Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:5027

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
21-06-2017
Datum publicatie
23-06-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 1385
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning geweigerd. Vvgb van de raad ontbreekt. Daarnaast strijd met in PVR neergelegde instructieregel (4.1, eerste lid Wro).

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.12
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.29
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 4.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 16/1385

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 juni 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M. van Weeren),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bloemendaal, verweerder

(gemachtigde: mr. H.J.M. Besselink).

Procesverloop

Bij besluit van 9 februari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers aanvraag om een omgevingsvergunning voor het in strijd met het bestemmingsplan realiseren van een woning en een schuur/paardenstal en omzetten van de functie van de voormalige dienstwoning op het perceel [perceel] (hierna: het perceel), geweigerd.

Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld.

Van verweerder is een verweerschrift ontvangen.

De rechtbank heeft het beroep op 18 mei 2017 op zitting behandeld. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.H.P.J. Lückers, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Niet in geschil is dat realisering van het aangevraagde project in strijd is met het ter plaatste geldende bestemmingsplan "Landelijk Gebied 2013".

2.1

Het perceel maakt onderdeel uit van het [locatie] , dat eiser in 2009 samen met zijn broer heeft aangekocht.

De bedoeling van eiser en zijn broer is renovatie en herinrichting van het landgoed, waarbij beide broers met hun gezinnen op het landgoed wonen. Tussen eiser en de gemeente is geen overeenstemming bereikt over de wijze waarop dit gewenste gebruik kan worden gerealiseerd.

2.2.

In de loop der tijd zijn de verhoudingen tussen eiser en zijn broer enerzijds en de gemeente anderzijds meer en meer verstoord geraakt.

2.3.

Bij besluit van 20 december 2012 (' [locatie] : piketpalen en stappen voor een goede toekomst') heeft de gemeenteraad van de gemeente Bloemendaal (hierna: de gemeenteraad) ruimtelijke kaders vastgesteld en verweerder verzocht binnen die kaders een oplossing te zoeken in dit dossier.

2.4.

Door onderhandelaars van eiser en de gemeente is vervolgens een oplossingsrichting geformuleerd, waarbij alle bebouwing wordt gesitueerd in de utiliteitszone aan de oostzijde van het landgoed. Daarbij zijn voor de beoogde bebouwing van het landgoed de in acht te nemen oppervlakten vastgelegd. Voorts is een convenant gesloten tussen de gemeente en eiser, met daarin de voorwaarden waaronder de gemeente medewerking verleent aan de bouw van een gezinswoning.

2.5.

Op 22 oktober 2013 heeft de gemeenteraad onder meer besloten:

"1. kennis te nemen van het convenant revitaliseringsplan [locatie] te [woonplaats] ; (…)

4. de oplossingsrichting binnen het inrichtingsplan van de utiliteitszone vast te stellen;

5. een verklaring van geen bedenkingen ingevolge de Wabo af te geven voor de realisatie van het inrichtingsplan van de utiliteitszone met de daarbij behorende bouw- en andere werken;

6. Burgemeester en wethouders te machtigen de aangelegenheden als genoemd onder 1 t/m 5 verder af te wikkelen."

2.6.

Op 11 februari 2014 heeft de gemeente eerdergenoemd convenant buitengerechtelijk vernietigd.

2.7.

Eiser heeft op 22 mei 2015 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor de activiteit “handelen in strijd met de regels ruimtelijke ordening” voor:

  • -

    de bouw van een woning van twee bouwlagen met een kas, die als bijgebouw fungeert;

  • -

    de bouw van een schuur/paardenstal van één laag plus kap;

  • -

    het omzetten van de woonfunctie van de voormalige dienstwoning aan de [perceel] naar een bedrijfsfunctie.

2.8.

