Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:3042

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
19-04-2017
Datum publicatie
24-04-2017
Zaaknummer
C/15/242725 / HA ZA 16-278
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen bestuurdersaansprakelijkheid omdat het perspectief dat de bestuurder in de onderneming zag niet van elke realiteit was gespeend. Niet is komen vast te staan dat bij de onderneming sprake was van een uitzichtloze situatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2017/768
AR 2017/2134
RO 2017/56
OR-Updates.nl 2017-0148
INS-Updates.nl 2017-0142
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer / rolnummer: C/15/242725 / HA ZA 16-278

Vonnis van 19 april 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WORLD FASHION CENTRE AMSTERDAM VASTGOED B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

tegen

[gedaagde/eiser] ,

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. J. Koekkoek te Haarlem.

Partijen zullen hierna WFC Vastgoed en [gedaagde/eiser] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 3 augustus 2016

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 8 maart 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

WFC Vastgoed is eigenaar van het World Fashion Centre te Amsterdam, een verzamelgebouw voor groothandels in de mode-industrie.

2.2.

Mixi Modes B.V. (hierna: Mixi) exploiteerde een groothandel in kleding. [gedaagde/eiser] was de statutair bestuurder van Mixi. Enig aandeelhouder van Mixi was Oscar Beheer B.V. [gedaagde/eiser] was op zijn beurt enig aandeelhouder en statutair bestuurder van Oscar Beheer B.V.

2.3.

Mixi heeft in december 2001 een huurovereenkomst bedrijfsruimte (hierna: de huurovereenkomst) gesloten met World Fashion Centre Amsterdam B.V. (hierna: WFC Amsterdam) voor bedrijfsruimte 1.01.05 (hierna: het gehuurde) voor de duur van 5 jaar, ingaande 1 januari 2002.

2.4.

Artikel 7.5 van de Algemene Bepalingen, behorende bij deze huurovereenkomst, luidt als volgt:

7.5 Verhuurder is gerechtigd om - na ingebrekestelling voorzover vereist - de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst, waaronder begrepen de verplichting tot het verschaffen van huurgenot, op te schorten door huurder de toegang tot het gehuurde te beletten, tot voldoening van zijn vorderingen op huurder plaatsvindt. Dit recht heeft verhuurder in elk geval:

• bij maandelijkse huurbetalingen: (in geval van een eerste betalingsachterstand) als er 3 huurtermijnen vervallen zijn en onbetaald zijn gelaten (hetgeen betekent: na 2 maanden en een dag) dan wel (in geval van meer dan 3 keer eerder betalingsachterstand gedurende de afgelopen 5 jaar) als er 2 huurtermijnen zijn vervallen en onbetaald zijn gelaten (hetgeen betekent: na 1 maand en een dag).

• bij kwartaalbetalingen: in geval 2 huurtermijnen niet betaald zijn (hetgeen betekent: na 3 maanden en een dag).

Verhuurder heeft alsdan tevens de bevoegdheid om de zaken die huurder in het gehuurde heeft geplaatst of heeft doen plaatsen onder zich te nemen en afgifte daarvan op te schorten totdat huurder zal hebben voldaan aan al zijn verplichtingen jegens verhuurder. Indien verhuurder gebruik maakt van zijn retentierecht, is huurder tevens gehouden tot vergoeding van de redelijke kosten van opslag en transport verbonden aan de bewaring van genoemde zaken.

Indien verhuurder conform het bovenstaande van zijn opschortingsrecht en/of retentierecht gebruik maakt zal huurder nimmer enig recht kunnen doen gelden op vergoeding van schade, direct of indirect, die daarvan het gevolg mocht zijn.(…)”

2.5.

In 2006 is het vastgoed van WFC Amsterdam, waaronder het gehuurde, overgedragen aan WFC Vastgoed. Sindsdien treedt WFC Amsterdam op als beheerder.

2.6.

Met ingang van 1 januari 2007 is de huurovereenkomst verlengd tot en met 31 december 2011. Daarna is de huurovereenkomst stilzwijgend verlengd met twee aaneensluitende periodes van twee jaar, laatstelijk op 1 januari 2014 tot en met 31 december 2015.

2.7.

Op 24 april 2012 hebben WFC Vastgoed en [gedaagde/eiser] een allonge getekend, met daarin een aanpassing van de huurovereenkomst die destijds tussen WFC Amsterdam en [gedaagde/eiser] was getekend.

2.8.

Over de jaren 2007 tot en met 2012 heeft Mixi balansen bij de Kamer van Koophandel gedeponeerd. Het eigen vermogen en de winst/verliescijfers van deze balansen wijkt in grote mate af van de cijfers uit de eerder door de accountant samengestelde jaarrekeningen. Een en ander kan als volgt schematisch worden weergegeven:

Eigen vermogen:

Jaar

Volgens KvK

Volgens jaarstukken

2007

€ 86.390

€ 56.390

2008

€ 56.390

€ -116.925

2009

€ 56.140

€ -210.084

2010

€ 54.596

€ -275.596

2011

€ 9.248

€ -389.218

2012

€ -59.248

€ -498.542

Winst- en verliescijfers

Jaar

Volgens KvK

Volgens jaarstukken

2007

€ -158

€ -16.158

2008

€ 56.230

€ -173.315

2009

€ -250

€ -93.160

2010

€ -1.544

€ -65.512

2011

€ -45.348

€- 113.623

2012

€ -68.496

€ -120.669

2.9.

Mixi heeft eind 2009 aan WFC Vastgoed meegedeeld dat zij liquiditeitsproblemen verwachtte met als gevolg dat er problemen met het betalen van de huur zouden kunnen ontstaan. Sedert 2010 ontstonden er daadwerkelijk achterstanden in de huurbetalingen door Mixi. Nadat [gedaagde/eiser] had aangegeven de huurprijs niet meer te kunnen betalen, heeft tussen hem en WFC Vastgoed regelmatig overleg plaatsgevonden over het inlopen van de huurachterstanden. Daarnaast is tussen WFC Vastgoed en Mixi getracht om (betalings)regelingen te treffen, al dan niet in combinatie met een verhuizing naar een andere (kleinere) bedrijfsruimte/splitsing van de bedrijfsruimte 1.01.05. Het laatste voorstel van WFC Vastgoed in dit verband dateert van 20 juli 2014 en hield – samengevat – beëindiging van de huurovereenkomst voor ruimte 1.01.05 in en verhuizing naar een kleinere ruimte, onder meer onder de voorwaarde dat door Mixi een afkoopsom diende te worden betaald van (maximaal) € 41.000, exclusief btw in verband met de voortijdige beëindiging van de huurovereenkomst. Dit voorstel is door [gedaagde/eiser] niet geaccepteerd.

2.10.

Vervolgens heeft WFC Vastgoed, met een beroep op haar opschortingsplicht, in de nacht van 21 juli 2014 op 22 juli 2014 de toegang tot het gehuurde voor Mixi geblokkeerd.

2.11.

Op 29 juli 2014 is Mixi op eigen aangifte failliet verklaard. De huurachterstand van Mixi bedroeg per 1 juli 2014 € 64.424,01. In februari 2015 is het faillissement van Mixi opgeheven bij gebrek aan baten.

2.12.

Op 25 maart 2016 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank aan WFC Vastgoed verlof verleend tot het leggen van conservatoir beslag op het woonhuis van [gedaagde/eiser] aan het adres [adres]. WFC Vastgoed heeft op 29 maart 2016 beslag doen leggen op dit pand.

2.13.

Oscar Beheer B.V. heeft haar vorderingen (de rechtbank begrijpt: haar gestelde vorderingen op WFC Vastgoed) gecedeerd aan [gedaagde/eiser].

3 Het geschil

in conventie

3.1.

