Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:2964

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
31-03-2017
Datum publicatie
14-04-2017
Zaaknummer
15/871189-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Promis. Tegenspraak. Onderzoek wapenhandel "Breda". Verdachte heeft zonder consent vuurwapens van categorie III.4 van de WWM het grondgebied van Nederland doen binnenkomen. Daarnaast heeft verdachte een Glock vuurwapen voorhanden gehad. Partiële vrijspraken. Lagere straf opgelegd dan geëist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/871189-14 (P)

Uitspraakdatum: 31 maart 2017

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 7 maart 2017 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. C.C.A. Bos-van Hasselt en van hetgeen door verdachte en zijn raadsman mr. J.T.H.M. Muhren, advocaat te Purmerend, naar voren is gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering, ten laste gelegd dat:

Feit 1:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 december 2012 tot en met 22 september 2014 in de gemeente Haarlem en/of IJmuiden, gemeente Velsen en/of Purmerend, althans in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een of meer wapen(s) van categorie I onder 7 (te weten van het merk en/of type EKOL FIRAT MAGNUM),

(telkens) heeft/ hebben vervaardigd en/of getransformeerd en/of (over)gedragen en/of voorhanden gehad en/of vervoerd en/of het grondgebied van Nederland heeft/hebben doen binnenkomen en/of verhandeld,

waarvan hij en/of zijn mededader(s) -al dan niet- een gewoonte heeft/hebben gemaakt,

zijnde voornoemd(e) wapen(s) (telkens) (een) voorwerp(en) dat/die voor wat betreft zijn/hun vorm en afmeting(en) een sprekende gelijkenis vertoonde(n) met (een) vuurwapen(s) en/of (een) voor ontploffing bestemde voorwerp(en);

Feit 2:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 december 2012 tot en met 22 september 2014 in de gemeente Haarlem en/of IJmuiden, gemeente Velsen en/of Purmerend, althans in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) zonder consent het grondgebied van Nederland heeft/hebben doen binnenkomen van een of meer wapen(s) van categorie III onder 4 (te weten van het merk en/of type EKOL VOLGA en/of een EKOL FIRAT, kaliber 9 mm P.A.K.), zijnde een alarm en/of startpistool

en/of althans

(telkens) voorhanden heeft/hebben gehad en/of vervaardigd en/of getransformeerd en/of hersteld en/of verhandeld en/of anderszins ter beschikking gesteld (van)

een of meer wapen(s) van categorie III onder 4 (te weten van het merk en/of type EKOL VOLGA en/of een EKOL FIRAT, kaliber 9 mm P.A.K.), zijnde een alarm en/of startpistool waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) - al dan niet- een gewoonte heeft/hebben gemaakt;

Feit 3:

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2014 tot en 15 juli 2014 te Purmerend een wapen van categorie III, te weten een Glock (type pistool, model 17) voorhanden heeft gehad.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Inleiding
Naar aanleiding van binnengekomen informatie bij het Team Criminele Inlichtingen Politieregio Noord-Holland is op 15 mei 2014 een onderzoek gestart genaamd 12DRCBreda. Dit onderzoek heeft geleid tot de verdenking dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan verschillende strafbare feiten, te weten het doen binnenkomen van wapens binnen het grondgebied van Nederland en het voorhanden hebben en verhandelen van wapens.

4 Bewijs

4.1

Standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van feiten 1 en 2

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de Ekol Firat Magnum valt onder categorie I onder 7 en de Ekol Volga onder categorie III onder 4 van de Wet wapens en Munitie. Derhalve is ervoor gekozen om de wapens ten laste te leggen in twee afzonderlijke feiten.

