Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:2346

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
23-03-2017
Datum publicatie
31-03-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 480
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

geweigerd drank- en horecavergunning

Wetsverwijzingen
Drank- en Horecawet 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 17/480

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 maart 2017 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster] B.V., te [vestigingsplaats] , verzoekster,

en

de burgemeester van de gemeente Haarlem, verweerder

(gemachtigden: H.M. van der Kamp, C. van der Meer en E.S. de Jong).

Procesverloop

Bij besluit van 20 januari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd aan verzoekster een drank- en horecavergunning te verlenen.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2017. Verzoekster is vertegenwoordigd door [naam] (hierna: [naam] ). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, kan,

indien tegen een besluit bij de rechtbank voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

3. Verzoekster heeft op 21 september 2016 een aanvraag gedaan voor een drank- en horecavergunning ten behoeve van haar horecaonderneming op het perceel [adres] .

4. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Drank- en horecawet (DHW) is het verboden zonder daartoe strekkende vergunning van de burgemeester het horecabedrijf of slijtersbedrijf uit te oefenen.

Op grond van artikel 8, eerste lid, onder b, van de DHW voldoen leidinggevenden van het horecabedrijf en het slijtersbedrijf aan de eis dat zij niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn.

Op grond van artikel 27, eerste lid, onder a, van de DHW wordt een vergunning geweigerd indien niet wordt voldaan aan de ingevolge de artikel 8 tot en met 10 geldende eisen.

5. Verweerder heeft de gevraagde vergunning met het primaire besluit op grond van artikel 27, eerste lid, onder a, van de DHW geweigerd. Verweerder stelt dat [naam] niet voldoet aan het gestelde in artikel 8, eerste lid, onder b, van de DHW.

Verweerder baseert dat standpunt dat [naam] van slecht levensgedrag in de eerste plaats op de volgende antecedenten:

- op 28 februari 2014 is [naam] onherroepelijk veroordeeld tot een geldboete van € 860 en twee maanden ontzegging van de rijbevoegdheid voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- op 25 juni 2014 is [naam] door de Centrale Autoriteit, Bondsrepubliek Duitsland [#] onherroepelijk veroordeeld tot

1. verlies/schorsing van het recht om een bepaald openbaar ambt uit te oefenen;

2. verbod om met minderjarigen te werken of activiteiten uit te oefenen;

3. twee jaar gevangenisstraf waarvan twee jaar voorwaardelijk;

4. andere straffen en maatregelen;

en voorts op het feit dat [naam] het Bibob-vragenformulier onjuist heeft ingevuld.

Dit gedrag past niet bij een leidinggevende van een horecabedrijf, aldus verweerder.

Ter zitting heeft verweerder verklaard dat de antecedenten gedurende een periode van vijf jaar in de weg zullen staan aan het verlenen van een drank- en horecavergunning aan verzoekster zolang [naam] daarin als leidinggevende werkzaam is. Er is echter binnen de periode van vijf jaar geen beletsel voor [naam] om als werknemer in een horecagelegenheid werkzaam te zijn.

6. Verzoekster verzoekt het bestreden besluit te schorsen. Zij voert aan dat [naam] vanwege de financiële omstandigheden waarin hij destijds verkeerde niet goed in zijn vel zat. Hij heeft toen eenmalig de fout gemaakt om 400 gram marihuana en 800 gram cocaïne tegen betaling de grens over te smokkelen. Voorafgaand aan dit incident is [naam] nog nooit met drugs in aanraking geweest en daarna ook niet. Ook is [naam] nooit, afgezien van voornoemd incident en de door hem vermelde snelheidsovertreding, met justitie in aanraking geweest. Verzoekster geeft aan dat [naam] eenmalig een fout heeft begaan en met professionele hulp daarmee in het reine probeert te komen. Verder stelt verzoekster dat [naam] het Bibob-formulier niet met opzet onvolledig heeft ingevuld. Hij dacht dat daarin alleen werd gevraagd naar strafrechtelijke veroordelingen in Nederland en daarom heeft hij de veroordeling in Duitsland niet vermeld.

7. Bij de vraag of er aanleiding bestaat om bij wijze van een voorlopige voorziening het bestreden besluit te schorsen, hetgeen in dit geval betekent dat de horecaonderneming van verzoekster conform het door verweerder gevoerde beleid geopend mag blijven totdat op het ingediende bezwaar is beslist, geldt dat voor het treffen van een dergelijke verstrekkende voorziening slechts plaats is indien op grond van de beschikbare gegevens met een grote mate van waarschijnlijkheid moet worden aangenomen dat verweerder bij de te nemen beslissing op bezwaar tot de conclusie zal (moeten) komen dat de vergunning niet had mogen worden geweigerd. In dat kader wordt als volgt overwogen.

8. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de eis van het niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn in de DHW is opgenomen, omdat aan leidinggevende personen in horecabedrijven met betrekking tot hun levensgedrag bijzondere, meer dan gemiddelde eisen dienen te worden gesteld. Achtergrond hiervan is dat de bijzondere verantwoordelijkheid van de leidinggevende bij exploitatie van een bedrijf in een voor criminaliteit gevoelige branche niet verenigbaar is met crimineel gedrag of crimineel verleden.

9. Niet in geschil is dat [naam] leidinggevende van de horecaonderneming van verzoekster is. Verder is niet in geschil dat de genoemde antecedenten hebben plaatsgevonden en dat het Bibob-formulier door [naam] niet (geheel) naar waarheid is ingevuld.

10. Op grond van vaste rechtspraak, zie onder meer uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 1 juni 2016 (ECLI:RVS:2016:1520) is bij of krachtens de DHW geen nadere omschrijving gegeven van de eis dat leidinggevenden niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn. Derhalve zijn geen beperkingen gesteld aan de feiten of omstandigheden die bij de beoordeling van het levensgedrag mogen worden betrokken. Gelet hierop is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat verweerder bij diens beoordeling van het levensgedrag van [naam] terecht de onder 5 genoemde feiten heeft betrokken.

11. Verder is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat, gelet op de feiten in onderlinge samenhang bezien, verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat [naam] niet voldoet aan de eis dat hij niet in enig opzicht van slecht levensgedrag is. De voorzieningenrechter slaat daarbij met name acht op het drugsdelict. De aard van dit delict en de sindsdien nog relatief korte tijd die is verstreken, maken dat dit delict [naam] door verweerder terecht zwaar wordt aangerekend. De verklaring die [naam] heeft gegeven voor het plegen van dit delict brengt de voorzieningenrechter niet tot een ander oordeel.

12. Nu verweerder in redelijkheid het standpunt heeft kunnen innemen dat niet kan worden gesteld dat [naam] niet van enig slecht levensgedrag is, was verweerder gelet op het bepaalde in artikel 27 van de DHW gehouden de vergunning te weigeren. Voor een afweging van belangen is hierbij geen plaats. Verweerder heeft derhalve bij de besluitvorming terecht de financiële consequenties van de weigering van de vergunning voor verzoekster buiten beschouwing gelaten.

13. Gelet op het voorgaande zal het primaire besluit naar verwachting in bezwaar in stand blijven. De voorzieningenrechter zal het verzoek daarom afwijzen.

14. Bij deze beslissing is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Jochem, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
mr. T. Stratmann, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2017.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.