WFC Vastgoed vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

-een verklaring voor recht dat [gedaagde/eiser] in zijn hoedanigheid van bestuurder van Mixi onrechtmatig jegens WFC Vastgoed heeft gehandeld;

- een verklaring voor recht dat [gedaagde/eiser] aansprakelijk is jegens WFC Vastgoed voor de schade die WFC Vastgoed als gevolg van dat onrechtmatig handelen heeft geleden;

- [gedaagde/eiser] te veroordelen om deze schade aan WFC Vastgoed te vergoeden, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

-[gedaagde/eiser] te veroordelen in de kosten van deze procedure, nakosten en beslag daaronder begrepen.

3.2.

[gedaagde/eiser] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

[gedaagde/eiser] vordert na (voorwaardelijke) vermeerdering van eis bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

-een verklaring voor recht dat WFC Vastgoed aansprakelijk is voor alle geleden en nog te lijden schade van [gedaagde/eiser], nader op maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

-opheffing van het door WFC Vastgoed gelegde beslag en doorhaling daarvan in het kadaster binnen 2 dagen na betekening van dit vonnis, op straffe van een dwangsom van Euro 1.000,- per dag met een maximum van Euro 500.000;

-veroordeling van WFC Vastgoed in de (na)kosten van deze procedure.

3.5.

WFC Vastgoed voert verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

WFC Vastgoed legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde/eiser] in zijn hoedanigheid van enig aandeelhouder en bestuurder van Mixi zodanig onzorgvuldig jegens WFC Vastgoed heeft gehandeld dat hem hiervan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt en voert hiertoe het volgende aan:

A. [gedaagde/eiser] is namens Mixi verplichtingen aangegaan jegens WFC Vastgoed en blijven aangaan waarvan hij wist of kon weten dat de vennootschap die niet kon nakomen. Die verplichtingen is [gedaagde/eiser] namens Mixi aangegaan in de vorm van (het continueren/verlengen van) de huurovereenkomst alsmede in de vorm van het aangaan van diverse betalingsregelingen en het doen van betalingstoezeggingen die vervolgens niet zijn nagekomen. Intussen is [gedaagde/eiser] namens Mixi nalatig geweest door niet in te gaan op diverse redelijke voorstellen van WFC Vastgoed om het gehuurde te splitsen of om te verhuizen naar een kleinere ruimte, wat de vennootschap in staat zou hebben gesteld de huurlasten te verlagen en een aflossing op de huurschuld mogelijk te maken;

B. [gedaagde/eiser] heeft als daarvoor verantwoordelijk bestuurder van Mixi jaren achtereen misleidende balansen gepubliceerd. [gedaagde/eiser] heeft aldus in strijd met het bepaalde in artikel 2:249 BW een misleidende voorstelling van de toestand van de vennootschap gegeven. De financiële positie van de vennootschap werd veel rooskleuriger gepresenteerd dan die in werkelijkheid was. WFC Vastgoed mocht er van uit gaan dat de gepubliceerde cijfers een juiste voorstelling van zaken gaven;

C. Tijdens de regelmatige gesprekken die WFC Vastgoed met [gedaagde/eiser] heeft gevoerd over de financiële positie van Mixi heeft [gedaagde/eiser] nagelaten WFC Vastgoed op de hoogte te stellen van de (juiste) financiële positie van de vennootschap. Het feit dat misleidende balansen werden gepubliceerd bracht in de gegeven omstandigheden een verzwaarde informatieplicht voor [gedaagde/eiser] met zich op grond waarvan hij WFC Vastgoed actief had behoren te informeren over de werkelijke stand van zaken binnen zijn bedrijf.

4.2.

