Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:5714

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
04-07-2017
Datum publicatie
07-07-2017
Zaaknummer
1580014316
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank verwerpt het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting na het inzetten van een peilbaken op de auto van verdachte. Er is geen sprake van stelselmatige observatie, nu de met de observatie samenhangende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte als zo beperkt kan worden beschouwd dat de algemene taakomschrijving van opsporingsambtenaren, art. 3 van de Politiewet, daarvoor voldoende legitimatie biedt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 15/800143-16 en 15/700168-15 (tul) (P)

Uitspraakdatum: 4 juli 2017

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 20 juni 2017 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [woonplaats] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M.G.T. Kramer en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. M.J. Lamers, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

Feit 1:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 4 april 2016 tot en met 7 april 2016 te Grootebroek, gemeente Stede Broec en/of te Wervershoof, gemeente Medemblik en/of te Enkhuizen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een

voertuig (bedrijfsvoertuig)(te weten uit een Ford Transit, kenteken [kenteken 1]

en/of een Volkswagen Transporter, kenteken [kenteken 2] en/of een Renault, kenteken [kenteken 3] ) heeft weggenomen een (zeer grote) hoeveelheid gereedschap (waaronder zaagmachines en/of boormachines, en/of schroefmachines en/of schaafmachines en/of schiethamers)

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 1] ( [slachtoffer 1] ) en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , in elk geval (telkens) aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich (telkens) de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen goederen (gereedschap) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

Feit 2:

hij op een tijdstip tussen 6 april 2017 en 7 april 2017 te Wervershoof, gemeente Medemblik ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een auto merk Iveco (gekentekend [kenteken 4] ) weg te nemen goedere en/of geld van zijn gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot dat voertuig te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goederen en/of geld onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten, met dien verstande dat verdachte ten aanzien van de diefstal van de goederen uit de Renault onder feit 1 dient te worden vrijgesproken, nu in het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte die diefstal zou hebben gepleegd. De officier van justitie baseert zich bij de bewezenverklaring op de aangiftes, de bevindingen van de verbalisanten tijdens de observatie, de herkenning van verdachte door een verbalisant en het aantreffen van gereedschappen in de auto van verdachte.

3.2.

Standpunt van de verdediging

Primair heeft de raadsman betoogd dat verdachte niet de bestuurder is geweest van de Opel Vectra en ook niet de persoon is geweest die de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.

Subsidiair heeft de raadsman, onder verwijzing naar onder meer het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 29 december 2016 (ECLI:NL:GHARL:2016:10593), aangevoerd dat artikel 3 van de Politiewet geen basis biedt voor het plaatsen van het peilbaken onder het voertuig waarvan verdachte gebruik maakte. De raadsman heeft aangevoerd dat niet is gebleken van een concrete verifieerbare verdenking jegens verdachte ten tijde van het plaatsen van het baken. Door de inzet van het baken en de wijze waarop dat heeft plaatsgevonden, heeft een min of meer compleet beeld kunnen ontstaan van het leven van verdachte. Hierdoor is sprake geweest van stelselmatige observatie van verdachte zonder dat hiervoor een bevel van de officier van justitie is gegeven op grond van artikel 126g Wetboek van Strafvordering. Dit onherstelbare vormverzuim dient – gelet op het structurele karakter – te leiden tot bewijsuitsluiting van alle resultaten van het opsporingsonderzoek en derhalve tot vrijspraak.

3.3.

Bewijsuitsluitingsverweer

De raadsman heeft aangevoerd dat de resultaten van het opsporingsonderzoek dienen te worden uitgesloten van het bewijs, nu er sprake is van stelselmatige observatie waarvoor geen bevel door de officier van justitie was afgegeven. De rechtbank overweegt als volgt.

Uit de processen-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] van 7 april 2016 en 24 augustus 2016 blijkt dat een analyse was gemaakt om tot een concreet aantal personen te komen die ten tijde van het plaatsvinden van diefstallen uit bestelbussen in de regio Hoorn en omstreken voor deze diefstallen in aanmerking zouden komen. Deze analyse is tot stand gekomen op basis van de locatie en tijdstippen van de gepleegde delicten, staandehoudingen in de nabije omgeving van deze delicten en personen die gezien woonplaats en antecedenten mogelijk in aanmerking zouden komen. Uit de analyse bleek dat een aantal personen en voertuigen veelal in de nachtelijke uren werden gecontroleerd door de politie, zonder dat zij een redelijke verklaringen hadden voor hun aanwezigheid, waaronder het voertuig van verdachte en verdachte zelf. Er is getracht verdachte in de nachtelijke uren op 4 april 2016 als bestuurder staande te houden. Omdat hij met hoge snelheid wegreed van de politie is dit niet gelukt. Daarop is op 6 april 2016 om 05:00 uur een peilbaken geplaatst onder het voertuig van verdachte. Het peilbaken betrof een niet-registrerend hulpmiddel en was uitsluitend live te bekijken. Het gaf om de 5 seconden zijn positie door. Vanaf 6 april 2016 omstreeks 20:00 uur is het peilbaken continu live uitgekeken. Op 6 april 2016 om 22:31 uur is het voertuig in beweging gekomen en vanaf dat tijdstip zijn de reisbewegingen van het voertuig gevolgd. Op 7 april 2016 omstreeks 05.30 uur is het peilbaken onder de auto vandaan gehaald.

