Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:2521

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
27-03-2017
Datum publicatie
31-03-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 2347
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

AW; CAR-UWO; chauffeur persvuilauto van de afdeling Reiniging & Groen verschijnt onder invloed van alcohol op het werk na eerdere soortgelijke incidenten en waarschuwingen; zeer ernstig plichtsverzuim; onvoorwaardelijk strafontslag; beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 16/2347

uitspraak van de meervoudige kamer van 27 maart 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. L. van Dijk),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [gemeente], verweerder

(gemachtigde: mr. G.G.E.A. Frederix).

Procesverloop

Bij besluit van 11 december 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser met ingang van 12 december 2015 de disciplinaire maatregel van onvoorwaardelijk ongevraagd ontslag opgelegd.

Bij besluit van 21 april 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. Frederix, [naam 1] , afdelingshoofd, [naam 2] , senior medewerker P &O en [naam 3] , uitvoerder Reiniging en de direct leidinggevende van eiser.

Het onderzoek ter zitting is geschorst teneinde partijen in de gelegenheid te stellen om te komen tot een minnelijke regeling. Partijen hebben de rechtbank vervolgens bericht niet tot overeenstemming te zijn gekomen.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten nadat partijen de rechtbank toestemming hadden verleend om uitspraak te doen zonder nadere zitting.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Eiser was sinds 1 september 1980 werkzaam bij de gemeente [gemeente] , laatstelijk in de functie van chauffeur bij de afdeling Reiniging & Groen met een aanstelling in algemene dienst.

1.2.

In 2009 is eiser tweemaal op het werk verschenen met kennelijke kenmerken van alcoholgebruik. Eiser werd niet in staat geacht om auto te kunnen rijden, dan wel zijn werkzaamheden goed uit te kunnen voeren en is naar huis gestuurd. Eiser is er daarbij op gewezen dat als hij weer kenmerken vertoont van alcoholgebruik en/of niet meewerkt aan een voorgestelde behandeling, hij rekening moet houden met disciplinaire gevolgen.

1.3.

Op 25 april 2011 heeft eisers leidinggevende tijdens een telefoongesprek met eiser geconstateerd dat eiser beschonken was. Op 27 april 2011 is eiser aangesproken op zijn functioneren en zijn door zijn leidinggevenden zorgen geuit over eisers drankgebruik. Bij besluit van 3 mei 2011 heeft verweerder eiser opgedragen om op kosten van de gemeente een traject te starten bij de verslavingspraktijk [naam praktijk] .

1.4.

Op 9 augustus 2011 heeft eisers leidinggevende geconstateerd dat eiser bij aanvang van zijn werkzaamheden naar drank rook, waarna eiser heeft toegegeven dat hij had gedronken. Verweerder heeft daarop bij brief van 18 augustus 2011 aan eiser te kennen gegeven dat bij een vermoeden van drankgebruik voortaan een blaastest zal worden afgenomen.

1.5.

Op 12 april 2013 heeft eisers leidinggevende geconstateerd dat eiser bij de aanvang van zijn werkzaamheden naar drank rook. Uit de afgenomen blaastest bleek dat de grens van 0,5 promille alcohol in eisers bloed werd overschreden. Bij besluit van 24 april 2013 heeft verweerder eiser schriftelijke berispt en eiser gewaarschuwd dat als hij opnieuw met tekenen van alcoholgebruik op het werk verschijnt, hij rekening moet houden met verdergaande maatregelen. Eiser is daarop opnieuw gestart met een behandeling via [naam praktijk] .

1.6.

Op 17 november 2015 hebben twee medewerkers bij aanvang van de dienst een alcohollucht bij eiser waargenomen en hiervan melding gemaakt bij leidinggevende [naam 3] . Nadat [naam 3] en collega [collega] ook een alcohollucht hadden geconstateerd en een op de werkplek uitgevoerde blaastest haperde, zijn [naam 3] en [collega] samen met eiser naar het politiebureau gegaan om hem aldaar een blaastest te laten afnemen. Op de blaastest verscheen de melding “alcohol” waarna de politiemedewerker eiser heeft verboden aan het verkeer deel te nemen. Verweerder heeft eiser daarop bij besluit van diezelfde datum met onmiddellijke ingang voor de duur van een week geschorst om zich te beraden op eisers rechtspositie.

1.7.

Op 20 november 2015 heeft verweerder aan eiser het voornemen kenbaar gemaakt hem wegens zeer ernstig plichtsverzuim de disciplinaire maatregel van ongevraagd ontslag op te leggen. Nadat eiser zijn zienswijze bekend heeft gemaakt, heeft verweerder vervolgens besloten zoals hierboven vermeld onder de aanhef Procesverloop.

2. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat met de blaastest bij de politie op 17 november 2015 niet is komen vast te staan dat hij onder invloed was. Hij had de avond ervoor slechts enkele biertjes gedronken. De uitslag van de test gaf alcohol aan, maar hierbij werd geen promillage vermeld. Het is niet duidelijk of de melding alcohol ook betekent dat eiser het wettelijke toegestane alcoholpromillage heeft overschreden. Het had volgens eiser op de weg van verweerder gelegen om meer duidelijkheid te verschaffen over de aard van de test en over de wijze waarop de uitkomst van de test geïnterpreteerd diende te worden. Ook ontbreekt een schriftelijke verklaring of proces-verbaal van de agent.

De twee maanden later opgestelde getuigenverklaringen zijn door het verloop van tijd niet voldoende betrouwbaar. Ook zijn deze eerst na het ontslag opgesteld en is onduidelijk wie de verklaringen heeft opgesteld. Eiser meent dat onder de gegeven omstandigheden het ontslag onevenredig is aan het gepleegde plichtsverzuim. Een voorwaardelijk ontslag of een lichtere straf had meer in de rede gelegen. Eiser is daarbij een in sociaal en cognitief opzicht beperkte man die de draagwijdte van zijn handelen niet overziet. Gelet bovendien op zijn beperkte opleiding en eenzijdige werkervaring en leeftijd is het uitgesloten dat hij ooit nog ander werk vindt. Eiser heeft ter ondersteuning van zijn standpunt een verklaring van [naam 4] , verslavingstherapeut bij [naam praktijk] , meegezonden.

2. Verweerder is van mening dat eiser zich met zijn gedragingen schuldig heeft gemaakt aan een zeer ernstig plichtsverzuim, dat dit plichtsverzuim hem is toe te rekenen en dat de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig is aan de aard en de ernst van het gepleegde plichtsverzuim. Het is voor verweerder onacceptabel dat een medewerker wiens taak eruit bestaat om motorvoertuigen van de gemeente te besturen dit doet terwijl hij onder invloed van alcoholhoudende drank is. Eiser is hierop bij herhaling gewezen en is bij herhaling begeleid teneinde zijn alcoholprobleem te overwinnen. Verweerder acht de hoogte van het alcoholpromillage van eiser niet van belang. Hij acht het ten principale onjuist en ontoelaatbaar dat een medewerker onder invloed van alcoholhoudende drank op het werk verschijnt c.q. aan het werk is. Dat geldt eens te meer nu het een medewerker is die belast is met het besturen van motorvoertuigen, zoals een persvuilwagen.

3. De rechtbank overweegt als volgt. Eiser wordt verweten dat hij onder invloed van alcoholhoudende drank op het werk is verschenen en dat hij het voornemen had om onder invloed van alcohol de persvuilwagen te besturen, terwijl hij wist dat dit niet was toegestaan. Eiser heeft daarbij de herhaaldelijk gemaakte afspraak geschonden dat hij niet weer onder invloed van alcohol op het werk zou verschijnen, terwijl hij niet zelf kenbaar heeft gemaakt dat hij onder invloed van alcohol was.

4. Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot het opleggen van een disciplinaire straf aanleiding kan geven is volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (uitspraak van 15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1997) noodzakelijk dat op grond van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan. Met verweerder heeft de rechtbank de overtuiging verkregen dat eiser zich aan de hem verweten gedragingen schuldig heeft gemaakt. Hierbij is het volgende in aanmerking genomen.

5. Vast staat dat de direct leidinggevende van eiser en enkele collega’s bij het begin van zijn dienst in ochtend van 17 november 2015 bij eiser een alcohollucht hebben waargenomen. Voorts staat vast dat een nadien door de politie uitgevoerde blaastest het alcoholgebruik heeft bevestigd middels de melding “alcohol”. Deze waarnemingen van de collega’s en eisers leidinggevende vormen tezamen met de uitkomst van de blaastest voor de rechtbank voldoende grondslag om aan te nemen dat eiser op 17 november 2015 onder invloed van alcohol op het werk is verschenen en in die hoedanigheid de persvuilauto wilde gaan besturen. De enkele stelling van eiser dat hij de avond ervoor rond 18.00 uur drie of vier biertjes heeft gedronken, doet – wat daarvan overigens ook zij – niet af aan de waarnemingen van de collega’s, de leidinggevende en uitkomst van de blaastest. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan juistheid van die waarnemingen en de daartoe afgelegde schriftelijke verklaringen van [naam 3] en [collega] te twijfelen. Bovendien komen deze verklaringen in grote lijnen overeen met hetgeen eiser zelf heeft verklaard over wat er is gebeurd. De omstandigheid dat de blaastest bij de politie kennelijk geen promillage, maar louter de aanduiding “alcohol” heeft gegeven, maakt niet dat verweerder aan de blaastest geen betekenis heeft kunnen hechten. Juist de omstandigheid dat de agent die de blaastest heeft afgenomen, te kennen heeft gegeven dat eiser dermate alcohol had gedronken dat hij niet aan het verkeer kon deelnemen, maakt dat het voldoende aannemelijk is dat eiser onder invloed van alcohol op het werk is verschenen en dat hij een persvuilwagen wilde gaan besturen, terwijl hij wist dat dit niet was toegestaan. Daargelaten de exacte hoogte van het alcoholpromillage, kan verweerder van zijn medewerkers eisen – zeker als zij vanwege hun werk deelnemen aan het verkeer – dat zij op het werk verschijnen, zonder onder invloed van alcohol te zijn. Door zich zo te gedragen heeft eiser zich schuldig gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. Niet is gebleken dat dit gedrag eiser niet kan worden toegerekend. Eiser heeft niet onderbouwd dat hij ten tijde van belang de onjuistheid van zijn handelen niet heeft kunnen inzien.

6. Vervolgens ligt de vraag voor de door verweerder opgelegde straf evenredig is aan het gepleegde verzuim. Uit de in rubriek 1 uitvoerig weergegeven feiten en omstandigheden blijkt voldoende dat er sinds 2009 meerdere keren sprake is geweest van de situatie waarin eiser op het werk onder invloed was van alcohol. Bovendien is eiser meermalen zowel mondeling als schriftelijk uitdrukkelijk gewezen op de gevolgen als hij wederom onder invloed van alcohol op het werk zou verschijnen en is hij hiervoor in 2013 ook berispt. Eiser was dus een gewaarschuwd man. Verweerder heeft het nodige geduld met eiser betracht en hem ook op kosten van de gemeente meerdere keren een behandeling laten ondergaan voor zijn verslavingsproblematiek. Desondanks is eiser opnieuw de fout ingegaan en is hij niet alleen onder invloed op het werk verschenen, maar was hij ook voornemens de persvuilwagen te gaan besturen. Onder deze omstandighedenacht de rechtbank de opgelegde straf niet onevenredig aan de aard en ernst van het plichtsverzuim.

7. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond is.

8. Bij deze uitspraak is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Buiskool, voorzitter, mr. E.M. van der Linde en

mr. S. Slijkhuis, leden, in aanwezigheid van mr. H.H. Riemeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.