Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:5175

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
23-06-2017
Datum publicatie
23-06-2017
Zaaknummer
1587224316
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot verkrachting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0575
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/872243-16 (P)

Uitspraakdatum: 23 juni 2017

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

9 juni 2017 in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats 1]

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] ,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zwaag.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. E. Visser en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. M. Berbee, advocaat te Den Helder, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijzigingen van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

Feit 1

Primair

hij op of omstreeks 16 oktober 2016 in de gemeente Hoorn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer] te dwingen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] te weten: het brengen van zijn penis in de mond van die [slachtoffer] ,

- die [slachtoffer] hard tegen haar hoofd en/of nek heeft geslagen en/of gestompt en/of haar (met kracht) te duwen, en/of

- ( nadat die [slachtoffer] op de grond terecht was gekomen) de keel en/of hals en/of nek van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of dichtgeknepen en/of dichtgeknepen heeft gehouden (zodat die [slachtoffer] geen adem kon halen), en/of

- het vastgrijpen en/of (stevig) vasthouden van die [slachtoffer] bij haar (boven)armen, en/of

- zijn, verdachtes, broek heeft open geknoopt/gedaan, en/of

- de kleding (jas en/of vestje) van die [slachtoffer] heeft uitgetrokken en/of

- ( vervolgens) zijn, verdachte's, penis uit zijn broek heeft gehaald,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair

hij op of omstreeks 16 oktober 2016 in de gemeente Hoorn, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, waarbij hij, verdachte op en/of in de buurt van het lichaam van die [slachtoffer] zijn penis heeft ontbloot en/of heeft geëjaculeerd, waarbij zijn, verdachte's sperma in het haar van die [slachtoffer] terecht is gekomen, en bestaande dat geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met

geweld of een andere feitelijkheid uit

- het hard tegen het hoofd en/of nek van die [slachtoffer] slaan en/of stompen, en/of

- ( nadat die [slachtoffer] op de grond terecht was gekomen) het vastpakken en/of dichtknijpen en/of dichtgeknepen houden van de keel en/of hals en/of nek van die [slachtoffer] (zodat die [slachtoffer] geen adem kon halen) en/of

- het vastgrijpen en/of (stevig) vasthouden van die [slachtoffer] bij haar (boven)armen en/of

- ( vervolgens) zijn, verdachte's, penis uit zijn broek halen;

Feit 2

Primair

hij op of omstreeks 16 oktober 2016 in de gemeente Hoorn op of aan de openbare weg de Sint Jozefstraat, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een telefoon (Iphone 6S plus) en/of een rijbewijs en/of id bewijs en/of een

verzekeringspasje, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte:

- die [slachtoffer] hard tegen haar hoofd en/of nek heeft geslagen en/of gestompt, en/of

- ( nadat die [slachtoffer] op de grond terecht was gekomen) de keel en/of hals en/of nek van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of dichtgeknepen en/of dichtgeknepen heeft gehouden (zodat die [slachtoffer] geen adem kon halen);

Subsidiair

hij op of omstreeks 16 oktober 2016 te Hoorn opzettelijk een telefoon (Iphone 6S plus), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als vinder, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde feiten, met dien verstande dat ten aanzien van het onder 2 primair ten laste gelegde feit volgens de officier van justitie slechts de eenvoudige diefstal bewezen kan worden verklaard. Weliswaar kunnen de in de tenlastelegging opgenomen geweldshandelingen bewezen worden, maar deze handelingen waren gericht op de aanranding van het slachtoffer en niet zozeer op het wegnemen van de telefoon, aldus de officier van justitie.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 primair ten laste gelegde feit, de poging tot verkrachting. Naar de mening van de raadsman bevat het dossier onvoldoende bewijs op grond waarvan bewezen kan worden verklaard dat er sprake is geweest van dwang in de zin van artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht. De raadsman heeft er in dat verband op gewezen dat zowel verdachte als aangeefster onder invloed van alcohol waren en niet meer precies weten wat er is gebeurd. Aangeefster heeft over het gebeuren wisselende verklaringen afgelegd en verdachte heeft de gebeurtenissen proberen in te vullen (“ik denk”), aldus de raadsman. Met betrekking tot het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit, de aanranding, heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van het onder 2 primair ten laste gelegde feit, de diefstal, heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte hiervan moet worden vrijgesproken, nu uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verdachte een zogenoemde wegnemingshandeling heeft verricht. Het onder 2 subsidiair ten laste gelegde feit, de verduistering, kan volgens de raadsman wel bewezen worden verklaard, nu verdachte als vinder kan worden aangemerkt.

3.3.

Redengevende feiten en omstandigheden 1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde feiten op grond van het volgende.

Op 16 oktober 2016 omstreeks 05.00 uur krijgen de verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] de melding om te gaan naar een woning in Hoorn. In de woning treffen zij een hevig geëmotioneerd meisje aan. Ze heet [slachtoffer] . Zij vertelt dat ze zojuist de bosjes ingetrokken was door een man. In de bosjes probeert de man zijn geslachtsdeel in de mond van [slachtoffer] te stoppen, maar dat lukte niet. Ze heeft zich los kunnen rukken van de man en is vervolgens gaan rennen2.

Later die dag hebben de verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] een informatief gesprek met [slachtoffer] . Tegenover deze verbalisanten verklaart [slachtoffer] dat ze op 16 oktober 2016 uit was in Hoorn. Omstreeks 03.45 uur is ze uit de kroeg naar haar fiets gelopen. Op dat moment kan ze haar fietssleutel niet vinden en ineens staat er een man naast haar. De man vraagt waar ze heen moet. Ze vertelt hem dat ze in de wijk Kersenboogerd woont. De man zegt dat hij haar wel wil brengen. Ze zegt oké. In haar tas vindt de man haar fietssleutel. De man vertelt haar dat hij in de Sint Jozefstraat woont. Vervolgens gaat de man fietsen en is ze achterop de fiets gaan zitten. Ze merkt dat ze niet in de richting van haar huis maar de andere kant op fietsen en ze geeft aan dat ze naar huis wil. Op een gegeven moment stapt ze van de bagagedrager af. Rond dat moment belt ze met de taxichauffeur [getuige 1] . Ze geeft aan [getuige 1] door dat zij in de Sint Jozefstraat staat, de straatnaam die zij op een bord ziet staan. Ineens wordt ze door de man de bosjes ingetrokken. Hij duwt haar op de grond. Ze ziet dat hij zijn broek probeert te openen. Ze kan zich niet los rukken. De man pakt haar bij haar keel.

Op een gegeven moment komt ze los en rent weg. Ze merkt dat haar telefoon, een Iphone 6S plus, weg is.

De verbalisanten zien in de hals van [slachtoffer] een rood streepje en een soort schraalplekje. In het haar van [slachtoffer] zien zij veel takjes van coniferen zitten. Verder constateren zij dat aan de linkerzijde het haar van [slachtoffer] erg is samengeklit.3.

Op 16 oktober 2016 is forensisch onderzoek verricht en zijn sporen veiliggesteld. De keel van [slachtoffer] , op de plaats van de zichtbare roodheid, en het hoofdhaar, ter hoogte van het linkeroor, worden bemonsterd. De monsters zijn voorzien van respectievelijk het SIN-nummer AAID2408NL en het SIN-nummer AAID2411NL4.

Op 16 oktober 2016 is voorts de taxichauffeur, [getuige 1] , als getuige gehoord. Hij heeft op 16 oktober 2016 om 04.41 uur telefonisch contact met [slachtoffer] . Ze zegt tegen hem dat ze bij de Jozefstraat is. Hij hoort gerommel en gedoe en hoort [slachtoffer] dan zeggen: “help me, help me dan” en zoiets als: “ik word aangevallen”. Hij hoort [slachtoffer] gillen, waarna de verbinding wordt verbroken. Hij gaat snel ter plaatse en ziet op een gegeven moment [slachtoffer] aan komen rennen. Ze is helemaal overstuur5.

Op 31 oktober 2016 doet [slachtoffer] aangifte. Ze vertelt daarbij dat om haar telefoon, de Iphone 6S plus, een hoesje zat met daarin haar rijbewijs, ID bewijs en een verzekeringspasje6.

Naar aanleiding van het incident heeft [slachtoffer] de huisartsenpost/-praktijk bezocht, (onder andere) op 16 en 17 oktober 2016. De huisarts constateert bij haar een blauwe plek in de hals en blauwe plekken onder de linkerknie en op de achterzijde van haar bovenbenen7.

Op 27 februari 2017 wordt verdachte aangehouden en op 28 februari 2017 wordt DNA celmateriaal (wangslijmvlies) bij verdachte afgenomen8.

In het rapport van 2 maart 2017 concludeert de NFI deskundige [deskundige 1] dat in het monster van het hoofdhaar van [slachtoffer] , voorzien van SIN AAID2411NL, een DNA-profiel van een man is aangetroffen (sperma), en dat dit profiel matcht met het DNA-profiel van verdachte. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man macht met het gevonden DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard, aldus de deskundige. In het monster van de keel van [slachtoffer] , voorzien van SIN AAID2408NL, zijn DNA-nevenkenmerken aangetroffen (sperma). Ook deze kenmerken passen bij het DNA-profiel van verdachte9.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij op 16 oktober 2016 het meisje (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] ) in Hoorn is tegengekomen. Hij bood aan haar naar huis te brengen. Het meisje stemde hiermee in. Samen met haar is hij op de fiets weggegaan. Hij zei tegen het meisje dat hij haar naar huis zou brengen, maar in werkelijkheid wilde hij met haar naar bed, hij wilde met haar neuken. Hij fietste daarom naar de woning van een vriend/kennis van hem aan de Sint Jozefstraat. Hij wilde in die woning seks met het meisje hebben. In de Sint Jozefstraat stapte het meisje van de fiets af en gaf aan dat ze naar huis wilde. Hij heeft haar toen vastgepakt en richting de bosjes geduwd. Ze zijn in de coniferen beland. Hij heeft haar aangeraakt en wilde met haar naar bed. Het meisje schreeuwde en huilde. Hij heeft haar toen vastgepakt en heeft zijn broek naar beneden getrokken. Hij kan zich herinneren dat er sperma uit zijn penis is gekomen. Het meisje schreeuwde en liep op een gegeven moment weg. Haar telefoon liet ze achter. Hij heeft deze telefoon van de grond gepakt. Toen een vriend/kennis van hem, mogelijk [getuige 2] , kort daarna aan hem vroeg of hij de telefoon van het meisje had, heeft hij dit ontkend. Hij is de telefoon gaan gebruiken en heeft deze uiteindelijk, vlak voor zijn aanhouding, uit het raam gegooid10.

[getuige 2] heeft tegen de politie verklaard dat hij die avond aan zijn vriend [verdachte] , de man met wie het meisje problemen had (de rechtbank begrijpt: verdachte), heeft gevraagd of hij de telefoon van het meisje had. [verdachte] zei toen dat hij deze telefoon niet had11.

3.4.

Bewijsoverwegingen

De rechtbank stelt voorop dat uit het dossier kan worden afgeleid dat zowel verdachte als het slachtoffer de bewuste nacht behoorlijk onder invloed van alcohol waren en dat beiden niet in alle opzichten een precieze, gedetailleerde herinnering hebben aan het gebeuren in die nacht. De rechtbank heeft zich hier bij de waardering van het bewijs rekenschap van gegeven.

