Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:2899

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
17-02-2017
Datum publicatie
10-04-2017
Zaaknummer
C/15/251420 / HA RK 16-218
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek. Verzoeker is niet-ontvankelijk in zijn wrakingsverzoek, omdat het verzoek is ingediend nadat in de hoofdzaak is beslist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

[jw.sys.1.zaaknr] / [jw.sys.1.rolnummer_rekestnr][datum_beslissing]

Wrakingskamer

zaaknummer / rekestnummer: C/15/251420 / HA RK 16-218

Beslissing van 17 februari 2017

op het verzoek tot wraking ingediend door:

[verzoeker] ,

wonende [woonplaats] ,

verzoeker,

Het verzoek is gericht tegen:

Mr. A.A.F. Donders,

hierna te noemen: de rechter.

1 Procesverloop

1.1

Verzoeker heeft bij verzoekschrift gedateerd 22 november 2016 (ontvangen ter griffie op 23 november 2016) schriftelijk de wraking verzocht van de rechter in de bij deze rechtbank, afdeling privaatrecht, sectie Familie & Jeugd, locatie Haarlem aanhangige zaak met als zaaknummer C/243986 / JU RK 16-889, hierna te noemen: de hoofdzaak.

1.2

De rechter heeft niet in de wraking berust en heeft schriftelijk haar visie gegeven op de ontvankelijkheid.

1.3

Het verzoek is vervolgens behandeld ter zitting van de wrakingskamer van 10 februari 2017. Verzoeker, de rechter en de wederpartij in de hoofdzaak zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Verzoeker en de rechter zijn verschenen. De wederpartij in de hoofdzaak - de Raad voor de Kinderbescherming, gevestigd te Haarlem -heeft van de geboden gelegenheid, met bericht, geen gebruik gemaakt.

Voorts waren - met instemming van verzoeker - als toehoorder aanwezig: [A] , de ex-partner van verzoeker, [B] , de partner van verzoeker, en [C] , namens de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam.

2 Het standpunt van verzoeker

Verzoeker heeft ter onderbouwing van het verzoek - samengevat - het volgende

aangevoerd. De rechter in de hoofdzaak heeft op de voortgezette zitting op 22 november 2016 ter behandeling van het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot ondertoezichtstelling van de minderjarige kinderen van verzoeker en zijn ex-partner op enig moment gezegd: “Wij zitten hier niet voor de waarheids(be)vinding.” Verzoeker stelt zich op het standpunt dat deze stelling in strijd is met artikel 6 van het EVRM, welk artikel onderdanen van de lidstaten een onafhankelijke rechter waarborgt. Verzoeker meent dat de rechter door bovengenoemde opmerking, ervan heeft blijkgegeven in deze zaak niet aan die onafhankelijkheid inhoud (actief, dan wel passief) te willen geven.

Verzoeker stelt dat hij zijn wrakingsverzoek tijdig heeft ingediend. Immers, hij is gerechtigd een wrakingsverzoek in te dienen op het moment dat het hem duidelijk is dat er iets is voorgevallen dat een wraking rechtvaardigt. Verzoeker legt uit dat hij zich pas later heeft gerealiseerd dat hiervan sprake was, waarna hij zijn wrakingsverzoek onmiddellijk, te weten in de nacht van 22 op 23 november 2016 per fax heeft ingediend. Bovendien - zo schrijft verzoeker in zijn wrakingsverzoek - heeft de rechtbank ter zitting (van 22 november 2016) gezegd, dat zij niet vandaag (als u dit leest, gisteren), maar dat zij morgen (als u dit leest, vandaag) in een zogenaamde “openbare” zitting een uitspraak c.q. een beschikking zou geven. Verzoeker is daarom van mening dat de zaak op het tijdstip van de indiening van het wrakingsverzoek formeel nog loopt en nog niet is geëindigd in een uitspraak/beschikking. Verzoeker schrijft vervolgens nog in zijn wrakingsverzoek, dat hij morgen (als u dit leest: vandaag) graag bij die zitting aanwezig zou willen zijn, maar dat hij de tijd niet weet, zodat hij, om er zeker van te zijn dat hij op tijd was, dit faxbericht heeft gestuurd.

Ter zitting heeft verzoeker zijn standpunt nader uiteen gezet, mede aan de hand van een schriftelijke toelichting, die hij aan de wrakingskamer heeft overgelegd.

4 Het standpunt van de rechter

De rechter heeft op 28 november 2016 per e-mail een reactie gegeven.

Zij heeft hierin de gang van zaken beschreven met betrekking tot het einde van de behandeling van de zitting in de hoofdzaak en de - latere - uitspraak. Volgens de rechter heeft zij aan betrokkenen aan het eind van de behandeling van de (hoofd)zaak ter zitting op 22 november 2016 aangegeven dat zij niet direct aansluitend uitspraak zou doen, omdat zij langer de tijd wilde nemen om al hetgeen ter zitting naar voren was gebracht, op een rij te zetten. Zij heeft vervolgens medegedeeld dat zij uiterlijk woensdag 23 november 2016 uitspraak zou doen en daartoe de beide advocaten en de vertegenwoordigers van de Raad voor de Kinderbescherming en Jeugdbescherming Regio Amsterdam de uitspraak zou (laten) doorbellen. De schriftelijke versie zou dan enkele weken later volgen.

Uiteindelijk heeft zij, na raadkamer, de secretaris die haar ter zitting bijstond, verzocht alle betrokkenen die middag nog de uitspraak door te bellen. Volgens de gespreksinformatie van het daartoe gebruikte telefoontoestel is de uitspraak op 22 november 2016 om 16.31 uur persoonlijk aan de advocaat van de vader (mr. M. Dickhoff) doorgegeven. De andere belanghebbenden zijn op de volgende tijdstippen gebeld:

22 november 2016 om 16.33 uur: de advocaat van [A] ;

22 november 2016 om 16.34 uur: de Raad voor de Kinderbescherming;

22 november 2016 om 16.37 uur: Jeugdbescherming regio Amsterdam.

De rechter concludeert daarom dat verzoeker niet-ontvankelijk in zijn wrakingsverzoek, omdat dit verzoek na de (eind)uitspraak en daarom niet tijdig is gedaan.

Ter zitting heeft de rechter een nadere toelichting gegeven, de context geschetst waarin het woord ‘waarheidsvinding’ gezien moet worden, geconcludeerd dat er haars inziens geen sprake is van een reden tot wraking en zij heeft haar standpunt ten aanzien van de ontvankelijkheid gehandhaafd.

5 De beoordeling

5.1

Een verzoek tot wraking kan in beginsel in elke stand van de procedure worden gedaan, mits de behandeling van de zaak nog niet is geëindigd door het wijzen van een einduitspraak. Op grond van artikel 37 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) wordt het wrakingsverzoek gedaan “zodra de feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden aan de verzoeker bekend zijn geworden”.

5.2

Wraking is een middel ter verzekering van de onpartijdigheid van de rechter. Op grond van hetgeen is bepaald in artikel 36 Rv kan de rechter die een zaak behandelt worden gewraakt. Het middel is derhalve toegekend aan een partij die wenst te voorkomen dat een rechter die jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans aan een partij die dienaangaande vrees heeft die objectief gerechtvaardigd is, (nog langer) bemoeienis met de zaak zal hebben. Dat doel kan niet meer worden bereikt als de rechter reeds een einduitspraak heeft gedaan. De behandeling van de zaak is dan immers geëindigd.

5.3

De zitting in de hoofdzaak is bepaald op en heeft plaatsgevonden op 22 november 2016 te 9.00 uur. Verzoeker is bij die gelegenheid verschenen, vergezeld van zijn advocaat. Niet ter discussie staat dat de rechter niet onmiddellijk ter zitting uitspraak heeft gedaan, maar dat zij heeft aangegeven dat de uitspraak later zou volgen. Volgens verzoeker heeft de rechter aangekondigd dat de uitspraak op 23 november 2016 zou worden gedaan; volgens de rechter heeft zij gezegd dat deze uiterlijk op 23 november 2016 zou worden gedaan.

Vaststaat dat de griffier die de rechter ter zitting heeft bijgestaan, de advocaat van verzoeker op 22 november 2016 om 16.31 uur de beslissing van de rechter telefonisch heeft medegedeeld, inhoudende de toewijzing van het verzoek tot ondertoezichtstelling. Aansluitend heeft de griffier deze uitspraak ook aan de andere betrokkenen telefonisch doorgegeven.

Op de zitting ter behandeling van het wrakingsverzoek heeft verzoeker verklaard dat hij op 22 november 2016 tussen 17.30 en 18.00 uur door zijn advocaat kort op de hoogte is gesteld van de beslissing van de rechtbank op het verzoek tot ondertoezichtstelling; de volgende dag heeft hij de beslissing uitvoeriger met zijn advocaat besproken. In de nacht van 22 op 23 november 2016 heeft hij het wrakingsverzoek opgesteld en per fax naar de rechtbank gezonden.

5.4

Op grond van de hiervoor beschreven gang van zaken is de wrakingskamer van oordeel dat het verzoek tot wraking is ingediend, nadat de beslissing in de hoofdzaak door de rechter was genomen, de griffier deze telefonisch aan de advocaat van verzoeker en de overige betrokkenen kenbaar had gemaakt en verzoeker die beslissing had bereikt.

Aangezien de wet niet voorziet in de mogelijkheid een rechter te wraken nadat deze in de hoofdzaak heeft beslist, dient het verzoek op deze grond niet-ontvankelijk te worden verklaard. De stelling van verzoeker dat hij in de veronderstelling verkeerde dat de uitspraak pas op 23 november 2016 zou worden gedaan doet daaraan niet af.

Dat de beslissing van de rechter door de griffier telefonisch aan de betrokkenen is doorgegeven en daarmee niet voldoet aan het wettelijke vereiste dat de uitspraak van de rechter in het openbaar geschiedt, maakt het voorgaande niet anders en kan aan de orde worden gesteld in een eventueel hoger beroep.

6 Beslissing

De rechtbank

6.1

Verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn wrakingsverzoek.

6.2

Beveelt de griffier onverwijld aan verzoeker, de rechter en de wederpartij in de hoofdzaak - de Raad voor de Kinderbescherming, gevestigd te Haarlem - een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden.

Deze beslissing is gegeven door mr. H.M. van Dam, voorzitter, mr. A.C. Terwiel-Kuneman en mr. C.A.M. van der Heijden, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van M. Struijk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2017.[concipiënt_initialen]

griffier voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.