Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:5102

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
23-06-2017
Datum publicatie
30-06-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 5218
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Toekenning bijstand. Verrekening stortingen en verlaging met 10% van de gehuwdennorm wegens lagere bestaanslasten als gevolg van de woonsituatie. Beroep gegrond. Bestreden besluit is vernietigd. Verweerder dient een nieuwe beslissing te nemen.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 27
Wet werk en bijstand 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 16/5218

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 juni 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Dijkman Dulkes-Wan).

Procesverloop

Bij besluit van 21 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser met ingang van 6 april 2016 een uitkering op grond van de Participatiewet (PW) toegekend naar de norm van een alleenstaande, verlaagd met 10% van de gehuwdennorm vanwege het ontbreken van woonkosten en onder verrekening van inkomsten uit loondienst en stortingen van zijn moeder.

Bij besluit van 6 oktober 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser, onder verbetering van de motivering, ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft in april 2016 een bijstandsuitkering aangevraagd. Hij heeft daarbij aangegeven dat hij op de [adres] woont voor € 225,- per maand, dat hij parttime werk verricht met een netto inkomen van € 132,60 per maand en dat hij schulden heeft bij de Belastingdienst, [moeder] (zijn moeder), de DUO en het CJIB. Eiser heeft verklaringen overgelegd van [naam] (toekomstig curator van eisers moeder) waarin onder meer staat dat zij namens eisers moeder geld aan eiser heeft geleend. Verder zijn een verzoek tot onder curatelestelling van eisers moeder, een bewarings-overeenkomst tussen eiser en Zwerfkei Tijdelijk Beheer en bankafschriften overgelegd.

2. Verweerder heeft naar aanleiding van deze aanvraag het primaire besluit genomen. Dit besluit heeft, onder verbetering van de motivering, in bezwaar stand gehouden. Volgens verweerder is weliswaar geen sprake van het ontbreken van woonkosten, maar bewoont eiser een woning waaraan lage kosten zijn verbonden, zodat sprake is van lagere bestaanskosten. Verweerder heeft daarbij in aanmerking genomen dat eiser een huurprijs verschuldigd is van € 225,- per maand inclusief gas, water en licht. De kosten van gas, water en licht bedragen in het geval van een eenpersoonshuishouden zoals gevoerd door eiser minimaal € 63,82 per maand. De kale woonlasten bedragen dus € 161,18 per maand. Dit is lager dan de commerciële huurprijs voor een zelfstandige woonruimte, die volgens de Beleidsregels aanpassing bijstandsnorm (de Beleidsregels) bepaald is op de grens die wordt gehanteerd voor de huurtoeslag. Deze was ten tijde in geding € 231,87. Gelet op artikel 27 van de PW en de Beleidsregels is eisers bijstandsuitkering terecht verlaagd met 10% van de gehuwdennorm. In beroep heeft verweerder aanvullend opgemerkt dat eisers woonruimte een oppervlakte van 158 m2 heeft en dat voor een kamer in een studentenhuis met een woonoppervlakte van 11 m2 aan de [straatnaam adres] een huurprijs van € 330,- per maand wordt gevraagd. Dit is hoger dan de prijs die eiser voor het gebruik van zijn woning betaalt.

Ten aanzien van de stortingen door eisers moeder heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat deze terecht als middelen zijn aangemerkt, die in mindering moeten worden gebracht op eisers bijstandsuitkering. Het betreft middelen die eiser direct heeft kunnen aanwenden voor het dagelijkse levensonderhoud. Door eiser is volgens verweerder niet aangetoond dat sprake is van leningen omdat een concrete terugbetalingsverplichting ontbreekt. De afspraak dat eiser het geleende bedrag in termijnen van € 50,- afbetaalt zodra hij over voldoende inkomsten beschikt, uiterlijk binnen vijf jaar na dagtekening is volgens verweerder een onzekere toekomstige gebeurtenis.

3. Eiser kan zich met dit besluit niet verenigen. Hij stelt ten aanzien van de leningen dat sprake is van een concrete terugbetalingsverplichting. Er is geen sprake van een onzekere in de toekomst gelegen gebeurtenis nu het in de lijn der verwachtingen ligt dat verweerder op enig moment tot uitkering zal overgaan. Op dat moment ontstaat de betalingsverplichting. Hij heeft ter zitting een uitdraai van zijn bankafschriften overgelegd waaruit blijkt dat hij maandelijks € 50,- aan zijn moeder terugbetaalt.
Verder is volgens eiser wel sprake van een commerciële huurprijs en is door verweerder onvoldoende aangetoond dat dit niet het geval is. De prijs moet in verhouding staan tot de geleverde prestaties en dat wat in het commerciële verkeer gebruikelijk is. Verweerder kan bij het hanteren van een vaste grens voor het aannemen van een commerciële huurprijs niet slechts verwijzen naar beleid.

4. De rechtbank ziet zich allereerst geplaatst voor de vraag of verweerder de stortingen van eisers moeder terecht als middelen heeft aangemerkt en in mindering heeft gebracht op eisers bijstandsuitkering. Ten aanzien hiervan overweegt de rechtbank als volgt.

4.1.

Vast staat dat op 28 april 2016 en 30 mei 2016 € 400,- is overgemaakt van de rekening van eisers moeder naar die van eiser. In beginsel moeten deze stortingen – ongeacht de vorm waarin deze worden verstrekt – als in aanmerking te nemen middelen (inkomsten) worden beschouwd waarmee rekening moet worden gehouden bij de verlening van bijstand. Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 22 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9138) heeft een betrokkene in beginsel geen recht op bijstand indien en voor zover hij zich periodieke middelen tot levensonderhoud verschaft door leningen aan te gaan. Dit kan echter anders zijn wanneer iemand, die in afwachting is van een besluit op zijn aanvraag om algemene bijstand, geen bijstand ontvangt, ter voorziening in de kosten van levensonderhoud is aangewezen op het aangaan van leningen. In dat geval moet betrokkene aannemelijk maken dat er geen ander inkomen is en voorts dat het gaat om leningen die zijn verstrekt voor levensonderhoud. Daarvoor is van belang dat aannemelijk wordt gemaakt van wie, wanneer, op welke wijze en tot welk bedrag de lening is ontvangen, dat bij de betaling, en niet later, de afspraak is gemaakt dat het een lening betreft en dat die dus terugbetaald moet worden, en dat die lening voor levensonderhoud bedoeld is (uitspraak van de CRvB van 15 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3188).

4.2.

De rechtbank is van oordeel dat voornoemde (uitzonderings)situatie op eiser van toepassing is. Nadat een eerdere aanvraag om bijstand was afgewezen, heeft eiser in afwachting van het besluit op zijn aanvraag twee keer een bedrag van € 400,- van zijn moeder ontvangen. De rechtbank acht door eiser aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van geldleningen ten behoeve van levensonderhoud. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiser met het inkomen dat hij ontving niet in zijn levensonderhoud kon voorzien. Voorts is duidelijk dat eiser deze bedragen via een bankoverschrijving op 28 april en 30 mei 2016 namens zijn moeder heeft ontvangen. Als omschrijvingen zijn daarbij respectievelijk “Lening. Totale lening nu 1200 euro.” en “Lening” gegeven. Verder zijn er op 28 april 2016 en 30 mei 2016 door eiser en [naam] (de toekomstige curator van de moeder van eiser) verklaringen aangaande deze leningen opgesteld en ondertekend. Deze luiden als volgt:
“Mijn naam is [naam] en ik ben de nicht van mevrouw [moeder] . Er loopt een verzoek tot curatelestelling van mijn tante en ik word de curator. Omdat de zoon van mevrouw [moeder] , [eiser] , niet kan rondkomen heb ik namens zijn moeder aan hem geleend: 400 euro. [eiser] zal dit bedrag in termijn van 50 euro afbetalen zodra hij over voldoende inkomsten beschikt, uiterlijk binnen 5 jaar na dagtekening. Aldus getekend te Amersfoort op […]”

De rechtbank is van oordeel dat uit voornoemde omstandigheden en het feit dat eiser consistent heeft verklaard dat de bedragen die hij van zijn moeder heeft ontvangen voor levensonderhoud dienden – anders dan verweerder meent – volgt dat sprake is van leningen voor levensonderhoud waaraan een concrete terugbetalingsverplichting is verbonden. Daarbij merkt de rechtbank op dat zoals door eiser ter zitting is aangetoond al € 50,- per maand wordt afgelost.

4.3.

Eisers beroepsgrond slaagt. Het beroep is reeds hierom gegrond. Verweerder heeft de door eiser ontvangen bedragen gelet op het voorgaande ten onrechte in mindering gebracht op eisers bijstandsuitkering. Gelet hierop kan het bestreden besluit geen stand houden en moet dit worden vernietigd. Vervolgens moet worden beoordeeld of de het bestreden besluit voor het overige in stand kan blijven.

4.4.

In dat kader ziet de rechtbank zich geplaatst voor de vraag of verweerder de bijstandsuitkering van eiser heeft kunnen verlagen met 10% van de gehuwdennorm in verband met lagere bestaanskosten. De rechtbank overweegt ten aanzien hiervan als volgt.

4.5.

Volgens artikel 18, eerste lid, van de PW, stemt verweerder de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.

Volgens artikel 27 van de PW, kan verweerder de norm, bedoeld in de artikelen 20 en 21, of de toeslag, bedoeld in artikel 25, lager vaststellen voorzover de belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm of de toeslag voorziet als gevolg van zijn woonsituatie, waaronder begrepen het niet aanhouden van een woning. Ter uitvoering van deze bepaling hanteert verweerder Beleidsregels.

Volgens artikel 3, aanhef en onder a, van de Beleidsregels bedraagt de verlaging als bedoeld in artikel 27 van de wet 10% van de gehuwdennorm indien een woning wordt bewoond waaraan voor belanghebbende lagere kale huur- of hypotheekkosten zijn verbonden dan de commerciële huurprijs.

Volgens artikel 1, aanhef en onder b, van de Beleidsregels wordt onder de commerciële huurprijs verstaan de prijs voor de kale huur die minimaal gelijk is aan de ondergrens zoals gehanteerd bij het vaststellen van de huurtoeslag.


Volgens artikel 1, aanhef en onder g, van de Beleidsregels wordt onder kale huur verstaan, de huurprijs zonder bijkomende kosten, zoals gas, water, elektra, servicekosten en afvalstoffenheffing.

Ten aanzien van artikel 3, van de Beleidsregels is toegelicht in welke situaties de bijstandsnorm wordt verlaagd. Het gaat bijvoorbeeld om de situatie waarin een woning wordt bewoond waaraan (voor belanghebbende) geen kosten van huur of hypotheeklasten is verbonden. Ook kan sprake zijn van lagere bestaanskosten als gevolg van de woonsituatie bij bewoning van een woning waaraan geen of lage kosten zijn verbonden, bijvoorbeeld in het geval van krakers.

4.6.

Uit de Beleidsregels maakt de rechtbank op dat verweerder de bijstandsuitkering verlaagt met 10% van de gehuwdennorm wanneer de kale huur lager is dan de commerciële huurprijs. Onder commerciële huurprijs wordt verstaan de prijs voor de kale huur die minimaal gelijk is aan de ondergrens zoals gehanteerd bij het vaststellen van de huurtoeslag.

4.7.

Deze Beleidsregels geven naar het oordeel van de rechtbank een onjuiste invulling aan wat is bepaald in artikel 27 van de PW. Door verweerder is niet gemotiveerd waarom het voor het antwoord op de vraag of sprake is van lagere kosten van bestaan als gevolg van de woonsituatie redelijk is aansluiting te zoeken bij de ondergrens die –door de Belastingdienst– bij het vaststellen van de huurtoeslag wordt gehanteerd. De tekst van artikel 27 van de PW, noch de Memorie van Toelichting bieden steun voor het standpunt dat bij woonkosten tot aan de kale huurprijs sprake is van lagere bestaanskosten. Evenmin heeft verweerder gemotiveerd waarom het redelijk is om, wanneer sprake is van lagere bestaanskosten, een standaardverlaging van 10% van de gehuwdennorm toe te passen. Een standaardverlaging strookt niet met het uitgangspunt dat de bijstand dient te worden afgestemd op de omstandigheden mogelijkheden en middelen van een belanghebbende, zoals bedoeld in artikel 18 van de PW.

4.8.

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan als gevolg van de woonsituatie en of als gevolg daarvan de bijstand kan worden verlaagd moet naar het oordeel van de rechtbank een beoordeling van het individuele geval plaatsvinden. De Beleidsregels van verweerder voorzien hierin niet. Door verweerder is de door eiser te betalen vergoeding voor het gebruik van de woning afgezet tegen een vast bedrag. Daarnaast is slechts bekeken wat een kamer in een studentenhuis met een woonoppervlakte van 11 m2 aan de [straatnaam adres] per maand kost. Omstandigheden zoals de staat waarin de woning van eiser verkeert, de kosten die gemoeid zijn met het bewoonbaar maken van de woning, het feit dat eiser geen aanspraak kan maken op huurtoeslag en de voorwaarden waartegen eiser de woonruimte huurt, heeft verweerder ten onrechte niet onderzocht en bij de beoordeling betrokken. De toegepaste verlaging is dan ook onvoldoende gemotiveerd.

4.9.

Eisers beroepsgrond slaagt. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat het bestreden besluit ook ten aanzien van het verlagen van de bijstand met 10% van de gehuwdennorm geen stand kan houden. De rechtbank ziet geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen of zelf in de zaak te voorzien. Daarvoor is het nader te verrichten onderzoek te omvangrijk. Verweerder moet daarom een nieuwe beslissing op bezwaar nemen met inachtneming van deze uitspraak.

5. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten en stelt deze op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op

€ 990,- (waarbij geldt: 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495, - en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 990,-;

- draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht van € 46,- aan hem te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.N. Nijhuis, voorzitter, en mr. drs. J.H.A.C. Everaerts en mr. E.G. van Roest, leden, in aanwezigheid van F. Voskamp, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.