Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:4121

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
10-02-2017
Datum publicatie
22-05-2017
Zaaknummer
HAA 16/1886
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Geen voor de rechtbank op te vullen leemte in de belastingwetgeving

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 10a, geldigheid: 2016-04-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2017-1302

Uitspraak

Rechtbank Noord-Holland

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer: HAA 16/1886

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
10 februari 2017 in de zaak tussen

[X] , te [Z] , eiser
(gemachtigde: mr. D.N.N. Jansen),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Hoorn, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraken van verweerder op de bezwaren van eiser tegen de voldoening van omzetbelasting op aangifte voor het jaar 2012 en tegen de naheffingsaanslag omzetbelasting voor het jaar 2013.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2017.

Eiser is verschenen bijgestaan door de gemachtigde en [A] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.F. Kroezen en mr. O.C.W Pos.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Eiser heeft op 24 januari 2013 een nihilaangifte omzetbelasting voor het jaar 2012 ingediend. Met dagtekening 26 april 2014 is aan eiser een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd voor het jaar 2013 (de naheffingsaanslag).

2. Op 4 oktober 2015 heeft eiser voor de jaren 2012 en 2013 zogenoemde suppletieaangiften omzetbelasting ingediend die resulteerden in terug te ontvangen bedragen. Verweerder heeft deze suppletieaangiften aangemerkt als bezwaarschriften gericht tegen de voldoening op aangifte van omzetbelasting voor het jaar 2012 en tegen de naheffingsaanslag.

3. Bij brief van 26 januari 2016 heeft verweerder de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Deze brief bevat geen rechtsmiddelverwijzing en vermeldt dat de beschikking separaat zal worden verzonden. De afwijzende beschikking voor het jaar 2013 heeft als dagtekening 4 maart 2016.

4. Eiser heeft op 8 maart 2016 beroep ingesteld.

5. In geschil is of verweerder de bezwaren terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

6. Een nadere afwijzende beschikking voor het bezwaar inzake het jaar 2012 ontbreekt en verweerder heeft ter zitting verklaard dat een dergelijke beschikking in geval van een bezwaar tegen een nihilaangifte niet wordt gegeven. De brief van 26 januari 2016 van verweerder is voor het jaar 2012 de beslissing op het bezwaar. Dat betekent dat het beroep voor het jaar 2012 niet binnen de wettelijke termijn is ingediend. Gezien het feit dat in de brief van 26 januari 2016 geen rechtsmiddelverwijzing staat en wordt verwezen naar een nog te verzenden beschikking, mocht eiser er echter vanuit gaan dat de uitspraak op bezwaar nog zou volgen. De termijnoverschrijding kan eiser daarom niet worden toegerekend. Het beroep is dan ook zowel voor 2013 als voor 2012 ontvankelijk.

7. Als een bezwaarschrift niet binnen de wettelijke termijn wordt ingediend, moet verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren, tenzij blijkt dat de termijnoverschrijding eiser niet is toe te rekenen.

8. De termijn voor het indienen van een bezwaar tegen de voldoening op aangifte voor het jaar 2012 eindigde op 7 maart 2013. De rechtbank gaat daarbij uit van de datum van ontvangst van de nihilaangifte. De termijn voor het indienen van een bezwaar tegen de naheffingsaanslag eindigde, met toepassing van de Algemene termijnenwet, op 9 juni 2014. Vaststaat dat de bezwaarschriften niet zijn ingediend binnen die wettelijke termijnen.

9. Eiser heeft ter verklaring van de termijnoverschrijding aangevoerd dat die het gevolg is van financiële, maatschappelijke en persoonlijke omstandigheden. De start van zijn cafébedrijf verliep zeer moeizaam omdat hem aanvankelijk geen vergunning werd verleend en vervolgens kon het bedrijf niet starten onder meer als gevolg van ernstige waterschade. Doordat hij geen inkomsten met de onderneming kon realiseren, kon hij diverse schulden niet betalen. Verder heeft eiser aangevoerd dat hij in mei 2013 uit zijn huis is gezet, dat in maart 2014 zijn bedrijf is ontruimd en dat hij in oktober 2015 uit zijn volgende huis is gezet. Eiser werd geheel in beslag genomen door al deze problemen en heeft al zijn tijd en energie besteed aan het oplossen daarvan. Hoewel eiser kennelijk moeilijke tijden heeft doorgemaakt, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij daardoor niet in staat was tussen 24 januari en 7 maart 2013 en tussen 26 april en 9 juni 2014 tijdig bezwaar te maken, desnoods op nader aan te voeren gronden. Dat betekent dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de termijnoverschrijding hem niet kan worden toegerekend. Verweerder heeft de bezwaren daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.

10. Eiser heeft verder aangevoerd dat verweerder ten onrechte uitspraak op de bezwaren heeft gedaan, omdat de termijn waarbinnen hij stukken ter onderbouwing van de suppletieaangifte kon indienen nog niet was verstreken. Die door eiser over te leggen stukken hadden echter uitsluitend betrekking op het inhoudelijke verzoek om teruggaaf. Dat, zoals eiser stelt, verweerder die stukken van eiser niet heeft afgewacht, is dan ook voor de vraag of de bezwaren terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard niet relevant. Overigens heeft verweerder ter zitting toegezegd dat wanneer eiser alsnog stukken overlegt waaruit blijkt dat hij recht heeft op teruggaaf van belasting, ambtshalve teruggaaf zal worden verleend. Verweerder heeft desgevraagd verklaard dat ambtshalve teruggaaf niet meer mogelijk is wanneer sinds het betreffende belastingjaar vijf jaar is verstreken.

11. Ter zitting heeft eiser onder verwijzing naar artikel 10a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) gesteld dat de suppletieaangiften ten onrechte zijn aangemerkt als bezwaren omdat uit die bepaling kan worden afgeleid dat op een suppletieaangifte moet worden beslist bij een voor bezwaar vatbare beschikking. Dat dit in de belastingwetgeving nergens expliciet is bepaald, is volgens eiser een wettelijk leemte die de rechtbank moet opvullen door verweerder opdracht te geven alsnog bij voor bezwaar vatbare beschikking te beslissen op de suppletieaangiften. Eiser heeft in dat kader gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 14 juli 2000, nr. 34578, ECLI:NL:HR:2000:AA6508.

12. Artikel 10a van de Awr behelst slechts een informatieverplichting voor de belastingplichtige waarbij in geval van niet nakoming daarvan en boete kan worden opgelegd. De wettekst bevat geen aanwijzingen voor de inspecteur over de wijze waarop hij op dergelijke informatieverstrekking dient de reageren. Noch uit de wettekst noch uit de parlementaire stukken blijkt dat met de invoering van deze informatieverplichting is beoogd een wijziging te brengen in het stelsel van rechtsbescherming dan wel dat op de informatieverstrekking door een belastingplichtige zou worden beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking. Anders dan in het door eiser aangehaalde arrest is geen sprake van een situatie waarin de toegang tot de rechter onvoldoende is gewaarborgd. Indien de informatieverstrekking door de belastingplichtige tot een voor hem belastende beslissing leidt zoals een naheffingsaanslag dan wel een boetebeschikking, staat daartegen immers volwaardig bezwaar en beroep open. Indien de informatieverstrekking tot de conclusie leidt dat teveel belasting is voldaan, wordt die mededeling niet anders behandeld dan andere bezwaarschriften. Gezien het voorgaande volgt de rechtbank eiser niet in zijn, verder niet geconcretiseerde, stelling dat sprake van een door de rechtbank op te vullen wettelijke leemte.

13. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.L. Scholte, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,
1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

  4. e gronden van het hoger beroep.