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Uit de bestellijst van een vuurwapenfabriek uit Bulgarije, Arms Unlimited, blijkt dat door verdachte in totaal 7 keer geld is overgemaakt, waarbij in totaal voor ruim € 3.500,- is overgemaakt. Uit het aanvullend proces-verbaal blijkt dat de bestelde wapens door DPD werden geleverd op verschillende adressen in Purmerend, te weten: [adres 2] , [adres 3] en [adres 4] . De bestellers waren [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] . In totaal zijn 10 pakketten geleverd op de [adres 2] te Purmerend, welke afkomstig waren uit Bulgarije. Uit onderzoek is gebleken dat in de hele GBA van Purmerend geen [naam 4] staat ingeschreven. Op het adres [adres 2] staat onder andere [naam 3] ingeschreven, die belastend over verdachte heeft verklaard. Daarnaast werd in onderzoek Appel op een lege doos uit Bulgarije het [telefoonnummer] aangetroffen, waarvan verdachte heeft aangegeven dat dit zijn telefoonnummer is. Dit telefoonnummer heeft veelvuldig contact gehad met het telefoonnummer van [naam 3] . De officier van justitie heeft zich – gelet op het voorgaande – op het standpunt gesteld dat de bestellingen en betalingen te linken zijn aan verdachte, alsmede de plaatsen van leveringen. Concluderend acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het doen binnenkomen van wapens binnen het grondgebied van Nederland.

Voor het bewijs dat verdachte een rol heeft gehad in de verdere handel in de ingevoerde wapens verwijst de officier van justitie naar de verklaring van [medeverdachte 1] , die zij betrouwbaar acht en welke ondersteuning vindt in onder andere de verklaring van [naam 5] , het proces-verbaal van bevindingen bestelling Neita, de verklaring van [medeverdachte 2] dat alles in Purmerend begint, alsmede de telecombevindingen, waaruit blijkt dat (fysiek) contact heeft plaatsgevonden tussen verdachte en [medeverdachte 2] . Concluderend acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich in een periode van ongeveer een jaar samen met één of meer anderen op meerdere tijdstippen vuurwapens voorhanden hebben gehad en dat zij gedurende die periode meermalen betrokken zijn geweest bij de verkoop en overdracht van vuurwapens en munitie en acht dan ook bewezen dat verdachte hiervan een gewoonte heeft gemaakt.

De officier van justitie heeft verzocht de pleegperiode in te korten naar de periode van 1 september 2013 tot en met 22 september 2014. Daarnaast heeft de officier van justitie verzocht verdachte vrij te spreken van het transformeren en vervaardigen van wapens.

Ten aanzien van feit 3

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde feit. [naam 6] heeft verklaard dat hij de Glock twee maanden geleden heeft gekocht van een Nederlandse jongen, die hij in zijn telefoon als [bijnaam] heeft staan. Onderzoek aan de onder [naam 6] inbeslaggenomen telefoons heeft opgeleverd dat de naam [bijnaam] aan het [telefoonnummer 2] kan worden gekoppeld en de naam [bijnaam] aan het [telefoonnummer 3] . Uit onderzoek is gebleken dat beide telefoonnummers aan verdachte toebehoren. Daarnaast heeft [naam 7] verklaard dat hij ene [bijnaam] kent die op een driewielig motorvoertuig rijdt. Uit onderzoek is gebleken dat verdachte over een Piaggio met drie wielen beschikt. De officier van justitie acht op basis van het voorgaande bewezen dat [bijnaam] verdachte is en dat hij betrokken was bij de verkoop van de Glock die op 12 oktober 2014 bij [naam 6] is aangetroffen.

4.2

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 1

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte ten aanzien van feit 1 dient te worden vrijgesproken, omdat niet duidelijk is onder welke categorie van de Wet wapens en munitie de Ekol Firat Magnum valt en een dergelijke wapen ook niet bij verdachte is aangetroffen. De raadsman heeft gewezen op jurisprudentie waaruit blijkt dat een Ekol Firat Magnum eerder lijkt te vallen onder categorie III onder 4 en niet onder categorie I onder 7, zoals is ten laste gelegd.

