzoekster een afgeleid verblijfsrecht heeft op basis van artikel 20 VWEU, ten behoeve van haar zoon een bijstandsuitkering kan worden toegekend van 50%. Daarbij wijst verweerder erop dat verzoekster zelf geen recht heeft op een bijstandsuitkering en dat zij op basis van de Vreemdelingencirculaire Nederland zal moeten verlaten, zodra zij voor haar kind bijstand voor een hoger bedrag aanvraagt.

7.3

De voorzieningenrechter overweegt dat ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Pw verweerder, gelet op alle omstandigheden, bijstand kan verlenen aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Pw doen zich voor als sprake is van een acute noodsituatie en de behoeftige omstandigheden waarin betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is. In dit kader acht de voorzieningenrechter van belang dat verzoekers op dit moment verstoken zijn van inkomen en dat nog niet is voorzien in een onderhoudsbijdrage door de vader van het kind. Ervan uitgaande dat verzoekers niet hoeven bij te dragen in de kosten van de tijdelijke opvang acht de voorzieningenrechter vooralsnog een bedrag ter hoogte van 50% van de norm voor een alleenstaande ouder met één kind voldoende om de kosten van voeding en kleding van haar kind of andere voor hem noodzakelijke kosten te betalen. Indien verzoekers wel dienen bij te dragen in de kosten van de tijdelijke opvang acht de voorzieningenrechter vooralsnog een uitkering naar de norm van een alleenstaande ouder met één kind afdoende. Hierin ziet de voorzieningenrechter aanleiding om verweerder ook te gelasten aan verzoekers voorschotten uit te betalen op een eventueel recht op een bijstandsuitkering.

proceskosten

8. Verzoekers hebben verzocht om verweerder te veroordelen in de proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,-- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,-- en een wegingsfactor 1).

Omdat verzoekers een beroep hebben gedaan op betalingsonmacht is er vooralsnog afgezien van het heffen van griffierecht. De voorzieningenrechter ziet op basis van de door verzoekers verstrekte gegevens geen aanleiding om daarop terug te komen. Verzoekers zijn daarom voor de behandeling van deze voorlopige voorziening definitief geen griffierecht verschuldigd.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in hun verzoek van 22 juni 2017,

- draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak aan verzoekers samen kindvriendelijke opvang te verstrekken en voorschotten op een eventueel recht op bijstand met ingang van 17 juli 2017 en tot zes weken na de beslissing op bezwaar,

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 990,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P.E. Oomens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F. Vermeij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2017.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.