[gedaagde/eiser] betwist de stellingen van WFC Vastgoed en voert – samengevat – het volgende verweer:

-WFC Vastgoed is niet ontvankelijk in haar vordering omdat Mixi met WFC Amsterdam een huurovereenkomst is aangegaan en niet met WFC Vastgoed. Er is geen sprake geweest van een overname van de huurovereenkomst door WFC Vastgoed;

-er is geen sprake van bestuurdersaansprakelijkheid en van een persoonlijk ernstig verwijt van de zijde van [gedaagde/eiser]. Er is geen sprake van het aangaan van verplichtingen door Mixi waarvan [gedaagde/eiser] wist dat zij deze niet kon nakomen. [gedaagde/eiser] is juist niet ingegaan op de onhaalbare voorstellen van WFC Vastgoed;

-de bij de kamer van Koophandel gedeponeerde jaarcijfers van Mixi kunnen nimmer een rol van betekenis hebben gespeeld in de gesprekken en onderhandelingen met Mixi, want WFC Vastgoed heeft eerst na het faillissement van Mixi van deze cijfers kennis genomen. Er is derhalve ook geen causaal verband tussen de eventueel door WFC Vastgoed geleden schade enerzijds en de eventuele verschillen tussen de bij de Kamer van Koophandel gedeponeerde cijfers van Mixi en de jaarrekeningen van Mixi anderzijds;

-daarnaast heeft WFC Vastgoed geen belang bij een schadestaatprocedure, nu de schade door de rechtbank vastgesteld kan worden;

-ten slotte bestaat er, voor zover de vordering tegen [gedaagde/eiser] zou kunnen worden toegewezen, aanleiding om deze te matigen tot nihil wegens eigen schuld aan de zijde van WFC Vastgoed cq. onrechtmatig handelen van de zijde van WFC Vastgoed zelf. WFC Vastgoed is zelf afspraken niet nagekomen. Daarnaast heeft WFC Vastgoed willens en wetens schade voor Mixi (en dus voor Oscar Beheer B.V. en [gedaagde/eiser]) schade veroorzaakt door het afsluiten van de door Mixi gehuurde ruimte.

Ontvankelijkheid

4.3.

Volgens [gedaagde/eiser] is WFC Vastgoed niet-ontvankelijk in haar vordering omdat Mixi met WFC Amsterdam een huurovereenkomst is aangegaan en niet met WFC Vastgoed. Naar het oordeel van de rechtbank faalt dit verweer. Ingevolge artikel 7:226 lid 1 BW gaan de rechten en verplichtingen uit de huurovereenkomst over op degene die door overdracht van de zaak waarop de huurovereenkomst betrekking heeft rechthebbende tot het gehuurde is geworden. Vaststaat dat WFC Amsterdam het vastgoed waarop de huurovereenkomst betrekking heeft in 2006 aan WFC Vastgoed heeft overgedragen. Laatstgenoemde is aldus in de rechten getreden van WFC Amsterdam, dus ook in de rechten voortvloeiend uit de huurovereenkomst. Dat maakt dat WFC Vastgoed gerechtigd was op de huurpenningen.

[gedaagde/eiser] heeft in dit verband nog aangevoerd dat, blijkens financiële overzichten en debiteurenlijsten, door WFC Amsterdam/WFC Vastgoed de schijn is gewekt dat WFC Amsterdam nog steeds eigenaar is van het gehuurde. De vraag of dit inderdaad het geval is kan echter in het midden blijven. Dat zou immers alleen van belang kunnen zijn als [gedaagde/eiser] zich ten aanzien van de vordering meent te kunnen disculperen vanwege zijn handelingen of opstelling jegens WFC Amsterdam, maar dat is niet aangevoerd door [gedaagde/eiser].

Onrechtmatig handelen

4.4.

WFC Vastgoed verwijt [gedaagde/eiser] onder meer dat hij de huurovereenkomst niet heeft opgezegd, waardoor de huurovereenkomst op 1 januari 2012 en 1 januari 2014 stilzwijgend is verlengd. Naar het oordeel van de rechtbank snijdt dit verwijt geen hout. Door WFC Vastgoed is onvoldoende onderbouwd dat er een moment was waarop [gedaagde/eiser] er in redelijkheid niet meer op mocht vertrouwen dat er een reële kans bestond dat de onderneming weer uit het slop zou geraken, zodanig dat de huurverplichtingen konden worden nagekomen.

Tot kort voor datum faillissement op 29 juli 2014 is er tussen partijen serieus onderhandeld om tot een oplossing te komen in de vorm van een aanpassing van de huurprijs al dan niet in combinatie met het huren van een andere (kleinere) ruimte. Daarbij heeft [gedaagde/eiser] onweersproken aangevoerd dat er plannen bestonden om met een andere collectie te gaan werken en heeft [gedaagde/eiser] ook privégelden van in totaal € 114.800 in Mixi geïnvesteerd.

Het enkele feit dat de onderneming een negatief eigen vermogen had en over meerdere jaren verlies heeft geleden maakt (mede gezien het feit dat er uitvoerige onderhandelingen zijn gevoerd die zouden moeten leiden tot een aanzienlijke kostenreductie) niet dat in dit verband kan worden gesproken van onrechtmatig handelen/bestuurdersaansprakelijkheid van de zijde van [gedaagde/eiser].

De onderhandelingen tussen WFC Vastgoed en [gedaagde/eiser] over een aanpassing van de huurprijs hebben plaatsgevonden in de periode van 2011 tot medio 2014. Indien in deze periode, zoals WFC Vastgoed stelt, een huurachterstand is ontstaan van 9 maanden, dan is ook dit niet direct een aanwijzing dat het perspectief dat [gedaagde/eiser] nog in de onderneming zag van elke realiteit gespeend was. Er zijn bovendien in genoemde periode regelmatig huurbetalingen gedaan door Mixi/[gedaagde/eiser].

4.5.

WFC Vastgoed verwijt [gedaagde/eiser] daarnaast dat Mixi niet is ingegaan op de voorstellen van WFC Vastgoed om een regeling te treffen dan wel dat Mixi betalingsregelingen niet is nagekomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft WFC Vastgoed haar stellingen dienaangaande onvoldoende onderbouwd. Uit de door partijen overgelegde uitgebreide correspondentie met betrekking tot de onderhandelingen over een verlaging van de huurprijs/verhuizing naar een andere ruimte volgt dit in ieder geval niet. Dat het langdurig overleg over een regeling uiteindelijk niet tot overeenstemming heeft geleid, leidt niet tot het oordeel dat [gedaagde/eiser] onrechtmatig heeft gehandeld.
Voor wat betreft de betalingsregelingen heeft WFC Vastgoed onvoldoende onderbouwd gesteld welke concrete regelingen niet zouden zijn nagekomen. Daarbij speelt mee dat uit de overgelegde e-mailcorrespondentie tussen partijen blijkt dat verschillende voorstellen en regelingen elkaar opvolgden, zonder dat duidelijk blijkt wat een nieuw voorstel of nieuwe regeling betekende voor oudere voorstellen en regelingen. Voor zover WFC Vastgoed heeft gesteld dat de regeling als verwoord in de e-mail van 20 februari 2014 van WFC Amsterdam (kennelijk namens WFC Vastgoed) aan Mixi niet is nagekomen, omdat gedurende de regeling de lopende huur termijnen niet zouden zijn betaald, stelt de rechtbank vast dat de regeling, zoals verwoord in bedoelde mail, alleen rept van een afspraak inzake betalingen op facturen in twee termijnen. [gedaagde/eiser] heeft onweersproken gesteld dat Mixi die betalingen heeft gedaan.

4.6.

WFC Vastgoed voert voorts aan dat [gedaagde/eiser] op de voet van artikel 2:249 BW hoofdelijk aansprakelijk is voor de door WFC Vastgoed geleden schade omdat [gedaagde/eiser] willens en wetens cijfers van Mixi heeft gepubliceerd die ernstig afwijken van de werkelijke door de accountant vastgestelde cijfers. Hierdoor is ten onrechte een veel te rooskleurig beeld van de financiële positie van Mixi gegeven. Indien WFC Vastgoed hiervan op de hoogte was geweest zou zij de huurovereenkomst niet hebben gecontinueerd, aldus WFC Vastgoed.

4.7.