Ten aanzien van feit 2

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken. De betalingen van verdachte aan Arms Ltd te Bulgarije zijn niet op de bestellijsten (van de wapens) terug te vinden. Daarnaast blijkt uit de overboekingen van verdachte aan Armst Ltd te Bulgarije niet wat voor goederen zijn besteld en of de gedane bestellingen wel zijn aangekomen in Nederland. De raadsman heeft aangevoerd dat de conclusie dat [naam 4] verdachte is niet kan worden getrokken. De omstandigheden dat de naam en het adres van [naam 3] en het telefoonnummer van verdachte op hetzelfde label wordt aangetroffen op een kartonnen doos van een merk dat munitie verkoopt en de omstandigheid dat op het adres van [naam 3] (op naam van [naam 4] ) wapens zijn besteld, zijn onvoldoende om te kunnen bewijzen dat het verdachte is geweest die de wapens heeft besteld. Op basis van het voorgaande is de raadsman van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de wapens binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht.

De verdenking dat verdachte heeft gehandeld in wapens (en wapens heeft vervoerd, voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen) stoelt in beslissende mate op de verklaring van [medeverdachte 1] . Het eventueel gebruiken van de verklaring van [medeverdachte 1] levert in de visie van de verdediging dan ook een schending van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) op en mag niet worden gebruikt voor het bewijs. Indien de verklaring van [medeverdachte 1] wordt uitgesloten van het bewijs kan niet tot een bewezenverklaring worden gekomen van het voorhanden hebben, vervoeren, overdragen en verhandelen van wapens. De omstandigheid dat verdachte contact heeft gehad met medeverdachte [medeverdachte 2] en dat hij meerdere malen bij hem thuis is geweest, wil niet zeggen dat zij samen in wapens hebben gehandeld. Indien de verklaring van [medeverdachte 1] niet wordt uitgesloten van het bewijs en bewezen wordt verklaard dat verdachte wapens naar [medeverdachte 2] heeft gebracht en aan hem heeft verkocht, blijkt niet, althans onvoldoende, uit het dossier dat dit zou gaan om de Ekol Volga, Ekol Firat of Ekol Firat Magnum. De enkele omstandigheid dat die wapens voorkwamen op de bestellijst van Arms Ltd in Bulgarije wil niet zeggen dat verdachte over deze wapens de beschikkingsmacht heeft gehad, laat staan dat bewezen kan worden dat verdachte die wapens aan [medeverdachte 2] heeft geleverd.

Tenslotte heeft de raadsman verzocht verdachte vrij te spreken van het gewoonte maken en van medeplegen. Voor wat betreft een eventuele samenwerking volgt onvoldoende uit het dossier wat de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van verdachte is geweest.

Ten aanzien van feit 3

Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat de verdenking volledig is gebaseerd op de verklaring van [naam 6] . Primair heeft de raadsman aangevoerd dat de mogelijkheid bestaat dat met de naam ‘ [bijnaam] ’ de kennis wordt bedoeld die de contactpersoon (van het wapen) heeft geregeld. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat gelet op de verschillende verhoren van [naam 6] in het dossier niet zonder enige twijfel kan worden vastgesteld van wie hij de Glock heeft gekocht. Niet kan worden uitgesloten dat hij de Glock van een ander dan verdachte heeft gekocht. Tenslotte heeft de raadsman aangevoerd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de Glock in de periode van 1 juni 2014 tot en met 15 juli 2014 voorhanden heeft gehad.

4.3

Oordeel van de rechtbank

4.3.1

Vrijspraak ten aanzien van feit 1
De rechtbank is – met de raadsman – van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen verdachte onder 1 ten laste is gelegd en overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank heeft geconstateerd dat zich in het procesdossier diverse processen-verbaal bevinden, welke een beschrijving en categorisering van aangetroffen wapens en munitie weergeven. In het proces-verbaal van bevindingen (dossierpagina N126) wordt de Ekol Firat Magnum gedetermineerd aan de hand van een fotografische opname en wordt gesteld dat het wapen valt onder categorie I onder 7 van de Wet wapens en munitie.

