Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:5035

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
16-06-2017
Datum publicatie
20-06-2017
Zaaknummer
15/800551-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Twee woninginbraken

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/800551-16 (P)

Uitspraakdatum: 16 juni 2017

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 2 juni 2017 in de zaak tegen:

een persoon gedagvaard als [verdachte] ,

zich noemende [verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

niet ingeschreven op enig adres in de basisregistratie personen,

thans gedetineerd in Justitieel Complex Zaanstad.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. S.H.S. Ayre en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. C.A.F. Visser, advocaat te Wormerveer, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1

primair

hij op of omstreeks 28 december 2016 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan [adres 1] heeft weggenomen twee ringen (een metalen ring en/of een goudkleurige ring met witte briljantjes), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die weg te nemen ring(en) onder zijn/hun bereik hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;

subsidiair

hij op of omstreeks 28 december 2016 te Zaandam, gemeente Zaanstad, ter uitvoering van zijn voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening, in/uit een woning gelegen aan [adres 1] , weg te nemen geld en/of goederen van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem,

verdachte, en/of zijn mededader(s), en/of dat (die) weg te nemen goed(eren) onder zijn (hun) bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming, opzettelijk met zijn mededader(s), althans alleen, een ruit van de achterdeur van die woning heeft/hebben vernield en/of (vervolgens) die woning heeft/hebben betreden, zijnde de verdere uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid, alleen tengevolge van de van zijn, verdachte's, en/of zijn mededader(s) wil onafhankelijke omstandigheid, dat de alarminstallatie

van die woning is afgegaan, in elk geval alleen tengevolge van enige van zijn, verdachte's, wil onafhankelijke omstandigheid;

2.

hij op of omstreeks 28 december 2016 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan [adres 2] heeft weggenomen een of meer sieraden en/of een of meer handschoenen en/of een mobiele telefoon (merk Nokia), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangeefster] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gesteld dat het bij feit 1 slechts om een poging tot inbraak kan gaan. Het is namelijk niet bewezen dat de ringen waarover in de aangifte wordt gesproken, daadwerkelijk zijn weggenomen. De ringen zijn niet bij de verdachten aangetroffen. Het is mogelijk dat de ringen in de woning in het ongerede zijn geraakt, aldus de raadsman.

Verdachte heeft verklaard dat de medeverdachten vermoedelijk hebben ingebroken, maar dat hij daar niet bij betrokken is geweest. Hij is in de auto gebleven en is niet bij de woningen geweest. De raadsman heeft er in dit verband op gewezen dat de getuigen het hebben over drie mannen die alle drie een jas met een bontkraag droegen, terwijl op de foto van verdachte net na zijn aanhouding is te zien dat verdachte een jas droeg die niet is voorzien van een bontkraag. Verder heeft de raadsman erop gewezen dat bij verdachte geen gestolen goederen zijn aangetroffen. Het feit dat onder de schoenen van verdachte modder en glassplinters zijn aangetroffen, is volgens de raadsman evenmin bewijs voor betrokkenheid van verdachte bij de feiten, omdat niet is onderzocht of de glassplinters van de betreffende woningen afkomstig zijn en de modder en de splinters ook anderszins onder de schoenen van verdachte kunnen zijn gekomen. Uit niets blijkt dat verdachte – die van meet af aan heeft ontkend – wist wat de anderen gingen doen. De raadsman heeft de rechtbank verzocht verdachte van beide hem ten laste gelegde feiten vrij te spreken.

3.3.

Redengevende feiten en omstandigheden 1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten op grond van het volgende.

