Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:4381

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
10-02-2017
Datum publicatie
02-06-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 2472
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

proceskostenvergoeding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2017-1424
V-N Vandaag 2017/1292
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Noord-Holland

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer: HAA 16/2472

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
10 februari 2017 in de zaak tussen

[X] , te [Z] , eiser
(gemachtigde: J.A. Klaver),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Hoorn, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder op het bezwaar van eiser tegen de beslissing van verweerder van 22 december 2015 om geen dwangsom toe te kennen.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2017. Namens eiser is de gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. O.C.W. Pos en mr. B.F. Kroezen.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Verweerder heeft aan eiser een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd voor het tijdvak 1 januari 2015 tot en met 31 maart 2015. Daarbij heeft verweerder tevens bij beschikkingen verzuimboeten opgelegd van respectievelijk € 50 en € 65 omdat de verschuldigde belasting niet (tijdig) is betaald en de aangifte voor dit tijdvak niet is gedaan.

2. Eiser heeft daartegen op 9 juni 2015 bezwaar gemaakt (het bezwaar) en verweerder bij brief van 26 oktober 2015 in gebreke gesteld omdat nog niet op het bezwaar was beslist (de ingebrekestelling).

3. Bij brief van 12 oktober 2015 heeft verweerder gemachtigde meegedeeld dat een vergoeding wordt toegekend voor de behandeling van het bezwaar. In die brief is onder meer het volgende vermeld:

“(…) De onrechtmatigheid van de aanslag was eenvoudig vast te stellen. (…).”

4. Verweerder heeft bij in een geschrift vervatte uitspraak op bezwaar van
6 november 2015 de naheffingsaanslag en de verzuimboete wegens niet betalen verminderd naar nihil en bij afzonderlijke uitspraak op bezwaar van 6 november 2015 de verzuimboete wegens het niet doen van de aangifte gehandhaafd. Bij brief van 22 december 2015 heeft verweerder meegedeeld dat geen recht bestaat op een dwangsom.

5. Volgens eiser volgt uit de bij overweging 3 geciteerde passage in de brief van
12 oktober 2015 dat ook de boete wegens het niet doen van aangifte zou worden vernietigd. Aangezien dat pas is gebeurd met de verminderingsbeschikking van 24 december 2015, is eerst op die datum sprake van de volledige afronding van de bezwaarfase. Volgens eiser is verweerder daarom de maximale dwangsom van € 1.260 verschuldigd.

6. Met de uitspraken van 6 november 2015 heeft verweerder beslist op het bezwaar van eiser tegen de naheffingsaanslag en de boetebeschikkingen. In de brief van 12 oktober 2015 over de kostenvergoeding wordt niets vermeld over de verzuimboete wegens het niet doen van aangifte en ook anderszins kan daaruit worden afgeleid dat ook die boete zou worden teruggenomen. Zelfs indien eiser op grond van de brief van 12 oktober 2015 mocht menen dat ook de verzuimboete wegens het niet doen van aangifte zou worden teruggenomen, betekent dat niet dat de andersluidende uitspraak op bezwaar van 6 november 2015 geacht moet worden niet te zijn gedaan. Met de uitspraken op bezwaar van 6 november 2015 is de bezwaarfase dan ook geëindigd (vgl. ECLI:NL:HR:2012:BT1516). Dat deze uitspraken niet zijn verzonden naar de gemachtigde maar aan eiser zelf, leidt niet tot een ander oordeel. Vast staat immers dat eiser de uitspraken op bezwaar heeft ontvangen zodat hij tijdig kennis heeft kunnen nemen van de beslissing van verweerder (vgl. ECLI:NL:HR:2013:969 en ECLI:NL:CRVB:2016:4813).

7. Het besluit van verweerder van 24 december 2015 kan, gezien het gesloten stelsel van bezwaar en beroep zoals dat geldt in het belastingrecht, slechts worden aangemerkt als een ambtshalve genomen beslissing van verweerder gebaseerd op de bevoegdheid van artikel 65 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Dat op het besluit van 24 december 2015 ten onrechte is vermeld dat dit een uitspraak op bezwaar is waartegen beroep kan worden ingesteld, maakt dat niet anders.

8. Ingevolge artikel 4:17, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht is de eerste dag waarover een dwangsom verschuldigd is, voor zover hier van belang, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop het bestuursorgaan de ingebrekestelling heeft ontvangen. Verweerder heeft de ingebrekestelling ontvangen op 27 oktober 2015. De uitspraken op bezwaar zijn binnen twee weken na 27 oktober 2015 gedaan zodat verweerder geen dwangsom verschuldigd is.

9. Eiser stelt dat de beslissing op zijn bezwaar tegen de dwangsombeschikking imperfect is, omdat daarin niet expliciet is beslist op zijn verzoek om kostenvergoeding. De rechtbank volgt eiser daarin niet. Eiser heeft uitsluitend om een kostenvergoeding gevraagd voor het geval het bezwaar gegrond zou worden verklaard. Nu het bezwaar ongegrond is verklaard, moet de afwijzing van het verzoek om kostenvergoeding geacht worden in die ongegrondverklaring te zijn begrepen. Gezien de ongegrondverklaring van het bezwaar heeft verweerder terecht geen kostenvergoeding toegekend.

10. Gezien al het voorgaande is het beroep ongegrond verklaard.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. L. Scholte, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,
1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

  4. e gronden van het hoger beroep.