Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:5437

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
29-06-2017
Datum publicatie
13-11-2017
Zaaknummer
C/15/257205 / JU RK 17-552
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming voor de aanvraag van een reisdocument. Gezag, IPR, artikel 16 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996.

Ingevolge artikel 16 lid 1 HKBV 1996 wordt de vraag wie van rechtswege het gezag heeft over een kind beheerst door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind. De gewone verblijfplaats van het kind wordt vastgesteld ten tijde van zijn geboorte, aangezien dat het moment is dat de ouderlijke verantwoordelijkheid van rechtswege ontstaat. Ingevolge artikel 16 lid 3 HKBV 1996 is het gezamenlijk gezag van de ouders blijven voortbestaan ook na de verhuizing en verplaatsing van de gewone verblijfplaats. Op grond van artikel 16 lid 4 HKBV 1996 zou, in geval van verplaatsing van de gewone verblijfplaats van het kind, het van rechtswege ontstaan van ouderlijke verantwoordelijkheid van een persoon die deze verantwoordelijkheid niet reeds heeft, beheerst worden door het recht van de Staat van de nieuwe gewone verblijfplaats

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

Zittingsplaats: Haarlem

zaaknummer: C/15/257205 / JU RK 17-552

datum uitspraak: 29 juni 2017

beschikking vervangende toestemming voor de aanvraag van een reisdocument

in de zaak van

de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers,

hierna te noemen: de GI,

gevestigd te Haarlem,

betreffende de minderjarigen:

  • -

    [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , hierna te noemen: [minderjarige] ;

  • -

    [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , [minderjarige] ,

hierna te noemen: [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] , hierna te noemen: de moeder,

zonder bekend woon- of verblijfplaats hier te lande of daarbuiten,

en

[de vader] , hierna te noemen: de vader.

wonende te [plaats] .

1 Het procesverloop

1.1

Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift, met bijlagen, van de GI van 28 maart 2017, ingekomen ter griffie op dezelfde datum.

1.2

Op 2 mei 2017 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Hierbij zijn verschenen en gehoord:

  • -

    de vader;

  • -

    de GI, vertegenwoordigd door de heer [naam] .

1.3

De moeder is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2 De feiten en omstandigheden

2.1

De ouders zijn blijkens de Basisregistratie Personen op [datum] in [plaats] gehuwd en op [datum] in [plaats] gescheiden. Uit bij de gemeente [plaats] , afdeling Burgerzaken, opgevraagde informatie blijkt het huwelijk van de ouders voor de geboorte van de kinderen ook in Nederland te zijn erkend. Hetzelfde geldt voor de echtscheiding die op [datum] in [plaats] heeft plaatsgevonden. Deze is eveneens geregistreerd in de Basisregistratie Personen. Zowel het huwelijk als de echtscheiding wordt, hoewel pas naderhand door de gemeente [plaats] gemuteerd, geregistreerd op de datum waarop het huwelijk daadwerkelijk is gesloten dan wel de echtscheiding daadwerkelijk is uitgesproken.

2.2

De ouders en de kinderen bezitten blijkens de Basisregistratie Personen de Nederlandse nationaliteit. Volgens de vader bezitten de ouders en de kinderen tevens de Libanese nationaliteit.

2.3

De ouders zijn blijkens de Libanese geboorteakte van [minderjarige] en de Libanese echtscheidingsakte sjiieten.

2.4

De vader heeft zich blijkens de Basisregistratie Personen op [datum] voor het eerst op een adres in Nederland gevestigd, de moeder op [datum] . [minderjarige] is op de datum van zijn geboorte en [minderjarige] op [datum] ingeschreven in de Basisregistratie Personen.

2.5

De moeder is blijkens de Basisregistratie Personen geëmigreerd op [datum] . Haar verblijfplaats is onbekend.

2.6

[minderjarige] en [minderjarige] verblijven (thans) sinds [datum] in Nederland en wonen (thans) bij de vader.

2.7

Op 18 september 2015 zij [minderjarige] en [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling bij beschikking van de kinderrechter van 14 december 2015 definitief is uitgesproken, vervolgens verlengd en thans nog voortduurt tot 17 juni 2017.

3 Het verzoek

3.1

De GI verzoekt de kinderrechter vervangende toestemming te verlenen ten behoeve van het aanvragen van een eigen reisdocument (paspoort of Nederlandse identiteitskaart) voor [minderjarige] en [minderjarige] .

