Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:364

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
18-01-2017
Datum publicatie
08-03-2017
Zaaknummer
C/15/248571 / FA RK 16-5531
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming erkenning artikel 10:95 BW, eerste en derde lid, gezag en omgang

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Alkmaar

GD

Omgang, erkenning en gezag

zaak-/rekestnr.: C/15/248571 / FA RK 16-5531

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 18 januari 2017

in de zaak van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. W.L. Sieval, kantoorhoudende te Heerhugowaard,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. E.M. Diesfeldt, kantoorhoudende te Alkmaar.

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure opgeroepen:

De Raad voor de Kinderbescherming te Haarlem,

nader te noemen: de Raad.

1 Procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van de man, ingekomen op 22 augustus 2016;

- de beschikking van deze rechtbank van 12 oktober 2016, waarin [bijzonder curator] is benoemd tot bijzondere curator over de minderjarige;

- de bericht van de advocaat van de man, ingekomen op 17 en 21 oktober 2016 en 9 december 2016;

- het zelfstandig verzoek van de bijzondere curator, ingekomen op 8 november 2016;

- het verweerschrift van de vrouw, ingekomen op 7 december 2016.

1.2

De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 13 december 2016 in aanwezigheid van de man, bijgestaan door mr. Sieval voornoemd, de vrouw, bijgestaan door mr. Diesfeldt voornoemd, [bijzonder curator] , in haar hoedanigheid van bijzondere curator, en mevrouw [naam] , namens de Raad.

2 Feiten en omstandigheden

2.1

Tussen partijen staat vast dat uit de contacten tussen partijen is geboren de minderjarige [minderjarige] :

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] .

De moeder heeft van rechtswege het gezag over de minderjarige. De hoofdverblijfplaats van de minderjarige is bij de vrouw.

2.2

De man heeft de Portugese nationaliteit, de vrouw is Nederlandse. Beide partijen wonen in Nederland.

3 De behandeling van de zaak

Vervangende toestemming erkenning

3.1

Het verzoek van de man strekt tot het verlenen van vervangende toestemming tot erkenning van [minderjarige] , als bedoeld in artikel 1:204, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW).

De man heeft zijn verzoek gebaseerd op de stelling dat vaststaat dat hij de verwekker is van [minderjarige] en dat de vrouw zonder redelijke grond weigert om toestemming voor de erkenning van [minderjarige] door hem te verlenen. De man heeft aangevoerd dat de erkenning de belangen van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met [minderjarige] niet schaadt en een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van [minderjarige] daardoor niet in het gedrang komt.

3.2

De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd en verzocht het verzoek van de man af te wijzen. De vrouw heeft daartoe aangevoerd dat partijen destijds hebben afgesproken dat de man [minderjarige] niet zou erkennen, maar dat hij slechts de verwekker zou zijn. De man is ook nimmer betrokken geweest bij de zwangerschap en de vrouw stelt daarom dat niet is voldaan aan family life. Immers, partijen hebben geen affectieve relatie gehad en waren ook niet van plan om samen een gezin te vormen. Ook zou de erkenning een zware belasting zijn voor de vrouw. Zij is van mening dat de erkenning de belangen van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met [minderjarige] schaadt en dat [minderjarige] daardoor klem dreigt te raken. Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij al hulp heeft moeten zoeken en dat zij een afspraak heeft gemaakt voor psychische begeleiding in verband met het breken van de toezeggingen door de man met betrekking tot [minderjarige] en de psychische druk die de man op haar uitoefent.

3.3.

De bijzondere curator heeft een zelfstandig verzoek ingediend en verzocht te bepalen dat aan de man vervangende toestemming wordt verleend voor erkenning van [minderjarige] .

De bijzondere curator heeft daartoe aangevoerd dat het voor [minderjarige] en zijn identiteitsvorming van belang is dat duidelijk is wie zijn ouders zijn. De bijzondere curator heeft gezien dat het verzoek van de man bij de vrouw de nodige spanningen met zich brengt, maar naar de mening van de bijzondere curator is er geen sprake van een situatie waarin vervangende toestemming de belangen van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met [minderjarige] schaadt.

Volgens de bijzondere curator heeft [minderjarige] er belang bij dat hij behalve de vrouw ook de man als juridische ouder heeft. Niet alleen komt dit overeen met de biologische realiteit, maar ook wordt [minderjarige] zijn positie hierdoor versterkt, zowel juridisch als sociaal en psychologisch.

3.4

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Raad naar voren gebracht dat erkenning van belang is voor de identiteitsontwikkeling van een kind. Ook mogen kinderen in het algemeen niet het gevoel hebben dat hun vader er niet mag zijn.

3.5

Door de omstandigheid dat de man de Portugese en de vrouw de Nederlandse nationaliteit bezit, draagt de zaak een internationaal karakter, zodat eerst de vraag dient te worden beantwoord of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt.