Op 28 december 2016 rond 19.20 uur bevond de heer [getuige 1] zich in zijn woning aan de [adres 3] in Zaandam, toen hij een alarm hoorde afgaan. Het geluid kwam uit de richting van de woning [adres 1] , schuin tegenover zijn eigen woning. [getuige 1] is direct naar buiten gerend, richting [adres 1] . Daar zag hij drie mannen tevoorschijn komen vanachter een aantal bomen die naast [adres 1] staan. Twee van de mannen waren donker gekleed, de derde had een afwijkende kleur jas met een bontjas (de rechtbank leest: bontkraag) aan de capuchon. [getuige 1] keek de man met de afwijkende kleur jas recht in het gezicht, toen deze hem voorbij rende. Deze man was iets forser gebouwd. De mannen renden de hoek om, een doodlopende straat in. [getuige 1] heeft twee personen die bij de bushalte stonden – de hierna te noemen getuigen [getuige 2] en [getuige 3] – aangeroepen om te helpen. Vervolgens kwam er een lichtgekleurde auto, met alleen parkeerlicht aan, aanrijden. De auto reed op [getuige 1] af en kwam op een meter afstand van hem tot stilstand. [getuige 1] keek de bestuurder recht in het gezicht aan en heeft hem met zekerheid herkend als de forse persoon met de anders gekleurde jas met bontkraag die hij eerder had zien lopen. Er zat nog zeker één andere persoon in de auto. De auto had een Frans kenteken, dat [getuige 1] meerdere keren hardop heeft herhaald richting de getuige [getuige 2] . De auto manoeuvreerde om [getuige 1] en [getuige 2] heen en reed weg.2

[getuige 3] stond op 28 december 2016 rond 19.25 uur met zijn collega [getuige 2] bij de bushalte op [straat] . Zij hoorden het geluid van een alarm komen uit een woning schuin tegenover hen. Enkele seconden later renden er drie mannen bij de woning vandaan. Ze kwamen uit de bosjes bij het hoekhuis waar het alarm van afging. De man die voorop rende, was iets dikker dan de andere twee. Op dat moment kwam ook de buurman naar buiten rennen. Deze buurman en [getuige 2] schreeuwden naar [getuige 3] het kenteken van de auto die uit een doodlopende straat kwam rijden. [getuige 3] heeft het – Franse – kenteken in zijn telefoon opgeslagen. Dit was [kenteken] . In de auto zaten minstens twee personen.3

[getuige 2] hoorde, terwijl zij op 28 december 2016 met haar collega [getuige 3] bij de bushalte op [straat] in Zaandam stond, ook een alarmtoon. Het geluid kwam van een huis waar ook een lamp knipperde. [getuige 2] liep richting dit huis. Op het moment dat zij het huis naderde, zag zij drie mannen uit de bosjes naast het huis komen. Een van de drie personen was wat dikker en had een groene jas aan met een bontkraag. Samen met een buurman die naar buiten was gekomen – de getuige [getuige 1] – liep zij in de richting waar zij de drie mannen heen had zien rennen. Ter hoogte van het huis waar het alarm afging, bleven [getuige 2] en [getuige 1] staan. Er kwam een lichtkleurige auto zonder licht aan rijden, die stopte en vervolgens om hen heen de straat uit reed. [getuige 2] , die de wat dikkere persoon in de groene jas met de bontkraag herkende als degene die achter het stuur van de auto zat, heeft het kenteken van de auto naar haar collega geschreeuwd.4

Bij de politie is op 28 december 2016 rond 19.28 uur de melding binnengekomen van een inbraak op de [adres 1] in Zaandam, waarbij een lichtkleurige personenauto met het Franse kenteken [kenteken] zou zijn weggereden. Dit betrof een Peugeot 2008. Om 19.42 uur zagen verbalisanten op de rijksweg A8 een grijze Peugeot 2008 met het Franse kenteken [kenteken] rijden, in de richting van Amsterdam. De auto is naar een parkeerplaats gedirigeerd en de inzittenden zijn aangehouden. Dit betroffen: [medeverdachte 1] (bestuurder), [medeverdachte 2] (bijrijder), [verdachte] (de rechtbank leest: verdachte) (passagier linksachter) en [medeverdachte 3] (passagier rechtsachter).5

De woning aan de [adres 1] te Zaandam, gemeente Zaanstad, is voorzien van een alarmsysteem. De bewoner, de heer [aangever] , heeft op 27 december 2016 het huis verlaten en het alarmsysteem ingeschakeld. Op 28 december 2016 kreeg hij via zijn dochter het bericht dat de achterdeur van het huis was geforceerd. Bij thuiskomst op 29 december 2016 constateerde [aangever] dat er een gat zat in de ruit van de achterdeur. Aangever mist twee ringen (een goudkleurige ring met witte briljantjes en een metalen ring) die in de kamer op de eettafel op de voet van een iMac pc lagen.6

Ook in de woning van mevrouw [aangeefster] op de [adres 2] te Zaandam bleek die avond te zijn ingebroken. Op 28 december 2016 om 15.45 uur had [aangeefster] haar woning verlaten. Toen zij rond 21.00 uur weer thuiskwam, lagen er twee grote bloembakken, die afkomstig waren uit de tuin, in de woonkamer op de grond. Het raam aan de achterzijde van de woning was ingegooid en het hele huis was overhoop gehaald.7

In het dashboardkastje van de Peugeot 2008 waarin verdachte en zijn medeverdachten reden zijn twee goudkleurige sieraden en een telefoon van het merk Nokia gevonden.8

De aangetroffen sieraden, te weten een gouden broche en een gouden hanger met granaten/steentjes, zijn aan aangeefster [aangeefster] getoond. Zij herkende de sieraden als haar eigendom.9

In de fouillering van verdachte [medeverdachte 2] is een dunne goudkleurige ketting met een hangertje met daarop een ronde donkerrode steen en daar omheen meerdere kleine steentjes aangetroffen.10 Ook dit kettinkje is door aangeefster [aangeefster] herkend als haar eigendom, dat was weggenomen uit haar woning. [aangeefster] herkende tevens de aangetroffen Nokia telefoon als haar telefoon.11

Aangeefster meldde voorts dat zij een paar lichtbruine winterhandschoenen miste, alsmede de linkerhandschoen van een zwart lederen paar (maat M, drie sierstiksels op de rug) en de rechterhandschoen van een ander lederen paar (merk Hema, maat L).12

In de Peugeot werd onder de stoel van de bijrijder een paar lichtkleurige handschoenen gevonden. Achterin de auto lag op de grond voor de rechter zitting van de achterbank een losse handschoen. In het vakje van het rechter achterportier lag eveneens een losse handschoen, die echter niet bij de andere hoorde.13

Verbalisant [verbalisant] heeft aan de hand van foto’s vastgesteld dat de twee losse in de Peugeot aangetroffen handschoenen overeenkwamen met de twee handschoenen die in de woning van aangeefster waren achtergebleven en dat zij daarmee twee complete paren vormden.14

[aangeefster] heeft de handschoenen ook zelf herkend als haar eigendom.15

Enkele dagen later is aangeefster tot de ontdekking gekomen dat uit haar woning ook een zilverkleurige schaar was weggenomen.16

Bij een laatste inspectie van de Peugeot heeft de politie een zilverkleurige schaar aangetroffen.17

Aangeefster heeft deze schaar herkend als de schaar die uit haar bureau was weggenomen. Tevens is aan aangeefster het paar bruin/beige wollen handschoenen getoond, dat eerder in de Peugeot was gevonden. Ook deze handschoenen herkende aangeefster als haar eigendom.18

Bij sporenonderzoek in de woning [adres 1] te Zaandam is geconstateerd dat zich bij de achterdeur in de ruit een gat bevond en dat er diverse scherven glas op de grond lagen. De dochter van de bewoners deelde aan de politie mede dat zij de glasscherven die binnen op de vloer lagen, al had opgeruimd.19

Bij sporenonderzoek in de woning [adres 2] te Zaandam deelde de bewoonster de politie mede dat de dader(s) twee bloempotten van een tafel uit de achtertuin had(den) gepakt en met deze potten de ruit van het raam had(den) ingeslagen. De politie trof de potten aan op de woonkamervloer. Geconstateerd is verder dat de vloer van de woonkamer vol lag met glasscherven. Op het blad van het bureau dat onder het ingeslagen raam stond zijn diverse fragmenten van schoensporen aangetroffen. Deze sporen zijn veiliggesteld met behulp van folies. Ook op de vloer zijn diverse schoensporen aangetroffen. Deze sporen zijn fotografisch vastgelegd. De schoensporen zijn voorzien van SIN AAKZ0458NL.20 Op gemaakte foto’s is te zien dat op de vloer in de woning aarde aanwezig is (vermoedelijk afkomstig uit de bloem-potten).21

Van alle vier aangehouden verdachten zijn de schoenen in beslag genomen. Onder de zool van de schoenen van verdachte [medeverdachte 1] zaten hele lichte sporen van modder/vuil. In de zool van de rechterschoen van verdachte [medeverdachte 2] zat een grotere glassplinter/stukje glas vast. Ook zat er een kleine hoeveelheid vuil/modder onder de zool. Onder de schoenen van verdachte [medeverdachte 3] zaten sporen van modder/aarde. Onder de schoenen van verdachte zagen verbalisanten opvallend veel verse aarde en modder. Ook zaten er meerdere kleine stukjes glas/glassplinters onder het profiel van de schoenen van verdachte.22

Bij vergelijkend onderzoek is gebleken dat het spoor SIN AAKZ0458NL waarschijnlijk is veroorzaakt door de linkerschoen van verdachte [medeverdachte 3] , in het onderzoek aangeduid als schoen B.23

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 28 december 2016 samen met medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in de Peugeot is vertrokken. Op een gegeven moment waren er goederen in de auto die er eerst niet waren, zoals een halsketting en hand-schoenen.

3.4.

Bewijsoverwegingen

Feit 1: voltooid of poging?

De heer [aangever] , de bewoner van [adres 1] , heeft in zijn aangifte verklaard dat hij twee ringen mist. Deze ringen lagen op de voet van de iMac pc die op de tafel in de kamer stond. Aangever beschrijft de ringen in detail. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan deze aangifte. Het feit dat de ringen niet in de Peugeot en niet bij verdachten zijn aangetroffen, betekent niet dat zij niet weg kunnen zijn genomen. Dergelijke kleine objecten kunnen immers gemakkelijk worden verborgen of zoek gemaakt. De door de verdediging genoemde kans dat de ringen in de woning zijn zoek geraakt, acht de rechtbank te verwaarlozen, mede gelet op het feit dat door de afdeling Forensische Opsporing van de politie sporenonderzoek is gedaan op de plaats delict en de ringen daarbij niet zijn aangetroffen. De rechtbank acht dan ook bewezen dat de door aangever genoemde ringen bij de inbraak zijn weggenomen. Er is sprake van een voltooid delict.

Betrokkenheid van verdachte

Verdachte is aangehouden in de auto die getuigen zeer kort daarvoor hadden zien wegrijden bij de woningen waar was ingebroken. In de auto lagen diverse goederen die van één van deze inbraken afkomstig waren. Verdachte heeft verklaard dat hij een aantal van deze goederen heeft gezien, zoals een halsketting en handschoenen, en dat deze goederen eerst niet in de auto waren. Onder de schoenen van verdachte zat opvallend veel verse aarde en modder alsmede meerdere stukjes glas/glassplinters, terwijl na de inbraken op de vloer van beide woningen veel kapot glas lag en in één van de woningen tevens aarde.

Verdachte heeft voor deze feiten en omstandigheden, die naar het oordeel van de rechtbank redengevend zijn voor het bewijs van de betrokkenheid van verdachte bij de hem ten laste gelegde feiten, geen aannemelijke, geloofwaardige, die redengevendheid ontzenuwende verklaring gegeven.

