Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:5487

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
03-07-2017
Datum publicatie
07-07-2017
Zaaknummer
16/5294
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mededelingen dat tegemoet zal worden gekomen aan het verzoek tot handhaving zijn niet gericht op rechtsgevolg en daarom geen besluiten als bedoeld in artikel 1:3 Awb.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 16/5294

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. K. van Driel),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beverwijk, verweerder

(gemachtigde: J.A. Zijlstra).

Procesverloop

Bij brief van 15 april 2016 heeft verweerder eiser medegedeeld dat hij besloten heeft het verzoek van eiser om handhavend op te treden tegen het terras bij Café Restaurant [naam] aan de [het terras] (het terras) toe te wijzen.

Bij besluit van 16 september 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juni 2017. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van R.T. Potma en mr. N. Wijdenes.

Overwegingen

1.1.

In genoemde brief van 15 april 2016 staat dat verweerder besloten heeft het verzoek om handhaving toe te wijzen en dat verweerder de uitbater van het terras (de uitbater) op 9 februari 2016 een waarschuwingsbrief heeft gestuurd, waarin is aangekondigd dat handhavend zal worden opgetreden. Voorts is in de brief vermeld dat verweerder de uitbater de gelegenheid heeft geboden een omgevingsvergunning aan te vragen voor het terras, dat de uitbater dit heeft gedaan, maar omdat deze aanvraag onvolledig was, de gelegenheid is gegeven deze aanvraag aan te vullen. Indien de uitbater dit nalaat, zal het handhavingstraject worden hervat.

1.2.

Bij brief van 19 april 2016 maakt eiser bezwaar tegen de brief van 15 april 2016 en stelt dat verweerder op zijn verzoek om handhaving een besluit had moeten nemen. De brief van 15 april 2016 is niet aan te merken als een besluit, omdat de enkele mededeling dat handhavend zal worden opgetreden geen besluit is op zijn verzoek om handhavend op te treden.

2. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het primaire besluit van 15 april 2016 gehandhaafd wordt.

3.1.

De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of verweerder het bezwaarschrift terecht ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank overweegt daaromtrent als volgt.

3.2.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in de uitspraak van 10 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2181, overwogen dat mededelingen dat tegemoet zal worden gekomen aan het verzoek tot handhaving en voornemens tot handhaving vooraankondigingen tot handhaving zijn. Vooraankondigingen tot handhaving zijn niet gericht op rechtsgevolg en daarom geen besluiten als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3.3.

De rechtbank is, gelet daarop, van oordeel dat de brief van 15 april 2016 een vooraankondiging tot handhaving betreft. De aan de uitbater verstuurde brief van 9 februari 2016 is eveneens enkel een vooraankondiging tot handhaving. De brief van 15 april 2016 is daarom noch op zichzelf, noch in samenhang met de aan de uitbater verstuurde brief van 9 februari 2016 bezien, op rechtsgevolg gericht, zodat deze brief geen besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb is. De in de brief opgenomen mededeling dat, indien de aanvraag om omgevingsvergunning niet wordt aangevuld, het handhavingstraject wordt hervat, maakt ook niet dat deze brief op rechtsgevolg is gericht. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, van de Awb kon tegen deze brief dan ook geen bezwaar worden gemaakt. Daarom had verweerder het bezwaarschrift van eiser niet-ontvankelijk moeten verklaren. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen.

4. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank verklaart het bezwaar van eiser van 19 april 2016 niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit. De gevraagde proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in bezwaar wijst de rechtbank af, omdat geen sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb.

5. Omdat de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

6. De rechtbank heeft verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten in beroep veroordeeld en op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 990,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,00 en een wegingsfactor 1), zijnde de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    verklaart het bezwaar van eiser van 19 april 2016 niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,00 aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten in beroep van eiser ten bedrage van
€ 990,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.B. de Vries – van den Heuvel, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H. Bakker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.