Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:4937

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
31-05-2017
Datum publicatie
10-07-2017
Zaaknummer
5510284
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verplichting tot loondoorbetaling op grond van artikel 7:629 lid 1 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3633
AR-Updates.nl 2017-0889
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Alkmar

Zaaknr./rolnr.: 5510284 \ CV EXPL 16-9315 (NE)

Uitspraakdatum: 31 mei 2017

Vonnis in de zaak van:

[naam eiseres]

wonende te [woonplaats]

eiseres

verder te noemen: [eiseres]

gemachtigde: mr. H.Th. Schravenmade, advocaat

tegen

de stichting Stichting Esdégé-Reigersdaal

gevestigd te Broek op Langedijk

gedaagde

verder te noemen: Esdégé-Reigersdaal

gemachtigde: mr. N. Sluis, advocaat

1 Het procesverloop

1.1.

[eiseres] heeft bij dagvaarding van 4 november 2016 een vordering tegen Esdégé-Reigersdaal ingesteld. Esdégé-Reigersdaal heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

Op 30 maart 2017 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. De gemachtigden van partijen hebben pleitaantekeningen overgelegd.

1.3.

De behandeling van de zaak is aangehouden tot 3 mei 2017 teneinde partijen de gelegenheid te bieden een minnelijke regeling te bereiken. Bij brieven van 26 april en 1 mei 2017 hebben partijen laten weten dat geen schikking tot stand is gekomen.

2 De feiten

2.1.

Esdégé-Reigersdaal verleent zorg in de sector voor mensen met een verstandelijke en/of lichamelijke beperking en mensen met niet aangeboren hersenletsel, met het doel het bevorderen van de kwaliteit van het bestaan.

2.2.

[eiseres] , geboren op [geboortedatum] , is op 1 november 2001 in dienst getreden bij Esdégé-Reigersdaal, eerst op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en vanaf 1 november 2002 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Met ingang van 1 september 2004 is de arbeidsduur gewijzigd naar 36 uur per week. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Gehandicaptenzorg van toepassing. De functie die [eiseres] vervult is die van cliëntbegeleider.

2.3.

Op 3 januari 2007 is [eiseres] arbeidsongeschikt geworden wegens psychische klachten. Per einde wachttijd (31 december 2008) werd [eiseres] 38 % arbeidsongeschikt geacht in de zin van de WIA.

2.4.

Op 7 april 2009 heeft [eiseres] zich ziek gemeld wegens lichamelijke klachten. Esdégé-Reigersdaal heeft daarop gedurende 104 weken op grond van artikel 7:629 lid 1 BW loon aan [eiseres] betaald. Op 1 juni 2011 heeft [eiseres] haar eigen werk volledig hervat.

2.5.

[eiseres] is op 7 maart 2012 opnieuw ziek geworden en tot oktober 2013 heeft een re-integratietraject in haar eigen functie plaatsgevonden.

2.6.

Per 24 februari 2014 heeft Esdégé-Reigersdaal [eiseres] verzocht niet meer op locatie De Otter aanwezig te zijn.

2.7.

De WIA-uitkering is bij beslissing van het UWV van 24 februari 2014 per 25 april 2014 beëindigd. De arbeidsdeskundige van het UWV acht [eiseres] voor 5,97 % arbeidsongeschikt. Omdat dit minder is dan 35% krijgt [eiseres] geen WIA-uitkering meer.

2.8.

[eiseres] is per 5 maart 2014 volledig hersteld gemeld.

2.9.

Tegen de beslissing van het UWV van 24 februari 2014 heeft Esdégé-Reigersdaal bezwaar aangetekend. Het UWV heeft bij beslissing van 16 juli 2014 het bezwaar van Esdégé-Reigersdaal ongegrond verklaard.

2.10.

Esdégé-Reigersdaal is op 2 mei 2014 een procedure gestart tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen, bestaande uit veranderingen in de omstandigheden. De kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland locatie Alkmaar heeft bij beschikking van 25 juni 2014 het verzoek van Esdégé-Reigersdaal afgewezen, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen om alsnog op basis van wederzijds geven en nemen tot een voor beide partijen redelijke oplossing te geraken, waarbij de kantonrechter heeft aangetekend dat van beide partijen in dat proces een open opstelling wordt verlangd en terugkeer van [eiseres] naar locatie De Otter wellicht als enige optie moet worden gezien.

2.11.

Tussen partijen heeft op 1 juli 2014 een bespreking plaatsgevonden. Partijen zijn overeengekomen dat [eiseres] haar functie van cliëntbegeleider gaat uitoefenen binnen het cluster De Zeemeeuw in Den Helder en Julianadorp met ingang van 18 juli 2014.

2.12.

Het preventief advies van de bedrijfsarts van 28 oktober 2014 ten aanzien van de arbeidsgeschiktheid van [eiseres] luidt, voor zover van belang, als volgt:
“Mevrouw [eiseres] is na langdurige ziekte herplaatst.
De huidige leidinggevende, zo meldt mevrouw [eiseres] , is niet bekend met de beperkingen die zijn opgemaakt indertijd zie FML 13-03-2014. Mevrouw is aanvankelijk gedetacheerd naar De Waaier, maar ze beschrijft de werkzaamheden daar als fysiek boven krachten. Vervolgens wordt ze nu ingezet op de locatie Baljuwstraat van Zeemeeuw waar ze de werkzaamheden [Y] aankan.
Wel geldt mijns inziens nog steeds de aanbeveling haar geen slaapdiensten te laten doen, zie ook FML 13-03-2014.
(…)”

2.13.

Het preventief advies van de bedrijfsarts van 20 januari 2015 ten aanzien van de arbeidsgeschiktheid van [eiseres] luidt, voor zover van belang, als volgt:
“Mevrouw [eiseres] heeft me 14-01-2015 op de hoogte gesteld van actuele ontwikkelingen in haar gezondheid die duidelijk maken dat deze onder druk staat. Hierop is behandeling ingezet. Ze wil proberen te blijven functioneren mits ze geen slaapdiensten hoeft te doen.
(…)
Ik adviseer de leidinggevende haar voorlopig 3 maanden te ontzien op slaapdiensten, gaande de behandeling, dan handelen naar bevindingen, handig om haar dan eerst terug te zien hier.
(…)”

2.14.

Op 5 maart 2015 heeft [eiseres] zich ziek gemeld.

2.15.

De conclusie in de verzekeringsgeneeskundige rapportage van 1 oktober 2015 luidt als volgt:
“Er is sprake van toegenomen beperkingen door dezelfde ziekteoorzaak binnen 5 jaar na einde wachttijd WIA of beëindiging WIA. Toetsing herleving WIA-recht is aan de orde.
Er is sprake van verminderde benutbare mogelijkheden als rechtstreeks gevolg van een zelfde ziekte of gebrek per 05-03-2015. Hierdoor is cliënt aangewezen op werkzaamheden conform de nieuwe opgestelde functionele mogelijkhedenlijst. Client kan deze mogelijkheden duurzaam benutten.”

2.16.

[eiseres] heeft vanaf 5 oktober 2015 tot 14 december 2015 vier uur per week re-integratiewerkzaamheden verricht op locatie Het Gilde in Bovenkarspel.

2.17.

Per 1 december 2015 is aan [eiseres] een WIA-uitkering verleend op basis van 57,04% arbeidsongeschiktheid. In het rapport van de arbeidsdeskundige van 11 november 2015 staat, voor zover van belang, vermeld:
“(…)
Op 5 maart 2015 heeft mevrouw [eiseres] zich weer ziek gemeld. Volgens onze arts is er sprake van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak. Daarnaast vond de ziekmelding plaats binnen de vijf jaar na de datum van de vorige beoordeling.
Daarom geldt er nu geen wachttijd meer van 104 weken, maar is er direct per datum ziekmelding sprake van een herziening van de WIA-rechten of WIA-uitkering.
Door de toegenomen beperkingen kan mevrouw [eiseres] niet alleen het oorspronkelijke werk nog steeds niet doen, maar ook alle destijds geduide functies niet meer.
(…)”

2.18.

[eiseres] heeft bezwaar aangetekend tegen de beslissing van het UWV. Dit bezwaar is ongegrond verklaard.

2.19.

Met ingang van 1 december 2015 heeft Esdégé-Reigersdaal de betaling van loon gestaakt.

2.20.

De e-mail van [eiseres] aan Esdégé-Reigersdaal van 13 december 2015 luidt, voor zover van belang, als volgt:
“Ik heb het weekend veel nagedacht over mijn re-integratie. Hoe verder?
Esdege stopt per 1 december met betalen, dus mijn eerste reactie was, dan hoef ik ook niet meer te werken. Natuurlijk zei ik dit uit frustratie en een hoop verdriet.
En juist in het gesprek wat morgen zou plaatsvinden wilde ik graag melden dat ik mijn uren wilde gaan uitbreiden. (…)
Na veel denken wil ik jullie mededelen dat ik natuurlijk graag verder wil gaan met mijn re-integratie, maar voor nu red ik het even niet. (…)”

2.21.

De bevindingen van de bedrijfsarts van 7 januari 2016 zijn dat binnen een half jaar geen toename van de belastbaarheid voor werk wordt verwacht.

2.22.

Op 28 januari 2016 heeft de eerstejaars evaluatie plaatsgevonden. Hierin staat vermeld dat de re-integratie is gestaakt in verband met verminderde belastbaarheid van [eiseres] . Verder staat daarin opgenomen dat het tweede spoor van de re-integratie niet is ingezet, omdat er momenteel geen belastbare mogelijkheden zijn en voorts dat [eiseres] en de bedrijfsarts van mening verschillen over het toekomstperspectief.

2.23.

De e-mail van 7 februari 2016 van [eiseres] aan Esdégé-Reigersdaal in reactie op de eerstejaars evaluatie luidt, voor zover van belang, als volgt:
“(…) Ik heb nog als opmerking bij 4.2 dat de reintegratie niet alleen gestopt is doordat er geen belasting mogelijk is. Want dit heeft ook te maken dat ik alleen op at basis werk en daardoor niet betaald wordt. Terwijl ik al een paar weken gewerkt had die 4 uren. Jullie weigeren mij echter hersteld te melden voor deze uren. (…)”

2.24.

De reactie van Esdégé-Reigersdaal van 8 februari 2016 op voornoemde e-mail luidt, voor zover van belang, als volgt:
“(…) het werk dat je op het cluster van [X] deed, had geen loonvormende waarde. Het was puur bedoeld om je weer aan het arbeidsritme te laten wennen. Zie ook het verslag van de bedrijfsarts van 7 januari. Het is dan ook niet reëel om je voor deze uren hersteld te melden.”

3 De vordering

3.1.

[eiseres] vordert dat de kantonrechter Esdégé-Reigersdaal:
1. veroordeelt tot betaling van het overeengekomen loon van [eiseres] , te vermeerderen met
de wettelijke verhoging vanaf 1 december 2015;
2. veroordeelt het loon van [eiseres] te blijven voldoen, tot het moment van geldige
beëindiging van de arbeidsovereenkomst;
3. veroordeelt tot uitbetaling van 36 vakantie-uren van [eiseres] opgebouwd in 2015;
4. gelast om [eiseres] te laten re-integreren in haar eigen functie op een wijze als
aangegeven door [eiseres] en om, met dat doel, mee te werken aan een arbeidskundig
onderzoek door een arbeidskundige van het UWV op straffe van verbeurte van een
dwangsom van € 2.000,00 voor elke dag dat Esdégé-Reigersdaal na betekening van het
daartoe strekkende vonnis in gebreke blijft daaraan te voldoen;
5. veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4
november 2016.

3.2.

[eiseres] legt aan de vordering het volgende – kort weergegeven – ten grondslag. [eiseres] heeft na haar uitval in 2012 vanaf 18 juli 2014 tot medio maart 2015 haar oorspronkelijk bedongen arbeid van cliëntbegeleider fulltime verricht, waarbij werd afgesproken dat zij geen slaapdiensten zou hebben. Gelet op het bepaalde in artikel 7:629 lid 10 BW is een nieuw recht op loondoorbetaling ontstaan. Uit de opmerking van de bedrijfsarts dat de huidige leidinggevende van [eiseres] , de heer [Y] , niet bekend is met beperkingen van [eiseres] en uit het feit dat [Y] [eiseres] volledig heeft ingeroosterd vanaf 18 juli 2014 voor haar overeengekomen werkzaamheden als cliëntbegeleider, blijkt dat [eiseres] haar eigen werk na betermelding heeft hervat en geen sprake is van re-integratie tijdens arbeidsongeschiktheid in een passende functie. Het verval van de slaapdiensten is door partijen geaccepteerd als de nieuw bedongen arbeid van [eiseres] . Partijen hebben in juni 2014 een weloverwogen en gezamenlijke keuze gemaakt om [eiseres] haar arbeid van cliëntbegeleider zonder slaapdiensten te laten uitvoeren. Er is geen sprake van andere passende arbeid, maar van aangepaste overeengekomen werkzaamheden. De bedongen arbeid is dus per 18 juli 2014 voor wat betreft de slaapdiensten gewijzigd. Dat geen nieuwe arbeidsovereenkomst was gesloten doet daar niet aan af. Er is dan ook in maart 2015 een nieuwe periode van loondoorbetaling van 104 weken ontstaan.
werkt 4 uur per week en heeft verzocht voor deze uren te worden beter gemeld. Dit verzoek is afgewezen, omdat volgens Esdégé-Reigersdaal geen sprake is van loonvormende waarde. [eiseres] wordt niet in de gelegenheid gesteld haar eigen werkzaamheden als cliëntbegeleider te verrichten. Dit is in strijd met artikel 7:658a BW. Een verklaring van een deskundige kan achterwege blijven, omdat de situatie als bedoeld in artikel 7:658b lid 2 BW zich voordoet.

4 Het verweer

4.1.

Esdégé-Reigersdaal betwist de vorderingen. Zij voert – samengevat – het volgende aan. [eiseres] heeft na haar werkhervatting in juli 2014 op het cluster Zeemeeuw nimmer gedurende 36 uur per week gewerkt. Verder draaide zij niet mee met de nacht-/slaapdiensten. Op 5 maart 2015 meldde [eiseres] zich weer ziek. Vanaf dat moment is geen sprake van een loondoorbetalingsverplichting. Esdégé-Reigersdaal heeft vanaf 5 maart 2015 tot 1 december 2015 onverplicht – er is volgens het UWV sprake van dezelfde ziekteoorzaak en er is geen sprake van de situatie dat passende arbeid nieuw bedongen arbeid is geworden – het volledige salaris betaald. Esdégé-Reigersdaal betwist dat een overeenkomst tot stand is gekomen op grond waarvan de passende arbeid nieuw bedongen arbeid is geworden. De werkzaamheden van [eiseres] zijn met enige regelmaat aangepast en er was regelmatig discussie over de aard en omvang van het passende werk. Verder is er geen uitzicht op volledig herstel. [eiseres] heeft daarbij de werkzaamheden als cliëntbegeleider slechts acht maanden verricht en heeft niet opgebouwd tot de volledige omvang van haar dienstverband. Ten slotte zijn er geen contra-indicaties die erop wijzen dat passende werkzaamheden de nieuw bedongen werkzaamheden zijn geworden.
Esdégé-Reigersdaal voert verder verweer tegen de vordering tot meewerken aan re-integratie en de gevorderde dwangsom. [eiseres] heeft tot 14 december 2015 re-integratie-werkzaamheden verricht. Zij werkte niet zelfstandig en kon de tijdsbesteding en werkzaamheden naar eigen inzicht indelen. Vanaf 14 december 2015, nadat [eiseres] ervan op de hoogte was dat Esdégé-Reigersdaal het loon niet langer doorbetaalde, heeft [eiseres] de werkzaamheden gestaakt. [eiseres] heeft zich nadien niet beschikbaar gesteld voor arbeid of om re-integratie verzocht. Verder ontbreekt een oordeel van het UWV of een deskundige.

5 De beoordeling

5.1.

De vraag die ter beantwoording voor ligt is of Esdégé-Reigersdaal na 1 maart 2014 gehouden is tot loondoorbetaling aan [eiseres] . Op grond van artikel 7:629 lid 1 BW behoudt de werknemer voor een tijdvak van 104 weken recht op loondoorbetaling, indien hij de bedongen arbeid niet heeft verricht omdat hij in verband met ongeschiktheid ten gevolge van (onder meer) ziekte daartoe verhinderd was. Indien de werknemer meer dan vier weken zijn werk volledig heeft hervat, ontstaat op grond van artikel 7:629 lid 10 BW een nieuw recht op loondoorbetaling bij hernieuwde uitval wegens ziekte.

5.2.

Volgens [eiseres] is zij vanaf 18 juli 2015 haar oorspronkelijk bedongen werkzaamheden als cliëntbegeleider fulltime gaan verrichten en heeft dit meer dan vier weken geduurd. Dit wordt door Esdégé-Reigersdaal betwist. Het volgende wordt hierover overwogen.

5.3.

Na een ziekteperiode is [eiseres] op 24 februari 2014 door het UWV in staat geacht haar eigen werk te verrichten behoudens kleine aanpassingen. [eiseres] is met ingang van 5 maart 2014 volledig hersteld gemeld. Nu [eiseres] voor de volle omvang hersteld is gemeld, Esdégé-Reigersdaal kennelijk geen aanleiding zag om de bedrijfsarts te laten toetsen of [eiseres] volledig arbeidsgeschikt was en [eiseres] niet binnen vier weken na herstelmelding is uitgevallen wegens ziekte, is een nieuw recht op loondoorbetaling ontstaan per 5 maart 2015. Weliswaar heeft Esdégé-Reigersdaal bezwaar aangetekend tegen het besluit van het UWV, maar dit bezwaar is ongegrond verklaard. Ook maakt het feit dat [eiseres] na haar herstelmelding op 5 maart 2014 geen arbeid heeft verricht het voorgaande niet anders. De oorzaak daarvan is dat Esdégé-Reigersdaal [eiseres] niet toeliet tot het werk op locatie De Otter. Esdégé-Reigersdaal is op 2 mei 2014 een ontbindingsprocedure gestart. Dit verzoek is echter bij beschikking van 25 juni 2014 afgewezen. De kantonrechter stelt vast dat [eiseres] vanaf 5 maart 2014 geschikt was de overeengekomen arbeid te verrichten en is van oordeel dat de oorzaak dat [eiseres] niet de overeengekomen arbeid heeft verricht in redelijkheid voor rekening van Esdégé-Reigersdaal komt. De vraag of [eiseres] vanaf 18 juli 2014 de oorspronkelijk bedongen arbeid is gaan verrichten nu zij niet werd ingeroosterd voor slaapdiensten dan wel de vraag of de passende arbeid (zonder slaapdiensten) de bedongen arbeid is geworden, kan gelet op het voorgaande in het midden blijven. [eiseres] heeft ter zitting immers onweersproken verklaard dat op locatie De Otter nachtdiensten geen onderdeel uitmaakten van de werkzaamheden. [eiseres] had dan ook vanaf 5 maart 2014 haar werk als cliëntbegeleider volledig kunnen hervatten. Dat dit niet is gebeurd, omdat [eiseres] toen was geschorst, komt zoals reeds is overwogen voor rekening en risico van Esdégé-Reigersdaal. Dat [eiseres] op 5 maart 2015 is uitgevallen met dezelfde ziekteoorzaak, maakt het voorgaande eveneens niet anders.

5.4.

Het voorgaande betekent dat Esdégé-Reigersdaal gehouden is tot loondoorbetaling gedurende 104 weken na 5 maart 2014. De gevorderde betaling van het overeengekomen loon van [eiseres] is dan ook toewijsbaar. De gevorderde wettelijke verhoging is eveneens toewijsbaar. Artikel 7:625 BW is bedoeld als prikkel voor de werkgever om het loon op tijd te betalen. De wettelijke verhoging is slechts verschuldigd indien de niet tijdige betaling aan de werkgever kan worden toegerekend. Daarbij is het niet nodig dat de werkgever iets te verwijten valt. Voldoende is dat de niet-betaling binnen zijn risicosfeer ligt. De niet betaling van het loon is een weloverwogen beslissing van Esdégé-Reigersdaal en ligt naar het oordeel van de kantonrechter in haar risicosfeer. De kantonrechter ziet evenwel met het oog op de gegeven omstandigheden aanleiding de wettelijke verhoging te matigen tot 25 %.

5.5.

De vordering tot het blijven voldoen van het loon van [eiseres] tot het moment van geldige beëindiging van de arbeidsovereenkomst wordt afgewezen. Na de periode van 104 weken geldt immers geen loondoorbetalingsverplichting meer. Dit is slechts anders indien [eiseres] (volledig) hersteld wordt gemeld.

5.6.

[eiseres] vordert verder uitbetaling van 36 niet opgenomen vakantie-uren uit 2015. Bij conclusie van antwoord heeft Esdégé-Reigersdaal gesteld dat 2014 en niet 2015 wordt bedoeld. Nu dit niet is weersproken door [eiseres] , gaat de kantonrechter daar vanuit. [eiseres] was gedurende 2014 en de eerste zes maanden van 2015 niet volledig arbeidsongeschikt en zij was eveneens niet vrijgesteld van de verplichting tot re-integratie. Van het redelijkerwijze niet kunnen opnemen van vakantie-uren is dan ook geen sprake. Nu ook niet is gesteld of gebleken dat bij schriftelijke overeenkomst ten guste van [eiseres] is afgeweken van de termijn van zes maanden, is de aanspraak van [eiseres] met betrekking tot de vakantie-uren over 2014 ingevolge artikel 7:640a BW met ingang van 1 juli 2015 vervallen. Deze vordering zal daarom worden afgewezen.

5.7.

Ten slotte vordert [eiseres] dat Esdégé-Reigersdaal wordt bevolen om [eiseres] te laten re-integreren in haar eigen functie op een wijze als aangegeven door [eiseres] en om, met dat doel, mee te werken aan een arbeidskundig onderzoek door een arbeidskundige van het UWV. Het volgende wordt hierover overwogen.

5.8.

Gelet op het bepaalde in artikel 7:658a BW rust op Esdégé-Reigersdaal de verplichting te bevorderen dat [eiseres] , die wegens ziekte niet in staat is de bedongen arbeid te verrichten, in de gelegenheid wordt gesteld de arbeid te hervatten in het eigen bedrijf dan wel in het bedrijf van een andere werkgever. Artikel 7:658b lid 1 BW bepaalt dat een vordering tot nakoming van voornoemde verplichting wordt afgewezen, indien bij de eis niet een verklaring van een door het UWV benoemde deskundige over de nakoming van die verplichting door de werkgever is gevoegd. [eiseres] beroept zich op het tweede lid van voornoemd artikel en stelt dat het overleggen van de verklaring in redelijkheid niet van haar kan worden gevergd.

5.9.

Esdégé-Reigersdaal stelt dat zij aan haar re-integratieverplichting heeft voldaan door [eiseres] vier uur per week boven de sterkte te laten werken in passende arbeid. Esdégé-Reigersdaal wijst verder op de e-mail van [eiseres] van 13 december 2015 waarin zij laat weten dat zij graag verder wil met haar re-integratie, maar dat zij dit voor nu even niet redt, alsmede op de bevindingen van de bedrijfsarts van 7 januari 2016 dat binnen een half jaar geen toename van de belastbaarheid voor werk wordt verwacht. [eiseres] stelt zich echter op het standpunt dat zij in staat is haar eigen werk te hervatten.

5.10.

De kantonrechter wijst de vordering af wegens het ontbreken van een verklaring van een deskundige, nu tussen partijen in geschil is of re-integratie van [eiseres] in haar eigen functie mogelijk is. Van een situatie dat in redelijkheid niet van [eiseres] kan worden gevergd een dergelijke verklaring over te leggen is geen sprake. Weliswaar heeft het UWV op 11 november 2015 een arbeidsdeskundigoordeel gegeven, maar de beoordeling van het UWV in het kader van de Wet WIA is een andere beoordeling dan de vraag of Esdégé-Reigersdaal haar re-integratieverplichtingen is nagekomen en de vraag of andere passende arbeid mogelijk is. Voor de beantwoording van deze vragen is een verklaring van een door het UWV te benoemen deskundige nodig. De vordering om mee te werken aan een arbeidsonderzoek zal bij gebrek aan belang eveneens worden afgewezen, nu de deskundigenverklaring hierop al ziet. De deskundigenverklaring behandelt immers de vraag of sprake is van beperkingen en zo ja, welke beperkingen gelden en welke arbeid [eiseres] nog kan verrichten binnen Esdégé-Reigersdaal of binnen het bedrijf van een andere werkgever.

5.11.

Nu partijen over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld, is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder de eigen proceskosten dragen.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

veroordeelt Esdégé-Reigersdaal tot betaling aan [eiseres] van het overeengekomen loon vanaf 1 december 2015, te vermeerderen met de wettelijke verhoging in overeenstemming met het bepaalde in artikel 7:625 BW met een maximum van 25 %;

6.2

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

6.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. van Rijn en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter