Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:2911

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
05-04-2017
Datum publicatie
14-04-2017
Zaaknummer
5174409 CV EXPL 16-5682
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

CAO 2011-2013 onverminderd van toepassing gebleven op leden van de FNV tot het moment van opzegging per 1 mei 2016. Ook na 1 mei 2016 zijn de arbeidsvoorwaarden bepalingen uit deze CAO van toepassing gebleven nu deze bepalingen “nawerken”.

Wetsverwijzingen
Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst
Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst 9
Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst 14
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 248
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-0462
JAR 2017/126 met annotatie van mr. dr. E. Koot-van der Putte
AR 2017/1998
JIN 2017/131 met annotatie van E. Aerts

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr: 5174409 CV EXPL 16-5682

Uitspraakdatum: 5 april 2017

Vonnis in de zaak van:

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid Federatie Nederlandse Vakbeweging,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres

verder te noemen: FNV

gemachtigde: mr. R.A. Severijn,

tegen

de commanditaire vennootschap Transavia Airlines C.V.,

gevestigd te Schiphol,

gedaagde

verder te noemen: Transavia

gemachtigde: mr. R.C.M. Andriessen.

1 Het procesverloop

1.1.


FNV heeft bij dagvaarding van 13 juni 2016 een vordering tegen Transavia ingesteld. Transavia heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.


Op 28 oktober 2016 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Na deze zitting heeft de FNV op 1 januari 2017 een akte houdende eiswijziging genomen, en heeft Transavia bij akte van 8 februari 2017 hierop gereageerd. Hierna is uitspraak verzocht.

2 De vordering en het verweer

2.1.


FNV vordert bij gewijzigde eis:
1. dat de kantonrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, voor recht verklaart
primair:
dat de CAO 2011-2013 onverminderd op de leden van de FNV van toepassing is;
subsidiair:
dat de CAO 2011-2013 op de leden van de FNV van toepassing is tot 1 mei 2016.


2. dat de kantonrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, Transavia veroordeelt tot
primair:
toekenning van 10 ADV-dagen op jaarbasis aan de leden van de FNV die vóór 1 mei 2016 lid waren van de FNV en in dienst waren van Transavia, met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2015, onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- per dag dat Transavia nalaat aan deze veroordeling te voldoen;
subsidiair:
toekenning van 10 ADV-dagen op jaarbasis aan de leden van de FNV die vóór 1 mei 2016 lid waren van de FNV en in dienst waren van Transavia, met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2015 tot 1 mei 2016, onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- per dag dat Transavia nalaat aan deze veroordeling te voldoen;

3. één en ander met veroordeling van Transavia in de kosten van het geding.

2.2.


Transavia voert verweer. Op de inhoud waarvan hierna zal worden in gegaan.


3. De feiten
3.1.
FNV behartigt de belangen van werknemers, waaronder werknemers werkzaam in de sector personenvervoer door de lucht.

3.2.


Op de arbeidsovereenkomsten van de bij Transavia in dienst zijnde werknemers, werkzaam als grondpersoneel, is van toepassing de collectieve arbeidsovereenkomst Transavia Grondpersoneel, verder te noemen “de CAO Grondpersoneel”.

3.3.


Bij Transavia vallen ongeveer 600 medewerkers onder de werkingssfeer van de CAO Grondpersoneel. Ten aanzien van de organisatiegraad geldt dat daarvan circa 200 zijn aangesloten bij een vakbond. De georganiseerde werknemers zijn globaal als volgt verdeeld over de vakbonden:
-tussen de 79-86 lid van de NVLT
-tussen de 70-87 lid van de FNV
-circa 35 lid van De Unie
-6 lid van de CNV
Eén en ander betekent dat de FNV iets minder dan 1/3 van de in totaal 200 bij de vakbonden aangesloten werknemers vertegenwoordigt, en circa 15 % van het totaal aantal van 600 werknemers dat valt onder de werkingssfeer van de CAO Grondpersoneel.

3.4.

Bij de CAO 2011-2013 waren de volgende vakbonden partij: de FNV, de CNV, De Unie en NVLT. In Bijlage 9A “Arbeidsduurverkorting” van de CAO 2011-2013 is, samengevat, bepaald dat medewerkers per jaar recht hebben op 10 roostervrije dagen van 8 uur of 20 roostervrije dagen van 4 uur.

