Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:3122

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
28-03-2017
Datum publicatie
18-04-2017
Zaaknummer
15/871954-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van medeplegen van diefstal met geweld. Overweging t.a.v. de betrouwbaarheid verklaringen aangever, getuige en medeverdachte. De rechtbank acht gezien de ernst van het feit het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de enige passende strafmodaliteit. Als strafverzwarende factor heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte een aanzienlijk grotere rol in het delict heeft gehad dan de medeverdachte. Voor een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank geen aanleiding, mede gelet op de proceshouding van verdachte waaruit blijkt dat hij geen verantwoordelijkheid wenst te nemen voor het door hem gepleegde feit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0425
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Strafrecht

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/871954-16 (P)

Uitspraakdatum: 28 maart 2017

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 14 maart 2017 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres]
,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. A.M.H.G. Peters, en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. S.J. van Galen, advocaat te Purmerend, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering, ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 27 oktober 2016 te Volendam, gemeente Edam-Volendam,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

twee programmeerkastjes (ten behoeve van sleutels voor een Audi en voor een

BMW), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever]

en/of [bedrijf] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of

zijn mededaders,

welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of

bedreiging met geweld tegen die [aangever] en/of tegen [getuige 1] ,

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken

en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan

zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit

van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte

en/of zijn mededader:

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, aan die [aangever]

en/of [getuige 1] heeft/hebben getoond, en/of heeft/hebben gericht op (de borst

van die) [getuige 1] , en/of vervolgens heeft/hebben gezegd "Ga op de grond liggen!" en/of

”Bind ze vast”, en/of (vervolgens)

-met een metalen pan en/of (een) andere (hard(e)) voorwerp(en) meermalen op het hoofd van die [getuige 1] heeft/hebben geslagen, en/of

- die [aangever] meermalen op/tegen zijn lichaam heeft/hebben geslagen en/of

gestompt, en/of

- zijn/hun arm(en) om de nek van die [aangever] heeft/hebben geslagen en/of gehouden.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Inleiding

Op 27 oktober 2016 hebben verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] een bezoek gebracht aan het bedrijf [bedrijf] , gevestigd te Volendam. Aldaar hebben verdachte en zijn medeverdachte, een gesprek gevoerd met de eigenaar van het bedrijf, [aangever] , aangever en diens neef [getuige 1] . Het gesprek ging over programmeerkastjes ten behoeve van autosleutels en de betaling daarvan. Op enig moment is er een vuurwapen getrokken, waarna er een vechtpartij is ontstaan tussen verdachte en [getuige 1] en tussen medeverdachte en [aangever] . Volgens aangever zijn er programmeerkastjes weggenomen.

4 Bewijs

4.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair integrale vrijspraak bepleit. De raadsman heeft aangevoerd dat er geen wettig en overtuigend bewijs is voor de vermeende diefstal van de twee programmeerkastjes op de ten laste gelegde datum, nu de verklaring van aangever [aangever] dat er een wegnemingshandeling heeft plaatsgevonden niet wordt ondersteund door objectieve bewijsmiddelen.

Subsidiair heeft de raadsman bepleit, voor het geval dat de rechtbank wel vaststelt dat een wegnemingshandeling heeft plaatsgevonden, dat verdachte vrijgesproken moet worden van het onderdeel geweld. Hiertoe is aangevoerd dat verdachte stellig ontkent het wapen te hebben getrokken en dat in feite [getuige 1] dat heeft gedaan. Ook al is er wettig bewijs, de overtuiging dat verdachte het wapen heeft getrokken waardoor de vechtpartij is ontstaan, en verdachte aldus geweld heeft gebruikt ten dienste van de diefstal, ontbreekt. In dit verband heeft de raadsman aangevoerd dat de verklaringen van aangever [aangever] en getuige [getuige 1] op onderdelen tegenstrijdig zijn en derhalve onbetrouwbaar moeten worden geacht.
Daarnaast is de verklaring van medeverdachte op onderdelen onbetrouwbaar zodat vorenbedoelde verklaringen niet als bewijsmiddelen voor een bewezenverklaring kunnen dienen. Het dactyloscopisch onderzoek aan het wapen kan evenmin aan de bewezenverklaring ten grondslag worden gelegd, nu het kenmerk van het onderzochte spoor niet in het dactyloscopisch rapport is vermeld en het rapport ook niet is ondertekend.
Bij die stand van zaken dient verdachte te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde geweldselement, aldus de verdediging.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelverweer dactyloscopisch rapport

