Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:5174

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
23-06-2017
Datum publicatie
27-06-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 2014
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

dakterras

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 5 1
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.12
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 17/2014 en 17/2015

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 juni 2017 in de zaken tussen

[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. W. Visser),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Texel, verweerder

(gemachtigde: mr. J.B. van Doorn en mr. A.H. van Soest).

Tevens heeft aan het geding deelgenomen

[derde partij]

(derde-partij).

Procesverloop

Op 26 oktober 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan [derde partij] een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen en handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening ten behoeve van het verlengen van een dakterras op een aanbouw op het perceel [perceel] . Hiertegen heeft verzoekster bezwaar gemaakt. Dit bezwaar verweerder bij besluit van 17 maart 2017 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en tevens verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Op 12 mei 2017 heeft de voorzieningenrechter besloten om het bestreden besluit bij wijze van ordemaatregel te schorsen totdat uitspraak is gedaan op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 6 juni 2017 op zitting behandeld. Verzoekster is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Namens derde-partij is verschenen [naam] .

Overwegingen

1. Niet in geschil is dat ter plaatse het bestemmingsplan Den Burg geldt en dat het dakterras ingevolge artikel 3 van de planregels maximaal 3 meter mag bedragen, gemeten van de achtergevel. Evenmin is in geschil dat het op het dakterras te plaatsen hekwerk als begrenzing van het dakterras op de aanbouw op meer dan drie meter van de achtergevel is gesitueerd en dat daarom een omgevingsvergunning is vereist als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Verweerder heeft deze vergunning verleend omdat er, ondanks dat het dakterras op minder dan 2 meter van de erfgrens van verzoekster is gesitueerd, geen sprake zou zijn van een evident privaatrechtelijke belemmering, omdat aan de achterzijde van het dakterras slechts zicht is op de steeg en niet op de tuin van verzoekster.

2. Verzoekster heeft aan het beroep en verzoek ten grondslag gelegd dat het dakterras zoals is vergund aan de achterzijde direct grenst aan haar perceel, en dat dit zonder meer een evident privaatrechtelijke belemmering oplevert, waarbij voor een belangenafweging geen plaats is.

3. Artikel 50, eerste lid, van boek 5 van het Burgerlijk Wetboek (BW) luidt als volgt:

Tenzij de eigenaar van het naburige erf daartoe toestemming heeft gegeven, is het niet geoorloofd binnen twee meter van de grenslijn van dit erf vensters of andere muuropeningen, dan wel balkons of soortgelijke werken te hebben, voor zover deze op dit erf uitzicht geven.

In het tweede lid is bepaald dat de nabuur zich niet kan verzetten tegen de aanwezigheid van zodanige openingen of werken, indien zijn erf een openbare weg of een openbaar water is, indien zich tussen de erven openbare wegen of openbare wateren bevinden of indien het uitzicht niet verder reikt dan tot een binnen twee meter van de opening of het werk zich bevindende muur. Uit dezen hoofde geoorloofde openingen of werken blijven geoorloofd, ook nadat de erven hun openbare bestemming hebben verloren of de muur is gesloopt.

4. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt, dat voor het oordeel dat sprake is van een privaatrechtelijke belemmering die in de weg staat aan de verlening van een omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2:12 van de Wabo slechts aanleiding bestaat wanneer deze een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is immers de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit, aldus de Afdeling in de uitspraak van 11 mei 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1274).

5.1

Vast staat dat het vergunde dakterras direct aan de verre kant van de achtergevel grenst aan het perceel van verzoekster en mogelijkheid biedt tot uitzicht daarop, hetgeen gelet op het bepaalde in artikel 5:50, eerste lid, van boek 5 van het BW, een privaatrechtelijke belemmering oplevert. Ter zitting is komen vast te staan dat dit uitzicht beperkt blijft tot slechts een klein deel van het perceel, te weten dat deel, door partijen aangeduid als steeg, dat vanaf de openbare weg toegang biedt tot de (rest van de) tuin van verzoekster. Tevens is ter zitting komen vast te staan dat er vanaf het dakterras verder geen enkel rechtstreeks zicht is op de (rest van de) tuin en/of de woning van verzoekster.

5.2

De voorzieningenrechter is gelet hierop van oordeel dat, hoewel het dakterras van waar zicht bestaat op het perceel van eiseres zich binnen twee meter van de erfgrens bevindt, onder deze omstandigheden geen sprake is van rechtstreeks zicht dat een privaatrechtelijke belemmering oplevert met een evident karakter. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 5 november 2008 (ECLI:NL:RVS:2008:BG3410) en de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 juni 2015 (ECLI:NL:RBAMS:2015:3605), waarin ook is geoordeeld dat geen sprake is van een privaatrechtelijke belemmering met een evident karakter omdat er slechts zeer beperkt zicht is op het perceel dan wel de woning van een derde.

5.3

De voorzieningenrechter is er bovendien voorshands niet van overtuigd dat kan worden uitgesloten dat het bepaalde in artikel 50, tweede lid, van boek 5 van het BW in dit geval van toepassing is, terwijl indien van toepassing dan geen sprake is van een privaatrechtelijke belemmering.

6. De voorzieningenrechter ziet daarom geen grond om te oordelen dat sprake is van een privaatrechtelijke belemmering met een evident karakter.

7. In hetgeen verzoekster heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter daarom geen aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit.

8. De voorzieningenrechter zal daarom het beroep met toepassing van het bepaalde in artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht ongegrond verklaren en het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afwijzen.

9. Bij deze beslissing bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. Degen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2017.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover daarbij is beslist op het beroep, binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.