Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:5733

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
14-07-2017
Datum publicatie
20-07-2017
Zaaknummer
AWB - 15 _ 4298
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

KB-Luxzaak. Verweerder heeft door de boetes te verminderen tot 50% niet gehandeld in strijd met het gehanteerde beleid. Ook anderszins ziet de rechtbank geen aanleiding tot verdere matiging van de boete. Beroep op het gelijkheidsbeginsel t.a.v. beleid bij de Belastingdienst Eindhoven is niet geconcretiseerd en faalt deralve.

Wetsverwijzingen
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/1761
Viditax (FutD), 20-07-2017
FutD 2017-1842
NTFR 2017/1986
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummers: HAA 15/4298, 15/4299, 15/4300, 15/4302 en 15/4303

uitspraak van de meervoudige kamer van 14 juli 2017 in de zaken tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser

(gemachtigde: mr. R.J. van Rijn),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 28 november 2008 voor het jaar 2005 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.321 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 27.997, alsmede een vergrijpboete van € 5.647 (100% van de verschuldigde belasting). (HAA 15/4298)

Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 27 november 2009 voor het jaar 2006 een aanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van

€ 17.548 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 21.931, alsmede een vergrijpboete van € 6.189 (100% van de verschuldigde belasting). (HAA 15/4300)

Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 27 november 2009 voor het jaar 2007 een aanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van

€ 17.521 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 24.058, alsmede een vergrijpboete van € 6.617 (100% van de verschuldigde belasting). (HAA 15/4299)

Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 24 mei 2012 voor het jaar 2009 een aanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van

€ 26.381 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 26.127, alsmede een vergrijpboete van € 24.279 (300% van de verschuldigde belasting). (HAA 15/4302)

Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 1 juni 2013 voor het jaar 2010 een aanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van

€ 38.209 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 34.498, alsmede een vergrijpboete van € 23.223 (300% van de verschuldigde belasting). (HAA 15/4303)

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 1 juli 2015 de aanslag 2005 verminderd tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.321 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 16.253, en de vergrijpboete verminderd tot € 1.061 (50% van de verschuldigde belasting).

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 29 juni 2015 de aanslag 2006 verminderd tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.458 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 9.366, en de vergrijpboete verminderd tot € 1.159 (50% van de verschuldigde belasting).

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 29 juni 2015 de aanslag 2007 verminderd tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.521 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 10.008, en de vergrijpboete verminderd tot € 1.158 (50% van de verschuldigde belasting).

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 3 juli 2015 de aanslag 2009 verminderd tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.381 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.663, en de vergrijpboete verminderd tot € 681 (50% van de verschuldigde belasting).

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 8 juli 2015 de aanslag 2010 verminderd tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 38.209 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 14.641, en de vergrijpboete verminderd tot € 611 (50% van de verschuldigde belasting).

Eiser heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld, door de rechtbank ontvangen op 30 juli 2015.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

De rechtbank heeft op 21 juni 2017 een nader stuk van eiser ontvangen en in kopie doorgezonden naar verweerder.

Nadat beide partijen hadden bericht geen prijs te stellen op een behandeling ter zitting, heeft de rechtbank bij brief van 26 juni 2016 het onderzoek gesloten en partijen bericht dat binnen zes weken na dagtekening uitspraak zal worden gedaan.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser heeft aangifte ib/pvv voor het jaar 2005 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.321 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van

€ 9.174.

Eiser heeft aangifte ib/pvv voor het jaar 2006 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.458 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.633.

Eiser heeft aangifte ib/pvv voor het jaar 2007 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.521 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.285.

Eiser heeft aangifte ib/pvv voor het jaar 2009 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.246 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.622.

Eiser heeft aangifte ib/pvv voor het jaar 2010 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 37.739 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 9.352.

2. Ten aanzien van de aanslagen ib/pvv over de jaren 2002 en 2004 is ter zitting van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof Amsterdam een compromis gesloten, onder meer inhoudende dat de boeten zullen verminderd tot 50% van de verschuldigde belasting.

Geschil
3. In geschil is de hoogte van de vergrijpboetes.

4. Eiser stelt dat de boetes moeten worden verminderd tot 40% van de verschuldigde belasting.

5. Verweerder stelt dat in beginsel een vergrijpboete van 100% wordt opgelegd. Met ingang van 2 juli 2009 bedraagt de boete in beginsel 300%. Indien de belastingplichtige in de bezwaarfase alsnog meewerkt, wordt deze verminderd tot 75% (2009 en 2010: 225%). Voorts wordt de boete met maximaal 20% verder verminderd wegens undue delay. In casu heeft eiser in bezwaar meegewerkt. In verband met undue delay dient vermindering met 20% plaats te vinden. Op basis van voornoemd beleid dienen de boetes te worden verminderd tot boetes van 60% (80% van 75%) voor de jaren 2005, 2006 en 2007 respectievelijk tot 180% (80% van 225%). Nu alle boetes zijn verminderd tot 50%, bestaat geen aanleiding voor een verdere verlaging.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

6. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

7. Op grond van de andere procedures in het Rekeningenproject is inmiddels van algemene bekendheid dat de Belastingdienst in het kader van het Rekeningenproject een vaste gedragslijn heeft gevolgd als het gaat om de hoogte van de boetes. Deze belopen in beginsel 100% voor de jaren tot en met 2008 en 300% vanaf het jaar 2009, maar worden verminderd tot 50% (vanaf 2009: 150%) in geval een KB-Luxrekeninghouder vóór het opleggen van de navorderingsaanslag alsnog volledige openheid van zaken gaf met betrekking tot de verzwegen (inkomsten uit) tegoeden en tot 75% (vanaf 2009: 225%) indien de KB-Luxrekeninghouder deze volledige openheid in de bezwaarfase gaf.

Naar het oordeel van de rechtbank is deze gedragslijn op zich zelf niet in strijd met artikel 6 EVRM, de wet of enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Eiser heeft niets aangevoerd om te kunnen concluderen dat zulks in zijn situatie wel het geval was.

8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met het volgen van de evenvermelde gedragslijn het gelijkheidsbeginsel niet geschonden. De situatie van een meewerker (in de zin van de gedragslijn) is feitelijk niet gelijk aan die van een ontkenner (zoals belanghebbende). Het feit dat een KB-Luxrekeninghouder (vóór het opleggen van de navorderingsaanslag, dan wel daarna doch vóórdat uitspraak op bezwaar is gedaan) alsnog volledig meewerkt is aan te merken als een - zij het te laat - besef dat hij aan zijn inlichtingenverplichting behoort te voldoen en is daarmee naar het oordeel van de rechtbank een voldoende objectieve en redelijke rechtvaardiging om bij die meewerkers de boete tot 50%, dan wel 75%, te beperken.

9. Vaststaat dat eiser in de bezwaarfase openheid van zaken heeft gegeven. Verweerder heeft de boetes derhalve terecht op deze grond verminderd tot 75% van de verschuldigde belasting.

10. Het bepalen van de gegrondheid van de aan eiser opgelegde boete dient ingevolge artikel 6 van het EVRM te geschieden binnen een redelijke termijn. De maximale vermindering bedraagt, bij een overschrijding van twee jaar of meer, 20%.

Verweerder heeft in casu de boete met 20% verminderd vanwege undue delay. Een verdere overschrijding dan twee jaar leidt niet tot een verdere matiging van de boete. Verweerder heeft derhalve op juiste gronden de boete verder met 20% verminderd wegens overschrijding van de termijn van berechting.

11. Op grond van het vorenoverwogene zouden de boetes over de jaren 2005, 2006 en 2007 moeten worden verminderd tot 60% van de verschuldigde belasting, namelijk 80% van 75% en de boetes over 2009 tot 180% van de verschuldigde belasting. Verweerder heeft door de boetes te verminderen tot 50% dan ook niet gehandeld in strijd met het gehanteerde beleid. Ook anderszins ziet de rechtbank geen aanleiding tot verdere matiging van de boete.

12. Eiser beroept zich op het gelijkheidsbeginsel en verwijst daartoe naar beleid bij de Belastingdienst Eindhoven. Dienaangaande overweegt de rechtbank dat eiser geen concrete gevallen noch feiten en/of omstandigheden van die gevallen heeft aangevoerd, zodat niet aannemelijk is gemaakt dat er sprake is van rechtens en feitelijk gelijke gevallen. Reeds op die grond faalt het beroep op het gelijkheidsbeginsel.

13. Ten aanzien van de grief gericht tegen de heffingsrente overweegt de rechtbank dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de regeling inzake de heffingsrente door de Belastingdienst op de juiste wijze is toegepast en in rekening gebracht. De heffingsrente is derhalve berekend conform de wettelijke bepalingen.

Eiser maakt in zijn brief van 21 juni 2017 melding van te veel betaalde heffingsrente die pas na afloop van de procedures zou worden terugbetaald, terwijl vervolgens door verweerder een beroep wordt gedaan op de verjaringstermijn.

Voor zover de grief van eiser ziet op verrekening of uitbetaling van te veel berekende heffingsrente, kan de rechtbank zich hier niet over uitlaten, aangezien eiser zich hiermee richt tegen de wijze waarop de Ontvanger in de invorderingssfeer uitvoering heeft gegeven aan een aan eiser terug te betalen bedrag aan heffingsrente. De wijze van verrekening is aan het oordeel van de belastingrechter onttrokken. De rechtbank is dan ook niet bevoegd in deze een beslissing te nemen.

14. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

15. Bij deze uitkomst van de procedure acht de rechtbank geen termijn aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, voorzitter, en mr. A.A. Fase en mr. G.H. de Soeten, leden, in aanwezigheid van mr. M.C. Anema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.