Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:5126

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
29-06-2017
Datum publicatie
04-10-2017
Zaaknummer
C/15/259677 / KG ZA 17-412
Rechtsgebieden
Goederenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vonnis in kort geding over ontruiming van krakers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer / rolnummer: C/15/259677 / KG ZA 17-412

Vonnis in kort geding van 29 juni 2017

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

INVESTERINGSMAATSCHAPPIJ SPORTFONDSENBAD B.V.,

statutair gevestigd te Zaanstad en kantoorhoudende te Wijdewormer,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[A.] BOUWPROJECTEN B.V.,

statutair gevestigd te Wormerland en kantoorhoudende te Wijdewormer,

eiseressen,

advocaat mr. A. Glijnis te Alkmaar,

tegen

1. ZIJ DIE VERBLIJVEN IN DE ONROERENDE ZAAK OF EEN GEDEELTE DAARVAN AAN DE [adres],

2. [gedaagde 2]

advocaat mr. R.K. Uppal te Amsterdam,

3. [gedaagde 3]

Advocaat mr. J. Rutteman te Amsterdam,

gedaagden.

Partijen zullen hierna Investeringsmaatschappij Sportfondsenbad B.V. c.s. en gedaagden genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van Investeringsmaatschappij Sportfondsenbad B.V. c.s.

  • -

    de pleitnota van gedaagden.

1.2.

Ter zitting van 15 juni 2017 zijn verschenen:

- de heer [A.], bijgestaan door mr. A. Glijnis;

- de heer [gedaagde 2] (één van de krakers) vergezeld van een tolk en bijgestaan door

mr. R.K. Uppal;

- mevrouw [gedaagde 3] (één van de krakers), bijgestaan door mr. J. Rutteman.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Investeringsmaatschappij Sportfondsenbad B.V. is sinds 14 februari 2013 eigenaar van het recht van erfpacht op het perceel dat bekend staat als [adres] met daarop het zogenoemde ‘Sportfondsenbad Zaandam’ (hierna: het Sportfondsenbad). Het Sportfondsenbad was voorheen een zwembad en betreft een gemeentelijk monument.

2.2.

Investeringsmaatschappij Sportfondsenbad B.V. c.s. wil het Sportfondsenbad verbouwen tot een medisch bedrijfsverzamelgebouw. Voor deze bouwplannen is in 2012 een onherroepelijke omgevingsvergunning afgegeven, die in 2014 verruimd is.

2.3.

Op zaterdag 18 februari 2017 hebben gedaagden buiten medeweten en zonder toestemming van Investeringsmaatschappij Sportfondsenbad B.V. c.s. zich toegang verschaft tot het Sportfondsenbad. Naar eigen zeggen hebben gedaagden het gebouw gekraakt.

2.4.

Investeringsmaatschappij Sportfondsenbad B.V. c.s. heeft getracht in goed overleg met gedaagden tot een overeenkomst te komen zodat gedaagden, gelet op de werkzaamheden die in april 2017 zouden aanvangen, het Sportfondsenbad tijdig zouden verlaten.

2.5.

Van een gezamenlijk overleg is het niet gekomen.

2.6.

Op 24 april 2017 hebben gedaagden een poging van Bakker Bouwprojecten om een aanvang te maken met de werkzaamheden, tegengewerkt.

2.7.

Investeringsmaatschappij Sportfondsenbad B.V. c.s. heeft gedaagden gesommeerd om het Sportfondsenbad te verlaten en te ontruimen. Gedaagden hebben daaraan geen gevolg gegeven, waardoor Investeringsmaatschappij Sportfondsenbad B.V. c.s. zich genoodzaakt zag een kortgeding procedure te starten.

3 Het geschil

3.1.

Investeringsmaatschappij Sportfondsenbad B.V. c.s. vordert – kort samengevat – ontruiming van het pand gelegen aan de [adres], met machtiging van Investeringsmaatschappij Sportfondsenbad B.V. c.s. de ontruiming zo nodig zelf te bewerkstelligen met behulp van de sterke arm van politie en justitie op kosten van gedaagden. Een en ander met veroordeling van gedaagden in de kosten van het geding, te vermeerderen met nakosten en rente.

3.2.

Gedaagden voeren verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Spoedeisend belang

4.1.

Gedaagden hebben aangevoerd dat Investeringsmaatschappij Sportfondsenbad B.V. c.s. geen spoedeisend belang heeft bij haar vordering. In deze zaak is voldoende aannemelijk geworden dat gedaagden zonder toestemming van Investeringsmaatschappij Sportfondsenbad B.V. c.s. in het Sportfondsenbad verblijven. Daarmee is het spoedeisend belang voor Investeringsmaatschappij Sportfondsenbad B.V. c.s. gegeven.

Onrechtmatig handelen

4.2.

Bij de inhoudelijke beoordeling van het geschil wordt vooropgesteld dat gedaagden het Sportfondsenbad hebben gekraakt. Dat is in strijd met het eigendomsrecht van Investeringsmaatschappij Sportfondsenbad B.V. c.s. op het Sportfondsenbad. Het kraken van een onroerende zaak kwalificeert ook als een misdrijf op grond van artikel 138a van het Wetboek van Strafrecht. Blijkens de wetsgeschiedenis bij dat artikel is het belang van die bepaling vooral gelegen in de bescherming van het eigendomsrecht van de ander. Daarmee is de onrechtmatigheid van het handelen van gedaagden jegens Investeringsmaatschappij Sportfondsenbad B.V. c.s. gegeven.

Huisrecht ex artikel 8 EVRM

4.3.

Gedaagden hebben zich echter beroepen op het ‘huisrecht’ ex artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Dat artikel geldt in beginsel slechts in verhouding tot de overheid (verticale werking). Onder bepaalde omstandigheden kan horizontale werking toekomen aan grondrechten, in die zin dat het onrechtmatig kan zijn als een burger een andere burger al te zeer beperkt in de uitoefening van diens grondrechten. Uit rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens met betrekking tot het huisrecht moet worden afgeleid dat het gedwongen verlies van iemands huis de meest vergaande vorm van inmenging in de uitoefening van het huisrecht is en dat een ieder die het risico loopt op een dergelijke inmenging in beginsel de mogelijkheid moet hebben de proportionaliteit te laten toetsen door de rechter, voordat de ontruiming wordt geëffectueerd. Door middel van de onderhavige procedure worden gedaagden in staat gesteld de proportionaliteit van de voorgenomen ontruiming te laten toetsen door de (onafhankelijke) rechter, zodat aan voormelde voorwaarde is voldaan.

4.4.

De voorzieningenrechter zal de (tegenstrijdige) belangen van partijen tegen elkaar afwegen. Om die afweging te kunnen maken, moeten de belangen van partijen voldoende gespecificeerd naar voren zijn gebracht. Hierbij moet telkens worden betrokken de vraag of de omstandigheden aan de zijde van Investeringsmaatschappij Sportfondsenbad B.V. c.s. zodanig zijn dat in redelijkheid niet van haar kan worden gevergd dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht, mede gezien de voor gedaagden onomkeerbare gevolgen van een ontruiming.

Woningnood

4.5.

Door gedaagden is onder meer naar voren gebracht dat het gebruik van Sportfondsenbad voortkomt uit een absolute noodoplossing om zo een dak boven hun hoofd te hebben nu zij niet in aanmerking komen voor betaalbare sociale huurwoningen. In dat verband is door twee van hen, [gedaagde 2] en [gedaagde 3], een bewijs van inschrijving bij Woningnet overgelegd. Dat gedaagden voor alternatieve woonruimte niet in aanmerking komen acht de voorzieningenrechter op basis van de overgelegde inschrijvingen onvoldoende aannemelijk nu hieruit niet blijkt of gedaagden daadwerkelijk actie hebben ondernomen om voor een sociale huurwoning in aanmerking te komen.

Schade

4.6.

Door Investeringsmaatschappij Sportfondsenbad B.V. c.s. is naar voren gebracht dat zij op de kortst mogelijke termijn wil aanvangen met de bouw. Zij wijst er op dat er al meer dan een miljoen euro in het Sportfondsenbad is geïnvesteerd en dat de projectkosten al oplopen in de richting van de drie miljoen euro. De rentelasten (5%) bedragen meer dan

€ 10.000,- per maand. Dit houdt in dat elke dag dat gedaagden langer in het pand verblijven waardoor de bouw niet kan aanvangen, zij een schadepost van € 350,- euro oploopt.

4.7.

Investeringsmaatschappij Sportfondsenbad B.V. c.s. heeft voorts verklaard dat zij een aannemer, Aannemingsmaatschappij Friso Almere B.V. (hierna: Friso Almere), stand-by heeft staan. Zij heeft erop gewezen dat Friso Almere en zij hebben afgesproken dat de werkzaamheden in april 2017 zouden aanvangen. Zij heeft verklaard dat op 24 april 2017 J.H. Bakker Bouwprojecten heeft getracht om een aanvang te maken met de werkzaamheden, bestaande uit het opbouwen van steigers, maar dat gedaagden dit onmogelijk hebben gemaakt. Uit vrees voor hun eigen veiligheid en de veiligheid van de materialen van de aannemer hebben Bouw Bakkerprojecten en Friso Almere zich genoodzaakt gezien om de werkzaamheden te staken. Investeringsmaatschappij Sportfondsenbad B.V. c.s. benadrukt dat iedere dag dat Friso Almere niet met de werkzaamheden kan beginnen voor de aannemer ook een schadepost oplevert, dat de aannemer tot op heden geduld heeft betracht maar al wel heeft aangegeven dat zij een schadeclaim zal indienen bij Investeringsmaatschappij Sportfondsenbad B.V. c.s. als de bouw nog verder vertraagd wordt. Door toedoen van gedaagden lijdt Investeringsmaatschappij Sportfondsenbad B.V. c.s. derhalve schade en loopt zij ook het risico op een toekomstige schadeclaim.

4.8.

Door gedaagden wordt in dit verband gewezen op het feit dat de aannemingsovereenkomst dateert van 18 april 2017. Volgens gedaagden blijkt hieruit dat er in een razend tempo en op een slordige wijze te werk wordt gegaan door Investeringsmaatschappij Sportfondsenbad B.V. c.s.. Bovendien is de reden dat gedaagden zich hebben verzet tegen het opbouwen van de steigers door Friso Almere dat de huisrust van gedaagden werd verstoord.

4.9.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Aan gedaagden kan worden toegegeven dat het opbouwen van steigers de huisrust verstoort. Gedaagden hebben echter bij Investeringsmaatschappij Sportfondsenbad B.V. c.s. de indruk gewekt dat zij tijdig voor aanvang van de werkzaamheden zouden vertrekken. Bovendien is door gedaagden niet weersproken dat zij de veiligheid van Investeringsmaatschappij Sportfondsenbad B.V. c.s. en Friso Almere en diens materialen in gevaar hebben gebracht. Hierdoor is in feite een patstelling ontstaan voor Investeringsmaatschappij Sportfondsenbad B.V. c.s. en wordt geoordeeld dat Investeringsmaatschappij Sportfondsenbad B.V. c.s. een zwaarderwegend belang heeft bij de gevorderde ontruiming dan gedaagden bij voortgezet gebruik van het pand..

Verzekering

4.10.

Voorts hebben Investeringsmaatschappij Sportfondsenbad B.V. c.s. naar voren gebracht dat het pand in de huidige situatie niet meer verzekerd is en ook onverzekerbaar is. In de aanneemovereenkomst met Friso Almere hebben de betrokken partijen afgesproken dat het pand van het Sportfondsenbad gedekt is onder de CAR-verzekering van Friso Almere. Friso Almere heeft Investeringsmaatschappij Sportfondsenbad B.V. c.s. echter laten weten dat het pand in de gekraakte toestand niet onder haar CAR-verzekering is gedekt. Investeringsmaatschappij Sportfondsenbad B.V. c.s. heeft verder aangevoerd dat ze heeft vernomen dat het ook niet goed mogelijk is het pand in gekraakte toestand elders te verzekeren. Dit brengt voor haar onnodige en onaanvaardbare financiële risico’s met zich mee, aldus Investeringsmaatschappij Sportfondsenbad B.V. c.s.

4.11.

Door gedaagden is in dit verband aangevoerd dat Investeringsmaatschappij Sportfondsenbad B.V. c.s. niet heeft onderbouwd dat het pand niet te verzekeren is in gekraakte toestand.

4.12.

De voorzieningenrechter overweegt dat algemeen bekend is dat het moeilijk is een pand in gekraakte toestand te verzekeren en ook dat verzekeraars aan het eventueel verzekeren van een dergelijk pand zwaardere eisen stellen waaraan hogere kosten verbonden zijn. In dit kort geding is voldoende aannemelijk geworden dat de omstandigheid dat gedaagden tot op heden geweigerd hebben het pand te verlaten waardoor de aannemer nog niet met haar werkzaamheden kon beginnen maakt dat het pand thans niet onder de CAR-verzekering van de aannemer valt. Investeringsmaatschappij Sportfondsenbad B.V. c.s. heeft om die reden in beginsel een zwaarwegend belang bij de gevorderde ontruiming.

Aansprakelijkheid ex artikel 6:174 BW

4.13.

Tot slot heeft Investeringsmaatschappij Sportfondsenbad B.V. c.s. erop gewezen dat het Sportfondsenbad in een bouwkundige staat verkeert die een onleefbare en gevaarlijke situatie oplevert. Het pand is een bouwput die niet is geschikt voor bewoning en niet is voorzien van de benodigde veiligheidsvoorzieningen. Zo is er een diepe kuil van 5 meter diep van het lege zwembad, zonder omheining of afzetting zodat het risico zich voordoet dat een van gedaagden in de kuil van het zwembad valt. Bovendien is er sprake van instortingsgevaar waardoor het voor Investeringsmaatschappij Sportfondsenbad B.V. c.s. noodzakelijk is om de staalconstructie op korte termijn te kunnen stutten. Door deze onverantwoorde situatie voort te laten bestaan, is de kans op ongelukken groot en loopt Sportfondsenbad B.V. als eigenaar van het pand risico om in een dergelijk geval op grond van artikel 6:174 BW aansprakelijk gesteld te worden.

4.14.

Door gedaagden is verklaard dat het risico van aansprakelijkheid van Investeringsmaatschappij Sportfondsenbad B.V. c.s. voor gebreken of ongevallen als gevolg van die gebreken in het pand niet erg groot is. Zij voeren aan dat geoordeeld kan worden dat er sprake is van overmacht aan de zijde van Investeringsmaatschappij Sportfondsenbad B.V. c.s. indien een ongeval zich zou voordoen en gedaagden zich zouden beroepen op artikel 6:174 BW omdat het pand de gebreken al vertoonde toen gedaagden er hun intrek namen, terwijl Investeringsmaatschappij Sportfondsenbad B.V. c.s. zich van meet af aan hebben verzet tegen de ingebruikneming van het pand door gedaagden.

4.15.

De voorzieningenrechter overweegt dat gelet op hetgeen ter zitting naar voren gebracht is voldoende aannemelijk geworden is dat het pand in een dusdanige toestand verkeert dat het niet verantwoord is dat mensen hier hun intrek nemen voor bewoning of anderszins. Bij die stand van zaken wordt geoordeeld dat Investeringsmaatschappij Sportfondsenbad B.V. c.s. in beginsel een voldoende zwaarwegend belang heeft bij een spoedige ontruiming.

Wet natuurbescherming

4.16.

Voorts hebben gedaagden naar voren gebracht dat er, ondanks de verleende omgevingsvergunning, uit andere regelgeving belemmeringen voor de bouwwerkzaamheden kunnen voortvloeien. Gedaagden wijzen in dat verband op de bescherming die een aantal (beschermde) diersoorten geniet op grond van de Wet natuurbescherming. Gedaagden erkennen dat Investeringsmaatschappij Sportfondsenbad B.V. c.s. een onderzoek heeft ingesteld naar de aanwezigheid van huismussen in en rond het pand, maar wijzen er op dat bijvoorbeeld geen onderzoek is ingesteld naar de aanwezigheid van vleermuizen en gierzwaluwen, terwijl het niet ondenkbaar is dat die zich ook in het pand bevinden gelet op de periode dat het pand heeft leeggestaan. Gedaagden stellen dat daarom het onderzoek dat is gedaan niet volledig is en dat dus niet kan worden aangevangen met de bouwwerkzaamheden. Gezien het feit dat een gedegen onderzoek naar de aanwezigheid van vleermuizen een jaar de tijd vergt, is het, naar de mening van gedaagden, aannemelijk dat het nog langer dan een jaar kan duren voor de werkzaamheden daadwerkelijk zullen kunnen aanvangen. Gedaagden hebben aangevoerd dat zij er om die reden op dit moment aan twijfelen of de bouwplannen wel realistisch en haalbaar zijn en of nu beginnen met de werkzaamheden er niet toe zal leiden dat de bouwwerkzaamheden weer moeten stoppen en het pand opnieuw langere tijd leeg zal staan. Gedaagden wijzen er daarbij op dat toen Investeringsmaatschappij Sportfondsenbad B.V. c.s. eind februari 2017 contact opnam met hen er nog geen concrete bouwplannen waren en het ook geruime tijd zou duren voordat de plannen uitvoerbaar zouden zijn. Volgens hen bevestigt het door Investeringsmaatschappij Sportfondsenbad B.V. c.s. in het geding gebrachte e-mailbericht van de Regionale Uitvoeringsdienst Noord-Holland Noord (hierna: RUD) het beeld dat het nog lang zal duren voordat Investeringsmaatschappij Sportfondsenbad B.V. c.s. daadwerkelijk kan beginnen met de werkzaamheden.

4.17.

Investeringsmaatschappij Sportfondsenbad B.V. c.s. erkent dat de RUD bepaalde voorwaarden heeft gesteld aan de voorgenomen renovatiewerkzaamheden, waaronder de voorwaarde dat er wordt aangevangen met interne werkzaamheden met beperkt geluidsniveau om de broedende huismussen niet te storen, maar stelt dat zij met inachtneming van deze voorwaarden toestemming heeft van de RUD om te beginnen met de benodigde constructieve werkzaamheden, waarna zij in september, na het broedseizoen, met de werkzaamheden aan het dak kan beginnen.

4.18.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben gedaagden niet voldoende aannemelijk gemaakt dat er vleermuizen en/of gierzwaluwen aanwezig zijn in en/of in de directe omgeving van het pand, zodat dit thans geen belemmering vormt om Investeringsmaatschappij Sportfondsenbad B.V. c.s. toe te staan - met inachtneming van de voorwaarden gesteld door de RUD - met de werkzaamheden een begin te maken. Op basis van de verklaring van de RUD acht de voorzieningenrechter de voorgenomen constructieve en interne werkzaamheden niet in strijd met de gestelde voorwaarden.

Conclusie

4.19.

De voorzieningenrechter is op grond van hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel dat gedaagden er niet in zijn geslaagd om een voldoende zwaarwegend belang aan te tonen dat de inbreuk op het eigendomsrecht van Investeringsmaatschappij Sportfondsenbad B.V. c.s. rechtvaardigt. Investeringsmaatschappij Sportfondsenbad B.V. c.s. daarentegen heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij een voldoende zwaarwegend, spoedeisend belang heeft om thans op korte termijn met de werkzaamheden te beginnen. Investeringsmaatschappij Sportfondsenbad B.V. c.s. is in het bezit van de juiste vergunningen en heeft concrete plannen om aan te vangen met de bouwwerkzaamheden. Iedere dag dat zij niet met de werkzaamheden kan beginnen ondervindt zij schade als gevolg van verschuldigde rente over de projectkosten en loopt zij het risico op een schadeclaim van de aannemer. Daarmee heeft Investeringsmaatschappij Sportfondsenbad B.V. c.s. naar het oordeel van de voorzieningenrechter een voldoende zwaarwegend belang bij de gevorderde ontruiming en kan van haar niet gevergd worden dat zij eerst de uitkomst van een bodemprocedure afwacht.

Gelet op het voorgaande zal de gevorderde ontruiming worden toegewezen.

4.20.

De gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van justitie zal worden afgewezen, aangezien indien dit noodzakelijk is voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis, de deurwaarder met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 555 e.v. Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zonder instemming van de bewoner/gebruiker het betreffende pand kan betreden en ontruimen.

4.21.

De vordering om een gedwongen ontruiming te laten verrichten op kosten van gedaagden is toewijsbaar op de wijze als hierna te vermelden.

4.22.

Gedaagden zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Investeringsmaatschappij Sportfondsenbad B.V. c.s. worden begroot op:

- explootkosten € 80,42

- publicatiekosten advertentie P.M.

- griffierecht 618,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.514,42

4.23.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten is toewijsbaar, waarbij de hierna te vermelden termijn voor nakoming de voorzieningenrechter redelijk voorkomt.

4.24.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen als na te melden. De gevorderde wettelijke rente over deze kosten is eveneens toewijsbaar.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt gedaagden hoofdelijk, om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis het pand aan de [adres], met al degenen en al hetgeen dat zich daarin of daarop vanwege hen bevinden respectievelijk bevindt volledig en behoorlijk te verlaten en te ontruimen en met afgifte van de sleutels in lege en behoorlijke staat ter vrije beschikking van Investeringsmaatschappij Sportfondsenbad B.V. c.s. te stellen en vervolgens verlaten en ontruimd te houden

5.2.

bepaalt dat indien de ontruiming moet plaatsvinden met behulp van de sterke arm van politie en justitie, de daarbij te maken kosten voor rekening van gedaagden, hoofdelijk zodat indien en voor zover de één betaalt ook de anderen zullen zijn bevrijd, zullen komen, op vertoon van de daartoe benodigde bescheiden bestaande uit een exploot of proces-verbaal van de met deze bewerking van de verlating en ontruiming belaste deurwaarder waarin deze kosten gespecificeerd worden opgegeven

5.3.

veroordeelt gedaagden hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de anderen zullen zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van Investeringsmaatschappij Sportfondsenbad B.V. c.s. tot op heden begroot op € 1.514,42, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.4.

veroordeelt gedaagden hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de anderen zullen zijn bevrijd, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat veroordeelden niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.S. Röell en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.J. van Welij op 29 juni 2017.1

1 type: 1440 coll: