Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:442

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
25-01-2017
Datum publicatie
25-01-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 702
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2018:83, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De belastingkamer van rechtbank Noord-Holland heeft de vermogensrendementsheffing over spaartegoeden in 2014 in een proefproces in stand gelaten.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 5.2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/204
V-N 2017/18.2.2
FutD 2017-0257
NTFR 2017/538 met annotatie van mr. E. Alink RB
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer: HAA 16/702

uitspraak van de meervoudige kamer van 25 januari 2017 in de zaak tussen

[x] , wonende te [z] , eiseres

(gemachtigde: E.J. de Vries),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2014 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 30.421 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.272.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Beide partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2016 te Haarlem.

Eiseres heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, C. Overduin, A.M. van der Plaat en A. de Boer. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.J.M. van Gorkum en R.B. Beenhakker.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting is van de zijde van verweerder een nader stuk ontvangen. De rechtbank heeft hierin aanleiding gezien het onderzoek te heropenen. Beide partijen hebben vervolgens nadere stukken ingediend. Na van beide partijen daarvoor ontvangen toestemming heeft de rechtbank bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Feiten

1. Op 1 januari 2014 bestaat het box 3 vermogen van eiseres volledig uit banktegoeden tot een bedrag van € 127.954. Zij heeft in 2014 € 1.336 aan rente ontvangen.

2. Eiseres heeft op 5 maart 2015 aangifte ib/pvv 2014 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (na persoonsgebonden aftrek) van € 30.421 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.272. De aangegeven rendementsgrondslag voor het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen bedraagt € 106.815 (€ 127.954 - € 21.139 heffingvrij vermogen).

3. De aanslag ib/pvv 2014 is met dagtekening 20 mei 2015 conform de aangifte opgelegd. De verschuldigde ib/pvv van € 8.942 bestaat uit:

Inkomstenbelasting box 1 € 2.170

Premie volksverzekeringen € 9.476

Inkomstenbelasting box 3 € 1.281

Heffingskortingen € 3.985

4. Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen de aanslag ib/pvv 2014 op 28 mei 2015 ontvangen. Op grond van het Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 26 juni 2015, nr. BLKB2015/903M, Stcrt. 2015, 18400, is het bezwaarschrift aangewezen als massaal bezwaar als bedoeld in artikel 25a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Partijen hebben het onderhavige beroep geselecteerd als een van zes zaken die aan de belastingrechter zullen worden voorgelegd ter beantwoording van de hierna in onderdeel 5 geformuleerde rechtsvraag. Dit is medegedeeld bij kennisgeving van de staatssecretaris van 6 juni 2016, nr. BLKB2016/425, Stcrt. 2016, 31329.

Geschil

5. In geschil is of de vermogensrendementsheffing zoals vastgelegd in artikel 5.2, eerste van de Wet IB 2001, op spaarsaldi naar haar aard in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EP EVRM). Niet in geschil is of sprake is van schending van de fair balance op grond van een individuele en excessieve last.

6. Eiseres beantwoordt deze vraag bevestigend en voert daartoe - samengevat - het volgende aan. De wetgever heeft bij zijn keuze voor een forfaitair rendement van 4% tot uitgangspunt genomen dat dit rendement op de langere termijn risicoloos moet kunnen worden behaald. De wetgever heeft beoogd aan te sluiten bij het reële rendement, dat wil zeggen: het nominale rendement verminderd met inflatie. Een reëel rendement van 4% op beleggingen met een laag risico is echter reeds vanaf de invoering van de vermogensrendementsheffing niet haalbaar geweest. De reële rendementen op spaartegoeden zijn al jaren zo laag dat na aftrek van de vermogensrendementsheffing (nagenoeg) geen of zelfs een negatief rendement resteert. In het onderhavige geval bedraagt de belastingdruk 96%. Belastingplichtigen worden door de vermogensrendementsheffing getroffen door een buitensporig zware last. Daarmee heeft de wetgever zijn ruime beoordelingsmarge op regelniveau overschreden.

7. Verweerder beantwoordt deze vraag ontkennend en voert daartoe - samengevat - het volgende aan. De wetgever heeft bij zijn keuze voor een forfaitair rendement van 4% tot uitgangspunt genomen dat dit rendement over een langere periode over alle vermogensbestanddelen gemiddeld zonder veel risico behaald zou moeten kunnen worden.

Onderzoeksgegevens bevestigen de juistheid van dit uitgangspunt. De keuze van de wetgever voor een forfaitair rendement van 4% is dus niet van alle redelijkheid ontbloot. Belastingheffing op grond van de Wet IB 2001 vindt plaats naar een nominale grondslag. Inflatie dient daarom buiten beschouwing te blijven. Een belastingdruk van 96% zoals in het onderhavige geval kan niet als een buitensporig zware last worden gekwalificeerd. De wetgever heeft zich de kritiek op de vermogensrendementsheffing aangetrokken, wat tot wijziging van de vermogensrendementsheffing per 1 januari 2017 heeft geleid.

Beoordeling van het geschil

8. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 3 april 2015 (ECLI:NL:HR:2015:812) over de vermogensrendementsheffing voor het jaar 2010 als volgt geoordeeld:

“2.3.1. De heffing van inkomstenbelasting over de inkomsten uit sparen en beleggen vindt met ingang van 2001 op forfaitaire wijze plaats in box 3. […] Dit forfaitaire stelsel is naar de opzet van de wetgever ‘robuust’ en daardoor enigszins ruw, aangezien het niet afhankelijk is gesteld van het werkelijke rendement van de bezittingen gedurende het jaar. De wetgever achtte dat uitgangspunt gerechtvaardigd omdat:

“daarmee op een globale maar aanvaardbare wijze zou kunnen worden aangesloten bij de rendementen die belastingplichtigen in de praktijk, indien dit over een langere periode wordt bezien, gemiddeld zouden moeten kunnen behalen zonder dat zij daar (veel) risico voor hoeven te nemen. In zoverre kan derhalve niet worden gesteld dat in het concept van de forfaitaire rendementsheffing geen rekening wordt gehouden met de omvang van de werkelijk genoten inkomsten uit vermogen.”

(Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 7, blz. 263).

2.3.2. Van dit forfaitaire stelsel kan, gelet op voormelde uitgangspunten, niet worden gezegd dat het elke redelijke grond ontbeert. Gelet op de ruime beoordelingsmarge die de wetgever op het terrein van het belastingrecht toekomt, is dit stelsel niet in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (hierna: het EP) (vgl. HR 28 oktober 2012, nr. 10/03727, ECLI:NL:HR:2011:BR0664, BNB 2011/297). Dit stelsel zou slechts dan in strijd komen met artikel 1 van het EP indien zou komen vast te staan dat het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier percent voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is en belastingplichtigen, mede gelet op het toepasselijke tarief, zouden worden geconfronteerd met een buitensporig zware last. […] Voor het aannemen van een inbreuk op artikel 1 van het EP is niet voldoende dat het rendement van bepaalde bezittingen – zoals in het onderhavige geval onder de huurbescherming vallende verhuurde woningen – structureel blijft beneden vier percent van het daarin geïnvesteerde bedrag, ook niet indien de bezittingen van de belastingplichtige in box 3 vooral uit dergelijke bezittingen bestaan.”

9. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 10 juni 2016 (ECLI:NL:HR2016:1129) over de vermogensrendementsheffing voor het jaar 2011 als volgt geoordeeld:

“4.1.1. Bij de totstandkoming van box 3 met ingang van 2001 heeft de wetgever het forfaitaire rendement bepaald op vier percent. Dit percentage is niet afhankelijk gesteld van het werkelijke rendement van de bezittingen gedurende het jaar. De wetgever achtte dat gerechtvaardigd omdat:

“daarmee op een globale maar aanvaardbare wijze zou kunnen worden aangesloten bij de rendementen die belastingplichtigen in de praktijk, indien dit over een langere periode wordt bezien, gemiddeld zouden moeten kunnen behalen zonder dat zij daar (veel) risico voor hoeven te nemen. In zoverre kan derhalve niet worden gesteld dat in het concept van de forfaitaire rendementsheffing geen rekening wordt gehouden met de omvang van de werkelijk genoten inkomsten uit vermogen.”

(Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 7, blz. 263).

2.4.1.2. Van de wetgever mag worden verlangd dat een forfaitair stelsel, waaraan een zekere ruwheid inherent is, zodanig wordt vormgegeven dat daarmee wordt beoogd de werkelijkheid te benaderen (vgl. HR 12 mei 1999, nr. 33320, ECLI:NL:HR:AA2756, BNB 1999/271). Bij de vaststelling van het forfaitaire rendementspercentage op vier percent heeft de wetgever dan ook terecht aansluiting gezocht “bij de rendementen die belastingplichtigen in de praktijk, indien dit over een langere periode wordt bezien, gemiddeld zouden moeten kunnen behalen zonder dat zij daar (veel) risico voor hoeven te nemen”.

2.4.1.3. Van het forfaitaire stelsel van box 3 kan, gelet op voormelde uitgangspunten, niet worden gezegd dat het elke redelijke grond ontbeert. Gelet op de ruime beoordelingsmarge die de wetgever op het terrein van het belastingrecht toekomt, is dit stelsel niet in strijd met artikel 1 EP. Dit stelsel zou slechts dan in strijd komen met artikel 1 EP indien zou komen vast te staan dat het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier percent voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is en belastingplichtigen, mede gelet op het toepasselijke tarief, zouden worden geconfronteerd met een buitensporig zware last (zie HR 3 april 2015, nr. 13/04247, ECLI:NL:HR:2015:812, BNB 2015/174). Indien deze onhaalbaarheid duidelijk zou worden en de wetgever ervoor kiest uit te blijven gaan van een forfaitair rendement, mag van hem worden verlangd dat hij de regeling aanpast teneinde de beoogde benadering van de werkelijkheid te herstellen.

[…]

2.5.2. Anders dan het middel betoogt is voor het aannemen van een inbreuk op artikel 1 EP niet voldoende dat het rendement van een bepaalde bezitting – in dit geval de woning – structureel blijft beneden de vier percent van het daarin geïnvesteerde vermogen. Het middel dat slechts het negatieve rendement van de woning in aanmerking neemt, faalt derhalve;[…]”

10. De Hoge Raad heeft in voormelde arresten geoordeeld dat het forfaitaire stelsel van de vermogensrendementsheffing voor de jaren 2010 en 2011 niet in strijd is met artikel 1 van het EP EVRM. Ter beoordeling ligt thans voor of het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier procent in 2014 niet meer haalbaar is.

11. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van eiseres dat de wetgever de belastingplichtige dwingt risicovol te beleggen om een rendement van 4% te kunnen behalen en daarmee een buitensporig zware last oplegt in de zin van artikel 1 van het EP EVRM. Hoewel niet uitgesloten kan worden dat de keuze van de wetgever voor een forfaitair rendement van 4% van invloed is op de beleggingsstrategie van een belastingplichtige, is van enige dwang ten aanzien van de bestemming van het vermogen geen sprake. Bovendien valt niet in te zien hoe enige invloed van de keuze van de wetgever voor een rendement van vier procent op de beleggingsstrategie van de belastingplichtige tot schending van artikel 1 van het EP EVRM kan leiden.