Nu de rechtbank de resultaten van het dactyloscopisch onderzoek niet zal bezigen voor het bewijs, laat zij het door de raadsman hieromtrent gevoerde verweer onbesproken.

Redengevende feiten en omstandigheden 1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Op 27 oktober 2016 heeft [aangever] (hierna: [aangever] ) aangifte gedaan van diefstal met geweld. [aangever] is mede-eigenaar van [bedrijf] , een in Volendam gevestigd beveiligingsbedrijf dat gespecialiseerd is in de verkoop van gereedschappen om sloten te openen en autosleutels te maken.

In de ochtend van 27 oktober 2016 wordt [aangever] gebeld door een persoon die hem vraagt of hij een ‘RR kastje’ heeft. [aangever] zegt tegen de man dat hij geen Range Rover kastje op voorraad heeft en dat de man maar naar het bedrijf moet komen. Omdat [aangever] de situatie niet vertrouwt, belt hij zijn neef [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ) en vraagt hem langs te komen.2 Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij in de ochtend van 27 oktober 2016 telefonisch contact heeft gehad met [aangever] en dat [aangever] tegen hem heeft gezegd dat hij diezelfde middag mocht langskomen. Die middag zijn verdachte en medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) met de auto van [medeverdachte] naar Volendam afgereisd.3

Nadat verdachte en [medeverdachte] in het bedrijf zijn aangekomen neemt [aangever] hen mee naar de kantine. [getuige 1] komt op enig moment ook aan de tafel in de kantine zitten. Verdachte en [medeverdachte] stellen vragen over typen kastjes, waarop [aangever] hen twee programmeerkastjes ten behoeve van sleutels voor een Audi en voor een BMW laat zien.4 De apparaten liggen op de tafel in de kantine.5 De negroïde man (de rechtbank begrijpt hier en hierna telkens: verdachte en zal, waar in de verklaring wordt gesproken over de negroïde man, verdachte aanhalen) zegt dat hij de programmeerkastjes wil kopen en dat hij geld uit de auto gaat halen.6 Verdachte loopt naar de deur van de werkplaats, doet één stap buiten de deur en loopt direct weer de kantine in.7 Hier haalt hij een wapen uit zijn broeksband tevoorschijn.8 Verdachte richt het pistool op [getuige 1] , ter hoogte van diens borst, en zegt tegen [medeverdachte] : “Bind ze vast!”. [medeverdachte] zegt tegen [getuige 1] dat hij zijn handen uit zijn zakken moet halen. Vervolgens beveelt verdachte [getuige 1] en [aangever] op de grond te gaan liggen. [getuige 1] trekt het pistool uit handen van verdachte en richt dit naar de grond. Terwijl [getuige 1] voorover gebogen staat, slaat verdachte hem meerdere keren met een ijzeren pan op zijn hoofd.9 Op de camerabeelden is te zien dat verdachte tevens met een boormachine in zijn hand een slaande beweging richting [getuige 1] maakt.10 Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij meerdere keren met een boormachine tegen het hoofd van [getuige 1] heeft geslagen.11