3.2

De GI legt aan haar verzoek ten grondslag dat de kinderen, gezien hun leeftijd en ten behoeve van hun vakantie in Libanon, een Nederlandse identiteitskaart en/of paspoort behoeven. De moeder is, vanwege de strijd tussen de ouders en haar onbekende woon- of verblijfplaats, niet bereikbaar voor de vader en de GI. De toestemming van de moeder met de aanvraag van de benodigde reisdocumenten van de kinderen is daarom niet verkregen, terwijl gemeente [plaats] de (mede)toestemming van de moeder als (mede)gezaghebbende ouder eist.

4 Beoordeling

4.1

Door de omstandigheid dat de kinderen en de ouders volgens de vader naast de Nederlandse nationaliteit ook de Libanese nationaliteit hebben, dient eerst de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek van de GI. Aangezien de gewone verblijfplaats van [minderjarige] en [minderjarige] zich sinds [datum] in Nederland bevindt, komt de Nederlandse rechter op grond van artikel 10:113 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) jo. artikel 8 van Brussel II bis rechtsmacht toe ter zake van voornoemd verzoek.

4.2

Vervolgens is de vraag aan de orde welk recht van toepassing is. Op grond van artikel 17 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (hierna: HKBV 1996) is het Nederlands recht van toepassing op onderhavig verzoek.

4.3

In artikel 36 van de Paspoortwet (hierna: Pw) is de situatie van de minderjarige die onder toezicht is gesteld en jonger is dan zestien jaren, geregeld in die zin, dat, indien één of beide personen die het gezag over de minderjarige uitoefenen, weigeren een verklaring van toestemming als bedoeld in artikel 34, eerste lid van de Pw, af te geven, in plaats van die verklaring een verklaring van toestemming van de bevoegde rechter kan worden overgelegd. Een dergelijk verzoek kan onder meer door de GI worden gedaan.

4.4

Om te beoordelen of de toestemming van de moeder door voornoemde verklaring van de rechter kan worden vervangen, zoals verzocht door de GI, dient eerst de vraag te worden beantwoord door wie het gezag over de kinderen thans wordt uitgeoefend. De kinderrechter overweegt daartoe als volgt.

4.5

Uit de Basisregistratie Personen blijkt dat [minderjarige] en [minderjarige] staande het huwelijk van de ouders zijn geboren, dat beide kinderen vanaf hun geboorte de Nederlandse nationaliteit bezitten, dat [minderjarige] in Nederland is geboren en dat [minderjarige] in Libanon is geboren.

4.6

Op de kwestie aan wie het gezag toekomt en door wie het wordt uitgeoefend, is het HKBV 1996 van toepassing.

Ingevolge artikel 16, eerste lid van het HKBV 1996 wordt de vraag wie van rechtswege het gezag heeft over een kind beheerst door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind. De kinderrechter zal de gewone verblijfplaats van [minderjarige] en [minderjarige] vaststellen ten tijde van hun respectievelijke geboorte, aangezien dat het moment is dat de ouderlijke verantwoordelijkheid van rechtswege ontstaat.

4.7

De kinderrechter oordeelt derhalve dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] ten tijde van zijn geboorte in Nederland was, zodat het Nederlands recht van toepassing is voor het antwoord op de vraag aan wie het gezag over [minderjarige] toekwam ten tijde van zijn geboorte. Op grond van artikel 1:251 van het BW kwam het gezag van rechtswege toe aan de ouders gezamenlijk.

Ingevolge artikel 16, derde lid van het HKBV 1996 is het gezamenlijk gezag van de ouders blijven voortbestaan ook na de verhuizing en verplaatsing van de gewone verblijfplaats van [minderjarige] naar Libanon in 2011 en 2013. Dat het voor moslims in Libanon geldend recht de rechtsfiguur van het (mede)gezag van de moeder niet kent en dat de ouders onder toepassing van dat recht zijn gescheiden, maakt dat niet anders. Het gezag over [minderjarige] berust daarom nog steeds bij beide ouders.

4.8

De kinderrechter oordeelt voorts dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] ten tijde van haar geboorte in Nederland was, ook al verbleef de moeder ten tijde van de geboorte van [minderjarige] op [datum] in Libanon. Per [datum] is [minderjarige] na haar komst in Nederland op het adres waar beide ouders indertijd verbleven, ingeschreven. De moeder is na haar huwelijk met de vader in Nederland komen wonen en in december 1998 de gemeente [plaats] ingeschreven. De vier oudere kinderen van de ouders zijn allen in Nederland geboren. Tijdens het laatste gedeelte van de zwangerschap en gedurende een aantal maanden na de geboorte van [minderjarige] heeft de moeder in Libanon verbleven. De vader is in Nederland blijven wonen. Het centrum van de economische en maatschappelijke belangen van het gezin is dus rond de geboorte van [minderjarige] niet verplaatst naar een ander land. Het verblijf van de moeder in Libanon kort voorafgaand aan en een drietal maanden na de geboorte van [minderjarige] heeft dan ook een uitermate tijdelijk karakter gehad, dat zeer waarschijnlijk mede verband heeft gehouden met het vergevorderde stadium van de zwangerschap en het fysieke ongemak te kunnen reizen kort na de geboorte.

4.9

Gelet op voormelde omstandigheden concludeert de kinderechter dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] rond haar geboorte niet in Libanon is geweest of daar naartoe is verplaatst, zodat het toepasselijk recht van Nederland van toepassing is voor het antwoord op de vraag aan wie het gezag over [minderjarige] ten tijde van haar geboorte toekwam. Ingevolge artikel 16, derde lid van het HKBV 1996 is het gezamenlijk gezag van de ouders blijven voortbestaan ook na de verhuizing en verplaatsing van de gewone verblijfplaats van [minderjarige] naar Libanon in 2011 en 2013. Dat het voor moslims in Libanon geldend recht de rechtsfiguur van het (mede)gezag van de moeder niet kent en dat de ouders onder toepassing van dat recht zijn gescheiden, maakt dat niet anders. Het gezag over [minderjarige] berust daarom nog steeds bij beide ouders.

4.10

De kinderrechter merkt ten overvloede nog het volgende op. In geval men zou aannemen dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] ten tijde van (en aansluitend op) haar geboorte wel in Libanon zou zijn gelegen, wordt de vraag wie het ouderlijk gezag over haar heeft gekregen op het moment van haar geboorte beheerst door het recht van Libanon. In dat geval zou de ‘wilaya’ over [minderjarige] toekomen aan de vader. Echter op grond van het vierde lid van voormeld artikel 16 zou, in geval van verplaatsing van de gewone verblijfplaats van het kind, het van rechtswege ontstaan van ouderlijke verantwoordelijkheid van een persoon die deze verantwoordelijkheid niet reeds heeft, beheerst worden door het recht van de Staat van de nieuwe gewone verblijfplaats, in dit geval het Nederlands recht, en zou de moeder ook op grond daarvan ouderlijk gezag toekomen. De latere (tijdelijke) verplaatsingen naar Libanon zouden dat niet anders maken.

4.11

Thans doet zich de situatie voor dat de vader met [minderjarige] en [minderjarige] komende zomerperiode naar Libanon, althans naar het buitenland op vakantie wenst te gaan en dat de met het gezag belaste moeder op een voor de vader, de GI en de kinderrechter onbekende plek verblijft, niet reageert op de contactpogingen van de GI en derhalve niet gevraagd kan worden toestemming voor het aanvragen van de betreffende reisdocumenten te verlenen, en onderzoek naar de verblijfplaats van de gezaghebbende moeder niet kan worden afgewacht.

4.12

De kinderrechter is van oordeel dat het belang van [minderjarige] en [minderjarige] meebrengt, dat deze samen met de vader naar het buitenland op vakantie kunnen gaan, zeker nu de strijd tussen de ouders als (mogelijke) grond voor het weigeren door de met het gezag belaste moeder niet genoegzaam is. De kinderrechter zal daarom toestemming verlenen tot het aanvragen en verstrekken van een Nederlands paspoort en/of een Nederlandse identiteitskaart voor [minderjarige] en [minderjarige] .

5 Beslissing

De kinderrechter:

5.1

Verleent vervangende toestemming tot het aanvragen van een eigen reisdocument en/of een identiteitskaart ten behoeve van de minderjarigen:

  • -

    [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ;

  • -

    [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , Libanon.

5.2

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. Ph. Burgers, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. A. Hausenblasová, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2017.