Met betrekking tot het onder 1 primair ten laste gelegde feit overweegt de rechtbank als volgt. Verdachte erkent dat hij in de bewuste nacht contact met het slachtoffer heeft gehad. Vanaf het moment dat hij met haar in contact kwam, wilde hij met haar naar bed, hij wilde seks met haar hebben, hij wilde met haar neuken. Wanneer het slachtoffer in de gaten krijgt dat verdachte niet in de richting van haar woonadres fietst, stapt zij van de fiets af en belt zij met een bevriende taxichauffeur. Op dat moment – en niettegenstaande dat verdachte had gehoord dat het slachtoffer zei dat ze naar huis wilde – duwt verdachte het slachtoffer richting een bosje coniferen. Het slachtoffer komt hier op de grond terecht en kan zich niet van verdachte losrukken. Het slachtoffer schreeuwt en huilt. Verdachte pakt haar vast bij haar hals/keel en ontknoopt zijn broek/trekt zijn broek naar beneden. Volgens de allereerste verklaring van het slachtoffer, afgelegd zeer kort na het gebeuren, heeft verdachte geprobeerd zijn penis in haar mond te brengen. Uit onderzoek van het NFI is gebleken dat in het haar van het slachtoffer sperma van verdachte is aangetroffen. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het voorgaande zonder meer dat van de zijde van verdachte sprake is geweest van dwang. Het moet verdachte duidelijk zijn geweest dat het slachtoffer het niet wilde en toch is hij doorgegaan met zijn handelingen. De rechtbank is voorts van oordeel dat verdachte zijn handelingen heeft verricht ter uitvoering van zijn voornemen om (met dwang) het lichaam van het slachtoffer seksueel binnen te dringen. De gedragingen van verdachte, te weten het in de nacht duwen van het slachtoffer richting/in de bosjes, het (terwijl het slachtoffer in die bosjes op de grond was terechtgekomen) vasthouden van haar keel, het tevoorschijn halen van zijn geslachtsdeel en het kennelijk daarmee in de richting bewegen van de mond/het hoofd van het slachtoffer (in wier haar sperma is aangetroffen), moeten naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van het misdrijf van verkrachting. Dat verdachtes opzet daar ook op gericht was leidt de rechtbank af uit deze uiterlijke verschijningsvorm in combinatie met de verklaring van verdachte dat het zijn bedoeling was om met het slachtoffer naar bed te gaan, seks met haar te hebben en haar te neuken. Poging tot verkrachting is wettig en overtuigend bewezen.

Met betrekking tot het onder 2 primair ten laste gelegde feit komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de diefstal van de telefoon en de overige goederen die in het hoesje van de telefoon zaten. Verdachte wist dat de telefoon van het slachtoffer was en dat deze onbedoeld was achtergebleven. Met deze wetenschap heeft verdachte de telefoon opgepakt en opgeborgen, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank als wegnemen moet worden beschouwd. Verdachte heeft de telefoon onder zich gehouden en is als heer en meester over de telefoon gaan beschikken. Dat hij dit wederrechtelijke (namelijk zonder toestemming van het slachtoffer) oogmerk ook reeds had ten tijde van het wegnemen van de telefoon, leidt de rechtbank mede af uit het feit dat, op het moment waarop verdachte kort na het incident naar de telefoon wordt gevraagd, hij ontkent dat hij deze in bezit heeft. Van een voornemen om de telefoon terug te willen geven aan het slachtoffer is niets gebleken.

De rechtbank deelt het standpunt van de officier van justitie dat de in de tenlastelegging van feit 2 primair opgenomen geweldshandelingen niet in verband staan met de diefstal van de telefoon. Verdachte zal in zoverre dan ook worden vrijgesproken.

3.5.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

Feit 1

Primair

hij op 16 oktober 2016 in de gemeente Hoorn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door geweld en een andere feitelijkheid [slachtoffer] te dwingen tot het ondergaan van een of meer handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] ,

- die [slachtoffer] met kracht heeft geduwd en

- nadat die [slachtoffer] op de grond terecht was gekomen, de keel en/of hals van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en

- zijn, verdachtes, broek heeft open geknoopt/gedaan en

- vervolgens, zijn, verdachtes, penis uit zijn broek heeft gehaald,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 2

Primair

hij op 16 oktober 2016 in de gemeente Hoorn op of aan de openbare weg de Sint Jozefstraat, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een telefoon (Iphone 6S plus) en een rijbewijs en id bewijs en een verzekeringspasje, toebehorende aan [slachtoffer] .

Hetgeen aan verdachte onder 1 primair en 2 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1 primair:

poging tot verkrachting;

Feit 2 primair:

diefstal.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Over verdachte is op 29 april 2017 gerapporteerd door [deskundige 2] , GZ-psycholoog.

