Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:5654

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
12-07-2017
Datum publicatie
13-07-2017
Zaaknummer
C/15/257184 / HA ZA 17-253
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De incidentele vordering tot onbevoegdverklaring is gebaseerd op een arbitragebeding in algemene voorwaarden. De gesubrogeerde verzekeraar doet een beroep op vernietigbaarheid van het arbitragebeding. De vordering wordt afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3699
TvA 2017/71
NTHR 2017, afl. 5, p. 307
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer / rolnummer: C/15/257184 / HA ZA 17-253

Vonnis in incident van 12 juli 2017

in de zaak van

de naamloze vennootschap

ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. A.P.E. de Ruiter te Zwolle,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KOOS KONING AANNEMINGSBEDRIJF & VASTGOEDADVIES BV,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Middenbeemster,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. R.S. Ariëns te Amsterdam,

2 [gedaagde2],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in de hoofdzaak,

advocaat mr. G.C. Endedijk te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Achmea en Koos Koning genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord aan de zijde van gedaagde sub 2

  • -

    de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid aan de zijde van Koos Koning

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De beoordeling in het incident

2.1.

Koos Koning is een aannemingsbedrijf dat op (of rond) 25 juni 2010 een aannemingsovereenkomst heeft gesloten met [A.]. De overeenkomst zag op het aanbrengen van een betonnen (heipalen) fundering en de levering en bouw van een prefab houtskelet constructie en het wind en waterdicht maken daarvan. Op deze overeenkomst zijn de algemene voorwaarden van aannemingen in het bouwbedrijf (AVA) 1992 van toepassing verklaard.

2.2.

Artikel 21 van de AVA 1992 luidt als volgt:

"1. Voor de beslechting van de in dit artikel bedoelde geschillen doen partijen afstand van hun recht deze aan de gewone rechter voor te leggen, behoudens ingeval van het nemen van conservatoire maatregelen en de voorzieningen om deze in stand te houden en behoudens de in het derde lid omschreven bevoegdheid.

2. Alle geschillen - daaronder begrepen die, welke slechts door een der partijen als zodanig worden beschouwd - die naar aanleiding van deze overeenkomst of van de overeenkomsten die daarvan een uitvloeisel zijn, tussen opdrachtgever en aannemer mochten ontstaan, worden beslecht door arbitrage overeenkomstig de regelen beschreven in de statuten van de Raad van Arbitrage voor de Bouwbedrijven in Nederland, zoals deze drie maanden voor het tot stand komen van de overeenkomst luiden.

3. In afwijking van het tweede lid kunnen geschillen, welke tot de competentie van de kantonrechter behoren, ter keuze van de meest gerede partij ter beslechting van de bevoegde kantonrechter worden voorgelegd."

2.3.

Op 23 maart 2013 heeft in de woning van [A.] een brand plaatsgevonden, waardoor schade aan de woning en de inboedel is ontstaan.

2.4.

[A.] had het risico voor brandschade aan de woning verzekerd bij Achmea. Krachtens de verzekeringsovereenkomst heeft Achmea de schade aan [A.] vergoed.

2.5.

Achmea heeft Koos Koning en gedaagde sub 2 aansprakelijk gesteld voor de schade en wenst het door haar uitgekeerde bedrag en de met onderzoek in deze kwestie gemoeide kosten als gesubrogeerd verzekeraar op hen te verhalen.

2.6.

Koos Koning heeft zich bij incidentele conclusie op het standpunt gesteld dat de Raad van Arbitrage voor de Bouwbedrijven exclusief bevoegd is om van de door Achmea ingestelde vorderingen kennis te nemen. In dat kader wijst Koos Koning op artikel 7:962 lid 1 BW waaruit voortvloeit dat vorderingen tot schadevergoeding die de verzekerde ([A.]) ter zake van door hem geleden schade anders dan uit verzekering op derden heeft, bij wijze van subrogatie over gaan op de verzekeraar voor zover deze die schade vergoedt. Koos Koning stelt dat Achmea hierdoor gebonden is aan het arbitrale beding dat op de tussen Koos Koning en [A.] gesloten aannemingsovereenkomst van toepassing is verklaard. Koos Koning concludeert dan ook dat de rechtbank zich onbevoegd dient te verklaren.

2.7.

Achmea voert verweer. Achmea stelt zich op het standpunt dat haar verzekerde [A.], althans Achmea, het arbitragebeding dat is opgenomen in de van toepassing verklaarde algemene voorwaarden (buitengerechtelijk) heeft vernietigd, althans verzoekt Achmea de rechtbank dit beding alsnog te vernietigen op grond van artikel 6:236 sub n BW (zwarte lijst).

2.8.

Koos Koning stelt dat Achmea niet namens [A.] de vernietiging van het arbitrale beding kan inroepen omdat [A.] geen procespartij in deze procedure is. Koos Koning stelt dat Achmea evenmin een beroep kan doen op artikel 6:236 sub n BW aangezien deze bevoegdheid slechts toekomst consumenten. Onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 13 november 2013 (ELCI:NL:RBNNE:2013:6966) stelt Koos Koning dat Achmea geen consument is dat zij evenmin door subrogatie consument is geworden of als zodanig dient te worden bestempeld.

2.9.

Achmea stelt zich op het standpunt dat de uitspraak waar Koos Koning haar vordering op baseert achterhaald is door de latere jurisprudentie. Achmea verwijst naar verschillende uitspraken die haar standpunt, dat het enkele feit dat Achmea zich als regresnemer (niet consument) tot Koos Koning heeft gewend en niet de benadeelde ([A.]) (als consument) zelf, niet aan een beroep op vernietiging van het in de algemene voorwaarden opgenomen arbitragebeding op grond van artikel 6:236 sub n BW in de weg staat, onderbouwen

2.10.

Tot slot wijst Achmea op het arrest van de Hoge Raad van 10 juli 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1873). In dit arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat gelet op artikel 7:962 lid 1 BW het uitgangspunt moet zijn dat de billijkheidscorrectie van artikel 6:101 lid 1 BW doorwerkt in de (regres)verhouding tussen verzekeraars op gelijke wijze als deze zou gelden in de verhouding tussen de verzekerden. Achmea erkent dat het leerstuk van artikel 6:101 lid 1 BW in de onderhavige kwestie niet aan de orde is, maar stelt dat deze uitspraak onderstreept dat afwijking van artikel 7:962 lid 1 BW slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden is toegestaan.

2.11.

De rechtbank is van oordeel dat het uitgangspunt is dat de gesubrogeerde verzekeraar volledig in de rechten van de verzekerde treedt en dat afwijken van artikel 7:962 lid 1 BW slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden is toegestaan. Van een dergelijke uitzonderlijke situatie is naar oordeel van de rechtbank hier geen sprake. Hieruit volgt dat Achmea bevoegd was om het arbitragebeding op grond van artikel 6:236 sub n BW (buitengerechtelijk) te vernietigen, zodat een beroep door Koos Koning op het arbitragebeding faalt.

2.12.

De incidentele vordering zal gezien het voorgaande worden afgewezen.

2.13.

Koos Koning zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

3 De beslissing

De rechtbank

in het incident

3.1.

wijst het gevorderde af,

3.2.

veroordeelt Koos Koning in de kosten van het incident, aan de zijde van Achmea tot op heden begroot op € 452,00,

3.3.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

3.4.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 6 september 2017 voor conclusie van antwoord aan de zijde van Koos Koning.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.S. Röell en in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2017.1

1 type: 1440 coll: