Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:5068

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
21-06-2017
Datum publicatie
04-07-2017
Zaaknummer
C/15/247881 / FA RK 16-5178
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Op grond van artikel 54 van het Somalisch personeelsstatuut is de rechtbank van oordeel dat er naar Somalisch recht geen familierechtelijke betrekking is ontstaan tussen de echtgenoot van de moeder en de drie kinderen; het verzoek van de ovj tot wijziging van de aktes van geboorten wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2017/72.1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Haarlem

wijziging akte burgerlijke stand

zaak-/rekestnr.: C/15/247881 / FA RK 16-5178

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 21 juni 2017

op het verzoek van de officier van justitie in het arrondissement Noord-Holland

(hierna te noemen: de officier),

gevestigd te [plaats] ,

strekkende tot doorhaling van de latere vermelding van de erkenning alsmede tot verbetering en aanvulling van:

- de akte [nummer] van de gemeente [gemeente] betreffende:

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ;

- de akte [nummer] van de gemeente [gemeente] betreffende:

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ;

- de akte [nummer] van de gemeente [gemeente] betreffende :

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] .

In deze zaak worden als belanghebbenden aangemerkt:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: de moeder,

advocaat mr. E.C. Weijsenfeld, kantoorhoudende te Haarlem;

[naam] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: [naam] ,

advocaat mr. E.C. Weijsenfeld, kantoorhoudende te Haarlem;

[naam] ,

zonder bekende woon- of verblijfplaats in en buiten Nederland,

hierna: [naam] ;

de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeente] ,

hierna: de ambtenaar.

1 Procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de beschikking van deze rechtbank van 12 april 2017 en de daarin vermelde stukken;

- de brief van de advocaat van de moeder en [naam] van 5 mei 2017;

- de brief van de officier van 12 mei 2017 met als bijlage de brief van de ambtenaar van 1 mei 2017;

- de brief van de bijzondere curator van 15 mei 2017.

1.2.

Bij beschikking van 12 april 2017 heeft de rechtbank de beslissing op:

  • -

    het verzoek van de officier tot wijziging van de geboorteaktes van [minderjarige] , [minderjarige] en [minderjarige] ,

  • -

    het subsidiaire verzoek van de bijzondere curator tot ontkenning van het door huwelijk ontstaan vaderschap van [naam] en tot de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van [naam] ,

  • -

    het verzoek van de moeder en [naam] tot vaststelling van een voorlopige voornaam en een voorlopige geslachtsnaam van [minderjarige] , [minderjarige] en [minderjarige] ,

pro forma aangehouden en partijen en de belanghebbenden in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de toepassing van het Somalisch afstammingsrecht op het verzoek, zoals overwogen in rechtsoverweging 7.4 van voormelde beschikking.

1.2.

Gelet op de inhoud van de hierboven vermelde reacties en gezien hetgeen op de eerdere zitting van 14 februari 2017 is besproken zal de rechtbank zonder nadere behandeling ter zitting een beslissing geven op de verzoeken.

2 Het standpunt van verzoeker/ bijzonder curator/ de belanghebbenden

2.1.

De advocaat van de moeder en [naam] deelt in zijn brief van 5 mei 2017 mee dat de moeder en [naam] beiden de Somalische nationaliteit hebben en dat de moeder sinds haar komst naar Nederland in 2007 geen contact meer heeft gehad met [naam] . De moeder en [naam] volgen de rechtbank in de uiteenzetting over het Somalisch recht en concluderen dat [naam] naar Somalisch recht niet de juridische vader is van [minderjarige] , [minderjarige] en [minderjarige] en dat de erkenning van [minderjarige] , [minderjarige] en [minderjarige] rechtsgeldig tot stand is gekomen zodat het verzoek van de officier dient te worden afgewezen.

2.2.

De officier handhaaft zijn standpunt zoals verwoord in het verzoekschrift van 15 augustus 2016 en verwijst daarvoor naar de brief van de ambtenaar van 1 mei 2017.

2.3.

De ambtenaar deelt in zijn brief van 1 mei 2017 mee, onder verwijzing naar

rechtsoverweging 7.4 in de beschikking van 12 april 2017, dat op basis van het huwelijk van de moeder en [naam] het Somalisch afstammingsrecht van toepassing is op [minderjarige] , [minderjarige] en [minderjarige] . Het huwelijk is erkend en op basis hiervan is het Somalisch afstammingsrecht van toepassing, waardoor, aldus de ambtenaar, [minderjarige] , [minderjarige] en [minderjarige] in familierechtelijke betrekking komen te staan tot [naam] . De ambtenaar handhaaft zijn eerder ingenomen standpunt en verzoekt de rechtbank de geboorteaktes van [minderjarige] , [minderjarige] en [minderjarige] te corrigeren.

2.4.

De bijzondere curator deelt in haar brief van15 mei 2017 mee dat uit de gevolgtrekking van de rechtbank gezien alle beschikbare informatie in redelijkheid geen andere conclusie kan worden getrokken dan dat de moeder en [naam] de Somalische nationaliteit hadden ten tijde van de geboorte van [minderjarige] , [minderjarige] en [minderjarige] . De bijzondere curator stelt dat op grond van artikel 10:92 lid 1 BW het Somalisch recht van toepassing op de vraag of [minderjarige] , [minderjarige] en [minderjarige] in een familierechtelijke betrekking komen te staan tot de echtgenoot van de vrouw uit wie [minderjarige] , [minderjarige] en [minderjarige] zijn geboren.