De verklaring van verdachte dat de verse aarde en modder en het glas onder zijn schoenen moeten zijn gekomen toen hij van het hotel naar de op de parkeerplaats van het hotel geparkeerde auto liep, omdat dat het enige stukje is geweest dat hij na zijn vertrek uit het hotel heeft gelopen, acht de rechtbank ongeloofwaardig. Niet alleen heeft verdachte deze verklaring voor het eerst ter terechtzitting afgelegd en heeft hij bij de politie iets anders verklaard, ook acht de rechtbank aan de hand van door de officier van justitie ter terechtzitting getoonde beelden van (de parkeerplaats van) het hotel niet aannemelijk dat daar aarde en modder en glas heeft gelegen. Daar komt bij dat verdachte zeer wisselende en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over de in de auto aangetroffen gestolen goederen. Over de in de auto aangetroffen ketting, Nokia telefoon en sieraden heeft verdachte bij de rechter-commissaris verklaard dat deze van een meisje waren dat verdachten hadden ontmoet. In het politieverhoor van 9 februari 2017 heeft verdachte deze verklaring herhaald en eraan toegevoegd dat de goederen een soort van borg waren voor geld dat hij en zijn medeverdachten aan het meisje hadden gegeven. Ter terechtzitting van 2 juni 2017 heeft verdachte verklaard dat de medeverdachten bij de woningen moeten hebben ingebroken en dat zij ineens terug naar de auto kwamen met de bewuste goederen. Over een meisje heeft verdachte met geen enkel woord gerept. Ook op andere punten heeft verdachte wisselend en tegenstrijdig verklaard.

Gelet op het vorenstaande en gelet op de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen, alles in onderling verband en samenhang beschouwd, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten, op de wijze zoals in de bewezenverklaring hieronder nader aangeduid.

Naar het oordeel van de rechtbank is sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking, waarbij zowel verdachte als zijn medeverdachten een bijdrage van voldoende gewicht heeft/hebben geleverd om te spreken van medeplegen, althans ‘diefstal door twee of meer verenigde personen’ als bedoeld in artikel 311 lid 1 onder 4 van het Wetboek van Strafrecht.

3.5.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

1

primair

hij op 28 december 2016 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [adres 1] heeft weggenomen twee ringen (een metalen ring en een goudkleurige ring met witte briljantjes), toebehorende aan [aangever] , waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak;

2.

hij op 28 december 2016 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [adres 2] heeft weggenomen sieraden en handschoenen en een mobiele telefoon (merk Nokia), toebehorende aan [aangeefster] , waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder 1 primair en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 primair en feit 2, telkens:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden met aftrek van voorarrest.

6.2.

Standpunt van verdachte/de verdediging

Voor het geval de rechtbank tot strafoplegging komt, heeft de raadsman de rechtbank verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en met de straffen die aan de medeverdachten zijn opgelegd. Met een beroep op het gelijkheidsbeginsel zou een gevangenisstraf van maximaal vijf maanden het meest voor de hand liggen, aldus de raadsman.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft samen met anderen ingebroken in twee naast elkaar gelegen woningen. Bij de ene woning zijn twee grote bloempotten door een ruit gegooid en is het hele huis overhoop gehaald. De buit bestond uit enkele sieraden, een paar handschoenen en een mobiele telefoon. Ook bij de andere woning hebben de verdachten zich de toegang verschaft door een voorwerp door een ruit te gooien. Doordat hier een alarm afging, zijn de daders gevlucht met medeneming van alleen een paar ringen.

De rechtbank tilt zwaar aan woningbraken, omdat hierdoor niet alleen - vaak grote - materiële schade wordt toegebracht aan de slachtoffers, maar ook een ernstige inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en het gevoel van veiligheid van de slachtoffers en omwonenden. Bovendien zorgen dergelijke feiten voor gevoelens van onrust en onbehagen in de samenleving in bredere zin.

Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte en zijn medeverdachten kennelijk vanuit Frankrijk naar Nederland zijn gekomen met geen ander doel dan het plegen van strafbare feiten. Dat maakt een en ander des te kwalijker.

Gelet op de aard en de ernst van de feiten is naar het oordeel van de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden.

Ten nadele van verdachte neemt de rechtbank in aanmerking dat hij geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn handelen neemt.

Nu de identiteit van verdachte niet formeel, met zekerheid, is vastgesteld, kan de rechtbank niet nagaan of verdachte eerder met justitie in aanraking is gekomen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

7 Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel

7.1.

[aangever] (feit 1)

De benadeelde partij [aangever] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.870,- ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade betreft een Apple draadloos toetsenbord (€ 120,-), een schemerlamp (€ 250,-) en een gouden ring (€ 1000,-).

Daarnaast vordert de benadeelde partij onder de noemer ‘proceskosten’ een bedrag van € 800,-.

De benadeelde partij heeft, blijkens het van die zitting opgemaakte proces-verbaal, ter zitting van 7 april 2017 te kennen gegeven dat de materiële schade inmiddels door de verzekering is vergoed. Hierbij gold een eigen risico van € 50,-. De benadeelde partij vordert thans vergoeding van dit bedrag. Voorts heeft hij toegelicht dat de ‘proceskosten’ gederfde inkomsten betreffen (8 uren à € 100,-).

De rechtbank is van oordeel dat het gevorderde bedrag van € 50,- ter zake van het eigen risico, waartegen de verdediging geen verweer heeft gevoerd, kan worden toegewezen. Het betreft materiële schade die rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 primair bewezen verklaarde feit. Het toe te wijzen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Wat betreft de immateriële schade is de rechtbank van oordeel dat de vordering onvoldoende concreet is onderbouwd om te kunnen vaststellen dat de benadeelde in zijn persoon is aangetast, als bedoeld in artikel 6:106, lid 1, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom in dit onderdeel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

De schade in de vorm van inkomstenderving (in de vordering aangeduid als ‘proceskosten’) is niet onderbouwd. Reeds hierom moet de benadeelde partij in dit onderdeel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard worden.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vordering toewijzen tot een bedrag van € 50,-. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een medeverdachte het toegewezen bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

De benadeelde partij kan de delen van de vordering die tot niet-ontvankelijkheid zullen leiden, desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 1 primair bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: een woninginbraak] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

7.2.

[aangeefster] (feit 2)

De benadeelde partij [aangeefster] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 360,- ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het onder 2 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade, ten bedrage van € 100,-, betreft het eigen risico van de inboedelverzekering.

De rechtbank is van oordeel dat het gevorderde bedrag van € 100,- ter zake van het eigen risico, waartegen de verdediging geen verweer heeft gevoerd, kan worden toegewezen. Het betreft materiële schade die rechtstreeks voortvloeit uit het onder 2 bewezen verklaarde feit.

Wat betreft de immateriële schade overweegt de rechtbank dat uit de toelichting op de vordering alsmede uit het proces-verbaal van bevindingen op pagina 48 van het dossier volgt dat de benadeelde partij, een alleenwonende weduwe op leeftijd, de inbraak in haar woning als een inbreuk op en een ernstige aantasting van haar persoonlijke levenssfeer heeft ervaren, waardoor haar woongenot en veiligheidsgevoel haar zijn ontnomen. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee in voldoende mate onderbouwd dat de benadeelde in haar persoon is aangetast, als bedoeld in artikel 6:106, lid 1, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek.

De gevorderde vergoeding van € 260,- voor de immateriële schade komt de rechtbank billijk voor.

De vordering zal derhalve worden toegewezen als verzocht. Het toe te wijzen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een medeverdachte het toegewezen bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 2 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: een woninginbraak] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De artikelen 36f, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht zijn van toepassing.

9 Beslissing

De rechtbank:

 Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.5. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

 Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

 Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [aangever] geleden materiële schade tot een bedrag van € 50,- (vijftig euro), en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [aangever] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

 Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [aangever] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 50,- (vijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door één dag hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

 Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [aangeefster] geleden schade tot een bedrag van € 360,- (driehonderdzestig euro), bestaande uit € 100,- voor de materiële en € 260,- voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [aangeefster] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

 Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [aangeefster] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 360,- (driehonderdzestig euro), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door zeven dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

 Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van die voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de duur van de opgelegde gevangenisstraf.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. S. Jongeling, voorzitter,

mr. P. van Steijnen en mr. N. Boots, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier A. Helder,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 16 juni 2017.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Het proces-verbaal van verhoor getuige met nummer PL1100-2016285827-69 d.d. 3 januari 2017, inhoudende de verklaring van [getuige 1] , dossierpagina's 76 t/m 78.

3 Het proces-verbaal van verhoor getuige met nummer PL1100-2016285827-59 d.d. 30 december 2016, inhoudende de verklaring van [getuige 3] , dossierpagina's 81/82.

4 Het proces-verbaal van verhoor getuige met nummer PL1100-2016285827-75 d.d. 16 januari 2017, inhoudende de verklaring van [getuige 2] , dossierpagina's 83/84.

5 Het proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1100-2016285827-2 d.d. 28 december 2016, dossierpagina's 85/86.

6 Het proces-verbaal van aangifte met nummer PL1100-2016285827-68 d.d. 3 januari 2017, inhoudende de verklaring van [aangever] , dossierpagina's 63/64.

7 Het proces-verbaal van aangifte met nummer PL1100-2016285962-1 d.d. 28 december 2016, inhoudende de verklaring van [aangeefster] , dossierpagina's 9/10.

8 Het proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1100-2016285827-22 d.d. 28 december 2016, dossierpagina’s 102/103.

9 Het proces-verbaal van verhoor met nummer PL1100-2016285962-4 d.d. 29 december 2016, inhoudende de verklaring van [aangeefster] , dossierpagina 14.

10 Het proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1100-2016285827-36 d.d. 29 december 2016, dossierpagina 116.

11 Het proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1100-2016285827-36 d.d. 29 december 2016, dossierpagina 117 en het proces-verbaal van verhoor met nummer PL1100-2016285962-6 d.d. 29 december 2016, dossierpagina 21.

12 Het proces-verbaal van verhoor met nummer PL1100-2016285962-6 d.d. 29 december 2016, dossierpagina 22.

13 Het proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1100-2016285827-22 d.d. 28 december 2016, dossierpagina 102.

14 Het proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1100-2016285827-36 d.d. 29 december 2016, dossierpagina 118.

15 Het proces-verbaal van verhoor met nummer PL1100-2016285962-6 d.d. 29 december 2016, dossierpagina 22.

16 Het proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1100-2016285962-8 d.d. 4 januari 2017, dossierpagina 48.

17 Het proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1100-2016285827-80 d.d. 5 februari 2017, dossierpagina 49.

18 Het proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1100-2016285962-12 d.d. 26 januari 2017, dossierpagina 50.

19 Het proces-verbaal sporenonderzoek met nummer PL1100-2016285827-27 d.d. 2 januari 2017, dossierpagina 68.

20 Het proces-verbaal sporenonderzoek met nummer PL1100-2016285962-5 d.d. 3 januari 2017, dossierpagina 66/67.

21 De eigen waarneming van de rechtbank ter terechtzitting van 2 juni 2017 op de foto’s op dossier-pagina’s 25 t/m 27.

22 Het proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1100-2016285827-36 d.d. 29 december 2016, dossierpagina 117.

23 Het proces-verbaal uitslag sporenonderzoek met nummer PL1100-2016285827-56 d.d. 5 januari 2017, dossierpagina's 70/71.