Op 30 juni 2015 heeft verweerder besloten voornemens te zijn omgevingsvergunning te verlenen voor de bouw van een gezinswoning, de bouw van een schuur/paardenstal en de functiewijziging van de dienstwoning op [locatie] , en daarbij het inrichtingsplan utiliteitszone als toetsingskader te hanteren. Daarbij heeft verweerder verder besloten de aanvraag omgevingsvergunning in het kader van het wettelijk vooroverleg ex artikel 6.18 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) voor te leggen aan het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland (hierna: gedeputeerde staten) en de gemeenteraad hierover te informeren.

2.9.

Op 10 juli 2015 heeft de gemeenteraad besloten:

"Trekt de verklaring van geen bedenkingen in, die afgegeven is door de gemeenteraad op 28 november 2013 met betrekking tot een inrichtingsplan en een convenant revitaliseringsplan [locatie] ."

2.10.

Vervolgens heeft verweerder, nadat het ontwerp-besluit ter inzage is gelegd, bij het bestreden besluit geweigerd om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3o, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen.

3. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de eerder verleende verklaring van geen bedenkingen door de gemeenteraad rechtsgeldig is ingetrokken, en dat die intrekking moet worden gezien als een weigering van een verklaring van geen bedenkingen voor de nu ter beoordeling voorliggende aanvraag. Omdat de gemeenteraad geweigerd heeft een verklaring van geen bedenkingen te verlenen, kan geen omgevingsvergunning worden verleend. Verweerder heeft voorts aan zijn weigeringsbesluit ten grondslag gelegd dat ook het bepaalde in de artikelen 13, 14 en 19 van de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) in de weg staat aan vergunningverlening.

4.1.

Eiser heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat de in 2013 verleende verklaring van geen bedenkingen niet rechtsgeldig kon worden ingetrokken en dat deze daarom nog steeds van kracht is. Het ontbreken van een verklaring van geen bedenkingen kan dan ook niet als grondslag dienen voor de weigering om omgevingsvergunning te verlenen. Daarbij komt dat het ontbreken van een verklaring van geen bedenkingen, anders dan de weigering een verklaring van geen bedenkingen te verlenen, geen weigeringsgrond is die aan verlening van de gevraagde vergunning in de weg staat. Eiser wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 6 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:921. Ook als verweerder wordt gevolgd in de stelling dat de intrekking van de verklaring van geen bedenkingen in feite dient te worden gezien als een weigering een verklaring van geen bedenkingen te verlenen, dan nog kan het bestreden besluit geen stand houden, omdat de aanvraag slechts op ondergeschikte punten afwijkt van het oorspronkelijke plan waarvoor wel een verklaring van geen bedenkingen is verleend, en het relevante ruimtelijke beleid sinds de eerder afgegeven verklaring van geen bedenkingen niet is gewijzigd. De aanvraag is derhalve niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening en de verklaring van geen bedenkingen had daarom niet mogen worden geweigerd.

Met betrekking tot de gestelde strijd met de PRV heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat verweerder bij constatering van strijd met de PRV aan gedeputeerde staten om ontheffing had moeten vragen alvorens over te gaan tot weigering van de gevraagde omgevingsvergunning.

Het bestreden besluit dient daarom te worden vernietigd, aldus eiser.

4.2

Verweerder heeft in beroep nog aangevoerd dat de gemeenteraad een verklaring van geen bedenkingen kan intrekken zolang nog geen omgevingsvergunning is verleend.

Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat de intrekking van de verklaring van geen bedenkingen niet anders kan worden gezien dan als weigering om voor hetgeen is aangevraagd een verklaring van geen bedenkingen te verlenen. Daarbij wijst verweerder erop dat het bouwplan in strijd is met het gemeentelijke beleid en dat de gemeenteraad destijds de verklaring van geen bedenkingen uitsluitend heeft afgegeven vanwege de met eiser bereikte overeenstemming, die een oplossing bood in dit dossier. Nu het convenant is vernietigd, ziet de gemeenteraad geen aanleiding meer om aan het aangevraagde project mee te werken en wenst hij vast te houden aan het bestemmingsplan, aldus verweerder.

5. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage en maakt deel uit van deze uitspraak.

6. De rechtbank stelt voorop dat het besluit om aan een activiteit in afwijking van het bestemmingsplan al dan niet medewerking te verlenen een bevoegdheid is van verweerder, waarbij hij beleidsvrijheid heeft, die de rechter terughoudend moet toetsen. Dat wil zeggen dat de rechter zich moet beperken tot de vraag of verweerder in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.

7.1.

Vast staat dat de gemeenteraad bij besluit van 10 juli 2015 haar eerdere besluit van 28 november 2013 heeft ingetrokken. Eiser betoogt, onder verwijzing naar diverse juridische adviezen en de memorie van toelichting bij artikel 2.29 van de Wabo, dat de gemeenteraad niet bevoegd was om de in 2013 verleende verklaring van geen bedenkingen in te trekken.

7.2.

Gelet op het bepaalde in artikel 8:5, eerste lid, van de Awb, in verbinding gelezen met artikel 1 van de bij de Awb horende bijlage 2, kan eiser geen (rechtstreeks) beroep instellen tegen een besluit van de gemeenteraad om een verklaring van geen bedenkingen al dan niet te verlenen. Naar het oordeel van de rechtbank geldt dit evenzeer voor het besluit van de gemeenteraad tot intrekking van een eerder door hem genomen besluit omtrent een verklaring van geen bedenkingen. Dit brengt mee dat de grieven van eiser, voor zover die inhouden dat de gemeenteraad niet bevoegd was om zijn eerdere besluit in te trekken, door de rechtbank niet in deze procedure kunnen worden beoordeeld. Dat geldt ook voor de grieven die inhouden dat de door de gemeenteraad aan haar intrekkingsbesluit ten grondslag gelegde overwegingen rechtens niet houdbaar zijn.

7.3.

Op grond van het voorgaande moet de rechtbank van het intrekkingsbesluit als rechtsfeit uitgaan. Daarmee staat vast dat het besluit van 28 november 2013 ten tijde van het bestreden besluit niet meer van kracht was.

8.1.

Verweerder stelt zich in beroep op het standpunt dat het intrekkingsbesluit van 10 juli 2015 feitelijk en juridisch niet anders kan worden geduid dan als een besluit tot weigering van een verklaring van geen bedenkingen voor het aangevraagde project. Deze weigering van de verklaring van geen bedenkingen vormt volgens verweerder voldoende grondslag voor het besluit tot weigering van de omgevingsvergunning wegens strijd met het bestemmingsplan.

8.2.

De rechtbank kan verweerder hierin niet volgen. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit het intrekkingsbesluit zelf, noch uit de summiere toelichting op het initiatiefvoorstel daartoe, worden afgeleid dat de gemeenteraad de bedoeling had met dit besluit een (volledig en inhoudelijk) oordeel te geven over de vraag of het belang van een goede ruimtelijke ordening zich al dan niet tegen het aangevraagde project verzette. Het lijkt er meer op dat met dit besluit is beoogd een einde te maken aan de kennelijk bestaande onduidelijkheid over de vraag of het aangevraagde project wel of niet paste in de in 2013 vastgestelde ruimtelijke kaders, te weten het inrichtingsplan. Met name de passage "bij de aanvraag moet worden beoordeeld of de aanvraag past binnen de verleende VVGB, danwel een nieuwe VVGB dient te worden aangevraagd" en de passage "De in 2015 ingediende aanvraag past volgens de ambtelijke beoordeling in het inrichtingsplan. De in 2015 ingediende aanvraag past niet binnen het overzicht van de bebouwing die in het voorstel voor VVGB is opgenomen" wijzen daarop. Daarbij komt dat ook de gevolgde procedure - er is geen voorgenomen weigering van de verklaring van geen bedenkingen ter inzage gelegd - erop wijst dat de gemeenteraad niet heeft bedoeld over de vraag of aan het gevraagde project planologisch medewerking kon worden verleend een (eind)beslissing te geven in de vorm van een weigering van een verklaring van geen bedenkingen.

8.3.

Nu het intrekkingsbesluit niet kan worden aangemerkt als een besluit tot weigering van een verklaring van geen bedenkingen, moet worden vastgesteld dat ten tijde van het bestreden besluit geen verleende noch een geweigerde verklaring van geen bedenkingen voorhanden was.

9.1.

Zoals de Afdeling heeft overwogen (6 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:921) komt het systeem van de verklaring van geen bedenkingen erop neer dat het bevoegd gezag een ander bestuursorgaan laat beslissen omtrent een aspect van de vergunning dat aan de beoordeling van het bevoegd gezag is onttrokken vanwege de specialistische kennis of bestuurlijke verantwoordelijkheid van dat andere orgaan. De omgevingsvergunning kan door verweerder dan ook alleen kan worden geweigerd vanwege strijd met het bestemmingsplan, wanneer de verklaring van geen bedenkingen door de gemeenteraad is geweigerd.

Dit laat onverlet dat verweerder de gevraagde omgevingsvergunning wel kan weigeren zonder een verklaring van geen bedenkingen te hebben gevraagd, indien hij de weigering baseert op een andere weigeringsgrond dan de weigeringsgrond waarop de verklaring van geen bedenkingen ziet.

9.2.

Dat brengt mee dat de rechtbank moet beoordelen of er in dit geval sprake is van een andere weigeringsgrond in vorenbedoelde zin. In dat geval hoeft verweerder immers, gelet op genoemde uitspraak van de Afdeling, niet alsnog aan de gemeenteraad een verklaring van geen bedenkingen te vragen.

10.1.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit als tweede weigeringsgrond ten grondslag gelegd dat de omgevingsvergunning niet kan worden verleend vanwege strijd met het bepaalde in de artikelen 13, 14 en 19 van de PRV. Verweerder stelt zich daarbij op het standpunt dat, nu geen sprake is van een onevenredige belemmering van het gemeentelijk beleid en ook geen sprake is van zwaarwegende maatschappelijke belangen die nopen tot afwijking van de regels uit de PRV, hij niet gehouden was om een als een verklaring van geen bedenkingen aan te merken ontheffing (artikel 34 van de PRV) aan gedeputeerde staten te vragen. Het aangevraagde project is in strijd met genoemde bepalingen van de PRV en dus met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. De gevraagde omgevingsvergunning moet daarom worden geweigerd.

10.2.

Niet in geschil is dat het aangevraagde project (in ieder geval) in strijd is met de artikelen 13 en 14 van de PRV.

11.1.

Op grond van artikel 4.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) kunnen bij provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen, van omgevingsvergunningen waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2° of 3°, van de Wabo van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, omtrent de daarbij behorende toelichting of onderbouwing, alsmede omtrent de inhoud van beheersverordeningen. De op grond van deze bepaling vastgestelde regels worden in de literatuur en hierna 'instructieregels' genoemd.

Op grond van artikel 4.1, derde lid, van de Wro kunnen bij provinciale verordening regels worden gesteld die noodzakelijk zijn om te voorkomen dat in de verordening begrepen gronden of bouwwerken minder geschikt worden voor de verwezenlijking van het doel van de verordening zolang geen bestemmingsplan of beheersverordening als bedoeld in het tweede lid in werking is getreden. De op grond van deze bepaling vastgestelde regels worden in de literatuur en hierna 'rechtstreeks werkende regels' genoemd.

11.2.

De rechtbank stelt vast dat de in de artikelen 13, 14 en 19 van de PRV neergelegde regels instructieregels zijn. In deze regels zijn immers eisen gesteld aan de inhoud van bestemmingsplannen. Bij strijd van een aangevraagde activiteit met instructieregels is, anders dan verweerder meent, artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo niet van toepassing. Daarin is namelijk (uitsluitend) bepaald op welke gronden een omgevingsvergunning kan worden verleend voor activiteiten die in strijd zijn met rechtstreeks werkende regels. Ook in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo is het uitvoeren van een project in strijd met instructieregels niet aangemerkt als (zelfstandige) vergunningplichtige activiteit.

11.3.

Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat de beoordeling van de vraag of er aanleiding bestaat om voor een aangevraagd project dat in strijd is met instructieregels een ontheffing op grond van artikel 34 van de PRV te vragen aan gedeputeerde staten wezenlijk samenhangt met en onderdeel uitmaakt van de beoordeling of er gronden zijn om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, van de Wabo omgevingsvergunning te verlenen voor een project dat in strijd is met het geldende bestemmingsplan. De omstandigheid dat een aangevraagd project in strijd is met instructieregels kan daarom niet worden aangemerkt als een andere weigeringsgrond dan de weigeringsgrond waarop de door de gemeenteraad te verlenen verklaring geen bedenkingen ziet.

11.4.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot de slotsom dat verweerder in dit geval de omgevingsvergunning niet kon weigeren zonder een verklaring van geen bedenkingen te vragen aan de gemeenteraad.

12. Het beroep is gegrond.

13. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 990,00;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 168,00 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Jochem, voorzitter, en mr. E.M. van der Linde en mr. W.B. Klaus, leden, in aanwezigheid van mr. E. Degen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 juni 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Gemeenteraad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

BIJLAGE - wettelijk kader

Artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) luidt als volgt:

Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.

Artikel 8:5, eerste lid, van de Awb luidt als volgt:

1. Geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit als bedoeld in artikel 1 van de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak.

Artikel 1 van de bij de Awb behorende bijlage 2 (Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak), luidt, voor zover van belang, als volgt:

Tegen een besluit, genomen op grond van een in dit artikel genoemd voorschrift of anderszins in dit artikel omschreven, kan geen beroep worden ingesteld.

(…)

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht:

a. de artikelen 2.27, eerste lid, en 2.34, eerste lid, met uitzondering van beroep dat wordt ingesteld door het gezag dat bevoegd is ten aanzien van de beschikking waarop de verklaring, onderscheidenlijk de aanwijzing betrekking heeft

(…)

Artikel 2.1 van de Wet Algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) luidt, voor zover van belang, als volgt:

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,

Artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo luidt ,voor zover van belang, als volgt:

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;

(…)

c. indien de activiteit in strijd is met de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening: voor zover de betrokken regels afwijking daarvan toestaan;

Artikel 2.27, eerste lid, van de Wabo luidt als volgt:

1. In bij wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen wordt een omgevingsvergunning niet verleend dan nadat een daarbij aangewezen bestuursorgaan heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft. Bij een maatregel als bedoeld in de eerste volzin worden slechts categorieën gevallen aangewezen waarin voor het verrichten van de betrokken activiteit een afzonderlijke toestemming van het aangewezen bestuursorgaan wenselijk is gezien de bijzondere deskundigheid die dat orgaan ten aanzien van die activiteit bezit of de verantwoordelijkheid die dat orgaan draagt voor het beleid dat betrekking heeft op de betrokken categorie activiteiten. Bij die maatregel kan worden bepaald dat het aangewezen bestuursorgaan categorieën gevallen kan aanwijzen waarin de verklaring niet is vereist.

Artikel 6.5, eerste en tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht luidt als volgt:

1. Voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet, wordt de omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de wet wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, niet verleend dan nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft, tenzij artikel 3.2, aanhef en onder b, van dit besluit of artikel 3.36 van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing is.

2. De verklaring kan slechts worden geweigerd in het belang van een goede ruimtelijke ordening.

De Provinciale Ruimtelijke Verordening van de Provincie Noord-Holland (PRV), luidt voor zover hier van belang en ten tijde van het bestreden besluit, als volgt:

Artikel 3 Toepasselijkheid

1. In deze verordening wordt mede verstaan onder een bestemmingsplan:

(…)

d. een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht juncto artikel 4 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, of artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken.

Artikel 13 Nieuwe woningbouw

1. Een bestemmingsplan voorziet niet in nieuwe woningbouw in het landelijk gebied.

2. In afwijking van het eerste lid kan een bestemmingsplan voorzien in de ontwikkeling van nieuwe woningbouw indien:

a. nieuwe woningbouw in overeenstemming is met de provinciale woonvisie 2010-2020 (vastgesteld bij besluit van 27 september 2010, nr. 62) en de door gedeputeerde staten en de regiogemeenten vastgestelde regionale actieprogramma’s;

b. nieuwe woningbouw in overeenstemming is met de door gedeputeerde staten vastgestelde provinciale woningbouwmonitor en provinciale woningbouwprognose;

c. nieuwe woningbouw niet kan worden gerealiseerd door herstructureren, intensiveren, combineren of transformeren binnen bestaand bebouwd gebied en;

d. het bepaalde in artikel 15 in acht wordt genomen.

3. In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid is nieuwe woningbouw in het landelijk gebied tevens mogelijk, indien:

a. nieuwe woningbouw tot stand komt conform een Ruimte voor Ruimte–regeling, als bedoeld in artikel 16;

b. nieuwe woningbouw onderdeel is van verbrede landbouw als bedoeld in artikel 26 e en functiewijzigingen op voormalige agrarische bouwpercelen als bedoeld in artikel 17 of;

c. de nieuwe woningbouw onderdeel is van de transformatiegebieden - meervoudig zoals weergegeven op kaart 2 en op de digitale verbeelding ervan.

4. Gedeputeerde staten kunnen nadere regels stellen inzake de aard, de omvang en de locatie van nieuwe woningbouw.

Artikel 14 Overige vormen van verstedelijking

1. Een bestemmingsplan voorziet niet in nieuwe verstedelijking of uitbreiding van bestaande verstedelijking, als bedoeld in artikel 1 van deze verordening, in het landelijk gebied anders dan de verstedelijking als bedoeld in de artikelen 12 en 13 van deze verordening.

2. In afwijking van het eerste lid kan een bestemmingsplan voorzien in nieuwe verstedelijking of uitbreiding van bestaande verstedelijking in het landelijk gebied anders dan de verstedelijking als bedoeld in de artikelen 12 en 13, indien:

a. de noodzaak van verstedelijking als bedoeld in het eerste lid is aangetoond;

b. is aangetoond dat de beoogde verstedelijking niet door herstructureren, intensiveren, combineren of transformeren binnen bestaand bebouwd gebied kan worden gerealiseerd en;

c. het bepaalde in artikel 15 in acht wordt genomen.

3. In afwijking van het bepaalde in het eerste en het tweede lid zijn nieuwe verstedelijking of uitbreiding van bestaande verstedelijking, als bedoeld in artikel 2 van deze verordening, in het landelijk gebied tevens mogelijk indien deze onderdeel zijn van de transformatiegebieden - meervoudig zoals weergegeven op kaart 2 en op de digitale verbeelding ervan.

4. Bij de toepassing van het derde lid wordt het bepaalde in artikel 15 in acht genomen.

5. Gedeputeerde staten kunnen nadere regels stellen inzake de aard, de omvang en de locatie van nieuwe verstedelijking of uitbreiding van bestaande verstedelijking in het landelijk gebied anders dan de verstedelijking als bedoeld in artikelen 12 en 13.

Artikel 19 Ecologische Hoofdstructuur en provinciale Ecologische Verbindingszones

1. Voor de gronden aangeduid op kaart 4 en op de digitale verbeelding ervan, als Ecologische Hoofdstructuur en als Ecologische Verbindingszone, geldt dat:

a. dat een bestemmingsplan de gronden als ‘natuur’ bestemt, indien de natuurfunctie reeds is gerealiseerd;

b. een bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid bevat die bepaalt dat burgemeester en wethouders een bestemming wijzigen in een natuurbestemming vanaf het moment dat:

1o de gronden zijn verworven of ontpacht ten behoeve van het realiseren van de natuurfunctie;

2o een overeenkomst voor functieverandering door middel van particulier natuurbeheer is gesloten; of

3o gedeputeerde staten besluiten dat zij provinciale staten zullen verzoeken om het besluit tot het verzoek tot onteigening aan de Kroon, als bedoeld in artikel 78 van de Onteigeningswet, te nemen en dat ter voorbereiding van dit besluit van provinciale staten, gedeputeerde staten een kopie van hun besluit hiertoe aan burgemeester en wethouders zenden met het verzoek over te gaan tot vaststelling van het wijzigingsplan;

c. een bestemmingsplan geen bestemmingen en regels bevat die omzetting naar de natuurfunctie onomkeerbaar belemmeren en de wezenlijke kenmerken en waarden van de Ecologische Hoofdstructuur en de Ecologische Verbindingszone significant aantasten;

d. een bestemmingsplan het bepaalde in artikel 15 in acht neemt.

2. In aanvulling op het eerste lid beschrijft de toelichting van het bestemmingsplan:

a. de wezenlijke kenmerken en waarden van het desbetreffende deel van de Ecologische Hoofdstructuur of de Ecologische Verbindingszone, zoals aangegeven in het Natuurbeheerplan;

b. hoe de wezenlijke kenmerken en waarden worden beschermd en;

c. hoe negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden worden voorkomen.

3. In afwijking van het eerste en tweede lid kan een bestemmingsplan voorzien in:

a. nieuwe activiteiten dan wel wijziging van bestaande activiteiten voor zover:

1o er sprake is van een groot openbaar belang;

2o er geen reële andere mogelijkheden zijn en;

3o de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en de overblijvende effecten worden gecompenseerd of;

b. een activiteit of een combinatie van activiteiten die mede tot doel heeft de kwaliteit of kwantiteit van de Ecologische Hoofdstructuur of de Ecologische Verbindingszone per saldo te verbeteren.

4. In aanvulling op het derde lid:

a. voldoet het bestemmingsplan aan de ruimtelijke kwaliteitseisen als bedoeld in artikel 15 en is een bestemmingsplan in overeenstemming met het gestelde in artikel 13, tweede lid, en artikel 14, tweede lid;

b. onderdeel a, kan het bestemmingsplan hier alleen in voorzien indien in het bestemmingsplan wordt opgenomen:

1o op welke wijze schade aan de Ecologische Hoofdstructuur zoveel mogelijk wordt voorkomen en resterende schade wordt gecompenseerd;

2o hoe wordt geborgd dat de maatregelen ten behoeve van de compensatie als bedoeld onder het vierde lid, onderdeel b sub 1 daadwerkelijk wordt uitgevoerd.

5. Voor zover het derde lid, onderdeel a, onder 3 van toepassing is, is artikel 25 niet van toepassing.

6. Gedeputeerde staten kunnen, gehoord de desbetreffende commissie van provinciale staten, de begrenzing van de Ecologische Hoofdstructuur of de Ecologische Verbindingszone wijzigen:

a. ten behoeve van een verbetering van de samenhang of de planologische inpassing van de Ecologische Hoofdstructuur of de Ecologische Verbindingszone;

b. ten behoeve van een kleinschalige ontwikkeling; of

c. ten behoeve van de krachtens het derde lid gestelde regels.

7. Een wijziging als bedoeld in het zesde lid is mogelijk voor zover:

a. de wezenlijke kenmerken en waarden van de Ecologische Hoofdstructuur en de Ecologische Verbindingszone worden behouden, en

b. de oppervlakte van de Ecologische Hoofdstructuur ten minste gelijk blijft.

8. Gedeputeerde staten kunnen nadere regels stellen ten aanzien van:

a. de wezenlijke kenmerken en waarden als bedoeld in het tweede lid om deze nader te specificeren of aan te vullen in het belang van de instandhouding en verdere ontwikkeling van de natuurdoelen van de Ecologische Hoofdstructuur en de Ecologische Verbindingszone,

b. de wijze waarop compensatie plaatsheeft.