De bijzondere curator wijst daarbij naar artikel 54 lid 1 van het Somalisch Personeel Statuut waarin de afstamming van de vader binnen een geldig huwelijk wordt bewezen als:
- de duur van het huwelijk langer is dan de minimale duur van de zwangerschap (180

dagen);

- er geen bewijs is dat er een obstakel was waardoor geslachtsgemeenschap onmogelijk was vanaf het moment van de huwelijkssluiting tot de geboorte van het kind of dat een dergelijk obstakel ontstond na de huwelijkssluiting en gedurende de daarop volgende twaalf maanden duurde.

De bijzondere curator is van mening dat genoegzaam is komen vast te staan dat er sprake was van een geografisch obstakel waardoor geslachtsgemeenschap tussen [naam] en de moeder gedurende een periode van twaalf maanden voorafgaand aan de geboorte van zowel [minderjarige] , [minderjarige] en [minderjarige] onmogelijk was. De moeder verbleef in die tijd in namelijk Nederland en [naam] verbleef in die tijd elders, naar alle waarschijnlijkheid in Somalië. De bijzondere curator is voorts van mening dat deze omstandigheid de conclusie rechtvaardigt dat naar Somalisch recht geen familierechtelijke betrekking is ontstaan tussen [naam] en [minderjarige] , [minderjarige] en [minderjarige] en dat het verzoek van de officier dient te worden afgewezen.

3 De verdere beoordeling

Toepasselijk afstammingsrecht

3.1.

Bij tussenbeschikking van 12 april 2017 heeft de rechtbank overwogen dat zij tot de voorlopige conclusie is gekomen dat Somalisch recht van toepassing is op de vraag of [minderjarige] , [minderjarige] en [minderjarige] wettige kinderen van [naam] zijn.

3.2.

Zowel de moeder en [naam] , als de bijzondere curator en de gemeente [gemeente] onderschrijven het standpunt van de rechtbank dat Somalisch recht van toepassing is. De rechtbank is - overeenkomstig haar eerdere voorlopige conclusie - van oordeel dat het Somalisch afstammingsrecht van toepassing is, zijnde de gemeenschappelijke nationaliteit van de moeder en [naam] ten tijde van de geboorte van [minderjarige] , respectievelijk [minderjarige] en [minderjarige] .

3.3.

Zoals reeds in de beschikking van 12 april 2017 is overwogen staat (kort samengevat) vast dat:

  • -

    de moeder op [huwelijksdatum] in Somalië met [naam] is gehuwd;

  • -

    zij in 2007 zonder [naam] naar Nederland is gekomen; zij sindsdien geen contact meer met [naam] heeft gehad en niet weet of hij nog leeft;

  • -

    de broer van de moeder, op haar verzoek, op basis van de Islamitische wetgeving in Somalië de echtscheiding tussen [naam] en haar heeft geformaliseerd op 11 maart 2008.

Op grond van deze feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat, gelet op de afstand tussen de woonplaats de moeder in Nederland en de vermoedelijke woonplaats van [naam] in Somalië, er sprake was van een geografisch obstakel waardoor geslachtsgemeenschap tussen de moeder en [naam] gedurende een periode van twaalf maanden voorafgaand aan de geboorte van [minderjarige] , respectievelijk [minderjarige] en [minderjarige] onmogelijk was. Dit betekent dat er op grond van artikel 54 van het Somalisch personeelsstatuut, zoals de bijzondere curator terecht stelt, naar Somalisch recht geen familierechtelijke betrekking is ontstaan tussen [naam] en [minderjarige] , tussen [naam] en [minderjarige] en tussen [naam] en [minderjarige] . Het feit dat de ambtenaar (en in zijn voetspoor de officier) zonder enige onderbouwing stelt dat er naar Somalisch recht wel een familierechtelijke band is ontstaan, leidt niet tot een ander oordeel.

Het voorgaande betekent dat [naam] terecht niet als (juridische) vader op de geboorteaktes van [minderjarige] , [minderjarige] en [naam] is vermeld zodat de geboorteaktes juist zijn opgemaakt. Daarom zal het verzoek van de officier worden afgewezen.

3.4.

Aangezien het verzoek van de officier zal worden afgewezen, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van het subsidiaire verzoek van de bijzonder curator.

Gelet op het feit dat de moeder heeft medegedeeld dat de naturalisatie van haar en de kinderen wacht op de einduitspraak in deze zaak, ziet de rechtbank geen reden tot vaststelling van een voornaam en een voorlopige achternaam van de kinderen in afwachting van het naturalisatie-KB als door de moeder verzocht. Dit verzoek zal dan ook bij gebrek aan belang worden afgewezen.

4 Beslissing

De rechtbank;

4.1.

wijst het verzoek van de officier af;

4.2.

wijst het verzoek van de moeder af.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. van Dam, rechter, in tegenwoordigheid van M.P. Joukes, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 juni 2017.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en de verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.