12. Eiseres wijst ter onderbouwing van haar standpunt dat het door de wetgever veronderstelde rendement van vier procent in 2014 niet meer haalbaar is op de gemiddelde inflatie in Nederland over de jaren 1997 tot en met 2015, op gegevens van het CBS over daadwerkelijk in Nederland genoten rente over spaartegoeden in de periode 1999 tot en met 2013, op gegevens over spaarrente in het rapport ‘Naar een activerender belastingstelsel’ van de Commissie Van Dijkhuizen, op de toelichting bij het Belastingplan 2016 inzake het totale rendement op bank- en spaartegoeden, op de tienjaarsrente op staatsobligaties van Nederland, Duitsland, Denemarken, Zwitserland en Italië in de jaren 2001 tot en met 2016, op de meerjarige depositorentes in de periode juli 2008 tot en met juni 2016, op een overzicht van spaarrentes in de periode 2003 tot en met juni 2016 van SpaarInformatie en op gegevens over spaarrente van De Nederlandsche Bank.

13. Verweerder voert aan dat het door de wetgever veronderstelde rendement van vier procent in 2014 nog steeds haalbaar is en brengt daartoe het volgende naar voren. De Wet IB 2001 gaat uit van een nominalistisch stelsel. Bij het bepalen van het rendement dient de inflatie daarom buiten beschouwing te blijven. Uit voormelde arresten moet worden afgeleid dat de Hoge Raad een ex-post toets aanlegt. De renteontwikkeling na 2014 dient daarom buiten beschouwing te blijven. In 2011 kon de risicomijdende spaarder nog 3,5% rente ontvangen. In 2014 was een spaarrente van 1,6% of 1,7% haalbaar. De rente op een 5-jaarsdeposito bedroeg in 2014 2%. Uit het onderzoek dat is verricht ten behoeve van de wijziging van de vermogensrendementsheffing met ingang van 1 januari 2017 is gebleken dat het rendement op spaartegoeden weliswaar sinds enige tijd beneden 4% ligt, maar dat het rendement op aandelen, obligaties en onroerende zaken in het verleden over een langere periode gemiddeld 5,5% heeft bedragen, en dat het forfaitair rendement voor het totale box 3 vermogen nog dicht wordt benaderd.

14. Bij de verdere beoordeling van het geschil stelt de rechtbank het volgende voorop.

De rechtbank volgt eiseres niet voor zover zij betoogt dat risicovollere beleggingen bij de beoordeling geheel buiten beschouwing dienen te blijven en uitsluitend moet worden gekeken naar de ontwikkeling van de spaarrente. Zoals volgt uit voormelde arresten van de Hoge Raad is voor bevestigende beantwoording van de vraag of een rendement van vier procent voor een lange reeks van jaren niet meer haalbaar is niet voldoende dat vast komt te staan dat het rendement op bepaalde bezittingen structureel beneden de vier procent blijft. Het standpunt van verweerder dat de renteontwikkeling na 2014 bij de beantwoording van de voorliggende vraag buiten beschouwing dient te blijven vindt geen steun in de parlementaire geschiedenis. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de in voormelde arresten gebruikte bewoordingen evenmin worden afgeleid dat de Hoge Raad een dergelijke beperkte benadering heeft beoogd. De ontwikkeling van de rente na 2014 kan naar het oordeel van de rechtbank licht werpen op de voorliggende vraag.

15. Blijkens de wetsgeschiedenis heeft de wetgever bij het bepalen van het forfaitair rendement van vier procent het reële rendement tot uitgangspunt gekozen. Partijen twisten over het antwoord op de vraag hoe het reële rendement moet worden bepaald. De rechtbank stelt bij het beantwoorden van deze vraag vast dat aan de Wet IB 2001 een nominalistisch stelsel ten grondslag ligt (zie Tweede Kamer, vergaderjaar 1998–1999, 26727, nr. A, blz. 27). Dat betekent dat ieder vermogensbestanddeel naar de nominale waarde in de heffing wordt betrokken, zonder rekening te houden met geldontwaarding als gevolg van inflatie. De rechtbank ziet in de wetsgeschiedenis geen aanwijzing dat de wetgever bij de keuze voor een forfaitair rendement voor de vermogensrendementsheffing met dit uitgangspunt heeft willen breken. Tijdens het algemeen overleg van de vaste commissie voor Financiën uit de Tweede Kamer over het Belastingplan 2001 op 8 december 1999 (Tweede Kamer, vergaderjaar 1999–2000, 26727 en 26728, nr. 8, blz. 26-27) heeft de toenmalige minister van Financiën in dit verband opgemerkt:

“Dan de 4%. Ik ben erkentelijk voor de waardering die is geuit over de wat uitvoeriger uiteenzetting hierover. De 4% beoogt te zijn het reële rendement dat je op langere termijn met beleggen risicovrij moet kunnen halen. Dan kom je inderdaad uit bij de staatsobligaties als benchmark, als benaderingswijze van het rendement. Wij spreken dan wel over reëel rendement en niet over nominaal rendement. […] Juist omdat het een reëel rendement is, is het heel moeilijk om van jaar op jaar een koppeling te maken. Je kunt wel de nominale rente nemen en daarvan de inflatie aftrekken, maar bij de reële rente gaat het natuurlijk om de toekomstige inflatie, dus om de verwachtingscomponent. […] Het reëel rendement op staatsobligaties is natuurlijk niet volstrekt constant.

Los van de inflatieverwachtingen, die kunnen fluctueren, kan ook het reëel rendement zelf fluctueren, afhankelijk van de conjunctuur. In een wat hogere conjunctuur heb je wat meer spanningen op de kapitaalmarkt en een wat hoger reëel rendement op staatsobligaties dan in een wat lagere conjunctuur.”

Uit deze toelichting volgt naar het oordeel van de rechtbank dat bij het bepalen van het reële rendement de nominale rente verminderd met de inflatie expliciet niet tot uitgangspunt is gekozen. De inflatieverwachtingen zijn van invloed op de hoogte van de rente, zo begrijpt de rechtbank de toelichting. Bij de beantwoording van de vraag of het door de wetgever veronderstelde rendement van vier procent niet meer haalbaar is behoeft niet nog eens afzonderlijk rekening te worden gehouden met de inflatie(verwachtingen).

16. Tussen partijen is niet in geschil dat het rendement op spaartegoeden sinds enige tijd ruim beneden 4% ligt. Eiseres heeft echter niet weersproken dat het rendement op aandelen, obligaties en onroerende zaken in het verleden over een langere periode 5,5% heeft bedragen. Voorts is onvoldoende weersproken dat het forfaitaire rendement van 4% op het totale door box-3 bestreken vermogen bezien over de lange termijn in 2014 nog werd benaderd. Eiseres heeft voorts geen standpunt ingenomen met betrekking tot de te verwachten ontwikkeling van het rendement op het totale box-3-vermogen in de jaren na 2014. Naar het oordeel van de rechtbank is gelet op dit een en ander niet aannemelijk geworden dat het door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier procent in 2014 niet meer haalbaar is. De rechtbank merkt in dit verband nog op dat de wetgever zich de maatschappelijke discussie over het rendement op spaarsaldi heeft aangetrokken en het systeem van de vermogensrendementsheffing in verband daarmee per 1 januari 2017 heeft gewijzigd. Nu partijen het antwoord op de vraag of eiseres wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last uitdrukkelijk buiten het geschil beogen te laten, behoeft de vraag of de door eiseres becijferde belastingdruk als buitensporig moet worden gekwalificeerd geen beantwoording. De rechtbank concludeert dat de vermogensrendementsheffing in het onderhavige jaar niet leidt tot schending van artikel 1 van het EP EVRM.

17. Gelet op het vorenoverwogene dient de rechtsvraag die partijen hebben voorgelegd ontkennend te worden beantwoord. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

Proceskosten

18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. Koenis, voorzitter, en mr. A.A. Fase en mr. J. Gooijer, leden, in aanwezigheid van mr. J. de Jong, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 januari 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.