3.5.


Op 7 oktober 2015 is een nieuwe CAO afgesloten met als looptijd 1 mei 2013 tot en met 31 december 2016, hierna “CAO 2013-2016”. Bij deze CAO waren de CNV, De Unie en NVLT partij (en de FNV niet). In het Onderhandelingsakkoord ten aanzien van deze CAO is onder 3) ten aanzien van de ADV-dagen samengevat bepaald dat deze in 2 jaar worden afgebouwd naar 4 dagen. Over 2015 bestaat nog recht op 7 dagen en vanaf 2016 en verder, bestaat er recht op 4 dagen. Per saldo leveren de werknemers op grond van deze nieuwe CAO dus 6 ADV-dagen in.


3.6.
De CAO 2011-2013 is door Transavia bij aangetekende brief opgezegd op 28 januari 2016.

3.7.


FNV heeft Transavia verzocht om de CAO 2011-2013 onverminderd te blijven toepassen op haar leden. Transavia heeft bij brief van 8 maart 2016 laten weten dat zij van mening is dat de nieuwe CAO 2013-2016 ook de FNV leden bindt, en dat zij (dus) gerechtigd is de gewijzigde ADV-regeling met ingang van 1 januari 2015 ook op leden van de FNV toe te passen.


4. De beoordeling

4.1.

Het geschil dat partijen verdeeld houdt, betreft de vraag of de leden van de FNV gebonden zijn aan de CAO 2013-2016, met name aan de daarin met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2015 opgenomen afbouw van ADV dagen (van 10 naar 7 dagen in 2015 en naar 4 dagen vanaf 2016).

4.2.


Vooropgesteld moet worden dat gebondenheid van werknemers aan een CAO op meerdere manieren tot stand kan komen:
-rechtstreekse binding als lid van een CAO sluitende vakbond; leden van de FNV zijn via artikel 9 lid 1 Wet CAO rechtstreeks gebonden aan een CAO waarbij de FNV partij is;
-werknemers die geen lid zijn van een vakbond kunnen toch gebonden zijn aan een CAO wanneer deze algemeen verbindend is verklaard;
-werknemers kunnen via een zogeheten incorporatiebeding in hun arbeidsovereenkomst, waarbij de bepalingen uit een CAO van toepassing zijn verklaard, gebonden zijn aan de CAO;
-ten slotte is ten aanzien van arbeidsvoorwaardenbepalingen uit een CAO sprake van doorwerking in de individuele arbeidsovereenkomsten, hetgeen inhoudt dat deze voorwaarden gaan deel uitmaken van de individuele arbeidsovereenkomsten; aldus blijven deze bepalingen gelden (nawerken) ook wanneer de CAO niet langer geldig is.

Gebondenheid op grond van artikel 9 Wet CAO
4.3.
Op grond van artikel 19 Wet CAO is de CAO 2011-2013 telkens voor 1 jaar verlengd en pas geëindigd per 1 mei 2016 als gevolg van de opzegging door Transavia op 28 januari 2016. De kantonrechter volgt Transavia niet in haar standpunt dat de CAO 2011-2013 door het met terugwerkende kracht vanaf 1 mei 2013 tot stand komen van een nieuwe CAO waarbij FNV geen partij is, is geëindigd ten aanzien van de FNV.

Uitgangspunt is dan ook dat in beginsel de CAO 2011-2013 van toepassing is gebleven op leden van de FNV gedurende de gehele periode tussen 1 januari 2011 en 1 mei 2016. Dit zou slechts anders kunnen zijn indien de nieuwe CAO 2013-2016 via incorporatie in de arbeidsovereenkomst, van toepassing is geworden (zie hierna).

Gebondenheid via het incorporatiebeding
4.4.
In artikel 5.1. van de CAO 2011-2013 is het volgende bepaald:
“Het aangaan of verlengen van een dienstbetrekking tussen werkgever en werknemer wordt vastgelegd in een arbeidsovereenkomst op de wijze als vermeld in bijlage 1.”
In deze (model) arbeidsovereenkomst is in artikel 3 het volgende bepaald:
“Op werknemer zijn van toepassing de bepalingen van de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor Transavia Grondpersoneel.”
Transavia heeft bij nadere aktewisseling niet langer betwist dat de leden van de FNV een arbeidsovereenkomst hadden of hebben zoals verwoord in de Model Arbeidsovereenkomst, Bijlage 1 bij de CAO 2011-2013.

4.5.


Bovengenoemd beding betreft een zogeheten dynamisch incorporatiebeding: het beding ziet niet alleen op de bij het sluiten ervan geldende CAO, maar ook op opvolgende versies ervan. In beginsel betekent dit dat, indien na het sluiten van de arbeidsovereenkomst, een andere CAO bij de werkgever gaat gelden, ervan uit gegaan kan worden dat het beding tevens op die CAO ziet (Hof Den Haag 31 maart 2006, JAR 2006/136).

4.6.


De kern van het geschil dat partijen verdeeld houdt, betreft de vraag welke uitleg in dit geval aan het incorporatiebeding moet worden gegeven. FNV bepleit aan de hand van uitleg op grond van de Haviltex-norm dat haar leden niet hebben beoogd zich ook te binden aan een CAO waarbij hun vakbond geen partij is. Transavia stelt dat het incorporatiebeding deel uitmaakt van een model arbeidsovereenkomst die is opgesteld door CAO-partijen, en dat (dus) een meer geobjectiveerde uitleg voor de hand ligt. Er is geen enkele -objectieve- aanwijzing inhoudende dat de FNV leden beoogd hebben zich alleen te willen binden aan toekomstige CAO's waarbij hun eigen vakbond partij is, aldus Transavia.

4.7.


Uit het arrest DSM/Fox (NJ 2005/493) volgt dat tussen de Haviltex-norm en de CAO-norm geen tegenstelling bestaat, maar een vloeiende overgang. De Hoge Raad heeft in dit arrest samengevat overwogen dat bij de uitleg van een schriftelijk contract telkens van beslissende betekenis zijn alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. Bij uitleg overeenkomstig de Haviltex-norm ligt naarmate het contract (mede) de bedoeling heeft de positie van derden te beïnvloeden, een meer geobjectiveerde uitleg voor de hand. Anderzijds leidt de CAO-norm niet tot een louter taalkundige uitleg en gaat het daarbij ook (onder meer) om de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden.

4.8.


Op grond van deze “gecombineerde uitleg leer” komt de kantonrechter tot het oordeel dat de uitleg die Transavia geeft aan het incorporatiebeding, niet als juist kan worden aanvaard. Doorslaggevend daarbij is het volgende.

4.9.


Vast staat dat de CAO 2011-2013 is afgesloten met de FNV, de CNV, de Unie en de NVLT. Geoordeeld wordt dat de leden van de FNV waar het hier om gaat, redelijkerwijs mochten verwachten dat eventuele toekomstige CAO's, net als de CAO die zij van toepassing hebben verklaard op hun arbeidsovereenkomst door te tekenen voor het betreffende incorporatiebeding, zou worden gesloten met representatieve vakorganisaties, die beogen hun belangen te behartigen. Op het moment dat deze werknemers hebben ingestemd met toepasselijkheid van de - met name genoemde - CAO die is aangegaan door representatieve vakorganisaties hebben zij te kennen gegeven dat zij gebonden willen zijn aan de afspraken die door die vakorganisaties zijn gemaakt. In de aanvaarding van het incorporatiebeding ligt niet de bedoeling besloten om ook aan een CAO die met niet representatieve vakorganisaties is gesloten, gebonden te kunnen worden. Dit volgt zowel uit toepassing van de Haviltex-norm (de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten) als uit een meer geobjectiveerde uitleg (aannemelijkheid van de rechtsgevolgen).


4.10.
Ten aanzien van de representativiteit van de vakorganisaties die de CAO 2013-2016 hebben afgesloten wordt het volgende overwogen (en in dit opzicht doen zich, anders dan door Transavia betoogd, wel degelijk overeenkomsten voor met de Mitex zaak, JAR 2008/191). Ongeveer 600 medewerkers vallen onder de werkingssfeer van de CAO Grondpersoneel. Uitgaande van de hiervoor onder 3.3. genoemde ledenaantallen gedurende de jaren 2014 tot en met 2016, en ervan uitgaande dat deze aantallen in 2011 niet wezenlijk anders waren, geldt dat de representatiegraad bij het aangaan van de CAO 2011-2013 ongeveer 33 % was (1/3 van de 600 werknemers die onder het bereik van de CAO vallen).

4.11.


De CAO 2013-2016 is aangegaan met de NVLT, de Unie en de CNV, samen goed voor circa 120 leden hetgeen neer zou komen op een representatiegraad van ongeveer 20 %. Hierbij past echter een belangrijke kanttekening met betrekking tot de NVLT. Onbestreden is gesteld door de FNV dat de NVLT een zogeheten categorale vakbond is waarvan alleen technici lid kunnen worden (“certifying staff”, onderhoudsmonteurs en instructeurs). Van de 600 medewerkers die vallen onder de CAO grondpersoneel, kunnen ongeveer 150 medewerkers lid worden van de NVLT, de overige 450 medewerkers kunnen dat niet. Feitelijk zijn ca 80 technici aangesloten bij de NVLT, en de overige 70 ongeorganiseerd. Op deze grond is de kantonrechter van oordeel dat de NVLT niet als representatieve vakbond voor (al) het grondpersoneel kan worden aangemerkt. Wanneer het aantal leden van de NVLT buiten beschouwing wordt gelaten, en alleen wordt gekeken naar de leden van de Unie en de CNV, is nog slechts sprake van een representatiegraad van minder dan 10 %. Gelet op het lage ledenaantal van de Unie en de CNV in verhouding tot het aantal leden van de FNV, en mede in aanmerking genomen de hierboven geplaatste kanttekening ten aanzien van de NVLT, is de kantonrechter samenvattend van oordeel dat de CAO 2013-2016 niet is afgesloten met vakbonden die voldoende representatief zijn voor de werknemers die vallen onder de werkingssfeer van de CAO. Het gevolg hiervan is dat de leden van de FNV niet op grond van het incorporatiebeding aan deze CAO zijn gebonden en dat deze CAO niet op hen van toepassing is.

Artikel 14 Wet CAO
4.12.
Transavia heeft als verweer gevoerd dat de leden van de FNV aan de CAO 2013-2016 zijn gebonden op grond van artikel 14 Wet CAO. Dit verweer wordt niet gevolgd.

Artikel 14 legt een verplichting op de werkgever, en wel de verplichting om de CAO ook toe te passen op werknemers, die niet door de CAO zijn gebonden (door hun lidmaatschap van een vakvereniging). Doel hiervan is te voorkomen dat een werkgever na het sluiten van de CAO werknemers in dienst neemt waarmee hij slechtere arbeidsvoorwaarden zou kunnen overeenkomen, omdat zij niet georganiseerd zijn. Artikel 14 richt zich niet op de werknemer en heeft daarom ook niet tot gevolg dat ongebonden werknemers, zoals hier de leden van de FNV ten aanzien van de CAO 2013-2016, deze CAO tegen zich moeten laten gelden.
Gevolgen van gebondenheid aan en toepasselijkheid van de CAO 2011-2013
4.13.
Zoals hiervoor onder 4.3. overwogen is de CAO 2011-2013 onverminderd van toepassing gebleven op leden van de FNV tot het moment van opzegging per 1 mei 2016. Ook na 1 mei 2016 zijn de arbeidsvoorwaarden bepalingen uit deze CAO van toepassing gebleven nu deze bepalingen “nawerken” omdat zij deel zijn gaan uitmaken van de individuele arbeidsovereenkomsten.

Artikel 7:611 BW en 6:248 BW
4.14.
Het beroep van FNV op het eenzijdig wijzigingsbeding en de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid behoeft geen bespreking meer, nu de vordering zal worden toegewezen op grond van de uitleg van het incorporatiebeding.

Conclusie
4.15.
Het voorgaande voert tot de conclusie dat de vorderingen van FNV zullen worden toegewezen. De kantonrechter ziet geen aanleiding tot het opleggen van dwangsommen.
In de aard van de zaak en de procespartijen ziet de kantonrechter aanleiding tot compensatie van kosten.


5. De beslissing

De kantonrechter:

5.1.


verklaart voor recht dat de CAO 2011-2013 onverminderd op de leden van de FNV van toepassing is;

5.2.

veroordeelt Transavia tot toekenning van 10 ADV-dagen op jaarbasis aan de leden van de FNV die vóór 1 mei 2016 lid waren van de FNV en in dienst waren van Transavia, met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2015;

5.3.

compenseert de proceskosten in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt;

5.4.

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.S. Pieters, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter