Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:4642

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
09-06-2017
Datum publicatie
15-06-2017
Zaaknummer
16/5392
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om urgentieverklaring afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 16/5392

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juni 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. A.C. Mens),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer, verweerder

(gemachtigden: mr. C. Schol en mr. I. Roubos).

Procesverloop

Bij besluit van 27 mei 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een urgentieverklaring voor een woning afgewezen.

Bij besluit van 26 oktober 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.1.

In artikel 2.6.3, tweede lid, van de Huisvestingsverordening gemeente Haarlemmermeer 2016 (Hvv), is bepaald dat het zoekprofiel qua ligging, grootte, en aard het meest sobere woningtype bevat of de meest sobere woningtypen, naar het oordeel van burgemeester en wethouders noodzakelijk voor het oplossen van het huisvestingsprobleem.

In artikel 2.6.5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Hvv, is bepaald dat burgemeester en wethouders de urgentieverklaring weigeren indien naar hun oordeel sprake is van één of meerdere van de volgende omstandigheden: de aanvrager kon het huisvestingsprobleem redelijkerwijs voorkomen of kan het huisvestingsprobleem redelijkerwijs op een andere wijze oplossen.

In artikel 2.6.11, eerste lid, van de Hvv, is bepaald dat burgemeester en wethouders, indien toepassing van deze verordening zou leiden tot weigering van een urgentieverklaring, bevoegd zijn om toch een urgentieverklaring toe te kennen indien:

a. weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie; en,

b. sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening onvoorziene, omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn.

In artikel 4.4, van de Hvv, is bepaald dat burgemeester en wethouders bevoegd zijn in gevallen waarin de toepassing van deze verordening naar hun oordeel tot een bijzondere hardheid leidt ten gunste van de aanvrager af te wijken van deze verordening.

1.2.

In artikel 2.2, van de Regionale beleidsregels urgentie (de Beleidsregels), is, voor zover van belang, bepaald dat burgemeester en wethouders de urgentieverklaring weigeren indien naar hun oordeel sprake is van één of meerdere van de volgende omstandigheden:

(…)

c. de aanvrager kon het huisvestingsprobleem redelijkerwijs voorkomen of kan het huisvestingsprobleem redelijkerwijs op een andere wijze oplossen;

Hiervan is in ieder geval sprake als:

- de aanvrager er niet alles wat redelijkerwijs tot zijn mogelijkheden behoort aan heeft gedaan om het huisvestingsprobleem te voorkomen of op te lossen;

(…)

- de aanvrager in de periode dat aannemelijk werd dat hij een huisvestingsprobleem zou krijgen niet zo vaak als mogelijk heeft gereageerd op het woningaanbod van een corporatie, terwijl dit mogelijk het woonprobleem had kunnen oplossen, en/of aanbod heeft geweigerd.

(…)

2. Eiseres heeft om een urgentieverklaring gevraagd, omdat zij stelt door een echtscheiding met haar kinderen dakloos te zijn geraakt. Ze probeert al maanden een huis te huren, maar dat lukt haar niet zonder urgentie. Ze heeft een minderjarige zoon die stabiliteit nodig heeft voor zijn school.

3. Verweerder heeft aan de afwijzing ten grondslag gelegd dat eiseres het huisvestingsprobleem redelijkerwijs heeft kunnen voorkomen of dat eiseres het huisvestingsprobleem redelijkerwijs op een andere wijze heeft kunnen oplossen. Eiseres heeft drie woningen geweigerd. Hierdoor is bij alle drie de gevallen sprake van een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 2.2, onder c, van de Beleidsregels.

4.1.

Eiseres betoogt in beroep dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat zij drie woningen heeft geweigerd. Op de woning aan de [woning 1] (woning 1) heeft eiseres gereageerd maar haar reactie heeft zij vervolgens ingetrokken, omdat deze woning niet meer beschikbaar zou zijn door renovatie. De woning aan de [woning 2] (woning 2) was geen passende woning vanwege twee kleine slaapkamers. De woning aan de [woning 3] (woning 3) was eveneens geen passende woning, omdat die drie kleine slaapkamers heeft. Het gezin van eiseres bestaat naar eigen zeggen uit vier personen: eiseres zelf, twee thuiswonende kinderen van respectievelijk 26 en 16 jaar, en een uitwonende dochter van 23 jaar. Derhalve was het aantal slaapkamers niet toereikend.

4.2.

Verweerder betoogt dat eiseres twee thuiswonende kinderen heeft en dat derhalve moet worden uitgegaan van een gezin van drie personen. In het verweerschrift betoogt verweerder, met verwijzing naar artikel 2.6.3, tweede lid, van de Hvv, dat iedere woning die aangeboden wordt waarbij het inkomen en de huisgrootte passend is, passend is, indien ook het inkomen overeenkomt met hetgeen in de advertentie gesteld wordt. Uitgaande van de meest sobere oplossing, kunnen kinderen ook samen op één kamer slapen. Het minimale aantal slaapkamers bij een bepaalde huisgrootte is niet vastgesteld in de Hvv en in de Beleidsregels.

In het verweerschrift betoogt verweerder dat eiseres woning 1 heeft geweigerd, voordat deze werd ingetrokken door de woningcorporatie. Dit geldt daarom als een weigering. Woningen 2 en 3 heeft eiseres eveneens geweigerd. Woning 2 heeft twee slaapkamers. Woning 3 heeft naast de woonkamer, vier kamers op de eerste etage. Indien eiseres woning 3, die passend is, zou hebben geaccepteerd, had zij de woning toegewezen gekregen. Gelet op het voorgaande is op grond van artikel 2.6.5, eerste lid onder c, van de Hvv, sprake van een weigeringsgrond.

4.3.

Als vaststaand kan worden aangenomen dat, indien eiseres woning 3 zou hebben geaccepteerd, zij deze woning toegewezen zou hebben gekregen. Vast staat dat woning 3, naast de woonkamer, vier slaapkamers op de eerste etage heeft (10,2 m2, 8 m2, 5,5 m2 en 4,2 m2). Verweerder is naar het oordeel van de rechtbank terecht uitgegaan van een gezin bestaande uit drie personen, aangezien één van de dochters van eiseres uitwonend is. Woning 3 is daarom door verweerder terecht als passend aangemerkt. Reeds gelet hierop heeft verweerder dan ook in redelijkheid kunnen concluderen dat eiseres haar huisvestingsprobleem zelf had kunnen oplossen, zodat verweerder de aanvraag van eiseres op grond van artikel 2.6.5, eerste lid onder c, van de Hvv, terecht heeft afgewezen.

4.4.

De beroepsgrond faalt.

5.1.

Eiseres betoogt dat ten onrechte in het bestreden besluit niet is gemotiveerd waarom geen beroep kan worden gedaan op de hardheidsclausule. Verweerder is niet gemotiveerd ingegaan op hetgeen eiseres over de hardheidsclausule heeft gesteld. Eiseres en haar drie kinderen zijn sinds april 2016 dakloos. Ze verblijven gescheiden van elkaar op verschillende adressen. Haar kinderen hebben psychische klachten en hebben problemen gekregen met hun studie. Eiseres is in verband met haar zwervend bestaan depressief geworden, heeft daardoor medicijnen nodig en is doorverwezen naar de GGZ. Ze doet er alles aan een woning te vinden. Er is derhalve sprake van een schrijnend en maatschappelijke onaanvaardbare situatie op grond waarvan zij een beroep kan doen op de hardheidsclausule.

Dat eiseres twee keer niet is ingegaan op een passende woning kan haar niet worden verweten en is in ieder geen reden de hardheidsclausule niet toe te passen. Eiseres was niet op de hoogte dat een urgentieverklaring niet wordt verleend als niet wordt ingagaan op een woning. Zowel de gemeente, Ymere als Woningnet hebben eiseres daarop niet gewezen.

5.2.

In lijn met vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 30 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2902, is het al dan niet toepassen van de hardheidsclausule een discretionaire bevoegdheid van verweerder en moet de bestuursrechter het al dan niet gebruik maken van die bevoegdheid terughoudend toetsen.

5.3.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid geen toepassing heeft kunnen geven aan de hardheidsclausule. Zoals verweerder in zijn verweerschrift heeft betoogd, zijn in de Beleidsregels over de omstandigheden waarop eiseres een beroep doet bepalingen opgenomen, zodat geen sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de Hvv onvoorziene omstandigheden die gelet op het doel van de Hvv redelijkerwijs toch een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn. De rechtbank is het met eiseres eens dat verweerder onvoldoende in het bestreden besluit heeft gemotiveerd waarom de hardheidsclausule niet van toepassing is. Eiseres is evenwel door deze aanvullende motivering niet benadeeld, zodat dit motiveringsgebrek met toepassing van artikel 6:22, van de Algemene wet bestuursrecht, wordt gepasseerd.

5.4.

De rechtbank kan de stelling van eiseres, dat zij niet op de hoogte was dat zij niet voor urgentie in aanmerking komt als zij een keer niet is ingegaan op een woning en dat de door haar genoemde derden haar daar op hadden moeten wijzen, niet volgen. In de beleidsregels zijn hierover bepalingen opgenomen, zodat eiseres hiervan op de hoogte had kunnen zijn.

5.5.

De beroepsgrond faalt.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H. Bakker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.