Tijdens een doorzoeking van de woning gelegen aan de [adres 5] is een Ekol Firat Magnum aangetroffen, welke is onderzocht. Uit het proces-verbaal omschrijving wapens Locatie [adres 5] (dossierpagina’s N706 t/m N731) blijkt dat de Ekol Firat Magnum onder categorie III onder 4 van de Wet wapens en munitie valt.

Wat betreft de categorisering van de Ekol Firat Magnum zal de rechtbank van het proces-verbaal omschrijving wapens Locatie [adres 5] uitgaan, nu het onderzochte wapen daadwerkelijk is aangetroffen. Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat een Ekol Firat Magnum valt onder categorie III onder 4 van de Wet wapens en munitie kan hetgeen verdachte onder 1 is ten laste gelegd niet wettig en overtuigend worden bewezen. Verdachte zal derhalve daarvan worden vrijgesproken.

4.3.2

Redengevende feiten en omstandigheden ten aanzien van feit 2 1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Uit het vuurwapenhandel onderzoek genaamd Bola ontving onderzoek Breda een bestellijst van vuurwapens uit de fabriek in Bulgarije. De bestellijst was over de periode 2 oktober 2013 tot en met 27 januari 2014. Uit de bestellijst bleek dat ene [naam 4] op 7 november 2013 en 16 december 2013 in totaal 40 Ekol Volga’s heeft besteld en op 8 januari 2014 in totaal 4 Ekol Firat Magnums op het adres [adres 2] te Purmerend.2

Op 27 augustus 2014 zijn de historische bankgegevens opgevraagd van [bankrekeningnummer] welke op naam staat van verdachte. Uit de opgevraagde bankafschriften bleek dat er 7 bestellingen zijn gedaan bij een bedrijf genaamd Arms Ltd te Bulgarije. Van het rekeningnummer van verdachte is in totaal een bedrag van €3.548,39 overgemaakt aan Arms Ltd te Bulgarije.3

In onderzoek Bola is bij het bedrijf Arms Ltd te Sofia (Bulgarije) een lijst opgevraagd met daarin alle namen en adressen in Nederland waaraan zij hebben geleverd. Uit deze lijst kwamen onder andere de volgende adressen en personen naar voren:

[naam 2] , [adres 2] te Purmerend.

Hr. [naam 4] , [adres 2] te Purmerend.

[naam 3] , [adres 2] te Purmerend.

Hr. [naam 1] , [adres 3] te Purmerend.

Hr. [naam 1] , [adres 4] te Purmerend.4

Bij de pakketdienst DPD werd een vordering over de periode oktober 2013 en 5 december 2014 gedaan met het verzoek tot het vrijgeven van de hoeveelheid pakketten en herkomst op het adres [adres 2] te Purmerend. In totaal werden op het adres [adres 2] te Purmerend 10 pakketten door pakketdienst DPD afgeleverd. Uit de leverlijst van de DPD bleek dat er een 9-tal pakketten uit Bulgarije werden afgeleverd. De levertijd varieerde tussen de 4 en 7 dagen.5

Tijdens een doorzoeking van de woning op het adres [adres 4] te Purmerend in het onderzoek Appel werd een kartonnen doos aangetroffen met het opschrift Ozkursan/www.ozkursan.com.tr. Op de kartonnen doos zat het volgende adreslabel:

[naam 3]

[adres 2] te Purmerend

[telefoonnummer] .

Uit onderzoek naar het opschrift op de kartonnen doos bleek dat Ozkursan munitie leverde.6 Op het etiket stond het pakketnummer 166024102153333. De aangetroffen doos werd volgens de lijst van DPD op 20 december 2013 op het adres [adres 2] te Purmerend afgeleverd.7

Op het adres [adres 2] te Purmerend staan onder andere ingeschreven: [naam 8] en [naam 3] . Het [telefoonnummer] is door verdachte tijdens een verhoor in onderzoek Appel opgegeven als zijn telefoonnummer. Uit de historische printlijsten bleek dat het [telefoonnummer] op 21 en 22 november 2013 contact had met het [telefoonnummer 6] , welke op naam stond van [naam 8] .8 Ook bleek uit de historische printlijsten dat het [telefoonnummer] veelvuldig contact heeft met het [telefoonnummer 4] welke op naam staat van [naam 3] . Blijkens het GBA staat er geen [naam 4] geregistreerd (de rechtbank begrijpt: in Purmerend).9

[naam 3] heeft verklaard dat zijn huis de rol was met betrekking tot de handel in Ekol vuurwapens. Als aan [naam 3] wordt gevraagd of er Ekol vuurwapens op zijn adres zijn afgeleverd, knikt hij ja.10 Hij zou hiervoor geld krijgen.11 Als wordt gevraagd of de pakketten na levering meteen naar een andere plek worden gebracht, knikt [naam 3] ja. Ook knikt [naam 3] bevestigend als wordt voorgehouden dat de politie denkt dat als er pakketten werden geleverd hij contact opnam met Kevin.12

De Ekol Firat Magnum betreft een wapen in de zin van artikel 2, lid 1, categorie III onder 4 van de Wet wapens en munitie.13 De Ekol Volga betreft een wapen in de zin van artikel 2, lid 1, categorie III onder 4 van de Wet wapens en munitie.14 Invoer van wapens in de zin van artikel 2, lid 1, categorie III onder 4 van de Wet wapens en munitie is verboden.15

Bewijsoverwegingen

De rechtbank laat het verweer van de raadsman dat de verklaringen van [medeverdachte 1] onbetrouwbaar zijn en moeten worden uitgesloten van het bewijs onbesproken, nu zijn verklaringen niet zijn gebruikt voor het bewijs.

Gezien het gegeven dat [naam 4] meerdere bestellingen heeft gedaan bij het Bulgaarse bedrijf Arms Ltd op het adres [adres 2] te Purmerend, het [telefoonnummer] op een doos van een bedrijf dat munitie levert wordt aangetroffen, waarvan verdachte heeft verklaard dat het zijn telefoonnummer is, het gegeven dat dit telefoonnummer veelvuldig contact heeft met [naam 3] die staat ingeschreven op het adres [adres 2] te Purmerend waar de vuurwapens daadwerkelijk werden geleverd, het gegeven dat [naam 4] niet voorkomt in de GBA van Purmerend en gelet op de belastende verklaring van [naam 3] , concludeert de rechtbank dat [naam 4] [verdachte] is.

De rechtbank is van oordeel dat, hoewel geen wapens bij verdachte zijn aangetroffen, gelet op de bewijsmiddelen in het dossier geconcludeerd kan worden dat de door verdachte ingevoerde wapens vuurwapens zijn in de zin van artikel 2, lid 1, categorie III onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten de Ekol Firat Magnum en de Ekol Volga.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien met de bewijsmiddelen, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zonder consent vuurwapens van categorie III onder 4 het grondgebied van Nederland heeft binnengebracht.

Partiële vrijspraken

De rechtbank is – evenals de officier van justitie en de raadsman – van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte wapens heeft vervaardigd, heeft getransformeerd, heeft hersteld of anderszins ter beschikking heeft gesteld.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om wettig en overtuigend te kunnen bewijzen dat verdachte al dan niet in vereniging wapens voorhanden heeft gehad of heeft verhandeld. Het enkele gegeven dat verdachte (fysieke) contacten heeft gehad met [medeverdachte 2] , die hij nog kent van de schildersopleiding, is daartoe onvoldoende. Verdachte zal derhalve van deze delen van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Medeplegen

De rechtbank is – evenals de raadsman – van oordeel dat niet is gebleken dat verdachte in het kader van een nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen wapens binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, zodat verdachte van het ten laste gelegde medeplegen dient te worden vrijgesproken.

Gewoonte maken

De rechtbank is – evenals de raadsman – van oordeel dat geen sprake is van een gewoonte maken van het binnen het grondgebied van Nederland brengen van wapens, zodat verdachte van het ten laste gelegde gewoonte maken dient te worden vrijgesproken.

Pleegperiode

De rechtbank is – evenals de officier van justitie – van oordeel dat de pleegperiode dient te worden ingekort. De rechtbank zal dan ook uitgaan van een pleegperiode van 1 september 2013 tot en met 22 september 2014 en zal verdachte van het overige vrijspreken.

4.3.3

Redengevende feiten en omstandigheden ten aanzien van feit 3

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Op 12 augustus 2014 werd ten behoeve van de naleving op de Wegenverkeerswetgeving een witkleurige Peugeot gecontroleerd. De bestuurder bleek te zijn genaamd: [naam 6] . In de Peugeot stond op de bijrijdersstoel een zwartkleurige sporttas, waarover [naam 6] verklaarde dat daarin een vuurwapen zat. In de sporttas werd in een pizzadoos een Glock vuurwapen met een patroonhouder en een doosje patronen aangetroffen. Het wapen zat in plastic met schilderstape vastgeplakt in de doos.16 Het wapen is onderzocht en betrof een vuurwapen van het merk Glock, type pistool, model 17 en is strafbaar gesteld in artikel 2, lid 1, categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie.17

[naam 6] heeft verklaard dat hij het pistool ongeveer twee maanden geleden heeft gekocht voor € 1.700,- van een Nederlandse jongen die hij in zijn telefoon [bijnaam] heeft genoemd en wie hij tegenkomt in Purmerend. [naam 6] omschreef de jongen als volgt: 22 à 24 jaar met gewoon postuur, kort haar met een slag erin, liep altijd in een trainingspak/joggingpak en op sportschoenen en is ongeveer 1.80 meter lang. De naam [bijnaam] was de afkorting voor pistool.18 [verbalisant] heeft verklaard dat het door [naam 6] gegeven signalement gelijkend is met dat van verdachte.19

Naar aanleiding van de verklaring van [naam 6] werd onderzoek ingesteld naar de onder hem inbeslaggenomen telefoons. In de Blackberry stond een contactpersoon geregistreerd onder de naam “ [bijnaam] ”. Het telefoonnummer dat bij deze naam stond geregistreerd luidde [telefoonnummer 2] . Uit de printlijsten van het [telefoonnummer 2] bleek dat het nummer regelmatig contact had met het [telefoonnummer 5] ; de vaste huislijn van het woonadres van verdachte. Daarnaast werd het [telefoonnummer 2] veelvuldig gebeld door een mobiel telefoonnummer welke op naam staat geregistreerd van het [hotel] . Hieruit kan worden afgeleid dat het [telefoonnummer 2] in gebruik was bij verdachte.20 In de IPhone stond een contactpersoon geregistreerd onder de naam “ [bijnaam] ”. Het telefoonnummer dat bij deze naam stond geregistreerd luidde [telefoonnummer 3] .21 Op 26 september 2014 werd onderzoek ingesteld bij [hotel] , de werkplek van verdachte. In de locker van verdachte werd onder andere een notitieblaadje met daarop het telefoonnummer [telefoonnummer 3] aangetroffen.22 Tijdens de doorzoeking van de woning aan de woning van verdachte op het [adres 6] te Purmerend werd een zwartkleurige Blackberry aangetroffen en in beslag genomen.23 Op 13 oktober 2014 werd door een rechercheur ingebeld op het [telefoonnummer 3] . Vervolgens was te zien dat de zwarte Blackberry actief werd en dat het telefoonnummer van desbetreffende rechercheur in het scherm van de Blackberry te lezen was.24

[naam 7] heeft verklaard dat hij een jongen kent die op een driewielig motorvoertuig rijdt en [bijnaam] wordt genoemd.25

Verdachte heeft verklaard dat hij gebruik maakt van een driewieler, een Piaggio MP3.26

Bewijsoverweging

De rechtbank acht de verklaring van [naam 6] , zoals hij die bij de politie heeft afgelegd, betrouwbaar. Niet alleen is op geen enkele wijze aannemelijk geworden dat [naam 6] een reden of motief had om over de rol van verdachte leugenachtig te verklaren, maar die verklaring wordt bovendien op wezenlijke punten ondersteund door overige bewijsmiddelen. De politie heeft de naam “ [bijnaam] ” in beide telefoons van [naam 6] aangetroffen en uit onderzoek is gebleken dat de beide telefoonnummers die aan de naam “ [bijnaam] ” waren gekoppeld in gebruik waren bij verdachte. Gedurende het onderzoek ter terechtzitting is verdachte naar deze zeer belastende omstandigheid gevraagd, maar hij heeft daarvoor geen redelijke verklaring gegeven en heeft deze zeer sterke aanwijzing voor zijn betrokkenheid bij de verkoop van de Glock aan [naam 6] derhalve niet ontzenuwd.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien met de bewijsmiddelen, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte de Glock voorhanden heeft gehad.

4.4

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 2:

hij op tijdstippen in de periode van 1 september 2013 tot en met 22 september 2014 in de gemeente Purmerend, althans in Nederland,

telkens zonder consent het grondgebied van Nederland heeft doen binnenkomen van wapens van categorie III onder 4 te weten van het merk en/of type EKOL VOLGA en een EKOL FIRAT, kaliber 9 mm P.A.K., zijnde alarmpistolen.

Feit 3:

hij in de periode van 1 juni 2014 tot en 15 juli 2014 te Purmerend een wapen van categorie III, te weten een Glock type pistool, model 17 voorhanden heeft gehad.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 2:

handelen in strijd met artikel 14, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit

begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd.


Feit 3:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7 Motivering van de sancties

7.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van de periode die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Bij het bepalen van haar strafeis heeft de officier van justitie rekening gehouden met het tijdsverloop in deze zaak, maar heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Daarnaast heeft de officier van justitie rekening gehouden met de LOVS-oriëntatiepunten, waarbij zij in aanmerking neemt dat het gaat om omgebouwde alarmpistolen, alsmede met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

7.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht, indien zij tot bewezenverklaring van de strafbare feiten komt, rekening te houden met het tijdsverloop in deze zaak, het gegeven dat verdachte reeds 2,5 jaar is geschorst onder strenge bijzondere voorwaarden, waaronder Elektronisch Toezicht voor een periode van 1,5 jaar, alsmede de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De raadsman heeft primair verzocht een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, waarbij het onvoorwaardelijke strafdeel gelijk is aan de duur van het voorarrest. Subsidiair heeft de raadsman oplegging van een taakstraf – naast de (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf – in overweging gegeven.

7.3

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft door zijn handelen wapens in de Nederlandse samenleving in omloop gebracht. Bij verdachte zijn geen wapens teruggevonden, zodat het ervoor moet worden gehouden dat deze wapens zich in het illegale circuit bevinden. Daarmee heeft verdachte in ernstige mate bijgedragen aan het verboden wapenbezit in Nederland. Het gevolg hiervan is dat de Nederlandse samenleving onveiliger is geworden. De rechtbank neemt dit verdachte kwalijk.

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op

het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 15 februari 2017, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder, maar niet ter zake van de Wet wapens en munitie, onherroepelijk is veroordeeld. Wel heeft verdachte in februari 2014 een transactie betaald voor overtreding van de Wet wapens en munitie.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. De rechtbank zal hier bij het bepalen van de straf ten voordele van verdachte rekening mee houden. Daarnaast houdt de rechtbank ten voordele van verdachte rekening met het gegeven dat hij zijn leven thans weer enigszins op de rit heeft gekregen, zoals is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting, en met het gegeven dat hij zich al ruim twee jaar heeft moeten houden aan de voorwaarden voor schorsing van zijn voorlopige hechtenis.

Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank uitsluitend wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het doen binnenkomen van vuurwapens binnen het grondgebied van Nederland.

Gelet op bovengenoemde omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank acht het bovendien niet opportuun nu nog een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte opleggen. De rechtbank is van oordeel dat een gevangenisstraf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte van de gevangenisstraf vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf zal de rechtbank bepalen op de duur van het voorarrest.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de maximale taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, moet worden opgelegd.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

artikelen 14, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

9 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van driehonderdzestig (360) dagen, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot tweehonderdachtenzeventig (278) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van tweehonderdveertig (240) uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door honderdtwintig (120) dagen hechtenis.

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. P.H. Lauryssen, voorzitter,

mr. A. Warmerdam en mr. T. Fuchs, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.A. Spoelstra,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 31 maart 2017.

mr. T. Fuchs en mr. A. Warmerdam zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Het proces-verbaal visualisatie bestelde wapens d.d. 14 september 2014 met bijlage (dossierpagina’s N99 t/m N103).

3 Het proces-verbaal bevindingen d.d. 11 september 2014 (dossierpagina’s N388 en N389).

4 Het proces-verbaal bevindingen d.d. 11 september 2014 (dossierpagina N390).

5 Het proces-verbaal [adres 2] afleveradres DPD d.d. 15 december 2014 (losse bijlage).

6 Het proces-verbaal [naam 4] = [verdachte] d.d. 12 september 2014 (dossierpagina N400).

7 Het proces-verbaal [adres 2] afleveradres DPD d.d. 15 december 2014 (losse bijlage).

8 Het proces-verbaal bevindingen d.d. 11 september 2014 (dossierpagina’s N389 en N390).

9 Het proces-verbaal [naam 4] = [verdachte] d.d. 12 september 2014 (dossierpagina N401).

10 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [naam 3] d.d. 10 december 2014 (losse bijlage).

11 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [naam 3] d.d. 11 december 2014 (losse bijlage).

12 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [naam 3] d.d. 12 december 2014 (losse bijlage).

13 Het proces-verbaal van bevindingen (omschrijving wapens locatie [adres 5] ) d.d. 11 november 2014 (dossierpagina’s N706, N707 en N714 t/m N716).

14 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 september 2014 met fotobijlage (dossierpagina’s N124 en N125); het proces-verbaal van bevindingen (wapenomschrijving locatie F: [adres 7] ) d.d. 7 november 2014 (dossierpagina’s N697 t/m N703); het proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 oktober 2014 (losse bijlage).

15 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 september 2014 (dossierpagina N115).

16 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 augustus 2014 (losse bijlage).

17 Het proces-verbaal van bevindingen (wapenomschrijving Glock) d.d. 21 augustus 2014 (losse bijlage).

18 Het proces-verbaal van verhoor van [naam 6] d.d. 14 augustus 2014 (losse bijlage).

19 Het proces-verbaal Glock vuurwapen verhandeld door [verdachte] d.d. 4 september 2014 (dossierpagina N412).

20 Het proces-verbaal Glock vuurwapen verhandeld door [verdachte] d.d. 4 september 2014 (dossierpagina’s N411 en N412).

21 Het proces-verbaal van bevindingen [bijnaam] d.d. 15 oktober 2014 (dossierpagina N414).

22 Het proces-verbaal van bevindingen onderzoek Locker d.d. 26 september 2014 met fotobijlage (dossierpagina’s N420 t/m N422).

23 Het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming d.d. 23 september 2014 met bijlage (dossierpagina’s N179 t/m N181).

24 Het proces-verbaal van bevindingen [bijnaam] d.d. 15 oktober 2014 (dossierpagina N414).

25 Het proces-verbaal van verhoor van [naam 7] d.d. 16 oktober 2014 (dossierpagina O20).

26 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 22 september 2014 (dossierpagina B34).