De rechtbank overweegt hierover dat [gedaagde/eiser] onvoldoende heeft weersproken dat de gepubliceerde cijfers, waarvan voldoende aannemelijk is geworden dat deze bij de Kamer van Koophandel zijn gedeponeerd nadat [gedaagde/eiser] via de accountant kennis had genomen of had kunnen nemen van de jaarrekeningen met de correcte cijfers, misleidend zijn geweest. [gedaagde/eiser] heeft niets aangevoerd waaruit volgt dat het publiceren van de misleidende cijfers hem niet kan worden verweten. Dit leidt weliswaar tot de conclusie dat [gedaagde/eiser] hoofdelijk aansprakelijk is als bedoeld in artikel 2:249 BW, maar niet tot het oordeel dat sprake is van onrechtmatig handelen door [gedaagde/eiser] jegens WFC Vastgoed. Nu WFC Vastgoed niet heeft gesteld dat zij de huurovereenkomst heeft laten doorlopen of betalingsregelingen met Mixi is aangegaan vanwege de voorstelling die zij van Mixi had op grond van de gepubliceerde cijfers, heeft zij voor de aansprakelijkheid van [gedaagde/eiser] jegens WFC Vastgoed op grond van artikel 2:249 BW niet aan haar stelplicht voldaan. Zoals [gedaagde/eiser] ook betoogt ontbreekt het causaal verband derhalve tussen de door WFC Vastgoed gestelde schade enerzijds en de verschillen tussen de gedeponeerde cijfers en de jaarrekeningen anderzijds.

Voor zover WFC Vastgoed betoogt dat de omstandigheid dat er misleidende cijfers zijn gepubliceerd bijdraagt aan het verwijt dat zij [gedaagde/eiser] maakt ten aanzien van het niet opzeggen van de huurovereenkomst dan wel het niet nakomen van de betalingsregelingen wordt dat betoog verworpen. Deze omstandigheid doet immers niet af aan het perspectief dat [gedaagde/eiser] had dat hij een kostenreductie zou kunnen realiseren binnen de onderneming, want dit perspectief was niet gebaseerd op deze gepubliceerde cijfers.

4.8.

WFC Vastgoed voert ten slotte aan dat, mede in het licht van de gepubliceerde misleidende cijfers, op [gedaagde/eiser] een verzwaarde actieve informatieplicht rustte om WFC Vastgoed bij de diverse besprekingen tussen partijen over de werkelijke positie van Mixi te informeren. Ook dit betoog faalt. Een algemene plicht voor een bestuurder om crediteuren te waarschuwen als het niet goed gaat met de onderneming vindt geen steun in het recht. Alleen in uitzonderlijke omstandigheden, waarin sprake is van een uitzichtloze situatie, kan hiervan sprake zijn. Uit het voorgaande volgt dat niet is komen vast te staan dat bij Mixi sprake was van een uitzichtloze situatie.

4.9.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen zullen worden afgewezen. WFC Vastgoed zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde/eiser] worden begroot op:

- griffierecht 288,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.192,00

in reconventie

4.10.

[gedaagde/eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat WFC Vastgoed een onrechtmatige daad heeft gepleegd door de bedrijfsruimte van Mixi af te sluiten. Dit was gelet op de omstandigheden een excessieve maatregel en heeft het faillissement van Mixi veroorzaakt. Daarnaast heeft WFC Vastgoed geen open kaart gespeeld in de onderhandelingen met Mixi en niet gewezen op de concrete interesse van derden om de huur van het gehuurde van Mixi over te nemen.

Voorts is het door WFC Vastgoed gelegde beslag vexatoir en dus onrechtmatig, nu op 24 maart 2016 een tweede hypotheek op het woonhuis van [gedaagde/eiser] ten bate van zijn moeder is gevestigd. Hier is WFC Vastgoed op gewezen. Desondanks is WFC Vastgoed in gebreke gebleven het beslag op te heffen, aldus [gedaagde/eiser].

4.11.

WFC Vastgoed betwist dat zij onrechtmatig jegens Mixi heeft gehandeld, laat staan dat [gedaagde/eiser] WFC Vastgoed terzake zou kunnen aanspreken. Volgens vaste jurisprudentie is er geen ruimte voor afgeleide schade, tenzij een specifieke zorgvuldigheidsnorm is geschonden, hetgeen niet wordt gesteld. Daarnaast was WFC Vastgoed op grond van de algemene bepalingen behorende bij de huurovereenkomst gerechtigd om haar verplichting tot het verschaffen van huurgenot op te schorten, totdat aan de huurverplichting was voldaan. Gelet op de zeer aanzienlijke huurschuld heeft WFC Vastgoed terecht een beroep op dit contractuele opschortingsrecht gedaan.

Ten slotte betwist WFC Vastgoed dat het beslag vexatoir of onrechtmatig gelegd is. De hypotheekverstrekking aan de moeder van [gedaagde/eiser] is onverplicht aangegaan in de wetenschap dat WFC Vastgoed hierdoor benadeeld zou worden in haar verhaalsmogelijkheden, aldus WFC Vastgoed.

Afsluiten bedrijfsruimte onrechtmatig?

4.12.

De rechtbank stelt voorop dat, nu in conventie reeds is overwogen dat het niet-ontvankelijkheidsverweer van [gedaagde/eiser] niet slaagt, aan de voorwaarde waaronder de vermeerdering van eis is ingesteld is voldaan, zodat deze dient te worden beoordeeld.

4.13.

Met WFC Vastgoed is de rechtbank van oordeel dat de door [gedaagde/eiser] gestelde onrechtmatige handelingen van WFC Vastgoed zien op Mixi en niet op [gedaagde/eiser]. [gedaagde/eiser] heeft geen, althans niet voldoende feiten en omstandigheden gesteld die maken dat die handelingen ook jegens hem onrechtmatig zijn. De omstandigheden die [gedaagde/eiser] in dit verband heeft genoemd, zoals het kwijtraken van zijn broodwinning en zijn pensioen door het faillissement van Mixi, zijn gelegen in de handelwijze van WFC Vastgoed jegens Mixi en niet jegens [gedaagde/eiser] in privé. Voor zover [gedaagde/eiser] heeft willen betogen dat WFC Vastgoed met de gewraakte handelingen onrechtmatig jegens Oscar Beheer B.V. heeft gehandeld, wordt ook dat betoog verworpen. [gedaagde/eiser] heeft immers (ook) geen feiten en omstandigheden gesteld die maken dat die handelingen jegens Oscar Beheer B.V. onrechtmatig zijn. Reeds hierom wordt de vordering van [gedaagde/eiser] afgewezen.

Beslag onrechtmatig?

4.14.

Uit hetgeen in conventie is overwogen, volgt dat de vordering ter verzekering waarvan WFC Vastgoed beslag heeft gelegd ten laste van [gedaagde/eiser], niet blijkt te bestaan, op grond waarvan wordt aangenomen dat het gelegde beslag onrechtmatig is. De rechtbank zal de vordering van [gedaagde/eiser] dan ook toewijzen en WFC Vastgoed veroordelen tot doorhaling van het beslag in het Kadaster, op straffe van verbeurte van een dwangsom, die zal worden beperkt als hierna vermeld.

4.15.

Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt WFC Vastgoed in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde/eiser] tot op heden begroot op € 1.192,00,

5.3.

veroordeelt WFC Vastgoed in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat WFC Vastgoed niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

5.5.

heft op het door WFC Vastgoed ten laste van [gedaagde/eiser] gelegde beslag als bedoeld in r.o. 2.12,

5.6.

veroordeelt WFC Vastgoed om binnen 2 werkdagen na de betekening van dit vonnis het conservatoir beslag dat zij heeft doen leggen op de woning aan het adres [adres], te doen doorhalen in het Kadaster,

5.7.

veroordeelt WFC Vastgoed om aan [gedaagde/eiser] een dwangsom te betalen van € 500,- voor iedere dag dat zij niet aan de in r.o 5.6 uitgesproken veroordeling voldoet, tot een maximum van € 100.000,- is bereikt,

5.8.

verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.9.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.10.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 19 april 2017.1

1 type: 299 coll: