Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:5178

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
29-06-2017
Datum publicatie
29-06-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 2486
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Doden van ganzen met CO2.

Naar voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter is er geen aanleiding voor het oordeel dat ontheffing is verleend voor middelen en methoden die een wettelijke grondslag ontberen.

Voor het gebruik van een vergassingsinstallatie en container voorziet artikel 3.9, tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit natuurbescherming in een voldoende wettelijke grondslag. Ten aanzien van het gebruik van netten en en fuik naar de vangkraal toe is de voorzieningenrechter van oordeel dat uit artikel 3.9, tweede lid, aanhef en onder b, van het Bnb voldoende concreet blijkt dat dit gebruik valt onder de daarin beschrheven methode, te weten het vangen door middel van bijeendrijven. Ten aanzien van de mogelijke inzet van vaartuigen is de voorzieningenrechter vooralsnog van oordeel dat daarbij sprake is van bijeendrijven en dat dit valt onder de methode beschreven in artikel 3.9, tweede lid, aanhef en onder b, van het Bnb.

De ontheffing is naar oordeel van de voorzieningenrechter voorts niet strijdig met de aan de toepassing van CO2 verbonden voorwaarden.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Wetsverwijzingen
Wet natuurbescherming 3.9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 17/2486

uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 juni 2017 in de zaak van tussen

Stichting Flora -en Fauna Bescherming, te Weesp, verzoekster

(gemachtigde: mr. M. van Duijn),

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland, verweerder

(gemachtigden: mr. H.A. Schoordijk en M.A. Schouten).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de stichting Faunabeheereenheid Noord-Holland, te Haarlem.

Procesverloop

Bij besluit van 6 april 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder aan de Stichting Faunabeheereenheid Noord-Holland (hierna: de Faunabeheereenheid) op grond van het bepaalde in de artikelen 3.3, eerste lid, 3.4, tweede lid, 3.8, eerste lid en 3.9, tweede lid, in samenhang met artikel 3.17, eerste lid van de Wet natuurbescherming (Wnb) – voor zover hier van belang – ontheffing verleend van:

  • -

    artikel 3.1, eerste lid in samenhang met artikel 3.17, eerste lid, van de Wnb om grauwe gans, brandgans, Canadese gans en verwilderde gedomesticeerde en/of hybride gans in al hun verschijningsvormen te doden en vangen;

  • -

    […];

  • -

    artikel 3.4, eerste lid, sub a, onder 2 en 3 van de Wnb om middelen, installaties en methoden te gebruiken voor het massaal vangen of niet-selectief vangen en doden van vogels of waardoor een soort plaatselijk kan verdwijnen;

  • -

    artikel 3.9, eerste lid van de Wnb om niet-selectieve middelen te gebruiken die de plaatselijke verdwijning of ernstige verstoring van de rust van de populaties tot gevolg kunnen hebben;

voor het vangen en doden van grauwe gans, brandgans, Canadese gans en verwilderde gedomesticeerde en/of hybride gans in al hun verschijningsvormen ter bestrijding van belangrijke schade aan gewassen.

Daarbij heeft verweerder aan de Faunabeheereenheid het gebruik van een vangkooi toegestaan zoals genoemd in artikel 3.9, eerste lid, onder e, van het Besluit natuurbescherming (Bnb), alsmede het gebruik van de methoden zoals genoemd in artikel 3.9, tweede lid, onder a en b, van het Bnb inhoudende dat het gebruik van CO2 en het vangen door middel van bijeendrijven met gebruik daarbij van in elk geval een vangkraal.

De ontheffing wordt door verweerder beschikbaar gemaakt tot een ondergrens is bereikt van:

i 15.000 grauwe ganzen waaronder 3.900 broedparen,

ii. 73.00 brandganzen waaronder 1.800 broedparen,

iii. 1.600 Canadese ganzen waaronder 400 broedparen.

De ontheffing geldt, onder naleving van de aan deze ontheffing verbonden bepalingen en voorschriften, vanaf de dag van verzending voor de resterende looptijd van het Ganzenbeheerplan 2015-2020 tot 3 maart 2020. De ontheffing kan daarbij jaarlijks worden gebruikt in de periode van 1 mei tot 1 augustus, gedurende het gehele etmaal en op zon- en feestdagen.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 juni 2017 behandeld. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] , voorzitter en [naam 2] , penningmeester, bijgestaan door hun gemachtigde mr. M. van Duijn. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden, beiden werkzaam bij de Regionale Uitvoeringsdienst Noord-Holland Noord.

De Faunabeheereenheid heeft aangegeven niet bij de zitting aanwezig te zullen zijn.

Overwegingen

1. De verleende ontheffing maakt het – kort samengevat – mogelijk voor de Faunabeheereenheid om ter bestrijding van ernstige schade aan gewassen, de populatie van evengenoemde ganzen in de ruiperiode terug te brengen door het doden van deze ganzen door middel van CO2.

2. Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de ontheffing middelen en methoden zijn toegestaan zonder dat daarvoor een, gelet op het bepaalde in de Vogelrichtlijn, voldoende wettelijke grondslag aanwezig is. Voor het gebruik van de vangkraal en de vangkooi en het gebruik van CO2 als middel om te doden bestaat weliswaar een wettelijke grondslag, maar voor het gebruiken van een vaartuig als achtervolgingsmiddel, het gebruik van fuiken en netten en het gebruik van een vergassingsinstallatie ontbreekt volgens verzoekster de vereiste expliciete wettelijke grondslag.

2.1

In artikel 3.9, tweede lid, van de Bnb worden als methoden als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, onderdeel a, van de Wnb aangewezen:

a. het doden met gebruikmaking van middelen die krachtens de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden zijn toegelaten of vrijgesteld, met inbegrip van de gebruikmaking van alle middelen of installaties die noodzakelijk zijn om die middelen toe te passen;

b. het vangen door middel van bijeendrijven, waaronder in elk geval wordt begrepen het gebruik van de vangkraal in combinatie met een middel als bedoeld in onderdeel a.

2.2

De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit hetgeen is bepaald in artikel 3.9, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bnb volgt dat ook de vergassingsinstallatie en de container die daarbij wordt gebruikt, moeten worden aangemerkt als ‘middelen en installaties die noodzakelijk zijn om CO2 toe te passen’ en daarmee onderdeel zijn van de onder artikel 3.9, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bnb genoemde methode. Daarmee is ten aanzien van de vergassingsinstallatie en de container voorzien in een voldoende wettelijke grondslag.

2.3

De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat uit hetgeen is bepaald in artikel 3.9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Bnb, voldoende concreet blijkt dat het gebruik van netten en een fuik naar de vangkraal toe teneinde de ganzen bijeen te drijven en uiteindelijk te doden met CO2, onderdeel is van een wettelijk voorgeschreven methode, namelijk het vangen door middel van bijeendrijven onder andere met gebruikmaking van een vangkraal. Dat netten en een fuik niet expliciet als middel zijn beschreven doet daaraan niet af.

2.4

Ten aanzien van de mogelijke inzet van een vaartuig is de voorzieningenrechter vooralsnog van oordeel dat daarbij sprake is van het bijeendrijven van ganzen en dat dit derhalve valt onder de methode beschreven in artikel 3.9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Bnb. Niet is gebleken van een zodanige inzet van vaartuigen dat het gebruik daarvan niet als bijeendrijven van de ganzen moet worden aangemerkt, maar als achtervolgen of opjagen van ganzen.

2.5

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is naar voorlopig oordeel geen aanleiding voor het oordeel dat ontheffing is verleend voor middelen en methoden die een wettelijke grondslag ontberen.

3. Daarnaast stelt verzoekster zich op het standpunt dat het gebruik van CO2 alleen dan mag als het voldoet aan de voorwaarden die zijn opgenomen in bijlage I bij het besluit van het College voor de Toelating van Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden van 13 mei 2015 tot de toelating van DUKE’s Carbon Dioxide. Daarin is opgenomen dat dit middel is toegelaten onder de voorwaarde dat het middel wordt toegepast tijdens de ruiperiode van de dieren, acht weken per jaar en voor drie tot vier toepassingsrondes per dag. Verzoekster wijst er op dat deze voorwaarden niet zijn opgenomen in de ontheffing en dat de ontheffingsperiode bovendien langer is dan acht weken.

Daarbij komt dat uit de toelating blijkt dat het middel alleen mag worden gebruikt op en in de omgeving van luchthavens ter bevordering van de luchtvaartveiligheid, en voor het beheer van ganzen in landbouwgebieden ter voorkoming van vraatschade aan gewassen, terwijl de ontheffing nu ook geldt voor natuurgebieden en foerageergebieden, derhalve anders dan in de omgeving van luchthavens en landbouwgebieden. Nu de ontheffing is verleend in strijd met dit toegelaten gebruik, kan deze geen stand houden, aldus verzoekster.

3.2

De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat het middel CO2 is toegelaten. Dit wordt door verzoekster ook niet bestreden. De voorzieningenrechter volgt verzoekster niet in haar betoog dat de ontheffing strijdig is met de aan dit middel gestelde toepassingsvoorwaarden. Door uit de formulering dat ‘uitsluitend gebruik van het middel is toegestaan voor beheer van ganzen in landbouwgebieden ter voorkoming van vraatschade’ af te leiden dat het gebruik van het middel is beperkt tot uitsluitend landbouwgronden, geeft verzoekster blijk van een te enge lezing van deze passage.

Zoals verweerder voorts ter zitting heeft toegelicht, verschilt de ruiperiode per jaar en per type gans. Ten aanzien van de grauwe gans is de ruiperiode op dit moment bijvoorbeeld al verstreken en wordt de bestreden ontheffing nu niet meer toegepast. De voorzieningenrechter acht in dit verband van belang dat ten aanzien van de verschillende ruiperiodes van de verschillende typen ganzen deze toepassingsperiode van acht weken niet wordt overschreden. Dat verweerder in de ontheffing heeft bepaald dat deze jaarlijks kan worden gebruikt in de periode van 1 mei tot 1 augustus acht de voorzieningenrechter niet strijdig met bovengenoemde toepassingsvoorwaarde. Indien mocht blijken dat de Faunabeheereenheid in afwijking van deze toepassingsvoorwaarde handelt, zal verweerder hiertegen handhavend moeten optreden. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat, zoals verweerder ter zitting heeft verklaard, er bij de acties die plaatsvinden door de Faunabeheereenheid altijd iemand aanwezig is die toezicht houdt en controleert of de Faunabeheereenheid zich houdt aan de aan de van toepassing zijnde voorwaarden.

4. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. Y.R. Boonstra-van Herwijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2017.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.