Volgens de psycholoog is betrokkene lijdende aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een lichte verstandelijke beperking. Daarnaast is volgens de psycholoog sprake van een ziekelijke ontwikkeling in de vorm van een traumagerelateerde stoornis, waarbij betrokkene lijdt aan een aantal kenmerken van een post-traumatische stress stoornis maar waarbij er niet voldoende kenmerken aanwezig zijn om deze stoornis te kunnen stellen.

Voorts lijkt sprake te zijn geweest van een ernstige alcoholintoxicatie. Deze alcoholintoxicatie heeft waarschijnlijk een grote rol gespeeld in het gedrag van betrokkene. Betrokkene is niet verslaafd aan alcohol, zodat hij in vrijheid zijn keuze heeft kunnen bepalen om te gaan drinken. Wel kan men opmerken dat hij niet eerder dergelijke hoeveelheden alcohol heeft gedronken en licht verstandelijk beperkt is. Op grond daarvan heeft betrokkene niet ten volle kunnen inschatten welke risico’s het drinken van een grote hoeveelheid alcohol met zich meebrengt en heeft hij niet ten volle kunnen beseffen welke invloed dit op zijn gedrag kan hebben. Op grond hiervan adviseert de psycholoog de rechtbank om het tenlastegelegde betrokkene in een enigszins verminderde mate toe te rekenen.

De rechtbank neemt deze conclusie van de psycholoog niet over.

Ook al is vastgesteld dat verdachte licht verstandelijk beperkt is en dat sprake is van een traumagerelateerde stoornis, verdachte weet dat het nuttigen van (teveel) alcohol een negatief effect heeft op gedrag. Verdachte heeft dit ter terechtzitting duidelijk verklaard. Gelet hierop en nu, zoals de psycholoog heeft vastgesteld, geen sprake is van een achterliggende (alcoholverslavings)problematiek, is de rechtbank van oordeel dat de gevolgen van het alcoholgebruik door verdachte geheel voor zijn rekening komen.

De rechtbank acht verdachte volledig toerekeningsvatbaar.

Nu overigens geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit, is verdachte strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met aftrek van het voorarrest, onder oplegging van de algemene voorwaarden en de bijzondere voorwaarden zoals opgenomen in het reclasseringsrapport van mevrouw [getuige 3] d.d. 23 mei 2017.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht bij het bepalen van de straf ernstig rekening te houden met de media-aandacht welke deze strafzaak heeft en nog zal hebben. Tijdens en na detentie zal verdachte hiervan nadeel ondervinden. In dit kader heeft de raadsman verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 13 oktober 2015, gepubliceerd onder nummer ECLI:NL:HR:2015:3024. De raadsman heeft verder gewezen op het blanco strafblad van verdachte en het reclasseringsadvies. De raadsman heeft de rechtbank in overweging gegeven een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met eventueel een langere proeftijd dan 3 jaar, onder oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals opgenomen in het reclasseringsrapport. Deze straf acht de raadsman passend, mede gelet op de verblijfsstatus van verdachte. Bij het opleggen van een gevangenisstraf van meer dan 12 maanden kan de verblijfsstatus van verdachte in het geding komen, aldus de raadsman.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft geprobeerd een jonge vrouw te verkrachten. Op ernstige wijze heeft hij de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer geschonden. Daarbij heeft verdachte kennelijk enkel oog gehad voor zijn eigen behoeftebevrediging en niet stilgestaan bij de (psychische) gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer. Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijke feiten vaak langdurige en ernstige schade kunnen toebrengen aan de geestelijke gezondheid van het slachtoffer. Uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring blijkt welke gevolgen het onderhavige feit voor het slachtoffer heeft gehad. De rechtbank merkt daarbij overigens wel op dat verdachte schuldig wordt bevonden aan een poging tot verkrachting en niet aan een poging tot doodslag, zoals het slachtoffer haar beleving beschrijft.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de diefstal van de telefoon van het slachtoffer, met daarin persoonlijke informatie, en een rijbewijs, ID bewijs en verzekeringspasje van het slachtoffer. Ook dit rekent de rechtbank verdachte aan. Verdachte heeft van de telefoon van het slachtoffer, en de daarop geplaatste apps, gebruik gemaakt en heeft zich er niet om bekommerd wat dit voor het slachtoffer zou kunnen betekenen.

Gelet op de aard en de ernst van met name het onder 1 primair bewezen verklaarde feit komt slechts een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf als straf in aanmerking.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 9 mei 2017, waaruit blijkt dat de verdachte in Nederland niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.

- het hiervoor al genoemde rapport van [deskundige 2] , GZ-psycholoog.

Dit rapport houdt onder meer het volgende in:

Wanneer men de risicofactoren en beschermende items in samenhang beziet, dan kan men het recidiverisico als laag inschatten. Vanuit de bevindingen van het onderzoek kan men opmerken dat betrokkene in nuchtere toestand geen grensoverschrijdend gedrag laat zien en dat er met name sprake is van een risico op grensoverschrijdend gedrag wanneer betrokkene onder invloed van een grote hoeveelheid alcohol is.

Gezien het als laag ingeschatte recidiverisico is een behandeling niet strikt noodzakelijk. Vanuit het oogpunt van zorg valt behandeling van de traumagerelateerde problematiek aan te raden, maar vanuit het oogpunt van recidivepreventie is dit niet nodig. Omdat betrokkene de nodige psychosociale problemen beschrijft (…) is een verplicht reclasseringscontact zinvol. Op dit moment is hij goed sociaal ingebed, maar de kans bestaat dat de huidige strafzaak een negatieve invloed zal hebben op zijn sociale situatie. Enige begeleiding en ondersteuning hierbij is daarom zinvol. Goede sociale omstandigheden zijn een beschermende factor met betrekking tot de kans op recidive.

Geadviseerd wordt om betrokkene een bijzondere vooraarde op te leggen bij een (deels) voorwaardelijke straf met als voorwaarde dat hij zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering.

- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 23 mei 2017 van mevrouw [getuige 3] , als reclasseringswerker verbonden aan Reclassering Nederland. Dit rapport houdt onder meer het volgende in:

Betrokkene is een man van Somalische afkomst. Hij is sinds ongeveer vijf jaar in Nederland.

Uit het onderzoek van de reclassering komt naar voren dat risico verhogende factoren voor strafbaar gedrag zijn geconstateerd. Als criminogene factoren komen alcoholgebruik en het ontbreken van opleiding en werk naar voren.

Een toezicht door de reclassering is geïndiceerd omdat er problemen zijn op verschillende leefgebieden. Om de kans op recidive te beperken is ondersteuning op verschillende gebieden geïndiceerd. Een alcohol verbod en toezicht op de naleving daarvan kan een positief effect hebben op het verminderen van de recidivekans.

Fors alcoholgebruik lijkt te hebben bijgedragen aan het delictgedrag. Betrokkene lijkt hiervan geschrokken en geeft aan in de toekomst geen alcohol meer te zullen gebruiken. Betrokkene lijkt gemotiveerd voor toezicht en ondersteuning bij verschillende leefgebieden. Betrokkene heeft een aantal positieve levensdoelen, er is sprake van empathie en van zelfcontrole.

Betrokkene geeft aan dat indien hij veroordeeld wordt dat hij zal meewerken aan eventuele bijzondere voorwaarden.

Geadviseerd wordt een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen waardoor het mogelijk is de volgende bijzondere voorwaarden op te nemen:

- Meldplicht;

- Ambulante behandelverplichting;

- Drugs- alcoholverbod;

- Contactverbod.

Bij het bepalen van de omvang van de op te leggen gevangenisstraf heeft de rechtbank kennis genomen van de oriëntatiepunten van het LOVS (Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht). Anders dan de richtlijnen van het Openbaar Ministerie, houden deze oriëntatiepunten als oriëntatiepunt voor een voltooide verkrachting een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden in. Nu het bij een poging is gebleven, dient het uitgangspunt lager te zijn.

Alles afwegende, is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf voor de duur van 18 maanden moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan, namelijk 6 maanden, vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Aan het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf zal de rechtbank tevens de bijzondere voorwaarden verbinden zoals opgenomen in voormeld reclasseringsrapport, met dien verstande dat de rechtbank verdachte niet de verplichting zal opleggen de reclassering toestemming te geven voor het controleren van zijn gegevensdragers. De rechtbank ziet verder, anders dan de officier van justitie en de raadsman, onvoldoende reden om de proeftijd op meer dan de gebruikelijke twee jaren te stellen.

Dat door deze straf de verblijfsstatus van verdachte mogelijk in het geding kan komen, zoals de raadsman heeft gesteld, is een omstandigheid die de rechtbank niet meeweegt. De rechtbank is van oordeel dat dit bij de strafbepaling geen rol mag spelen, aangezien het aan verdachte zelf is om bij zijn handelen rekening te houden met zijn verblijfsstatus.

De raadsman heeft tot slot nog verzocht om ernstig rekening te houden met de media-aandacht. De rechtbank volgt de raadsman hierin niet.

Weliswaar heeft de onderhavige strafzaak vooral in de week voorafgaand aan de zitting de nodige media-aandacht gekregen, maar deze media-aandacht acht de rechtbank niet van zodanig omvangrijke en indringende aard dat een matiging van de op te leggen straf op zijn plaats is. Het door de raadsman aangehaalde arrest van de Hoge Raad ziet naar het oordeel van de rechtbank ook op een feitencomplex en een procesverloop dat in aanzienlijke mate verschilt van de onderhavige zaak.

7 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft, na vermindering van de vordering ter terechtzitting, een vordering tot schadevergoeding van € 7.563,48 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade bestaat uit:

a. kosten psycholoog begroot € 805,34

b. kosten medicatie € 28,13

c. kosten telefoon (verminderd ter zitting) € 554,00

d. kosten rijbewijs en paspoort € 89,39

e. kosten opgenomen vrije dagen € 804,80

f. kosten beschadigde kleding € 100,00

g. reis- en telefoonkosten € 181,82

totaal € 2.563,48

De immateriële schade wordt door de benadeelde partij begroot op € 5.000,00.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag van € 2.143,14 rechtstreeks voortvloeit uit de onder 1 primair en 2 primair bewezen verklaarde feiten.

Met betrekking tot de gevorderde kosten van de psycholoog stelt de rechtbank vast dat de psycholoog een begroting heeft opgesteld voor de behandeling en op dit moment niet duidelijk is of deze verwachte kosten door haar ziektekostenverzekeraar zullen worden vergoed. Gelet hierop zal de rechtbank de kosten van de psycholoog toewijzen tot een bedrag van € 385,00, zijnde de eigen bijdrage van de benadeelde partij, nu dit bedrag in ieder geval bij de benadeelde partij in rekening gebracht zal worden. De benadeelde partij heeft dit bedrag ter terechtzitting subsidiair gevorderd en deze vordering is van de zijde van verdachte niet weersproken.

De vorderingen ter zake van medicatie, rijbewijs en paspoort, beschadigde kleding en reis- en telefoonkosten zijn evenmin weersproken.

Voorts zal de rechtbank ook de kosten voor de aanschaf van een nieuwe telefoon toewijzen. Deze telefoon was pas net, in juli 2016, nieuw aangeschaft. Na het plegen van het feit heeft de benadeelde partij een nieuw toestel moeten kopen. Vergoeding van de aanschafprijs van het oorspronkelijke toestel acht de rechtbank daarom redelijk. Verder betrekt de rechtbank bij haar oordeel dat niet vastgesteld kan worden of het nog terug te ontvangen oorspronkelijke toestel thans nog enige waarde vertegenwoordigt, nu deze door verdachte uit het raam is gegooid en mogelijk ernstig beschadigd is geraakt.

Ook de kosten voor inkomstenderving in verband met opgenomen vrije dagen zal de rechtbank integraal toewijzen. Anders dan de raadsman, acht de rechtbank de onderbouwing van de vordering op dit punt, door een mededeling van de werkgever van de benadeelde partij, voldoende.

Tot slot komt de rechtbank vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van

€ 2.000,00 billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. De rechtbank komt tot toewijzing van een lager bedrag dan de gevorderde € 5.000,00, nu dit bedrag mede lijkt te zijn ingegeven door de kennelijk bij het slachtoffer bestaande perceptie dat verdachte haar dood wilde maken. Dat is echter niet tenlastegelegd en ook uit het dossier valt een dergelijke geweldsdaad niet op te maken.

Bewezen is een poging tot verkrachting. De rechtbank sluit niet uit dat de perceptie van het slachtoffer, die ten tijde van het gebeuren behoorlijk onder invloed van alcohol was, nadien negatief is beïnvloed.

De vordering zal dan ook worden toegewezen tot een totaalbedrag van € 4.143,14, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 oktober 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet in haar vordering ontvangen. Desgewenst kan de benadeelde partij dat deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 1 primair en 2 primair bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: poging tot verkrachting en diefstal] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57, 242 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.5. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair en 2 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de onder 1 primair en 2 primair bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (ACHTTIEN) MAANDEN.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 (ZES) MAANDEN niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

-medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich binnen drie dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet melden bij Reclassering Nederland op het adres Drechterwaard 102 te (1824 DX) Alkmaar, waarna de veroordeelde zich moet blijven melden, zo lang en zo frequent de reclassering dit noodzakelijk acht;

- zich houdt aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, ook als dit inhoudt een verwijzing naar MEE & de Wering ten behoeve van tijdelijke ondersteuning bij regie over het eigen leven om maatschappelijke teloorgang te voorkomen;

- deelneemt aan de VRIS training, welke wordt aangeboden door de Divisie Forensische Psychiatrie van de GGZ Noord-Holland Noord of een soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling/training door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

- geen alcohol gebruikt, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, waarbij veroordeelde ter controle hiervan zal moeten meewerken aan blaastesten en controles;

- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - (ook niet via sociale media) contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats 2] , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 4.143,14, (vierduizend éénhonderd en drieënveertig euro en veertien cent), bestaande uit € 2.143,14 voor de materiële schade en € 2.000,00 voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 oktober 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 4.143,14, (vierduizend éénhonderd en drieënveertig euro en veertien cent), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 oktober 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 51 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. S. Jongeling, voorzitter,

mr. P.H.B. Littooy en W. Geelhoed, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier D.H. Geuze,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 juni 2017.

mr. W. Geelhoed en de griffier D.H. Geuze zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Proces-verbaal van 16 oktober 2016 inhoudende de bevindingen van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] , (doorgenummerde) pagina 16.

3 Proces-verbaal van 16 oktober 2016 inhoudende de bevindingen van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] , (doorgenummerde) pagina 21 tot en met 23.

4 Proces-verbaal inhoudende onderzoek slachtoffer door verbalisant [verbalisant] , (doorgenummerde) pagina’s 53 tot en met 55.

5 Proces-verbaal van verhoor van 16 oktober 2016 inhoudende de verklaring van [getuige 1] , (doorgenummerde) pagina 73.

6 Proces-verbaal van aangifte van 31 oktober 2016 inhoudende de verklaring van [slachtoffer] , (doorgenummerde) pagina 32.

7 Een geschrift inhoudende een medische verklaring van mevrouw [deskundige 3] /mevrouw [deskundige 4] , verbonden aan St. Gezondheidscentrum Kersenboogerd, (doorgenummerde) pagina 67.

8 Proces-verbaal van 3 maart 2017 inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant] , (doorgenummerde) pagina 126.

9 Een geschrift, te weten een rapport DNA-onderzoek naar aanleiding van een aangifte van een zedenmisdrijf gepleegd in Hoorn op 16 oktober 2016 van de NFI-deskundige [deskundige 1] , (doorgenummerde) pagina 133.

10 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 juni 2017.

11 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 8 juni 2017 (los opgenomen), pagina 4 boven.