Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:2571

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
22-03-2017
Datum publicatie
03-04-2017
Zaaknummer
C/15/236228 / HA ZA 15-821
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vordering van echtgenoot en dochter van overledene tot veroordeling van gedaagde (zuster van de overledene en de rechthebbende op het graf) om toestemming te verlenen tot herbegrafenis van de overledene. Gedaagde beroept zich op het gezag van gewijsde van een eerdere procedure tussen partijen die in 2010 heeft geleid tot een arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2010:BO2416). Dat beroep slaagt voor zover het is gebaseerd op feiten en omstandigheden die al aan de orde zijn geweest in de vorige procedure. Het gezag van gewijsde staat er echter niet aan in de weg dat sprake kan zijn van nieuwe feiten en omstandigheden die niet voorafgaand aan het arrest aan de orde konden worden gesteld en die nopen tot het oordeel dat gedaagde thans misbruik maakt of heeft gemaakt van haar bevoegdheid om toestemming tot opgraving te weigeren. De rechtbank concludeert dat hetgeen eisers hebben aangevoerd niet kwalificeert als nieuwe feiten of omstandigheden in die zin. De vordering wordt afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2017/129
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer / rolnummer: C/15/236228 / HA ZA 15-821

Vonnis van 22 maart 2017

in de zaak van

1 [eiser1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiser2],

wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. J.M. Bakx-van den Anker te Amsterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. G. Dik te Laren Nh.

Partijen zullen hierna [eiser1] en [eiser2], dan wel tezamen [eisers], en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 25 januari 2017 waarbij de zaak is verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank en de daarin genoemde stukken

  • -

    de akte van [gedaagde] van 8 februari 2017 waarbij [gedaagde] heeft aangegeven geen nadere mondelinge behandeling te wensen .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 3 september 2001 is overleden mevrouw [A.] (hierna: de overledene). De overledene was echtgenote van [eiser1] en moeder van [eiser2].

2.2.

[gedaagde], is een zuster van de overledene. Ten tijde van het overlijden waren er nog negen andere broers en zusters van de overledene in leven.

2.3.

De overledene is begraven op de begraafplaats [begraafplaats] te [woonplaats] in het graf met nummer 490, waarin eerder haar ouders zijn begraven. De kist met het stoffelijk overschot van de overledene is geplaatst boven de kisten met de stoffelijke overschotten van haar ouders, die tevens de ouders van [gedaagde] zijn. [gedaagde] is de rechthebbende op het graf.

2.4.

In 2006 is tussen partijen een geschil ontstaan over de wijze

waarop het graf door de verschillende nabestaanden mag worden benut om de overledene en haar ouders te gedenken. Tot de nabestaanden behoren mede de nog levende broers en zusters van [gedaagde] en de zoon van de overledene.

2.5.

[eisers] hebben in 2006 aan de burgemeester van [woonplaats] een vergunning verzocht als bedoeld in artikel 29 van de Wet op de lijkbezorging voor opgraving van de overledene om haar opnieuw te begraven op een begraafplaats te

[woonplaats] in een (mede) voor dit doel door [eiser1] aangekocht graf.

2.6.

[eisers] hebben aan [gedaagde] gevraagd de voor de opgraving vereiste toestemming te geven. [gedaagde] heeft dit geweigerd.

2.7.

Op 2 augustus 2007 hebben [eisers] [gedaagde] gedagvaard voor de rechtbank te Haarlem en gevorderd dat zij zal worden veroordeeld tot het verlenen van haar medewerking aan het opgraven van het stoffelijk overschot en het herbegraven. Bij vonnis van 27 februari 2008 heeft de rechtbank Haarlem de vordering afgewezen.

2.8.

Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 24 maart 2009 in hoger beroep de uitspraak van de rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, [gedaagde] veroordeeld om binnen 14 dagen na betekening van het arrest haar toestemming te geven voor het opgraven van het stoffelijk overschot van de overledene door middel van een schriftelijke mededeling aan de burgemeester van [woonplaats].

2.9.

Bij besluit van 23 oktober 2009 heeft de burgemeester van [woonplaats] de vergunningaanvraag van [eisers] afgewezen wegens het ontbreken van de toestemming van de rechthebbende op het graf en vervolgens het daartegen gerichte bezwaar bij besluit van 7 april 2010 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 24 januari 2011 heeft de afdeling bestuursrecht van de rechtbank Haarlem het daartegen door [eisers] ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.

2.10.

[gedaagde] heeft tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 24 maart 2009 beroep in cassatie ingesteld. Bij arrest van 24 december 2010 heeft de Hoge Raad het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 24 maart 2009 vernietigd, en het vonnis van de rechtbank Haarlem van 27 februari 2008 bekrachtigd.

2.11.

De Hoge Raad heeft onder meer het volgende overwogen:

3.5.1 Het Hof heeft in rov. 4.11 vooropgesteld dat het [gedaagde] als rechthebbende op het graf in beginsel vrijstaat naar eigen inzicht haar toestemming voor het opgraven van de overledene te geven of te weigeren. Deze vrijheid vindt volgens het hof echter haar begrenzing in hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt en in het wettelijk verbod een bevoegdheid uit te oefenen op een wijze waartoe, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet kan worden gekomen.

3.5.2

Aldus brengt het hof tot uitdrukking dat de rechthebbende op een graf haar of zijn bevoegdheid om toestemming tot opgraving te weigeren kan misbruiken wegens de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening van de bevoegdheid en het belang dat daardoor wordt geschaad (art. 3:13 lid 2 BW).

3.5.3

Dat uitgangspunt is op zichzelf juist, maar gelet op de omstandigheid dat het hier gaat om uitoefening van een bevoegdheid die het stoffelijk overschot van een overleden persoon en diens laatste rustplaats betreft, wordt de belangenafweging die plaats dient te vinden in het kader van de beantwoording van de vraag of de rechthebbende op het graf door geen toestemming tot opgraving te geven deze bevoegdheid in de gegeven omstandigheden misbruikt in eerder genoemde zin, in de eerste plaats bepaald door het respect voor de overledene en het ook uit de regeling van art. 29 van de Wet op de lijkbezorging blijkende algemene belang dat het stoffelijk overschot dat ter aarde is besteld met rust wordt gelaten en niet onnodig wordt opgegraven. Art. 29 bepaalt immers in het eerste lid dat een lijk slechts wordt opgegraven met vergunning van de burgemeester van de gemeente waarin het is begraven, en, indien het een particulier graf betreft, met toestemming van de rechthebbende op het graf. Het openen van een graf en de opgraving van een stoffelijk overschot van een familielid kan bovendien emotioneel zeer ingrijpend zijn voor de nabestaanden. Dit brengt mee dat slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zal kunnen zijn van misbruik van bevoegdheid als hier bedoeld, zoals het bestaan van een zwaarwegend belang dat noodzaakt tot opgraving.

[…]

3.7.2

De door [eisers] gewenste opgraving en herbegrafenis van het stoffelijk overschot heeft uitsluitend ten doel verplaatsing van het stoffelijk overschot naar een ander graf opdat zij de overledene kunnen gedenken op de wijze waarop zij dat wensen te doen. De wijze van gedenken van een overledene is in het algemeen geen belang dat noodzaakt tot opgraving en verplaatsing van een stoffelijk overschot. Dat zou anders kunnen zijn indien de omstandigheden het de nabestaanden daadwerkelijk onmogelijk maken het graf te bezoeken om daar de overledene te gedenken.

3.7.3

Een dergelijke onmogelijkheid heeft het hof niet vastgesteld. Dat, zoals het hof in rov. 4.14 overweegt, [eisers] niet in staat zijn de overledene ter plaatse in rust en geslotenheid te gedenken (daargelaten wat het hof daaronder heeft verstaan, nu niet is vastgesteld dat [eisers] als zij het graf bezoeken door [gedaagde] of anderen worden gehinderd) en de plaats waar de overledene is begraven in te richten op de wijze die zij verkiezen, is het gevolg van het feit dat de overledene is bijgezet in het graf van haar ouders. Daardoor vindt de wijze waarop [eisers] de overledene wensen te gedenken zijn grens in de manier waarop [gedaagde] en de andere broers en zusters van de overledene niet alleen de overledene maar ook hun ouders wensen te gedenken.