Observaties waarvoor geen bevel is gegeven als bedoeld in artikel 126g Sv kunnen onrechtmatig zijn indien zij geschikt zijn om een min of meer compleet beeld van bepaalde aspecten van het leven van verdachte te verkrijgen. Of dat het geval is, is afhankelijk van de omstandigheden zoals de duur, de intensiteit, de plaats, het doel van de observaties en de wijze waarop zij hebben plaatsgevonden.

Uit voornoemde processen-verbaal blijkt dat het peilbaken ongeveer 24 uur ten aanzien van verdachte in gebruik is geweest en dat zijn voertuig slechts werd gevolgd bij reisbewegingen die pasten binnen het onderzoek naar het plegen van vermogensdelicten gedurende de nachtelijke uren. Het volgen van die bewegingen heeft feitelijk minder dan 10 uren geduurd. Derhalve kan in deze zaak de met de observatie samenhangende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte als zo beperkt worden beschouwd dat de algemene taakomschrijving van opsporingsambtenaren, neergelegd in artikel 3 van de Politiewet, daarvoor voldoende legitimatie biedt. De rechtbank sluit hiermee aan bij het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 5 april 2016 (ECLI:NL:GHAMS:2016:1249).

De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsman.

3.4.

Partiële vrijspraak

De rechtbank acht ten aanzien van feit 1 niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte goederen, toebehorende aan [slachtoffer 3] , uit een Renault heeft weggenomen. De rechtbank zal verdachte daarom van dat deel van het onder feit 1 ten laste gelegde vrijspreken.

3.5.

Redengevende feiten en omstandigheden 1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten op grond van het volgende.

Op 6 april 2016 omstreeks 5:00 uur is een technisch hulpmiddel (de rechtbank begrijpt: peilbaken) geplaatst onder de auto van verdachte, een grijze Opel Vectra, voorzien van het kenteken [kenteken 5] . Om 20:00 uur zijn leden van het flexteam Noord-Holland begonnen met het volgen van dit voertuig. Het voertuig stond op dat moment geparkeerd op de [straatnaam 1] in [plaats 1] , waar verdachte woonachtig is. Om 22:31 uur is het voertuig in beweging gekomen. Verbalisant [verbalisant 2] is om 23:38 uur het voertuig tegemoet gereden en hij heeft de bestuurder van het voertuig aan zijn postuur en lengte herkend als verdachte [verdachte] . Vervolgens heeft verbalisant [verbalisant 1] via GPS gezien dat het voertuig op 7 april 2016 van 01:11 uur tot 01:18 uur op de [straatnaam 2] geparkeerd stond. Verbalisant [verbalisant 2] heeft kort daarna gezien dat op de [straatnaam 2] een raam van het portier van een Ford Transit, voorzien van het kenteken [kenteken 1] , was vernield.2 [slachtoffer 1] heeft namens [bedrijf 1] op 7 april 2016 aangifte gedaan van diefstal uit deze bedrijfsauto diezelfde ochtend, terwijl de auto geparkeerd stond aan de [straatnaam 2] te Grootebroek, gemeente Stede Broec.3 Uit de bedrijfsauto zijn onder andere zaagmachines, boormachines en een schiethamer weggenomen.4

Het voertuig reed vervolgens richting de [straatnaam 3] te [plaats 2] , waar de moeder van verdachte woonachtig is.5 Om 01:56 uur reed het voertuig richting Wervershoof, waar deze na een rondje te hebben gereden op de [straatnaam 4] , tussen 02:13 uur en 02:45 uur heeft stilgestaan in de omgeving van de [straatnaam 5] .6 Verbalisant [verbalisant 3] is omstreeks 02.45 uur naar de [straatnaam 5] te Wervershoof gereden, waar hij een bestelbus van het merk Volkswagen, type Transporter, voorzien van kenteken [kenteken 2] , zag staan, waarvan de schuifdeur niet geheel was gesloten.7 [slachtoffer 2] heeft aangifte gedaan van diefstal van gereedschappen uit deze bestelbus tussen 6 april 2016 16:30 uur en 7 april 2016 4:30 uur op de [straatnaam 5] te Wervershoof, gemeente Medemblik. Aangever verklaarde dat de schuifdeur aan de zijkant van zijn bestelbus op een kier stond en dat de slotpen van het voorportier omhoog stond.8 Uit de bestelbus, die hij voor zijn bedrijf gebruikt, zijn onder andere zaagmachines, een boormachine, een schroefmachine, een schaafmachine en een schiethamer weggenomen.9 Op de [straatnaam 4] te Wervershoof zag verbalisant [verbalisant 3] een bestelauto staan van het merk Iveco, voorzien van het kenteken [kenteken 4] . Het kleine driehoekige raampje bij het portier van de bijrijder was kapot. De verbalisant zag glasscherven liggen op de grond buiten het voertuig.10 [slachtoffer 4] heeft namens [bedrijf 2] aangifte gedaan van een poging tot diefstal tussen 6 april 2016 16:30 uur en 7 april 2016 2:30 uur op de [straatnaam 4] te Wervershoof, gemeente Medemblik, van het in die bestelauto aanwezige gereedschap.11

De Opel Vectra reed vervolgens naar [plaats 2] , waar deze volgens GPS ter hoogte van de [straatnaam 6] parkeerde.12 De ter plaatse gekomen verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] troffen het voertuig zonder inzittenden aan, geparkeerd achter een grote schuur. In het voertuig zagen verbalisanten diverse koffers met gereedschappen liggen.13

Om 03:35 uur is verdachte – nadat hij lopend uit een steeg kwam – aangehouden bij de [straatnaam 3] te [plaats 2] .14 Bij de fouillering van verdachte is in zijn linker jaszak een autosleutel van het merk Opel aangetroffen.15

In de stenen berging in de tuin van de [straatnaam 3] [huisnummer] te [plaats 2] , waar de moeder van verdachte woonachtig is, werd op 7 april 2016 na 05:20 uur een grote hoeveelheid gereedschap in koffers aangetroffen. De moeder van verdachte verklaarde dat deze spullen er op 6 april 2016 om 19:15 uur nog niet lagen en dus wel van haar zoon [verdachte] zullen zijn.16

Bewijsoverweging

Anders dan de raadsman heeft betoogd, is de rechtbank op grond van het bovenstaande van oordeel dat verdachte de bestuurder was van de Opel Vectra. Immers, het was zijn auto, hij is herkend als bestuurder van de auto, de auto is vertrokken van het huisadres van verdachte en heeft stilgestaan bij het adres van de moeder van verdachte. Nadat de auto is geparkeerd in de omgeving van de woning van de moeder van verdachte in [plaats 2] , is verdachte kort daarna lopend aangetroffen bij die woning met in zijn zak een autosleutel merk Opel.

Nu onder deze Opel Vectra het peilbaken is geplaatst en is waargenomen dat de auto telkens heeft stilgestaan of in de buurt is geweest van de straten waar die nacht auto-inbraken hebben plaatsgevonden, kan het niet anders dan dat verdachte degene is geweest die de diefstallen en de poging daartoe heeft gepleegd. Daarbij komt dat in de auto en in de schuur van de moeder van verdachte diverse gereedschappen zijn aangetroffen.

3.6.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

Feit 1:

hij op 7 april 2016 te Grootebroek, gemeente Stede Broec, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een bedrijfsvoertuig, te weten uit een Ford Transit, kenteken [kenteken 1] , heeft weggenomen een zeer grote hoeveelheid gereedschap (waaronder zaagmachines, boormachinesen een schiethamer), toebehorende aan [bedrijf 1] ( [slachtoffer 1] ), waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming;

en

hij op 7 april 2016 te Wervershoof, gemeente Medemblik, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een bedrijfsvoertuig, te weten een Volkswagen Transporter, kenteken [kenteken 2] , heeft weggenomen een zeer grote hoeveelheid gereedschap (waaronder zaagmachines, een boormachine, een schroefmachine, een schaafmachine en een schiethamer), toebehorende aan [slachtoffer 2] , waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming;

Feit 2:

hij op 7 april 2017 te Wervershoof, gemeente Medemblik ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een auto van het merk Iveco (gekentekend [kenteken 4] ) weg te nemen goederen, toebehorende aan een ander dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot dat voertuig te verschaffen door middel van braak, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft

verschaft door middel van braak en inklimming

en

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft

verschaft door middel van inklimming;

Feit 2:

Poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft

verschaft door middel van braak.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich niet uitgelaten over de strafmaat.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich midden in de nacht binnen een tijdsbestek van twee uren schuldig gemaakt aan twee diefstallen uit bedrijfsauto’s en één poging daartoe. Verdachte heeft daarbij kennelijk alleen oog gehad voor de geldelijke opbrengst van deze rooftocht. Dergelijke feiten veroorzaken gevoelens van onveiligheid in de samenleving en met name bij de betrokken slachtoffers. De slachtoffers hebben, naast het missen van hun eigendommen die zij nodig hebben bij het uitoefenen van hun werk, veelal ook te maken met schade als gevolg van de inbraken. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

Uit het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 18 mei 2017, blijkt dat verdachte reeds eerder ter zake van vermogensdelicten onherroepelijk tot vrijheidsbenemende straffen is veroordeeld. De rechtbank weegt deze omstandigheid ten nadele van verdachte mee bij de straftoemeting. De rechtbank houdt bij het opleggen van de straf rekening met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht nu verdachte na het plegen van de thans bewezenverklaarde strafbare feiten nog is veroordeeld.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de LOVS oriëntatiepunten. Als uitgangspunt voor ladingdiefstal geldt bij recidive een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden. De rechtbank acht de eis van de officier van justitie – gelet op artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht – redelijk en passend. De rechtbank zal derhalve aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van vijf maanden met aftrek van het voorarrest.

7 Beslissingen ten aanzien van het beslag

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen op de beslaglijst, zoals deze zijn vermeld op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, dienen te worden teruggegeven aan de rechthebbenden.

8 Vordering benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

8.1.

[slachtoffer 2] namens [bedrijf 3]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft namens [bedrijf 3] een vordering tot schadevergoeding van € 264,00 ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De gestelde schade bestaat uit:

- Misgelopen inkomsten € 264,00

De rechtbank is van oordeel dat deze schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit. De vordering zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 1 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: diefstal met inklimming] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8.2.

[benadeelde] namens [bedrijf 2]

De benadeelde partij [benadeelde] heeft namens [bedrijf 2] een vordering tot schadevergoeding van € 711,37 ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die het [bedrijf 2] als gevolg van het onder 2 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De gestelde schade bestaat uit:

  • -

    Directe schade aan de auto € 271,37

  • -

    Derving € 200,00

  • -

    Kosten voor het regelen van zaken € 240,00

Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde materiële schade ten aanzien van de directe schade aan de auto en het verlies van inkomsten door het niet kunnen inzetten van een werknemer voldoende is onderbouwd en in zodanig verband staat met de door verdachte gepleegde strafbare feiten, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. Deze schadeposten, die door de raadsman niet zijn weersproken, zullen dan ook worden toegewezen. De kosten voor het regelen van zaken acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd.

De rechtbank zal de vordering dan ook toewijzen tot een totaalbedrag van € 471,37, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

De rechtbank zal bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 2 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: poging tot diefstal met braak] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

9 Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij vonnis van 29 februari 2016 in de zaak met parketnummer 15/700168-15 heeft de rechtbank Noord-Holland verdachte ter zake van diefstal met braak en vernieling veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 22 maart 2016 aan verdachte toegezonden.

De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 15 maart 2016 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.

De officier van justitie vordert thans dat de rechtbank zal gelasten dat die voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering dient te worden toegewezen, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Artikelen 36f, 45, 57, 63, 311 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.6. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 2] , namens [bedrijf 3] , geleden schade tot een bedrag van € 264,00

(zegge: tweehonderdvierenzestig euro), bestaande uit materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 2] , namens [bedrijf 3], de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 264,00 (zegge: tweehonderdvierenzestig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 5 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde] , namens [bedrijf 2] , geleden schade tot een bedrag van € 471,37 (zegge: vierhonderdeenenzeventig euro en zevenendertig cent), bestaande uit materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde] , namens [bedrijf 2] , de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 471,37 (zegge: vierhonderdeenenzeventig euro en zevenendertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 9 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Gelast de teruggave aan de rechthebbenden van: de goederen op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen

Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 15/700168-15 en gelast de tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden, opgelegd bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland d.d. 29 februari 2016.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.E. van Harten, voorzitter,

mr. P.H.B. Littooy en mr. J. van Beek, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. Z.T. Pronk,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 4 juli 2017.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 april 2016 (dossierpagina’s 20-22).

3 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] d.d. 7 april 2016 (dossierpagina 57).

4 Bijlage goederen bij proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] d.d. 7 april 2016 (dossierpagina’s 61 tot en met 63).

5 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 april 2016 (dossierpagina 22).

6 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 april 2016 (dossierpagina 23).

7 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 april 2016 (dossierpagina 29).

8 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] d.d. 7 april 2016 (dossierpagina 70).

9 Bijlage goederen bij proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] d.d. 7 april 2016 (dossierpagina’s 72 tot en met 75).

10 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 april 2016 (dossierpagina 30).

11 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 4] d.d. 7 april 2016 (dossierpagina’s 80 en 81).

12 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 april 2016 (dossierpagina 23).

13 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 april 2016 (dossierpagina 36).

14 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 april 2016 (dossierpagina 41).

15 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 april 2016 (dossierpagina 39).

16 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 april 2016 (dossierpagina 40).