Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:503

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
24-01-2017
Datum publicatie
24-01-2017
Zaaknummer
14.870687-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Brandstichting met gevaar voor goederen. Bedrijfspand volledig afgebrand. 30 maanden gevangenisstraf.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2017/19 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 14/870687-16

Uitspraakdatum: 24 januari 2017

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 14 oktober 2016 en 10 januari 2017 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] ,

[adres]

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. D. Sarian en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. R. Tetteroo, advocaat te Schiedam, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering, ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 2 december 2015 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met motorbenzine, althans met een brandbare stof, ten gevolge waarvan dat/die pand(en) aan Bolbaken nr. 2-4 geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor dat/die pand(en) en/of in dat/die pand(en) aanwezige goederen en/of de belendende panden, te duchten was.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde brandstichting.

3.2

Standpunt van de verdediging

Door de verdediging is vrijspraak bepleit. De verschillende bewijsmiddelen in het dossier zijn onbetrouwbaar, kunnen niet worden gecontroleerd en kunnen daarom niet voor het bewijs worden gebezigd. Hiertoe is door de verdediging – zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

Camerabeelden

De politie heeft geverbaliseerd dat op de camerabeelden zichtbaar is dat in de Mercedes Vito die vlak voor het ontstaan van de brand in het bewuste pand dichtbij het pand is gesignaleerd twee personen zitten. De verdediging is van oordeel dat zulks niet uit de camerabeelden van een bedrijf naast het getroffen pand kan worden afgeleid. Integendeel. Op de beelden van camera 1 lijkt er juist maar één persoon in de bedrijfsbus te zitten. Als de beelden langzaam worden afgespeeld, zijn er volgens de verdediging op geen enkel moment twee personen zichtbaar in de bedrijfsbus. Op de beelden van camera 3 zijn evenmin twee personen zichtbaar. Om 22:10:44 uur kan recht door de cabine van de bedrijfsbus worden gekeken, zonder dat hierbij een tweede persoon op de bijrijdersstoel te zien is. De politie heeft haar conclusie dan ook getrokken op basis van gezichtsbedrog en aannames.

Verklaring [getuige]

De verklaringen van [getuige] zijn niet betrouwbaar, omdat zijn verklaringen op meerdere punten onverenigbaar zijn met de verklaringen van (mede)verdachte [medeverdachte] Ook heeft de verdediging [getuige] niet kunnen ondervragen, omdat hij geweigerd heeft vragen te beantwoorden vanwege een vermeende bedreiging. Opmerkelijk is dat [getuige] wel heeft verklaard in de zaak van (mede)verdachte [medeverdachte]

Verklaringen medeverdachte [medeverdachte]

Ook de verklaringen van (mede)verdachte [medeverdachte] zijn niet betrouwbaar.

heeft zes verklaringen afgelegd die telkens op meerdere punten van elkaar verschillen. Daarbij maakt [medeverdachte] zijn eigen rol steeds kleiner en past hij zijn verklaring aan als blijkt dat de onderzoeksresultaten onverenigbaar zijn met door hem eerdere afgelegde verklaringen. Hierbij komt dat de verdediging niet de beschikking heeft gehad over het transcript van het gehele verhoor van [medeverdachte] van 19 mei 2016. De rechter-commissaris heeft immers beslist dat de verdediging over meerdere passages uit de verklaring van [medeverdachte] niet mag beschikken. Vlak na een dergelijke passage waarover de verdediging niet mag beschikken, benoemt [medeverdachte] [verdachte] als mededader. Voor de verdediging is het uiteraard van groot belang om te weten wat hieraan vooraf is gegaan. Omdat de verdediging een aantal passages uit de verklaring van [medeverdachte] mist, kan de verdediging niet beoordelen in welke context [medeverdachte] zijn uitlatingen heeft gedaan. Dit maakt de verklaring van [medeverdachte] onbetrouwbaar.

Analyse printlijstgegevens (zendmasten)

Ook de analyse van de printlijstgegevens is onbetrouwbaar. De zendmastcodes met betrekking tot het telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer] staan niet in enig proces-verbaal vermeld, terwijl de ruwe zendmastgegevens van dit nummer het proces-verbaal op pagina 374 van het dossier niet lijken te ondersteunen. De deskundige heeft hierover mogelijk een logische verklaring gegeven, maar bij gebrek aan broninformatie is deze verklaring niet te toetsen. Zonder toetsbare broninformatie kunnen de verschillende processen-verbaal van bevindingen, waaronder ook die over de koppeling van de route van de bedrijfsbus en de zendmastlocaties van het nummer [telefoonnummer] , niet voor het bewijs worden gebruikt.

De analyse met betrekking tot het telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer]

Uit de dossierstukken, waaronder de analyse en de printlijsten, blijkt niet zonder meer dat

verdachte op 2 december 2015 de gebruiker is geweest van het telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer] , dan wel dat hij deze telefoon die dag bij zich heeft gehad. Verdachte heeft ook steeds aangegeven dat het telefoonnummer [telefoonnummer] niet van hem is.

3.3.

Redengevende feiten en omstandigheden 1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Op woensdag 2 december 2015 om 22:43 uur kwam bij de politie een melding binnen van

een brand in een bedrijf aan de Sluispolderweg. Ter plaatse bleek de brand te woeden in een

bedrijfspand nabij de Sluispolderweg, aan het Bolbaken nummer 2. De vlammen kwamen uit het dak van het pand en de brand breidden zich snel uit.2 Bij de brand is asbest vrijgekomen. Pas na enkele uren kon het sein ‘brand meester’ worden gegeven. De eigenaar van de afgebrande percelen Bolbaken 2-4 bleek te zijn [slachtoffer] .3 Omdat aan [slachtoffer] door de politie was medegedeeld dat een deur van het pand ten tijde van de brand open stond en het pand vóór de brand volledig was afgesloten, heeft [slachtoffer] , directeur/eigenaar van de [slachtoffer] gevestigd aan het Bolkaken 2-4, aangifte gedaan van brandstichting.4

Ter plaatse is door de politie sporenonderzoek verricht, waarbij brandresten (SIN-nummer AABJ0973NL en SIN-nummer AABJ0975 NL) uit het bedrijfspand veilig zijn gesteld voor onderzoek.5 Uit onderzoek door het NFI bleek het eerstgenoemde spoor stoffen te bevatten van kerosine en het tweede spoor stoffen van motorbenzine.6

Op de camerabeelden van een naast de [slachtoffer] gelegen bedrijf is te zien dat op woensdag 2 december 2015 om 22:10:43 uur een Mercedes bedrijfsbus, met opdruk aan de zijkant, parkeerde tussen de twee bedrijfspanden. Om 22:31:51 uur ontstaan er flikkeringen op het bedrijfspand aan de rechterkant van de weg. De bedrijfsbus reed om 22:32:03 uur weer weg en om 22:33:05 uur is op de beelden een snel toenemende rookontwikkeling zichtbaar.7

Verbalisanten Dalm en Visser herkenden de kleurstelling rood/geel en de opdruk aan de zijkant van de bedrijfsauto als zijnde een huurauto van het bedrijf van [naam] .8 Getuige [getuige] herkende op een foto voornoemde bedrijfsbus als eigendom van zijn [getuige] verklaarde dat hij deze bedrijfsauto, te weten een Mercedes Vito, met kenteken [kenteken] , heeft verhuurd aan [getuige] . Zij kwam de auto samen met [medeverdachte] huren. De auto zou op 22 november 2015 worden teruggebracht, maar dit is niet gebeurd. Wel kreeg [getuige] op die dag een e-mail van [getuige] , de man van [getuige] , met de mededeling dat er op zijn naam busjes werden gehuurd, maar dat hij en zijn vrouw hiermee niets te maken hadden.9 Volgens [getuige] reed [medeverdachte] in de bedrijfsauto. Op 30 november 2015 werd [getuige] gebeld door [medeverdachte] met de vraag of hij de bedrijfsauto kon omruilen voor een witte bus. [medeverdachte] belde [getuige] met nummer [telefoonnummer] .10 Getuige [getuige] (naar de rechtbank begrijpt is [getuige] de meisjesnaam van [getuige] ) heeft verklaard dat zij de bedrijfsauto onder druk van [medeverdachte] op haar naam heeft gehuurd. Het nummer [telefoonnummer] staat in haar telefoon als zijnde het (oude) nummer van [medeverdachte] .11

De Mercedes Vito bedrijfsbus werd op 11 december 2015 teruggevonden in Arnhem.12 In de laadruimte van de auto is een spoor veiliggesteld met SIN-nummer AAHG6729NL.13 In dit spoor zijn door het NFI stoffen aangetroffen afkomstig van motorbenzine.14

De Mercedes Vito was voorzien van een Track & Trace systeem. Hieruit bleek dat het busje op woensdag 2 december omstreeks 19:45 uur gestopt was bij een tankstation in Graft - De Rijp. Op de beelden van het tankstation is te zien dat het busje van verhuurbedrijf [getuige] stil staat bij pomp 4 en aan de bestuurderszijde een man uitstapte. De man liep richting

de zijkant van de bus, pakte een jerrycan uit de bus en vulde deze met een vloeistof. De

man liep vervolgens naar binnen. Hij stond om 19:48 uur bij de kassa en kocht een pakje Marlboro en een blikje drinken.15 Na raadpleging van het kassasysteem, bleek dat er om 19:50 uur door een klant Marlboro, een Red Bull én 16.72 liter benzine is afgerekend.16

Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hem op 2 december 2015 door iemand was gevraagd om met een man, tot dan toe niet bij naam genoemd, mee te rijden naar een voor hem onbekende locatie. Hij heeft de man met de Mercedes Vito van autoverhuurbedrijf [getuige] opgehaald en is vervolgens samen met de man naar de locatie van de brandstichting gereden. De man zat op de passagiersstoel. [medeverdachte] was de bestuurder. [medeverdachte] heeft voorts verklaard dat de man bij de locatie uitstapte en dat hij in de bus moest wachten. De man liep naar de deur van het busje en nam spullen mee uit het busje. De man klom vervolgens over een hek en is via een deur een pand binnen gegaan. [medeverdachte] hoorde daarna veel lawaai en zag ineens fel licht. Toen kwam de man het pand weer uit en zijn [medeverdachte] en de man weer weggereden.17

[medeverdachte] had tijdens de rit op 2 december 2016 zijn mobiele telefoon met het nummer eindigend op [telefoonnummer] bij zich. Hij heeft dit nummer gebruikt om de man te bellen op de locatie waar hij hem moest ophalen.18 [medeverdachte] heeft van de man opdracht gekregen om benzine te tanken, voordat hij hem ophaalde. Vervolgens heeft hij de man opgehaald, niet op zijn woonadres, maar op een ander adres. Daarna is hij met de man langs de [adres] gereden, alwaar de man een vuilniszak met spullen ophaalde en in de laadruimte van het busje zette.19 [medeverdachte] heeft in een later verhoor verklaard dat de man [verdachte] heet en ook wel [verdachte] wordt genoemd.20

De route van de Mercedes Vito op woensdag 2 december 2015

Gelet op de Track & Trace gegevens van de Mercedes Vito heeft het busje op 2 december de volgende route afgelegd:

- Omstreeks 19:38 uur vertrekt het busje vanaf de [adres]

en komt om 19:47 uur aan bij een Shell tankstation aan het Westeinde in De Rijp;

- Omstreeks 19:51 uur vertrekt het busje vanaf dit tankstation naar het Hof van
Zaenden te Zaandam. Hier komt het busje om 20:09 uur aan;

- Daarna maakt het busje een zoekslag in de omgeving Geertevelt en Oosterveld

om vervolgens richting de [adres] te rijden. Hier staat het busje ongeveer 11 minuten stil;

- Vervolgens rijdt het busje naar het Skoon in Oostzaan. Het busje rijdt hierbij langs de latere plaats delict (op de kaart is te zien dat de plaats delict niet op de route ligt);

- Het busje rijdt vanaf Oostzaan twee maal langs de latere plaats delict (op de kaart is te zien dat de plaats delict niet op de route ligt) en staat daarna enkele minuten stil

bij de Stormhoek te Zaandam. Daarna rijdt het busje met een ruime omweg naar het Bolbaken te Zaandam;

- Om 22:31 uur vertrekt het busje van het Bolbaken richting het tankstation BP aan de A8. Vanaf hier rijdt het busje naar de het Medisch Centrum Alkmaar.21

De [adres] is het woonadres van [medeverdachte] .22 [adres] is het woonadres van [verdachte] .23 [naam] is woonachtig aan [adres] . [adres] van [verdachte] [adres] . [verdachte] komt meestal elke woensdagavond bij haar langs.24

Telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer] en route van de Mercedes Vito

Het telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer] was in de periode van de brandstichting in gebruik bij [medeverdachte] . Dit nummer heeft op 2 december 2015 met de volgende zendmasten contact gemaakt:

- 19:55 uur omgeving Starnmeer;

- 20:30 uur Koog aan de Zaan;

21:06 uur Oostzaan;

- 21:13 uur Sluispolderweg te Zaandam (directe omgeving plaats delict);

- 21:38 uur de Kleine Tocht te Zaandam;

- 23:20 uur Alkmaar;

Alle locaties van de zendmasten komen overeen met de plek waar de Mercedes Vito zich volgens de Track & Trace gegevens op die tijdstippen bevond.25

Het telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer] van [medeverdachte] wordt op 2 december 2015 meerdere malen gebeld door een telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer]26

Telefoonnummer eindigend [telefoonnummer]

Het nummer eindigend op [telefoonnummer] heeft in de periode van 1 november 2015 tot en met 13 februari 2016 diverse contacten gehad met de volgende nummers en de daaraan gekoppelde personen:

- een nummer eindigend op [telefoonnummer] , het nummer van [getuige] , [getuige] [verdachte] ;

- een nummer eindigend op [telefoonnummer] , gekoppeld aan [getuige] [verdachte] , de vader van [verdachte] , 22 keer contact;

- een nummer eindigend op [telefoonnummer] , gekoppeld aan [getuige] [verdachte] , 7 keer contact;

- een nummer eindigend op [telefoonnummer] , gekoppeld aan [getuige] [verdachte] en moeder van hun dochter, 41 keer contact;

- veelvuldige contacten met personen die lid zijn van Satudarah.

Voorts passen de meest gebruikte zendmasten bij nummer [telefoonnummer] (Gedempte Gracht 49 en Westzijde 103 te Zaandam) bij het GBA-adres [adres] van [verdachte] .27
[verdachte] is lid van motorclub Satudarah.28

De SIM-kaart van het nummer [telefoonnummer] heeft in de periode van 1 november 2015 tot 13 februari 2016 in één mobiel toestel gezeten, voorzien van IMEI-nummer 35853306621528, gevolgd door een vijftiende cijfer als contrôlegetal.29 Op 18 april 2016 is bij de aanhouding van [verdachte] een Samsung in beslag genomen met IMEI-nummer 35853306621528(4).30

Op 26 februari 2016 blijkt het nummer [telefoonnummer] niet meer actief. Het nummer bleek te worden gebruikt in een telefoon met IMEI-nummer 35853306621280. In een telefoongesprek d.d. 15 maart 2016 noemt de andere persoon de gebruiker van voornoemd IMEI-nummer ‘ [verdachte] ’ en de gebruiker van voornoemd IMEI-nummer noemt de andere persoon ‘pa’. Het nummer van deze andere persoon staat op naam van de vader van [verdachte] . In een ander telefoongesprek d.d. 15 maart 2016 noemt de andere persoon de gebruiker van voornoemd IMEI-nummer [verdachte] De gebruiker van het IMEI-nummer zei: ‘Ik ben alleen [verdachte] ’.

Posities telefoonnummers [medeverdachte] ( [telefoonnummer] ) en ( [telefoonnummer] ) en route Mercedes Vito

Bij het laatste contact dat het nummer [telefoonnummer] op 2 december 2015 rond 19:43 uur met [telefoonnummer] heeft gehad, straalt het nummer [telefoonnummer] aan op een zendmast in Zaandam, Prins Bernhardplein. Rond dat tijdstip verplaatst de Mercedes Vito zich naar het [adres] . Vanuit hier is het voertuig naar de [adres] gereden, het [adres] van [verdachte] .31

Op 2 december 2015 om 20:09 uur, stopt de Mercedes Vito bij het [adres] . Op dat moment belt [medeverdachte] naar de telefoon met het nummer dat eindigt op [telefoonnummer] . Beide telefoons stralen op dat moment de zendmast aan op het Prins Bernhardplein te Zaandam.32 [medeverdachte] heeft verklaard dat hij zijn mededader moest bellen op de locatie waar hij hem moest ophalen.33

Omstreeks 22:11 uur op 2 december 2015 straalt het nummer [telefoonnummer] aan op een mast op

de Sluispolderweg te Zaandam, omstreeks hetzelfde tijdstip dat de Mercedes Vito via de Achtersluispolderweg naar de plaats delict reed. Tussen 22:59 uur en 23:16 uur heeft de Mercedes Vito stil gestaan bij het Medisch Centrum Alkmaar. In die periode straalde het nummer [telefoonnummer] om 23:25 uur aan bij een zendmast in Alkmaar. Om 00:20 uur op 3 december 2015, straalt het nummer aan op het Prins Bernardplein te Zaandam. De Mercedes Vito bevond zich op 3 december 2015 tussen 00:19 uur en 00:35 uur in de directe omgeving

van het Prins Bernhardplein te Zaandam.34

Conclusie

Gelet op de voorgaande redengevende feiten en omstandigheden, concludeert de rechtbank dat de Mercedes Vito, waarmee naar de plaats van delict is gereden, en waarvan [medeverdachte] de bestuurder was, dezelfde route heeft afgelegd als het mobiele nummer van

[medeverdachte] en het mobiele nummer eindigend op [telefoonnummer] . Gelet op de contactgegevens van het mobiele nummer eindigend op [telefoonnummer] zoals hierboven weergegeven en het feit dat de simkaart met dit telefoonnummer is aangetroffen in de Samsung telefoon met het Imei-nummer 35853306621528, welke telefoon op 18 april 2016 is aangetroffen bij [verdachte] , gaat de rechtbank ervan uit dat [verdachte] gebruik maakte van het mobiele telefoonnummer dat eindigde op [telefoonnummer] . Het kan, gelet op al het bovenstaande, derhalve niet anders dan dat [verdachte] samen met [medeverdachte] in de Mercedes Vito heeft gezeten, waarmee zij samen naar de plaats van het delict zijn gereden en waarna [verdachte] brand heeft gesticht aan de percelen Bolbaken 2-4 te Zaandam.

3.4.

Bewijsoverweging

Betrouwbaarheid verklaringen medeverdachte [medeverdachte]

Anders dan de verdediging, is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte] wel voor het bewijs kunnen worden gebezigd.

Met de verdediging stelt de rechtbank vast dat de zes verklaringen van [medeverdachte] niet geheel met elkaar overeenkomen, waarbij met name opvalt dat hij van aanvang af zijn eigen rol bij de brandstichting minimaliseert. Dit brengt evenwel niet zonder meer met zich mee dat zijn verklaringen voor het overige niet betrouwbaar zijn. [medeverdachte] heeft vanaf het eerste inhoudelijke verhoor consistent verklaard over een aantal essentiële punten. [medeverdachte] moest een man ophalen en is met de man naar een ander adres gereden, alvorens zij samen naar de locatie van de brandstichting zijn gereden. Ook heeft [medeverdachte] verklaard dat hij de bestuurder was van de bedrijfsauto, dat de man op de locatie van de brandstichting spullen uit de bedrijfsbus haalde, over het hek klom, er vervolgens een

hoop lawaai te horen was en dat hij de man daarna terug zag komen, waarna zij samen weg zijn gereden.

Dat [medeverdachte] de man niet direct bij naam heeft genoemd, doet aan de betrouwbaarheid van zijn verklaring naar het oordeel van de rechtbank niets af. Daarvoor zal [medeverdachte] zijn redenen gehad hebben. De verklaringen van [medeverdachte] komen overeen met de route die de Mercedes Vito op 2 december 2015 heeft afgelegd. Ook komen de posities van zijn telefoon en de telefoon van verdachte [verdachte] , welke aan de hand van de locaties van de zendmasten zijn vastgesteld, overeen met de route van de Mercedes Vito.

De geheimhouding van bepaalde passages uit de verhoren van [medeverdachte] , maakt zijn verklaringen zeker niet onbetrouwbaar. Bij beslissing van 31 augustus 2015 ex artikel 34 lid 4 van het Wetboek van Strafvordering, heeft de rechter-commissaris immers beslist dat er gronden aanwezig waren voor geheimhouding van bepaalde passages uit de verhoren van [medeverdachte] en dat verdachte [verdachte] hierdoor niet in zijn verdediging zou zijn geschaad. Dit heeft geen invloed op de betrouwbaarheid van genoemde verklaringen.

Controleren van brongegevens

Volgens de verdediging vertonen de printlijsten discrepanties met de ruwe telefoongegevens die ten grondslag liggen aan deze printlijsten. Omdat de printlijsten wegens het ontbreken van brongegevens niet op juistheid kunnen worden gecontroleerd, kunnen de processen-verbaal omtrent de printlijsten volgens de raadsman niet voor het bewijs worden gebezigd. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Ter zitting van 14 oktober 2015 heeft de heer A. Koning, interceptiecoördinator van de politie Eenheid Noord-Holland, als deskundige een aantal vragen beantwoord over de ruwe telefoongegevens in relatie tot de zendmasten en bijbehorende paallocaties. Omdat

de raadsman ter zitting een integrale printlijst van het telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer] aanleverde, waarover zowel de officier van justitie als de rechtbank niet beschikten, en de raadsman deze printlijst in twijfel trok, heeft de rechtbank de behandeling van de zaak aangehouden, teneinde onderzoek te laten verrichten naar hetgeen de raadsman naar voren had gebracht. De raadsman achtte het met name opmerkelijk dat een telefoongesprek tussen [medeverdachte] en [verdachte] op 2 december 2015 om 20:09 uur, niet terug te vinden was in de ruwe telefoondata, maar wel vermeld stond in de printlijsten.

Aan het dossier is na de zitting van 14 oktober 2016 een proces-verbaal van bevindingen

d.d. 25 oktober 2016 toegevoegd. Hieruit blijkt dat Vodafone – de provider van nummer [telefoonnummer] – een poging tot contact, wat het geval is geweest op 2 december 2015 om 20:09 uur nu er nooit contact tot stand is gekomen tussen [medeverdachte] en [verdachte] , wel registreert, maar dat KPN – de provider van nummer [telefoonnummer] – dit niet doet.

Ook is aan het dossier toegevoegd een proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 januari 2017, waarin naar aanleiding van een beschikking van de rechter-commissaris van 29 december 2016 een aantal vragen omtrent de printlijsten is beantwoord door twee deskundigen, waaronder Koning. Ter zitting van 10 januari 2017 heeft Koning wederom een aantal vragen van de raadsman met betrekking tot de printlijsten beantwoord.

De rechtbank is gelet op het vorenstaande van oordeel dat voldoende duidelijkheid is verkregen over de ruwe gegevens, de printlijsten en de zendmasten. De rechtbank ziet geen gronden om, zoals de raadsman wenst, op ambtseed opgemaakte processen-verbaal nog verder op juistheid te controleren door raadpleging van de brongegevens, te meer omdat de raadsman geen enkele, laat staan een concrete, onderbouwing heeft gegeven van de noodzaak hiertoe.

Camerabeelden

De verdediging betwist dat op de camerabeelden twee personen in de Mercedes Vito zichtbaar zijn. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

De camerabeelden waarop de Mercedes Vito zichtbaar is, zijn ter zitting van 14 oktober 2016 getoond. Vanwege een (deels) andere samenstelling van de rechtbank, zijn de camerabeelden ter zitting van 10 januari 2017 opnieuw getoond. De rechtbank stelt op basis van haar waarneming vast dat de camerabeelden weliswaar niet zeer duidelijk zijn, maar dat hieruit zeker niet blijkt dat er slechts één persoon – welke persoon gelet op zijn bekennende verklaring [medeverdachte] zou moeten zijn – in de Mercedes Vito zat. Integendeel ondersteunt de waarneming van de beelden van camera 1 veeleer de slotsom dat naast de bestuurder ook een persoon op de plaats van de bijrijder zit. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsman op dit punt.

3.5.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

Hij op 2 december 2015 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met

een ander, opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met motorbenzine, ten gevolge waarvan die panden aan Bolbaken nr. 2-4 geheel zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die panden en in die panden aanwezige goederen en belendende panden, te duchten was.

Hetgeen aan verdachte onder meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar. Het handelen van verdachte heeft groot gevaar veroorzaakt, niet alleen voor het getroffen pand en belendende panden, maar ook voor de volksgezondheid. Immers is door de brand asbest vrijgekomen. De schade die door de brand is veroorzaakt, loopt in de miljoenen. Het pand moest worden herbouwd, waardoor eigenaar Olbers zijn bedrijf een periode niet heeft kunnen runnen. Voorts heeft de officier van justitie meegewogen dat het in deze zaak niet lijkt te gaan om brandstichting waaraan relationele of andere emotionele problemen ten grondslag liggen, maar dat in het voorliggende geval sprake lijkt te zijn van een georganiseerde actie en een geplande afrekening. Er is, gelet op de verschillende getuigenverklaringen, een verband tussen de brand en de motorclub Satudarah, althans de leden van deze motorclub. Gelet hierop en gelet op de proceshouding van verdachte, is een vrijheidsbenemende straf van langere duur aangewezen.

6.2

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van de strafmaat, in het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, naar voren gebracht dat in vergelijkbare gevallen doorgaans een lagere straf wordt opgelegd dan door de officier van justitie is geëist. Daarbij valt op grond van het dossier niet te concluderen dat er een link zou zijn met een motorclub, Satudarah, zodat dit niet als strafverzwarende omstandigheid kan worden meegenomen.

6.3

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte zich schuldig

heeft gemaakt aan het medeplegen van een brandstichting met ernstige gevolgen. Verdachte heeft een bedrijfspand in brand gestoken, waardoor dit pand volledig is verwoest. Daarnaast was er door de omvang van de brand ook gevaar voor omliggend panden en de volksgezondheid, omdat er sprake was van forse rookontwikkeling en er asbest is vrijgekomen. De schade voor de eigenaar van het pand is omvangrijk. Het pand moest worden herbouwd, waardoor hij zijn bedrijf een periode niet heeft kunnen laten draaien.

De rechtbank rekent het de verdachte voorts zwaar aan dat hij kennelijk bewust en weloverwogen te werk is gegaan. Verdachte heeft zich door zijn medeverdachte laten ophalen, opdracht gegeven aan de medeverdachte om een jerrycan met benzine te tanken, heeft bij zijn woning nog enkele spullen opgehaald en is op de avond van de brandstichting met medeverdachte meermalen langs het getroffen pand gereden, alvorens de brand is gesticht.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 8 september 2016 in aanmerking genomen. Verdachte is in 2009 eenmaal eerder is veroordeeld voor een ander strafbaar feit (woningoverval) en op 10 juni 2016 heeft hij een strafbeschikking heeft gekregen op grond van de Wegenverkeerswet. Gelet op de beperkte omvang van het strafblad en het tijdsverloop, zal de rechtbank dit strafrechtelijk verleden niet in het nadeel van verdachte meewegen.

Uit het reclasseringsadvies in het kader van de voorgeleiding d.d. 15 april 2016 blijkt dat

de leefsituatie van verdachte voorafgaand aan zijn voorlopige hechtenis instabiel was en er in het verleden sprake is geweest van psychische problematiek. Verder onderzoek omtrent de persoon van verdachte is niet tot stand gekomen, zodat de rechtbank niet over informatie beschikt die al dan niet bij de bepaling van de sanctie kan worden meegenomen.

Gelet op de voorgaande feiten en omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte slechts een vrijheidsbenemende straf kan worden opgelegd. De rechtbank zal echter een kortere duur opleggen dan de officier van justitie heeft geëist. Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat er geen aantoonbaar verband vastgesteld

is tussen (leden van) motorclub Satudarah als opdrachtgevers enerzijds en de brandstichting anderzijds. Nu de officier van justitie dit als strafverzwarende omstandigheid heeft meegenomen, komt de rechtbank reeds daarom tot een lagere straf dan geëist.

Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 30 maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

7 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zijn vordering tot schadevergoeding ter zitting van

14 oktober 2016 ingetrokken, zodat deze vordering geen verdere bespreking behoeft.

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 405,35 ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden toegewezen. De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank is van oordeel dat voornoemde schade rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit. Het bedrijfspand van de benadeelde partij lag naast afgebrande pand van het slachtoffer [slachtoffer] . Door de brand bij [slachtoffer] is asbest vrijgekomen. De asbest is op het terrein van de benadeelde partij terecht gekomen. De benadeelde partij heeft de asbest moeten opruimen en heeft een deskundige moeten inschakelen om te controleren of alle asbest verwijderd was.

Gelet op het vorenstaande zal de vordering geheel worden toegewezen, vermeerderd

met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening. Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen (kort

gezegd: medeplegen van brandstichting met gevaar voor goederen) aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

36f, 47 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.5 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4 vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering

en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 405,35, bestaande uit materiële schade en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 405,35, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 8 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.A. Stalenhoef, voorzitter,

mrs. P.H.B. Littooy en W. Aardenburg, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier S. Rebel,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 januari 2017

Mr. W. Aardenburg is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Proces-verbaal bevindingen d.d. 3 december 2015, inhoudende de bevindingen van verbalisant P. Vreeken, dossierpagina 145.

3 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 december 2015, inhoudende de bevindingen van verbalisant D.C. Hoogendoorn, dossierpagina 149.

4 Proces-verbaal van aangifte d.d. 3 december 2015, inhoudende de verklaring van aangever [getuige] , dossierpagina’s 152,153.

5 Proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 25 februari 2016, dossierpagina 168.

6 Een schriftelijk bescheid, te weten een rapportage van het NFI ‘onderzoek naar ontbrandbare vloeistoffen’ d.d. 28 december 2015, dossierpagina 197.

7 Proces-verbaal bevindingen uitkijken camerabeelden d.d. 5 december 2015, dossierpagina’s 215-217.

8 Proces-verbaal bevindingen d.d. 14 januari 2016, inhoudende de bevindingen van verbalisanten X.C.M. Dalm en R. de Visser, dossierpagina 221.

9 Proces-verbaal verhoor getuige d.d. 4 december 2015, inhoudende de verklaring van getuige [getuige] , dossierpagina’s 238. 239, met als bijlage een huurovereenkomst van een Mercedes Vito met kenteken [kenteken] , dossierpagina 241.

10 Proces-verbaal verhoor getuige d.d. 7 december 2015, inhoudende de verklaring van getuige [getuige] , dossierpagina’s 247,248.

11 Proces-verbaal verhoor getuige d.d. 6 april 2016, inhoudende de verklaring van getuige [getuige] , dossierpagina’s 330,331.

12 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 december 2015, inhoudende de bevindingen van verbalisant X.C.M.L. Dalm, dossierpagina 254.

13 Proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 3 december 2015, dossierpagina 168.

14 Een schriftelijk bescheid, te weten een rapportage van het NFI ‘onderzoek naar ontbrandbare vloeistoffen’ d.d. 13 januari 2016, dossierpagina 206.

15 Proces-verbaal van bevindingen camerabeelden Shell tankstation de Rijp, dossierpagina 356.

16 Proces-verbaal bevindingen getankte benzine, dossierpagina 362.

17 Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 6 april 2016, inhoudende de verklaring van verdachte [medeverdachte] , dossierpagina’s 63-65.

18 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 13 april 2016, inhoudende de verklaring van verdachte [medeverdachte] , dossierpagina’s 82,83.

19 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 21 april 2016, inhoudende de verklaring van verdachte [medeverdachte] , dossierpagina’s 94,95.

20 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 19 mei 2016, inhoudende de verklaring van verdachte [medeverdachte] , dossierpagina’s 102,103.

21 Proces-verbaal GPS track voertuig [kenteken] , dossierpagina’s 257-260, 263.

22 Proces-verbaal verhoor verdachte, inhoudende de verklaring van verdachte [medeverdachte] , dossierpagina 51.

23 Proces-verbaal resume van verbalisanten S. [getuige] Krijnsen en [getuige] [medeverdachte] Bouma, dossierpagina 379.

24 Proces-verbaal verhoor getuige, inhoudende de verklaring van getuige [getuige] , dossierpagina’s 339,340.

25 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 maart 2016, inhoudende de bevindingen van verbalisant [getuige] W.G. Leusveld, dossierpagina 372, 373.

26 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 februari 2016, inhoudende de bevindingen van verbalisant [getuige] W.G. Leusveld, dossierpagina’s 374.

27 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 april 2016, inhoudende de bevindingen van verbalisanten [getuige] [medeverdachte] Bouma en S. [getuige] Krijnsen, dossierpagina’s 382, 383.

28 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 14 oktober 2016 afgelegd.

29 Proces-verbaal onderzoek printlijstgegevens d.d. 19 april 2016, dossierpagina 385.

30 Proces-verbaal onderzoek telefoon d.d. 19 april 2016, dossierpagina’s 387, 388.

31 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 februari 2016, inhoudende de bevindingen van verbalisant [getuige] W.G. Leusveld, dossierpagina’s 374,375.

32 Proces-verbaal resume d.d. 15 april 2016, inhoudende de bevindingen van verbalisanten S. [getuige] Krijnsen en [getuige] [medeverdachte] Bouma, dossierpagina 380.

33 Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 13 april 2016, inhoudende de verklaring van verdachte [medeverdachte] , dossierpagina 83.

34 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 februari 2016, inhoudende de bevindingen van verbalisant [getuige] W.G. Leusveld, dossierpagina’s 374,375.