3.7.4

Dat hierdoor een diepgaand geschil is gerezen tussen partijen dat heeft geleid tot onwrikbaarheid van de standpunten over en weer, wordt door het hof niet toegerekend aan het gedrag van [gedaagde] en de andere broers en zusters van de overledene. Dit laatste kan ook niet worden gelezen in de passage in rov. 4.13 met betrekking tot het niet deelnemen van [gedaagde] aan de mediation. Evenmin rekent het hof de aantasting van de gezondheid van [eisers] […] toe aan het gedrag van [gedaagde]. De conclusie moet dan ook zijn dat naar het oordeel van het hof niet (enkel) het gedrag van [gedaagde] of de andere broers en zusters van de overledene het geschil heeft veroorzaakt.

3.7.5

Bij deze stand van zaken kan niet anders worden geoordeeld dan dat de omstandigheid dat [eisers] door de bestaande toestand worden belemmerd in hun behoefte het graf in te richten op een door hen te verkiezen wijze […] een gevolg is van de bijzetting van de overledene in hetzelfde graf als waarin haar ouders liggen begraven. In het licht hiervan en van hetgeen hiervoor in 3.5.3, 3.7.2 en 3.7.3 is overwogen, is de omstandigheid dat de genoemde belemmering, naar het oordeel van het hof, uitsluitend kan worden opgeheven door de overledene opnieuw te begraven in een afzonderlijk graf, onvoldoende om te kunnen oordelen dat de weigering van [gedaagde] haar toestemming tot opgraving te geven misbruik van bevoegdheid oplevert, of een onrechtmatige daad jegens [eisers]

[…]

3.9

De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat hetgeen [eisers] hebben gesteld geen grond kan opleveren voor het oordeel dat [gedaagde] misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid geen toestemming te verlenen tot opgraving van het stoffelijk overschot van de overledene. [eisers] hebben geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan die weigering op andere gronden onrechtmatig zou zijn.

2.12.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bij uitspraak van 21 december 2011 het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank van 24 januari 2011 waarbij [eisers] niet-ontvankelijk was verklaard gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd. Bij besluit van 25 april 2012 heeft de burgemeester van [woonplaats] vervolgens vergunning verleend aan [eisers] voor het laten opgraven en herbegraven van de overledene.

2.13.

Nadat de burgemeester van [woonplaats] de genoemde vergunning had verleend, waren [eisers] voornemens om op 31 oktober 2014 de overledene op te laten graven en te laten herbegraven. Bij vonnis in kort geding van 28 november 2014 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland op vordering van [gedaagde] [eisers] verboden om zonder daartoe verkregen toestemming van [gedaagde] over te gaan tot het doen gaan opgraven van het stoffelijk overschot van de overledene.

3 Het geschil

3.1.

[eisers] vorderen om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. [gedaagde] te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis haar medewerking te verlenen aan het herbegraven van de overledene door schriftelijk toestemming te verlenen tot het openen van het familiegraf nummer 490 op de begraafplaats [begraafplaats] te [woonplaats] en tot het opgraven en het vervoeren naar [woonplaats] van de kist met het lichaam van de overledene, op straffe van een dwangsom,

  2. te bepalen dat, als [gedaagde] haar medewerking aan bedoelde opgraving en herbegraving niet verleent, dit vonnis in de plaats treedt van de sub a. bedoelde toestemming,

  3. [gedaagde] te veroordelen in de (na)kosten van dit geding.

3.2.

[eisers] leggen aan hun vordering ten grondslag dat [gedaagde] onrechtmatig handelt dan wel misbruik maakt van haar bevoegdheid als rechthebbende op het graf doordat zij opnieuw weigert toestemming te geven voor het opgraven van de overledene als bedoeld in artikel 29 lid 1 van de Wet op de Lijkbezorging.

3.3.

[gedaagde] voert primair het verweer dat aan het arrest van de Hoge Raad gezag van gewijsde toekomt en dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden, zodat de vorderingen moeten worden afgewezen.

3.4.

[eisers] brengen daar tegenin dat het onderhavige geding weliswaar dezelfde procespartijen betreft, maar dat het niet gaat om dezelfde rechtsbetrekking als in de procedure bij de Hoge Raad. De onderhavige procedure is niet gebaseerd op de weigering van [gedaagde] in 2006 om toestemming te verlenen om het graf te openen, maar op de weigering van [gedaagde] in 2014 om die toestemming te verlenen. Het nieuwe verzoek van [eisers] en de nieuwe weigering van [gedaagde] moeten volgens [eisers] worden bezien in het licht van de volgende nieuwe feiten en omstandigheden:

- de grafrusttermijn van 10 jaar is inmiddels ruimschoots verstreken;

- [eisers] beschikken thans over een vergunning van de burgemeester, waarbij ook rekening is gehouden met het verstrijken van de grafrusttermijn, hetgeen nog niet het geval was ten tijde van het arrest van de Hoge Raad;

- het is voor [eiser1] inmiddels fysiek onmogelijk om het graf van de overledene in [woonplaats] te bezoeken;

- het einde van het leven van [eiser1] nadert en hij wenst in hetzelfde graf te rusten als zijn overleden echtgenote;

- de gezondheid van [eisers] lijdt steeds zwaarder onder de huidige situatie.

Ook wijzen [eisers] op de volgende uitspraken van:

  • -

    het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) van 12 juni 2014 (LJN 50132/12, EHRC 2014/202),

  • -

    het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2015 (ECLI:NL:GHAMS:2015:5086),

  • -

    de rechtbank Noord-Nederland van 23 december 2015 (ECLI:NL:RBNNE:2015:5987) en

  • -

    de rechtbank Oost-Brabant van 7 januari 2016 (ECLI:NL:RBOBR:2016:53).

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Artikel 236 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) luidt dat beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht hebben. De ratio van deze bepaling is dat het ongewenst is dat een eenmaal beslecht geschilpunt in een volgende procedure opnieuw ter discussie wordt gesteld.

4.2.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de achtergrond van de wens van [eisers] tot opgraving van de overledene met name daarin is gelegen dat in hun optiek de overledene niet had moeten worden begraven op de begraafplaats in [woonplaats], omdat dat dat niet de wens was van de overledene. Daarover heeft het gerechtshof in rov. 4.12 van zijn arrest in de vorige procedure echter reeds overwogen dat niet is voldaan aan de eis van schriftelijkheid van de wens van de overledene ten aanzien van de plaats waar zij zou willen worden begraven, zodat hetgeen de overledene daar al dan niet over heeft opgemerkt niet bepalend is voor hetgeen met betrekking tot de gevraagde toestemming voor opgraving mag worden verlangd. Nu de Hoge Raad zich daarover niet heeft uitgelaten is het geschil op dat punt definitief geëindigd met de beslissing van het gerechtshof. Daarnaast is niet in geschil dat [eisers] hetzelfde vorderen als in de vorige procedure die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad en hetzelfde doel beogen: te weten het verkrijgen van medewerking van [gedaagde] aan opgraving om het lichaam van de overledene te kunnen verplaatsen naar een ander graf opdat [eisers] de overledene daar kunnen gedenken. [gedaagde] voert dan ook terecht aan dat sprake is van dezelfde rechtsbetrekking in geschil zodat het beroep op het gezag van gewijsde slaagt voor zover het is gebaseerd op feiten en omstandigheden die reeds aan de orde zijn geweest in de vorige procedure.

4.3.

Het gezag van gewijsde van het arrest van de Hoge Raad staat er echter niet aan in de weg dat sprake kan zijn van nieuwe feiten en omstandigheden die niet voorafgaand aan het arrest aan de orde konden worden gesteld en die nopen tot het oordeel dat [gedaagde] thans misbruik maakt of heeft gemaakt van haar bevoegdheid om toestemming tot opgraving te weigeren. De rechtbank zal de door [eisers] aangevoerde feiten en omstandigheden in dat kader beoordelen. Daarbij neemt de rechtbank in acht het oordeel van de Hoge Raad dat de wijze van gedenken van een overledene in het algemeen geen belang is dat noodzaakt tot opgraving en verplaatsing van een stoffelijk overschot en dat dat anders zou kunnen zijn als de omstandigheden het de nabestaanden daadwerkelijk onmogelijk maken het graf te bezoeken om daar de overledene te gedenken.

4.4.

De enkele omstandigheid dat [gedaagde] in 2014 desgevraagd opnieuw toestemming zou hebben geweigerd, hetgeen [gedaagde] overigens betwist, noopt niet tot een ander oordeel dan reeds in de vorige procedure gegeven. Deze omstandigheid behoeft dus geen nadere bespreking.

Tijdsverloop en vergunning

4.5.

In rov. 3.5.3 van zijn arrest heeft de Hoge Raad overwogen dat de belangenafweging bij de beoordeling van de vraag of de rechthebbende op een graf misbruik maakt van de bevoegdheid om toestemming tot opgraving te weigeren in de eerste plaats wordt bepaald door het respect voor de overledene en het ook uit de regeling van artikel 29 van de Wet op de lijkbezorging blijkende algemene belang dat het stoffelijk overschot dat ter aarde is besteld met rust wordt gelaten en niet onnodig wordt opgegraven.

Ter onderbouwing heeft de Hoge Raad gewezen op het feit dat artikel 29 lid 1 van de Wet op de lijkbezorging bepaalt dat een lijk slechts wordt opgegraven met vergunning van de burgemeester en met toestemming van de rechthebbende. De Hoge Raad heeft op grond daarvan geconcludeerd dat slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zal kunnen zijn van misbruik van bevoegdheid als hiervoor bedoeld, zoals in geval van het bestaan van een zwaarwegend belang dat noodzaakt tot opgraving.

4.6.

Uit niets blijkt dat de Hoge Raad bij zijn overweging is uitgegaan van een bepaalde periode gedurende welke een stoffelijk overschot niet zou mogen worden gestoord en evenmin dat enkel tijdsverloop zou kunnen leiden tot een ander beoordelingskader. De omstandigheid dat in dit geval meer dan 10 jaar is verstreken sinds de begrafenis kwalificeert dan ook niet als een nieuw feit als bedoeld in rov. 4.3.

De omstandigheid dat ten tijde van de procedure bij de Hoge Raad nog geen vergunning was verleend door de burgemeester heeft bij de beoordeling door de Hoge Raad evenmin een rol gespeeld en kwalificeert reeds om die reden evenmin als nieuw feit zoals hiervoor bedoeld. Het feit dat op grond van artikel 29 van de Wet op de lijkbezorging een vergunning van de burgemeester nodig is om een stoffelijk overschot te mogen opgraven was voor de Hoge Raad enkel in het algemeen redengevend om te komen tot zijn hiervoor weergegeven toetsingskader dat alleen in uitzonderlijke gevallen sprake kan zijn van misbruik van bevoegdheid bij de weigering om toestemming te geven tot opgraving door een rechthebbende op een graf. Bovendien is de toestemming van de burgemeester niet relevant voor de vraag die nu voorligt.

Fysieke situatie en gezondheid van [eisers] en grafwens van [eiser1]

4.7.

[eisers] betogen dat het voor [eiser1] inmiddels fysiek onmogelijk is om het graf te bezoeken omdat hij steeds slechter ter been is geworden en hartproblemen heeft. [eisers] onderbouwen die stelling door te wijzen op het feit dat aan [eiser1] een gehandicaptenparkeerplaats is toegewezen en door overlegging van verklaringen van de huisarts en de cardioloog. [eisers] wijzen er daarbij ook op dat [eiser1] zelf niet meer kan rijden naar de begraafplaats in [woonplaats] en dat hij daarvoor afhankelijk is van de hulp van [eiser2].

4.8.

De fysieke situatie van [eiser1] heeft reeds in de eerdere procedure een rol gespeeld en is door het gerechtshof bij zijn overwegingen betrokken in rov. 4.14. De verklaring van de cardioloog van 17 februari 2015 bevestigt dat in de situatie van [eiser1] ten opzichte van 2007 geen verandering is gekomen en in zoverre is dan ook geen sprake van nieuwe feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel nopen dan in de vorige procedure gegeven. Weliswaar zijn de toekenning van een gehandicaptenparkeerplaats en de verklaring van de huisarts van 2 september 2016 dat [eiser1] aan hem heeft aangegeven niet meer in staat te zijn met de auto naar het graf te kunnen nieuwe omstandigheden ten opzichte van de situatie in 2010, maar geen nieuwe omstandigheden als bedoeld in rov. 4.3. Dat het voor [eiser1] op die gronden daadwerkelijk onmogelijk is om het graf van de overledene te bezoeken blijkt daaruit immers niet. Er zijn alternatieve vormen van vervoer denkbaar van en naar de begraafplaats, hetgeen ook geldt voor het vervoer naar het graf op de begraafplaats zelf.

4.9.

Ten aanzien van de psychische situatie van [eisers] geldt dat het gerechtshof ook die omstandigheden reeds heeft betrokken in zijn beoordeling in genoemde rov. 4.14. Thans hebben [eisers] een verklaring overgelegd van de huisarts van 7 oktober 2015 waarin deze bevestigt dat [eiser2] bekend is met psychosomatische klachten die worden veroorzaakt door de spanningen en stress waaronder zij “al jaren” gebukt gaat en die verband houden met de situatie rondom de herbegrafenis van de overledene. Die verklaring wijst echter niet op een wezenlijke verandering in de psychische situatie die leidt tot het oordeel dat sprake is van een nieuw feit of omstandigheid als bedoeld in rov. 4.3. Ook ten aanzien van [eiser1] ontbreken aanwijzingen dat in die zin sprake is van nieuwe omstandigheden.

4.10.

De omstandigheid dat het einde van het leven van [eiser1] nadert kan vanzelfsprekend niet worden gekwalificeerd als nieuw feit zoals hiervoor bedoeld.

Zijn wens om in hetzelfde graf te rusten als zijn overleden echtgenote is mogelijk nieuw in die zin dat dit gevoel zich wellicht eerst heeft geopenbaard na het arrest van de Hoge Raad, maar een gevoel kwalificeert niet als nieuw feit als hier bedoeld. Bovendien levert een dergelijke wens geen zwaarwegend belang op dat noodzaakt tot opgraving zodat dit ook anderszins onvoldoende zou zijn om te kunnen concluderen dat [gedaagde] als rechthebbende op het graf misbruik maakt van haar bevoegdheid door toestemming tot opgraving te weigeren. In de door [eisers] aangehaalde uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 23 december 2015 overweegt de rechtbank in rov. 4.5 overeenkomstig.

Jurisprudentie

4.11.

Voor zover [eisers] zich overigens nog beroepen op de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland en op de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2015 kan dat hen niet baten. Beide uitspraken zien op de wens van de overledene ten aanzien van de plaats van begrafenis en de personen die daar na overlijden zeggenschap over hebben. Hiervoor is in rov. 4.2 echter reeds geoordeeld dat de wens van de overledene onderdeel was van de rechtsbetrekking in geschil die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad, zodat daarvoor het gezag van gewijsde geldt. Bovendien kan een rechterlijke uitspraak geen nieuw feit of omstandigheid opleveren dat noopt tot een ander oordeel zoals bedoeld in rov. 4.3. Tot slot merkt de rechtbank op dat de uitspraken van de rechtbank Oost-Brabant van 7 januari 2016 en van het EHRM van 12 juni 2014 beide een ander toetsingskader betreffen dan het onderhavige geschil.

4.12.

Gelet op het voorgaande zullen de vorderingen van [eisers] worden afgewezen.

4.13.

[eisers] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 285,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.189,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eisers] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.189,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Kruithof, mr. J.I. de Vreese-Rood en mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2017.1

1 type: coll: