Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:469

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
25-01-2017
Datum publicatie
23-02-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 1217
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Boete - vaststellen benadelingsbedrag - achteraf verkregen middelen – verrekening

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 18a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 16/1217

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 januari 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: drs. M.S.J. Hoorntje),

en

het college van burgemeester en wethouders van Velsen, verweerder

(gemachtigde: M. Wigchert).

Procesverloop

Bij besluit van 30 juli 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres op grond van de Participatiewet (Pw) een boete opgelegd van € 460,52.

Bij besluit van 1 februari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2016.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

1.1

Eiseres ontvangt vanaf 17 juni 2013 bijstand naar de norm van een alleenstaande ouder.

Bij een heronderzoek in 2014 heeft verweerder geconstateerd dat eiseres een bedrag van € 1007,- van de belastingdienst heeft ontvangen, maar dat niet heeft gemeld. Omdat het bedrag betrekking heeft op 2012, dus voor de bijstandsperiode, wordt dit bedrag toegerekend aan het vermogen van eiseres. Verweerder heeft eiseres bij besluit van 27 maart 2014 een waarschuwing gegeven voor het niet melden van de belastingteruggaaf over 2012. Verweerder heeft eiseres er daarbij op gewezen dat zij een boete krijgt wanneer ze zich de komende twee jaar nog een keer niet aan de inlichtingenplicht houdt.

1.2

Eiseres heeft op 16 juni 2014 een belastingteruggaaf over 2013 ontvangen ter hoogte van € 948,-. Eiseres heeft dit niet aan verweerder gemeld.

1.3

Vanaf mei 2014 ontvangt eiseres € 119,- per maand voorlopige teruggave van de belastingdienst. Ook dat heeft eiseres niet aan verweerder gemeld.

1.4

Nadat uit Suwinet was gebleken dat eiseres bij besluit van 15 mei 2014 een voorlopige teruggaaf is toegekend van € 947,- heeft verweerder eiseres op 4 augustus 2014 verzocht voor 15 augustus 2014 de beschikking daarover te overleggen. Eiseres heeft hierop op

14 augustus 2014 wel stukken van de belastingdienst overgelegd, maar niet de gevraagde beschikking. In verband met een ziekenhuisopname van eiseres heeft verweerder de termijn voor het indienen van de beschikking over 2014 verlengd tot 15 september 2014.

Op 9 september 2014 heeft eiseres de beschikking over 2014 en bankafschriften over juni 2014 tot en met augustus 2014 overgelegd. Uit de afschriften bleek de belastingteruggaaf over 2013.

2. Verweerder heeft eiseres een boete opgelegd wegens het schenden van de voor haar geldende inlichtingenplicht, omdat zij niet onverwijld uit eigen beweging de ontvangst van (voorlopige) teruggaven heeft gemeld.

3. Eiseres heeft aangevoerd dat zij haar inlichtingenplicht niet heeft geschonden. Er was geen sprake van een wijziging zoals bedoeld in het wijzigingsformulier. Ze mocht ervan uitgaan dat verweerder al op de hoogte was van de belastingteruggaaf en daarmee al rekening had gehouden. Daarbij komt dat eiseres ervan mocht uitgaan dat verweerder er door de standaardprocedures van op de hoogte zou raken en een en ander ambtshalve zou corrigeren.

4. Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat eiseres had kunnen weten dat zij de ontvangst van een belastingteruggaaf moest melden. Verweerder heeft daartoe gewezen op het toekenningsbesluit, waarin is vermeld dat alles gemeld moet worden wat van invloed kan zijn op het recht op uitkering. Eiseres had verder uit haar specificaties kunnen afleiden dat de teruggaaf niet werd ingehouden op haar uitkering. Verder betekent de omstandigheid dat verweerder achteraf via Suwinet kan controleren niet dat er geen plicht meer is alles te melden dat van belang kan zijn.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

Eiseres betwist niet dat zij het ontvangen van de (voorlopige) belastingteruggaven niet heeft gemeld. Ook is niet in geschil dat dit wel van belang was voor de hoogte van de uitkering. Dat eiseres meende dat verweerder er al rekening mee had gehouden komt voor haar risico. Verder ontslaat de omstandigheid dat belastingteruggaven ook in Suwinet worden vermeld eiseres niet van haar verplichting om dit onverwijld te melden bij verweerder. Dit geldt te meer nu eiseres een waarschuwing heeft gekregen omdat ze een belastingteruggaaf niet had gemeld. Deze beroepsgronden treffen daarom geen doel.

6. Eiseres heeft vervolgens aangevoerd dat het samenstel van omstandigheden ertoe had moeten leiden dat verweerder af had moeten zien van het opleggen van een boete.

7. Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat uitgegaan is van normale verwijtbaarheid. Verweerder ziet in de door eiseres in bezwaar naar voren gebrachte omstandigheden geen reden de boete te matigen.

8. De rechtbank overweegt als volgt.

8.1

Verweerder heeft de hoogte van de boete gebaseerd op een benadelingsbedrag van € 921,05. Dit bedrag bestaat volgens verweerder uit een benadelingsbedrag van € 510,31 te veel ontvangen bijstand over de periode van 17 juni 2013 tot en met 31 december 2013 en € 410,74 te veel ontvangen bijstand over de periode van 1 mei 2014 tot 15 augustus 2014.

8.2

Onder benadelingsbedrag wordt verstaan het bedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen (artikel 18a, tweede lid, Pw).

8.3

De rechtbank stelt vast dat eiseres de teruggaaf van belasting over 2013 op 16 juni 2014 heeft ontvangen. Verweerder heeft de terugvordering van bijstand als gevolg van deze betaling terecht gebaseerd op artikel 58, 2e lid, onder f, van de Pw, nu het gaat om achteraf verkregen middelen die betrekking hebben op een periode waarover bijstand is verleend. Er is dan ook geen sprake geweest van ten onrechte verleende bijstand; eiseres beschikte immers ten tijde van de bijstandsverlening niet over deze middelen en kon er ook niet over beschikken. Weliswaar heeft eiseres niet tijdig melding gemaakt van de ontvangst van deze middelen, maar daarmee is nog niet gegeven dat sprake is van een benadelingsbedrag. Er is niet te veel bijstand betaald als gevolg van het niet tijdig melden. De hoogte van de boete is dan ook in zoverre ten onrechte gebaseerd op een verondersteld benadelingsbedrag. Dit laat onverlet dat het schenden van de inlichtingenplicht op zichzelf aanleiding vormt een boete op te leggen. Uitgangspunt voor de hoogte van de op te leggen boete bij een schending van de inlichtingenplicht zonder benadelingsbedrag is € 150,-.

8.4

Ten aanzien van de hoogte van de boete voor zover deze is gebaseerd op een benadelingsbedrag als gevolg van het niet tijdig melden van de teruggaaf over 2014 overweegt de rechtbank als volgt. Eiseres ontving met ingang van de maand mei 2014 maandelijks € 119,- (voorlopige) teruggave. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op goede gronden geconcludeerd dat sprake is van een benadelingsbedrag van € 410,74, zijnde het bedrag dat ten onrechte niet in mindering is gebracht op de uitkering van eiseres over de periode van

1 mei 2014 tot 14 augustus 2014. De omstandigheid dat verweerder vanaf augustus 2014 ‘ingedikt’ verrekend heeft, waardoor de gehele teruggaaf over 2014 ook in 2014 is verrekend, doet hier niet aan af. De basis voor de op te leggen boete voor het niet tijdig melden van de ontvangst van teruggaaf over 2014 is dan ook € 410,74.

8.5

De rechtbank ziet in de door eiseres aangevoerde omstandigheden verder aanleiding niet uit te gaan van ‘normale’ verwijtbaarheid, maar van verminderde verwijtbaarheid. Daartoe overweegt de rechtbank dat eiseres onbetwist heeft gesteld dat zij ten tijde hier van belang – maar nu nog steeds – te maken heeft gehad met een ernstige ziekte. Zij verkeerde hierdoor in onvoorziene en ongewenste omstandigheden, die niet tot het normale levenspatroon behoren en die haar weliswaar niet in de feitelijke onmogelijkheid brachten om aan de inlichtingenplicht te voldoen, maar die emotioneel zo ontwrichtend waren dat haar niet volledig valt toe te rekenen dat de inlichtingen niet tijdig zijn verstrekt.

8.6

De boete bedraagt gelet op het voorgaande 25% van € 560,74, dus € 140,-.

8.7

Uit het vorenstaande volgt dat de opgelegde boete niet in stand kan blijven. Het bestreden besluit zal dan ook worden vernietigd. De rechtbank zal gelet op het bepaalde in artikel 8:72a van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak voorzien. De rechtbank herroept het primaire besluit en zal de boete bepalen op € 140,-.

9. Het beroep is gegrond. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1980,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 495,-, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- stelt de boete vast op € 140,-;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1980,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.G. van Roest, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.H. Bosveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 januari 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.