Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:448

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
26-01-2017
Datum publicatie
07-02-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 1646
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:963, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Niet mogelijk is het met toepassing van het negende lid omgevingsvergunning te verlenen voor het deel van de nieuwbouw dat zich binnen het bouwvlak bevindt, behoeft het standpunt dat voor de resterende bebouwing vergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, geen bespreking meer. Immers zonder een als hoofdgebouw aan te merken bebouwing (bestaand of vergund) is toepassing van het eerste lid in het geheel niet aan de orde. Er is immers in dat geval geen sprake van een bijbehorend bouwwerk in de zin van art. 1 van bijlage II bij het Bor.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 16/1646

uitspraak van de meervoudige kamer van 26 januari 2017 in de zaak tussen

Aldi Zaandam B.V, te Zaandam,

Aldi Vastgoed B.V., te Culemborg,

eisers

(gemachtigde: mr. R. Janssen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hollands Kroon, verweerder

(gemachtigden: mr. M. Bergman en L. Schuijt MSc).

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen:

Lidl Nederland GmbH, te Huizen

(gemachtigde: mr. A.P. Loo)

Deen Vastgoed Winkels B.V. en Warenhuis Wieringerwerf B.V.,

(gemachtigde: mr. W.J.M. Loomans)

Procesverloop

Bij besluit van 25 augustus 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder aan Aldi Zaandam B.V. een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een Aldi supermarkt op het perceel Schipperskade 3 te Wieringerwerf (het perceel).

Bij besluit van 16 februari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van Warenhuis Wieringerwerf B.V. niet-ontvankelijk verklaard en de bezwaren van andere derde-partijen Lidl Nederland GmbH en Deen Vastgoed Winkels B.V. gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen en alsnog de omgevingsvergunning geweigerd.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2016.

Eisers zijn vertegenwoordigd door [naam] bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Derde-partijen zijn niet verschenen.

Overwegingen

1.1.

Aldi Zaandam B.V. (hierna: Aldi) heeft op 10 juli 2015 – voor zover hier relevant – een aanvraag om omgevingsvergunning gedaan voor de nieuwbouw van een supermarkt met bijbehorende parkeerplaatsen op het perceel. De op het perceel aanwezige bebouwing wordt gesloopt.

1.2.

Bij het primaire besluit is de gevraagde omgevingsvergunning verleend met toepassing van artikelen 2.10 en 2.12, eerste lid, sub a, onder 2, van de Wet algemene bepalingen (Wabo) in samenhang met artikel 4, aanhef en eerste lid, achtste lid en negende lid, van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor).

1.3.

Verweerder heeft in bezwaar de omgevingsvergunning alsnog geweigerd. Verweerder heeft zich onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie en in aanvulling daarop op het standpunt gesteld dat de aanvraag ziet op het realiseren van een nieuw hoofdgebouw, dat voor een deel is geprojecteerd buiten het bouwblok waarbinnen op grond van het vigerende bestemmingsplan gebouwd mag worden, nog los van het feit dat ook het gebruik op grond van het vigerende bestemmingsplan niet is toegestaan. Om die reden kan geen toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 4, aanhef en eerste en negende lid, van bijlage II bij het Bor. Of toepassing kan worden gegeven aan het bepaalde in artikel 4, aanhef en achtste lid, van bijlage II bij het Bor is bij nader inzien ook onzeker.

1.4.

Op 26 mei 2016 heeft de raad van de gemeente Hollands Kroon het bestemmingsplan “Ingenieur Smedingplein 2 en Brinkweg 3 Wieringerwerf” vastgesteld. Met dit plan is voorzien in een planologisch kader om de verplaatsing van de Aldi in Wieringerwerf – gelet op de herroeping van de eerder verleende omgevingsvergunning – alsnog mogelijk te maken.

1.5.

Door Aldi is in juni 2016 opnieuw een aanvraag voor het project ingediend. In vervolg op deze aanvraag heeft verweerder bij besluit van 29 juli 2016 opnieuw een omgevingsvergunning verleend voor het project. Deze omgevingsvergunning is inmiddels onherroepelijk geworden.

2.1.

De rechtbank ziet zich – nu de benodigde vergunning inmiddels is verkregen –ambtshalve gesteld voor de vraag of eisers belang hebben (behouden) bij een inhoudelijke beoordeling van hun beroep tegen het bestreden besluit. De rechtbank gaat er hierbij van uit dat verweerder de onrechtmatigheid van het bestreden besluit niet heeft erkend.

2.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), zie bijvoorbeeld de uitspraak van 5 september 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX6525, kan belang bestaan bij een beoordeling van het beroep indien betrokkene stelt schade te hebben geleden en hij tot op zekere hoogte aannemelijk heeft gemaakt dat hij dergelijke schade daadwerkelijk en als gevolg van het door hem bestreden besluit heeft geleden.

2.3.

Eisers hebben ter zitting desgevraagd verklaard dat zij als gevolg van het bestreden besluit vertragingsschade hebben geleden. Hiermee hebben zij naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de op hen rustende vorenbedoelde bewijslast om aannemelijk te maken dat zij nog wel belang hebben bij een beoordeling van het bestreden besluit.

2.4.

De rechtbank zal gelet op het voorgaande het beroep van eisers tegen het bestreden besluit inhoudelijk beoordelen.

3.1.

In dit kader dient zij ook te beoordelen of Lidl Nederland GmbH, Deen Vastgoed Winkels B.V. en Warenhuis Wieringerwerf B.V. nog steeds als partij dienen te worden toegelaten. De beslissing tot toelating geldt immers als voorlopig. Ingevolge artikel 12, vijfde lid, Procesregeling bestuursrechtelijke colleges 2014 kan de rechtbank van een beslissing om een derde als partij aan het geding te laten deelnemen op elk moment in de procedure terugkomen.

3.2.

Warenhuis Wieringerwerf B.V. is door verweerder niet-ontvankelijk verklaard omdat zij geen belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Hiertegen is zij niet in beroep gegaan. Dat betekent dat in rechte is komen vast te staan dat Warenhuis Wieringerwerf B.V. geen rechtstreeks bij het primaire besluit betrokken belang heeft. Zij kan dan ook in deze beroepsprocedure niet als belanghebbende worden aangemerkt.

3.3.

Ten aanzien Lidl Nederland GmbH en Deen Vastgoed Winkels B.V. geldt dat ook zij inmiddels niet meer als belanghebbenden bij deze beroepsprocedure kunnen worden aangemerkt. Het belang van deze twee partijen was er in gelegen te voorkomen dat het in deze procedure ter beoordeling staand herroepingsbesluit van de vergunning uit 2015 in stand bleef. Inmiddels is er een nieuwe omgevingsvergunning verleend en deze is onherroepelijk geworden. Daarmee is ook het (proces)belang van deze partijen komen te vervallen.

3.4.

De rechtbank maakt de toelating van de van deze partijen als derde-partij ongedaan.

4. Eisers betogen dat de omgevingsvergunning met toepassing artikel 4, aanhef en eerste en negende lid, van Bijlage II bij het Bor verleend kon worden. Met toepassing van artikel 4, aanhef en negende lid, van bijlage II bij het Bor kon de functie van het ter plaatse aanwezige gebouw (het hoofdgebouw) worden gewijzigd en kon er verbouwd worden. Eisers betogen dat daarbij de mate waarin die bouwactiviteiten het gebouw wijzigen niet van belang is. Vervolgens kon dan met toepassing van artikel 4, aanhef en eerste lid, van Bijlage II bij het Bor vergunning worden verleend voor de oprichting of uitbreiding van bijbehorende bouwwerken.

5. Op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo kan voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.

Op grond van artikel 1 van Bijlage II bij het Bor wordt onder bijbehorend bouwwerk verstaan een uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.

Op grond van artikel 1 van Bijlage II bij het Bor wordt onder hoofdgebouw verstaan een gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is;

Op grond van artikel 4 van Bijlage II bij het Bor komt - onder meer - voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, in aanmerking:

1. een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan (…);

(…)

9. het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein (…).

6. Niet in geschil en ook de rechtbank is van oordeel dat in één omgevingsvergunning gelijktijdig toepassing kan worden gegeven aan verschillende onderdelen van artikel 4 van Bijlage II bij het Bor.

7. Het geschil spitst zich toe op de vraag of in de onderhavige zaak met toepassing van artikel 4, aanhef en onder eerste en negende lid, van Bijlage II bij het Bor de omgevingsvergunning had kunnen worden verleend.

8.1.

Met toepassing van het negende lid kan een omgevingsvergunning worden verleend om bestaande bebouwing te gebruiken voor een functie die in strijd is met het bestemmingsplan en vervolgens kan – in dezelfde omgevingsvergunning – met toepassing van het eerste lid voor bijbehorende bouwwerken of een uitbreiding daarvan worden afgeweken van het bestemmingsplan. Ook kan met toepassing van het negende lid vergunning worden verleend om de bestaande bebouwing te verbouwen in combinatie met de wijziging van het gebruik, met dien verstande dat de bebouwde oppervlakte en het bouwvolume niet mogen worden vergroot.

8.2.

Eisers bouwplan voorziet echter niet in het wijzigen van het gebruik van het bestaande gebouw maar in het – na afbraak van de bestaande bebouwing – oprichten van nieuwe bebouwing. Het negende lid maakt het niet mogelijk voor een dergelijk plan met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo een omgevingsvergunning te verlenen. Het negende lid ziet op het wijzigen van het gebruik van gebouwen, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten. Daarbij dient het te gaan om bestaande gebouwen. De rechtbank verwijst daarbij naar de Nota van Toelichting bij artikel 4, aanhef en negende lid, van Bijlage II bij het Bor (Stb. 2014, 333, blz. 54) waar is vermeld dat de wijziging van dit artikelonderdeel betrekking heeft op de mogelijkheid om aan bestaande gebouwen (al dan niet tijdelijk) een andere functie te geven.

8.3.

Omdat het niet mogelijk is met toepassing van het negende lid omgevingsvergunning te verlenen voor het deel van de nieuwbouw dat zich binnen het bouwvlak bevindt, behoeft het standpunt dat voor de resterende bebouwing vergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, geen bespreking meer. Immers zonder een als hoofdgebouw aan te merken bebouwing (bestaand of vergund) is toepassing van het eerste lid in het geheel niet aan de orde. Er is immers in dat geval geen sprake van een bijbehorend bouwwerk in de zin van art. 1 van bijlage II bij het Bor.

9. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

10. Bij deze beslissing is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.M. de Feijter, voorzitter, mr. W.J.A.M. van Brussel en mr. M.M. Kaajan, leden, in aanwezigheid van mr. T. Stratmann-van Nassau, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.