Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:5451

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
29-06-2017
Datum publicatie
04-07-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 4607
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep gegrond. Geen sprake van een bijbehorend bouwwerk zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, van bijlage II van het Bor, omdat het bijbehorende bouwwerk niet op hetzelfde perceel als waarop het hoofdgebouw is gelegen wordt gebouwd. De twee percelen zijn in eigendom bij twee verschillende eigenaren. Daarnaast wordt het perceel waarop het bijbehorende bouwwerk wordt gebouwd ook niet feitelijk gebruikt ten behoeve van het ten behoeve van het perceel waarop het hoofdgebouw is gelegen.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.12
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 16/4607

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juni 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.H.C. Peters),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Texel, verweerder

(gemachtigde: mr. J.B. van Doorn).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Stichting Dorpsherstel Texel, te Texel.

Procesverloop

Bij besluit van 17 maart 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan Stichting Dorpsherstel Texel een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een rosmolen aan [perceel] .

Bij besluit van 12 september 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door I.J.A. Laurijssen namens zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Derde-partij is vertegenwoordigd door J. Commijs, W. van Duijn en D.M. Alderlieste.

Overwegingen

1. De verleende omgevingsvergunning ziet op het plaatsen van een rosmolen op het perceel [perceel] . De rosmolen wordt geplaatst op het parkeerterrein aan de westzijde van het Cultuurhistorisch Museum Texel (het museum), op circa 2,5 meter van de gevel van het museum. Het museum grenst aan de woning van eiser. Het parkeerterrein grenst aan de tuin van eiser.

2. Op grond van het vigerende bestemmingsplan “De Waal” (het bestemmingsplan) rust op het betreffende perceel de bestemming “Maatschappelijke doeleinden”. Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan.

3. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan.

Op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, van de Wabo, kan de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, worden verleend in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.

Op grond van artikel 4, aanhef en eerste lid, onder a, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor), komt voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2º, van de Wabo van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, in aanmerking een bijbehorend bouwwerk binnen de bebouwde kom.

Op grond van artikel 1, eerste lid, van bijlage II van het Bor wordt onder bijbehorend bouwwerk verstaan een uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.

4. Verweerder heeft met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º van de Wabo, gelezen in verbinding met artikel 4, aanhef en eerste lid, onderdeel a, van bijlage II van het Bor, omgevingsvergunning voor het bouwplan verleend.

5.1

Eiser betoogt dat geen sprake is van een bijbehorend bouwwerk, omdat de rosmolen niet op hetzelfde perceel als het hoofdgebouw wordt gebouwd. Het perceel waarop de rosmolen wordt gebouwd is in gebruik als parkeerterrein en staat niet uitsluitend ter beschikking aan het museum. Het perceel is geen eigendom van het museum, maar van verweerder. Ook is volgens eiser geen sprake van functionele verbondenheid, aangezien het nog onduidelijk is hoe de rosmolen zal worden aangedreven.

5.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de rosmolen als bijbehorend bouwwerk bij het museum - het hoofdgebouw - dient te worden aangemerkt. De rosmolen wordt op hetzelfde perceel gebouwd en is functioneel verbonden met het museum. Hoewel het parkeerterrein eigendom is van verweerder, wordt het volgens verweerder sinds jaar en dag feitelijk gebruikt ten behoeve van het museum. Dit feitelijke gebruik - in combinatie met de bestemming van het perceel - maakt volgens verweerder dat sprake is van hetzelfde perceel als bedoeld in artikel 4 van bijlage II van het Bor. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst verweerder naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:677. Voor wat betreft de functionele verbondenheid is het volgens verweerder voldoende dat het gebruik van het hoofdgebouw en het bijbehorende bouwwerk identiek of nauw gerelateerd zijn.

5.3

In geschil is of de rosmolen een bijbehorend bouwwerk is als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van bijlage II van het Bor. Uit de in deze bepaling opgenomen definitie van “bijbehorend bouwwerk” volgt dat het bouwwerk zich op hetzelfde perceel als het hoofdgebouw dient te bevinden. In het Bor en de daarbij behorende bijlagen ontbreekt een definitie van wat onder het begrip “perceel” moet worden verstaan. De Afdeling heeft meermalen, onder meer in de door verweerder genoemde uitspraak van 16 maart 2016, overwogen dat de feitelijke actuele situatie, waaronder de inrichting en wijze van gebruik van de gronden, van belang is voor de vraag of sprake is van hetzelfde perceel.

5.4

Niet in geschil is dat het museum en het parkeerterrein zich bevinden op afzonderlijke, aan elkaar grenzende, kadastrale percelen. De percelen zijn in eigendom van respectievelijk derde-partij en verweerder. Nu de twee percelen in eigendom zijn bij twee verschillende eigenaren, kan naar het oordeel van de rechtbank reeds daarom geen sprake zijn van hetzelfde perceel in vorenbedoelde zin. Daarnaast is ter zitting voldoende komen vast te staan dat het parkeerterrein, anders dan verweerder stelt, niet feitelijk ten behoeve van het museum wordt gebruikt, maar dat het naar de onweersproken stellingen van eiser en derde-partij een openbaar parkeerterrein betreft dat met name wordt gebruikt door bewoners van De Waal. De bezoekers van het museum parkeren hun auto elders. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft geoordeeld dat de rosmolen op hetzelfde perceel wordt gebouwd als het perceel waar het hoofdgebouw is gelegen.

5.5.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rosmolen geen bijbehorend bouwwerk is als bedoeld in artikel 4, aanhef en onder 1, van bijlage II van het Bor. Verweerder heeft zich ten onrechte bevoegd geacht om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2º, van de Wabo, gelezen in verbinding met artikel 4, aanhef en onder 1, van bijlage II van het Bor, omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo te verlenen. Reeds hierom is het beroep gegrond. De overige beroepsgronden van eiser kunnen verder onbesproken blijven.

6. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder dient opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,-).

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Jochem, rechter, in aanwezigheid van M. van Excel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.