[medeverdachte] slaat zijn armen om de nek van [aangever] en blijft aan zijn nek hangen. Hij slaat [aangever] meerdere keren tegen diens lichaam. Al vechtend met [medeverdachte] weet [aangever] zich een weg naar buiten te banen. [medeverdachte] rent weg.12 Kort hierna rent [getuige 1] met het pistool naar buiten. Verdachte bevindt zich op dat moment nog in het pand.13 Op het moment dat verdachte het pand uit rent en wegvlucht, ziet [aangever] dat verdachte de twee programmeerkastjes bij zich heeft.14 Op de camerabeelden is te zien dat verdachte, op het moment waarop [getuige 1] het pand is uitgevlucht, terug de kantine inloopt en voorovergebogen over de tafel staat. Op het moment dat verdachte het kantoor verlaat, is te zien dat er goederen van de tafel zijn verdwenen.15 Verdachte rent omstreeks 13.58 uur weg in de richting van de Monseigneur C. Veermanlaan.16 Getuige [getuige 2] ziet omstreeks 14.00 uur op de Monseigneur C. Veermanlaan een negroïde man lopen met een petje op zijn hoofd, die in één hand een soort computerkabel vast heeft.17

[medeverdachte] heeft verklaard dat hij met verdachte naar Volendam is gereden, omdat verdachte autosleutels moest ophalen. Toen zij in de kantine van het bedrijf zaten, zei verdachte dat hij geld ging halen. Kort nadat verdachte de ruimte had verlaten, liep hij terug de kantine in. [medeverdachte] zag dat hij een vuurwapen in zijn hand had.18

Verdachte heeft ter terechtzitting erkend het tapgesprek van 20 november 2016 te hebben gevoerd.19 In dit gesprek heeft verdachte tegen een onbekend persoon gezegd: “Rangekasten wouden ze. Wij hebben twee kasten, Audi en BMW”.20

Betrouwbaarheid verklaringen [aangever] , [getuige 1] en [medeverdachte]

De raadsman heeft aangevoerd dat de verklaringen van aangever [aangever] en getuige [getuige 1] weliswaar het wettig bewijs opleveren, maar dat hieraan niet de overtuiging kan worden ontleend dat verdachte het wapen heeft getrokken. De raadsman heeft gewezen op de verschillen in de verklaringen van [aangever] en [getuige 1] met name ten aanzien van de gang van zaken voorafgaand aan het moment waarop het wapen wordt getoond, de wijze waarop het wapen wordt getoond en de handelingen die met het wapen zijn verricht. Voorts dient de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] als onbetrouwbaar te worden aangemerkt, nu [medeverdachte] eerst op het moment dat het dossier beschikbaar was een verklaring heeft afgelegd en zijn verklaring op punten ongeloofwaardig is.

De rechtbank acht de verklaringen van [aangever] en [getuige 1] , dat verdachte de persoon is geweest die het wapen tevoorschijn heeft gehaald, betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Het gegeven dat de verklaringen van [aangever] en [getuige 1] op sommige onderdelen niet geheel met elkaar in overeenstemming zijn, geeft de rechtbank geen aanleiding om die verklaringen onbetrouwbaar te achten. Tegenstrijdigheden die niet als wezenlijk te gelden hebben, leveren immers niet zonder meer een omstandigheid op ten gevolge waarvan geconcludeerd zou moeten worden dat verklaringen (zonder meer) als onbetrouwbaar aangemerkt dienen te worden. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de verklaringen van [aangever] en [getuige 1] op essentiële onderdelen bevestiging vinden in de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] , onder meer dat het verdachte was die het wapen trok.

De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte] weliswaar zijn eigen rol bagatelliseert, maar zowel in zijn verhoor bij de politie op 7 september 2016 als bij zijn verhoor bij de rechter-commissaris op 1 november 2016 heeft hij verklaard dat het verdachte was die het wapen trok. Niet valt in te zien waarom [medeverdachte] dit zou verklaren, indien dit feitelijk niet gebeurd zou zijn.
De rechtbank stelt vast dat op de camerabeelden te zien is dat verdachte, zoals ook door [aangever] , [getuige 1] en [medeverdachte] is verklaard, de kantine uitloopt, even aan zijn broeksband achter zit en daarna weer terugkomt. Dat op de camerabeelden, zoals de rechtbank ter zitting heeft vastgesteld, niet te zien is dat hij daadwerkelijk een wapen in zijn handen heeft, doet hier niet aan af, nu dit wapen even verderop buiten beeld van de camera kan zijn getrokken.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat het verdachte was die het wapen heeft getrokken.

De rechtbank zal voorts gelet op het voorgaande de verklaringen van [medeverdachte] met gepaste behoedzaamheid gebruiken, namelijk alleen voor zover zij door andere bewijsmiddelen – zoals de verklaringen van [aangever] en [getuige 1] – worden ondersteund.

Wegnemingshandeling

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte in de week voor 27 oktober 2016 ook in Volendam is geweest en dat hij toen al, na het doen van een aanbetaling van € 2.500,-, een Audi kastje en een BMW kastje heeft meegekregen van een compagnon van [aangever] , genaamd [naam] . Op 27 oktober 2016 kwam verdachte andermaal naar [bedrijf] om de verdere betaling te bespreken. Na de vechtpartij is verdachte de kantine terug in gerend om zijn pet te pakken. Het voorwerp dat verdachte buiten in zijn linkerhand heeft vastgehad, betreft dan ook zijn pet. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte daarvoor niets in zijn linkerhand had, aldus de verdediging.

Anders dan de raadsman heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier genoegzaam blijkt dat verdachte twee programmeerkastjes ten behoeve van sleutels voor een Audi en een BMW heeft weggenomen. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Uit de verklaring van aangever [aangever] volgt dat verdachte, voorafgaand aan zijn bezoek op 27 oktober 2016, interesse heeft getoond in een Range Rover kastje. Zowel door [aangever] als door [getuige 1] is verklaard dat verdachte bij diens eerdere bezoek de betaling van het Range Rover kastje niet rond kreeg. [aangever] en [getuige 1] hebben tevens verklaard dat verdachte op 27 oktober 2016 naar het pand is gekomen om een Audi kastje en een BMW kastje aan te schaffen. Deze verklaringen vinden ondersteuning in de verklaring van [medeverdachte] dat verdachte naar Volendam wilde omdat hij twee kastjes zou krijgen, één voor een BMW en de ander voor een Audi.

De rechtbank constateert dat op grond van de camerabeelden niet onomstotelijk kan worden vastgesteld dat verdachte de twee kastjes van tafel heeft weggenomen. Ook is niet te zien op de camerabeelden dat hij iets in zijn linkerhand heeft. Wel is op de camerabeelden te zien dat goederen op de tafel, aanvankelijk zichtbaar, niet meer aanwezig zijn nadat verdachte terug was gelopen. De rechtbank leidt hieruit af, mede in het licht van de verklaring van onder meer [getuige 1] dat er tijdens het gesprek computerkastjes op de tafel lagen, die er na de komst van de politie niet meer op lagen, dat het niet anders kan dan dat verdachte alsnog na zijn terugkeer de kastjes heeft meegenomen die op de tafel lagen.
Bovendien vindt de verklaring van [aangever] ondersteuning in het tapgesprek van 20 november 2016, waarvan verdachte ter terechtzitting heeft erkend het te hebben gevoerd, waarin verdachte heeft gezegd: “Rangekasten wouden ze. Wij hebben twee kasten, Audi en BMW”. Kennelijk bezit verdachte precies de merken computerkastjes, die gestolen zijn.

De verklaring van verdachte, inhoudende dat hij de programmeerkasten reeds bij een eerder bezoek heeft meegekregen, acht de rechtbank gezien het vorenstaande in het geheel niet aannemelijk geworden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit de verklaringen van [aangever] en [getuige 1] blijkt dat [naam] niet bij [bedrijf] werkzaam was of is. De rechtbank weegt in haar overtuiging nog mee dat zij het ongeloofwaardig acht dat met een onbekend persoon zonder enige schriftelijke vastlegging een koopovereenkomst zou zijn gesloten, zonder opgave van een adres, waarbij de goederen na een geringe aanbetaling, 2.500 euro op een bedrag van tenminste 8.000 euro aan verdachte zouden zijn meegegeven.