Deze vraag kan voor de vervangende toestemming tot erkenning op grond van het bepaalde in artikel 3 onder a. van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bevestigend worden beantwoord, nu uit de overgelegde stukken is gebleken dat partijen en de minderjarige [minderjarige] hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben.

3.6

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord welk rechtsstelsel inhoudelijk op het verzoek van toepassing is. De beantwoording van deze vraag dient te geschieden aan de hand van het bepaalde in artikel 10:95 BW.

Op grond van artikel 10:95, eerste lid, BW wordt de vraag of erkenning door een man familierechtelijke betrekkingen doen ontstaan tussen hem en een kind, wat betreft de bevoegdheid van de man en de voorwaarden van de erkenning, bepaald door het recht van de staat waarvan de man de nationaliteit bezit, in dit geval Portugees recht. Ingevolge artikel 1796 van het Portugees Burgerlijk Wetboek kan de man de minderjarige erkennen.

Nu de vrouw haar toestemming weigert te verlenen bepaalt artikel 10:95, derde lid, BW dat op de toestemming van de moeder of het kind tot de erkenning het recht toepasselijk is van de staat waarvan de moeder of het kind de nationaliteit bezit, in dit geval Nederlands recht.

3.7

Ingevolge artikel 1:204, derde lid en onder a, BW kan de toestemming van de moeder wier kind de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, dan wel de toestemming van het kind van twaalf jaren of ouder, op verzoek van de persoon die het kind wil erkennen, door de toestemming van de rechtbank worden vervangen, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt, mits deze persoon de verwekker van het kind is.

3.8

De rechtbank overweegt als volgt. Vaststaat dat de man de verwekker is van de minderjarige. Aan artikel 1:204, derde lid, BW ligt ten grondslag het uitgangspunt dat zowel het kind als de verwekker er aanspraak op heeft dat hun relatie in rechte wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. Het belang van de man moet worden afgewogen tegen de belangen van moeder en kind bij het niet-erkennen.

3.9

Onmiskenbaar is dat de man belang heeft bij erkenning van de band tussen hem en [minderjarige] als familierechtelijke betrekking. Gelijk de bijzondere curator heeft betoogd, heeft ook [minderjarige] belang bij de erkenning. Niet alleen zijn identiteitsontwikkeling is daarmee gediend, maar ook zijn juridische en sociaalpsychologische positie. De bezwaren die de vrouw heeft aangevoerd tegen de erkenning van [minderjarige] door de man, duiden naar het oordeel van de rechtbank op een zekere emotionele weerstand van de vrouw tegen de rol die de man mogelijk in het leven van [minderjarige] wil gaan spelen. Die bezwaren zijn echter naar het oordeel van de rechtbank niet zodanig dat moet worden aangenomen dat hierdoor de belangen van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met [minderjarige] worden geschaad of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van [minderjarige] in het gedrang komt. Verder overweegt de rechtbank dat de vraag of er sprake is van family life tussen de man en [minderjarige] geen rol speelt bij de beoordeling van het verzoek tot verlenen van vervangende toestemming tot erkenning. Nu zich geen weigeringsgronden voordoen, zal de rechtbank het verzoek tot verlening van vervangende toestemming voor erkenning
– waarmee slechts komt vast te staan wie de juridische vader is van [minderjarige] – toewijzen.

Gezag

3.10

De man heeft verzocht te bepalen dat hij, indien de erkenning zal worden toegewezen, voortaan tezamen met de vrouw zal worden belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

3.11

De vrouw heeft verzocht dit verzoek van de man af te wijzen, nu er sprake is van een onaanvaardbaar risico dat de minderjarige klem of verloren zal raken tussen de ouders. De vrouw stelt dat partijen rondom de conceptie hebben afgesproken dat de man slechts een natuurlijke zaaddonor zou zijn. Uitgangspunt was dat de man zich niet met de opvoeding van de minderjarige zou bemoeien. De man heeft volgens de vrouw nooit belangstelling getoond, dan wel was de belangstelling van zijn kant voor [minderjarige] minimaal. Ook is tussen partijen geen communicatie mogelijk.

3.12

Bij de beoordeling van het verzoek van de man om mede met het gezag te worden belast moet eerst de vraag worden beantwoord of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt. Deze vraag wordt op grond van de verordening (EG) nr. 2201/2003 (Brussel IIbis) bevestigend beantwoord, nu [minderjarige] zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft.

3.13

Vervolgens komt de vraag aan de orde welk recht van toepassing is op het verzoek. Ingevolge artikel 5 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is op het verzoek tot gezamenlijk gezag het Nederlandse rechtstelsel van toepassing, nu de Nederlandse rechter bevoegd is.

3.14

Op grond van artikel 1:253c, eerste lid, BW kan de tot het gezag bevoegde ouder, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgevoerd, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag, dan wel hem alleen met het gezag te belasten.

Op grond van artikel 1:253c, tweede lid, BW, wordt dit verzoek, indien de andere ouder niet instemt met gezamenlijk gezag, slechts afgewezen indien:

a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of

b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

3.15

De rechtbank overweegt dat de man, nu aan hem vervangende toestemming voor erkenning zal worden verleend, bevoegd zal zijn tot het gezag nadat de erkenning tot stand is gekomen.

3.16

De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt van de wetgever is dat ouders gezamenlijk het gezag over hun kinderen uitvoeren. Hierop wordt slechts een uitzondering gemaakt indien wordt voldaan aan het criterium dat er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zal raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of indien afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat er op dit moment, mede gelet op de jonge leeftijd van [minderjarige] , geen sprake is van een situatie waarin wordt voldaan aan het klem- of verlorencriterium. Wel is gebleken dat de vrouw op dit moment geen enkel vertrouwen heeft in de man. Partijen communiceren niet of nauwelijks met elkaar. De rechtbank acht een minimale vorm van communicatie en enig wederzijds vertrouwen tussen de ouders een vereiste om gezamenlijk gezag te kunnen uitoefenen. Nu dit ontbreekt, zal de rechtbank het verzoek tot gezamenlijk gezag afwijzen op de grond dat dit anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

3.17

De rechtbank overweegt dat het in het belang van [minderjarige] is dat partijen zich inzetten om de onderlinge communicatie te verbeteren en te gaan werken aan het vertrouwen in elkaar. Zij verwacht van beide ouders dat zij zich hiervoor zullen inspannen.

Omgang

3.18

De man heeft verzocht te bepalen dat een zorg- en contactregeling tussen de man en de minderjarige zal gelden, in die zin dat de minderjarige iedere week op donderdag van 13.00 uur tot 17.00 uur en iedere week op zondag van 13.00 uur tot 17.00 uur bij de man zal verblijven, althans een zodanige omgangsregeling als de rechtbank in goede justitie meent te behoren.

3.19

De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd en zich op het standpunt gesteld dat de minderjarige pas zeven maanden oud is en de verzochte omgangsregeling zowel te belastend voor de vrouw als voor de minderjarige is. De vrouw had weliswaar in eerste instantie afgesproken dat zij openstond voor een minimale regeling mits de minderjarige zich daar goed bij zou voelen en het uitkwam in de planning van de vrouw. De man heeft echter de afspraken die partijen daarover hadden geschonden. Tijdens de zitting heeft de vrouw nog naar voren gebracht dat de man zijn kans heeft gehad en dat de minderjarige rust en regelmaat verdient.

3.20

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Raad aangegeven dat hij geen contra‑indicaties ziet voor een omgangsregeling. De minderjarige is nog jong en dit mag voor de man niet zijn laatste kans zijn. Uitgangspunt van de omgangsregeling dient te zijn dat de minderjarige kan wennen en zich zal kunnen hechten aan de man.

3.21

Thans dient eerst de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt. Deze vraag kan op grond van de verordening (EG) nr. 2201/2003 (Brussel IIbis) bevestigend worden beantwoord, nu [minderjarige] zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft.

3.22

Vervolgens komt de vraag aan de orde werk recht van toepassing is op het verzoek. Ingevolge artikel 5 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is op het verzoek tot gezamenlijk gezag het Nederlandse rechtstelsel van toepassing, nu de Nederlandse rechter bevoegd is.

3.23

De rechtbank is, gelet op hetgeen uit het dossier en tijdens de zitting naar voren is gekomen, van oordeel dat het in het belang van de minderjarige is dat er een omgangsregeling zal komen, nu de minderjarige het recht heeft op te groeien met het besef wie zijn vader is en waarbij de minderjarige een kans krijgt om met de man een band op te bouwen. De rechtbank begrijpt dat vanwege de leeftijd van de minderjarige en het feit dat er eerder geen reguliere regeling heeft plaatsgevonden, de regeling dient te worden opgebouwd. De man dient zich ook aan de afspraken te houden teneinde het vertrouwen van de vrouw terug te krijgen. Ook dienen partijen, zoals hiervoor onder punt 3.17 is overwogen, in het belang van de minderjarige te werken aan het verbeteren van de onderlinge communicatie.

3.24

De rechtbank beslist als na te melden.

4 Beslissing

De rechtbank:

4.1

verleent [de man] , vervangende toestemming tot erkenning van de minderjarige:

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ;

4.2

stelt de omgangsregeling als volgt vast:

De minderjarige zal de eerste vier weken elke donderdag van 13.00 uur tot 17.00 uur bij de man verblijven. Daarna zal de minderjarige naast elke donderdag ook elke zondag van 13.00 uur tot 17.00 uur bij de man verblijven;

4.3

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.P van der Haak, rechter tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van G.S. Doornbosch als griffier en in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2017.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.