4.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 27 oktober 2016 te Volendam, gemeente Edam-Volendam, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

twee programmeerkastjes (ten behoeve van sleutels voor een Audi en voor een

BMW), toebehorende aan [aangever] en [bedrijf] , welke diefstal werd voorafgegaan van geweld tegen die [aangever] en tegen [getuige 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, welk geweld hierin bestond dat verdachte

en zijn mededader:

- een vuurwapen aan die [aangever] en [getuige 1] hebben getoond, en hebben gericht op de borst van die [getuige 1] , en vervolgens hebben gezegd "Ga op de grond liggen!" en ”Bind ze vast”, en vervolgens

- met een metalen pan en een ander hard voorwerp meermalen op het hoofd van die [getuige 1] hebben geslagen, en

- die [aangever] meermalen op zijn lichaam hebben geslagen, en

- hun armen om de nek van die [aangever] hebben geslagen en gehouden.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van diefstal, voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7 Motivering van de sanctie

7.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht, indien zij tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit komt, rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte zijn leven goed op de rit had op het moment dat hij werd aangehouden. Daarnaast heeft verdachte een gering strafblad. Te meer nu de onderhavige zaak niet een standaard gewapende overval betreft, heeft de raadsman de rechtbank verzocht om af te wijken van de LOVS-oriëntatiepunten die gelden voor een gewapende overval. De raadsman heeft de rechtbank in overweging gegeven mocht de rechtbank ondanks de bepleite vrijspraak tot een bewezenverklaring komen, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, gecombineerd met een maximale taakstraf en een forse voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een gewapende overval op beveiligingsbedrijf [bedrijf] in Volendam. Verdachte heeft het op enig moment doen voorkomen alsof hij geld ging halen om de programmeerkastjes te kunnen kopen. Na een paar stappen buiten de kantine te hebben gezet, is verdachte echter terug de kantine in gelopen en heeft hij een vuurwapen tevoorschijn gehaald. Dit wapen heeft hij op slachtoffer [getuige 1] gericht en zijn medeverdachte bevolen de slachtoffers vast te binden. Slachtoffer [getuige 1] heeft in een poging om de situatie te de-escaleren het wapen van verdachte afgepakt, maar hij heeft dit moeten bekopen met hevig geweld van de zijde van verdachte. Hierbij is het slachtoffer [getuige 1] meerdere keren met een metalen pan en met een boormachine op zijn hoofd geslagen. De medeverdachte is het gevecht aangegaan met slachtoffer [aangever] . Verdachte is er vandoor gegaan met twee programmeerkastjes ten behoeve van sleutels voor een Audi en een BMW.

Als gevolg van het toegepaste geweld hebben de slachtoffers lichamelijk letsel bekomen. Hiermee is inbreuk gemaakt op hun lichamelijke integriteit. [getuige 1] heeft een aantal wonden op zijn hoofd opgelopen en heeft hierdoor veel bloed verloren. [aangever] heeft aan het gebeuren een blauw oog en een wond op zijn neus overgehouden. Ook heeft hij twee weken lang pijn gevoeld in zijn lichaam. Daarnaast is sprake van na te noemen psychisch letsel.

In het algemeen geldt dat een overval, zeker wanneer daarbij gedreigd wordt met een vuurwapen en gebruik gemaakt wordt van geweld, voor de slachtoffers een traumatische ervaring oplevert waar zij nog jarenlang last van kunnen hebben. Uit de onderbouwing van de vorderingen tot schadevergoeding van de slachtoffers [getuige 1] en [aangever] blijkt dat de slachtoffers nog dagelijks de gevolgen ondervinden van het handelen van verdachte en zijn medeverdachte. Bij [getuige 1] zijn klachten in verband met een posttraumatische-stressstoornis vastgesteld. Ook [aangever] kampt met PTSS-klachten. Daarnaast geeft [aangever] aan dat hij zich sinds de overval niet meer veilig voelt als hij alleen in de zaak staat.
Verdachte heeft met die gevoelens en deze gevolgen geen rekening gehouden en zich kennelijk uitsluitend laten leiden door financiële motieven. Er is sprake van ernstige feiten die de rechtbank verdachte zwaar aanrekent.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 18 januari 2017, waaruit blijkt dat verdachte in 2010 een transactie heeft ontvangen wegens een geweldsdelict. Hij is niet eerder veroordeeld voor enig strafbaar feit.

De rechtbank acht gezien de ernst van het feit het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de enige passende strafmodaliteit. Bij het bepalen van de duur van de op te leggen gevangenisstraf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de LOVS-oriëntatiepunten die gelden voor een overval op een winkel, waarbij ander geweld dan licht geweld is toegepast. De rechtbank heeft ten voordele van verdachte rekening gehouden met het feit dat verdachte nauwelijks een strafblad heeft, alsmede met zijn jeugdige leeftijd.
Als strafverzwarende factor heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte een aanzienlijk grotere rol in het delict heeft gehad dan de medeverdachte. Niet alleen is verdachte duidelijk de initiator en agressor van de overval geweest, voorts heeft verdachte anders dan zijn medeverdachte bij het door hem toegepaste geweld ook niet geschroomd gebruik te maken van een vuurwapen en andere voorwerpen. Bovendien is verdachte de persoon geweest die na de overval de weggenomen goederen in zijn bezit heeft gehouden en geprobeerd heeft deze aan derden te verkopen.

Voor een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank geen aanleiding, mede gelet op de proceshouding van verdachte waaruit blijkt dat hij geen verantwoordelijkheid wenst te nemen voor het door hem gepleegde feit.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie jaren moet worden opgelegd.

8 Vermogensmaatregel

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten

- 1.00 stk diverse KL: zwart. Magazijnhouder, en

- 1.00 stk Wapen. HHP MV 9 PARA,

dienen te worden onttrokken aan het verkeer.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het bewezen verklaarde feit met behulp van die voorwerpen is begaan en het ongecontroleerde bezit van die voorwerpen is in strijd met de wet of het algemeen belang.

9 Vorderingen benadeelde partijen [aangever] en [getuige 1]

Vordering benadeelde partij [aangever]

De benadeelde partij [aangever] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 5.900,- ingediend tegen verdachte en zijn medeverdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade bestaat uit de posten gescheurd T-shirt (€ 150,-) en eigen risico diefstalverzekering (€ 250,-). De gevorderde immateriële schadevergoeding ziet op een bedrag aan smartengeld (€ 5.500,-).

De rechtbank is van oordeel dat het gevorderde bedrag aan eigen risico voor toewijzing in aanmerking komt, nu deze schade rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit en met stukken is onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank kan de schade aan het T-shirt eveneens als rechtstreekse schade worden aangemerkt. Met betrekking tot deze kostenpost zal de rechtbank, nu de waarde van het T-shirt niet is onderbouwd, gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid en een vergoeding van € 50,- toekennen.

Tevens komt de rechtbank op grond van de thans bekende gegevens vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 3.000,- billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. Hierbij heeft de rechtbank met name belang gehecht aan de ernst van de psychische gevolgen van de overval.

De rechtbank zal de vordering tot een bedrag van € 3.300,- toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 oktober 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien de medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

De rechtbank zal de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: medeplegen van diefstal met geweld] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

Vordering benadeelde partij [getuige 1]

De benadeelde partij [getuige 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 5.636,20 ingediend tegen verdachte en zijn medeverdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade bestaat uit de posten eigen risico (€ 350,-), gescheurde jas (€ 150,-) en vrije tijd verloren door incident (€ 136,20).

De gevorderde immateriële schadevergoeding ziet op een bedrag aan smartengeld

(€ 5.000,-).

De rechtbank is van oordeel dat het gevorderde bedrag aan materiële schadevergoeding niet voor vergoeding in aanmerking komt, nu de gestelde schade niet is onderbouwd. De rechtbank zal de benadeelde partij ten aanzien van dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

Op grond van de thans bekende gegevens komt de rechtbank vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 4.000,- billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. Hierbij heeft de rechtbank met name belang gehecht aan de ernst van het op de benadeelde partij toegepaste geweld en het lichamelijk en psychisch letsel dat de benadeelde partij als gevolg hiervan heeft bekomen. De rechtbank zal de benadeelde partij met betrekking tot de meer gevorderde immateriële schadevergoeding niet in de vordering ontvangen.

De rechtbank zal de vordering tot een bedrag van € 4.000,- toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 oktober 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien de medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

De benadeelde partij kan de delen van de vordering die tot niet-ontvankelijkheid hebben geleid desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: medeplegen van diefstal met geweld] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

de artikelen 36b, 36c, 36f, 47 en 312 van het Wetboek van Strafrecht,

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

11 Beslissing

De rechtbank:

 Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

 Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

 Onttrekt aan het verkeer:

- 1.00 stk. Diverse KL: zwart. Magazijnhouder;

- 1.00 stk Wapen. HHP MV 9 PARA.

 Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [aangever] geleden schade tot een bedrag van € 3.300,- (drieëndertighonderd euro), bestaande uit € 300,- ter vergoeding van geleden materiële schade en € 3.000,- ter vergoeding van geleden immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 oktober 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [aangever] voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

 Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [aangever] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.300,- (drieëndertighonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 oktober 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 43 (drieënveertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

 Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [getuige 1] geleden schade tot een bedrag van € 4.000,- (vierduizend euro), ter vergoeding van geleden immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 oktober 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [getuige 1] voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

 Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [getuige 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 4.000,- (vierduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 oktober 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. P.H.B. Littooy, voorzitter,

mr. F.G. Hijink en mr. H.E. van Harten, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers mr. S.D.M. Piet en mr. C.P. Staal,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 28 maart 2017.

Mr. Hijink is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Proces-verbaal van aangifte door [aangever] mede namens [bedrijf] d.d. 27 oktober 2016, dossierpagina’s 112 en 113.

3 Verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd.

4 Proces-verbaal van aangifte door [aangever] mede namens [bedrijf] d.d. 27 oktober 2016, dossierpagina’s 114 en 115.

5 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 27 oktober 2016, dossierpagina 124.

6 Proces-verbaal van aangifte door [aangever] mede namens [bedrijf] d.d. 27 oktober 2016, dossierpagina 115.

7 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 27 oktober 2016, dossierpagina 124.

8 Proces-verbaal van aangifte door [aangever] mede namens [bedrijf] d.d. 27 oktober 2016, dossierpagina 116.

9 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 27 oktober 2016, dossierpagina’s 125 en 126.

10 Het proces-verbaal van bevindingen camerabeelden door verbalisant [verbalisant] d.d. 4 november 2016, dossierpagina 298.

11 Verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd.

12 Proces-verbaal van aangifte door [aangever] mede namens [bedrijf] d.d. 27 oktober 2016, dossierpagina 116.

13 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 27 oktober 2016, dossierpagina 126.

14 Proces-verbaal van aangifte door [aangever] mede namens [bedrijf] d.d. 27 oktober 2016, dossierpagina 117.

15 Proces-verbaal van bevindingen camerabeelden d.d. 4 november 2016, dossierpagina’s 302 tot en met 304.

16 Proces-verbaal van aangifte door [aangever] mede namens [bedrijf] d.d. 27 oktober 2016, dossierpagina 117.

17 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 27 oktober 2016, dossierpagina 103.

18 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 7 november 2016, pagina’s 50 en 54 persoonsdossier [medeverdachte] .

19 Verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd.

20 Een schriftelijk bescheid, te weten de weergave van het tapgesprek gevoerd op 20 november 2016, sessienummer 15, dossierpagina 670.