Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:2226

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
09-03-2017
Datum publicatie
20-03-2017
Zaaknummer
C/15/254997/HA RK 17/27
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

wraking meervoudige civiele kamer

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Wrakingskamer

AJB/PHL/SJ/MAB

zaaknummer / rekestnummer: C/15/254997/HA RK 17/27

Beslissing van 9 maart 2017

Op het verzoek tot wraking ingediend door:

verzoeker,

wonende te [adres]

verzoeker,

advocaat mr. [advocaat]

Het verzoek is gericht tegen:

mr. W.P. van der Haak, mr. J.L. Roubos en mr. M.E. Allegro,

hierna te noemen: de rechters.

1 Procesverloop

1.1.

Verzoeker heeft bij brief van 10 februari 2017, bij de rechtbank ingekomen op 13 februari 2017, schriftelijk de wraking verzocht van de rechters in de bij deze rechtbank, afdeling privaatrecht, sectie Familie en Jeugd, locatie Alkmaar, aanhangige zaak met als zaak- en rekestnummers C/15/226251/FA RK 15/2814 (echtscheiding) en C/15/231325 / FA RK 15/5165 (afwikkeling huwelijkse voorwaarden), hierna te noemen: de hoofdzaak.

1.2.

De rechters hebben niet in de wraking berust en hebben schriftelijk op het verzoek gereageerd. De wederpartij in de hoofdzaak heeft niet gereageerd.

1.3.

Het verzoek is vervolgens behandeld ter openbare zitting van de wrakingskamer van 9 maart 2017. Verzoeker, de rechters en de wederpartij in de hoofdzaak zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Voorts zijn verschenen de rechters. De wederpartij in de hoofdzaak heeft van de geboden gelegenheid, zonder bericht, geen gebruik gemaakt.

2 Het standpunt van verzoeker

2.1.

Verzoeker heeft ter onderbouwing van het verzoek – samengevat – het volgende aangevoerd. Er is sprake van partijdigheid, althans de schijn daarvan, bij alle drie de rechters. De rechters hebben, zonder het beginsel van hoor en wederhoor toe te passen, een beslissing genomen over de vraag of de man de bindende taxatie van de woning in Tenerife conform afspraak heeft uitgevoerd. In het proces-verbaal van de zitting van 14 juni 2016 is vastgelegd dat partijen zijn overeengekomen dat de woning op Tenerife in gezamenlijke opdracht zou worden getaxeerd waarbij de vrouw drie taxateurs mocht kiezen, waarvan de man er vervolgens één mocht selecteren. In de daaropvolgende beschikking van 19 oktober 2016 hebben de rechters overwogen dat de man niet heeft voldaan aan deze opdracht omdat uit de taxatierapporten zou blijken dat de man enig opdrachtgever was terwijl de woning in gezamenlijke opdracht moest worden getaxeerd. Omdat de vrouw de getaxeerde waarde bovendien te laag vindt, heeft de rechtbank beslist dat er een tweede bindende taxatie moet komen, uit te voeren door de door de vrouw uit de overgebleven twee taxateurs te kiezen taxateur, en te geven in gezamenlijke opdracht. Deze beslissing, die is neergelegd in de beschikking van 19 oktober 2016, is alleen gebaseerd op de stellingen van de vrouw die zij in haar brief van 8 september 2016 heeft ingenomen. De man is, voorafgaande aan deze beslissing, niet in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. De man is weliswaar later, nadat hij zijn ongenoegen over het ontbreken van hoor en wederhoor kenbaar had gemaakt, bij beschikking van 7 december 2016 alsnog in de gelegenheid gesteld te reageren, van welke gelegenheid de man gebruik heeft gemaakt, maar de rechtbank heeft niets met zijn reactie gedaan en heeft, zoals blijkt uit de inhoud van het pro forma proces-verbaal van 3 februari 2017, zonder inhoudelijke beoordeling van zijn verweer nadrukkelijk vastgehouden aan de eerdere beslissing van 19 oktober 2016 dat er een tweede taxatie moet komen. Hieruit blijkt dat de rechtbank niet van plan is het geschilpunt over de taxatie van het huis op Tenerife nog nader inhoudelijk te beoordelen onder betrekking van de stellingen van de man daarbij. Op grond hiervan is er sprake van partijdigheid, althans de schijn daarvan, bij alle drie de rechters, al het voorgaande aldus de man.

3 Het standpunt van de rechter(s)

3.1.

De rechters hebben tegen het verzoek het volgende aangevoerd. In de beschikkingen van 19 oktober 2016 en 7 december 2016 is reeds nadrukkelijk bepaald dat de woning op Tenerife opnieuw moet worden getaxeerd. In het proces-verbaal van 3 februari 2017 is dit slechts herhaald, zodat de vraag rijst of het onderhavige wrakingsverzoek nog wel tijdig is ingediend. De gedachte achter het geven van de opdracht voor de tweede taxatie van de woning te Tenerife in combinatie met het bieden van de gelegenheid aan partijen om hun visie te geven op de gang van zaken rondom de eerste taxatie van de woning op Tenerife, is voor de meervoudige kamer steeds geweest dat zij in haar eindbeslissing een oordeel zal vellen over de stellingen van beide partijen hieromtrent. Aan deze gedachte liggen ook proceseconomische overwegingen ten grondslag. Indien de visie van de man als juist wordt aanvaard, dan zou in de eindbeslissing geoordeeld kunnen worden dat alleen de eerste taxatie in de uiteindelijke beoordeling wordt betrokken en dat hij uiteindelijk slechts bij helfte bijdraagt in de kosten van één taxatie. Indien de visie van de vrouw als juist wordt aanvaard, dan zou in de eindbeslissing geoordeeld kunnen worden dat alleen de tweede taxatie in de uiteindelijke beoordeling wordt betrokken en dat zij uiteindelijk slechts bij helfte bijdraagt in de kosten van één taxatie. De meervoudige kamer moet dat nog beoordelen in de eindbeslissing. De man verkeert kennelijk abusievelijk in de veronderstelling dat dit reeds (in voor hem negatieve zin) is beoordeeld. Het klopt dat deze achterliggende gedachte niet expliciet is verwoord in de beschikkingen en processen-verbaal. Maar die gedachte was — en is nog steeds — de insteek van de meervoudige kamer als het gaat om de taxaties van de woning op Tenerife. Deze gedachte van de meervoudige kamer kan wel worden afgeleid uit de eerder in de beschikking van 7 december 2016 gestelde termijnen. Als partijen tijdig uitvoering hadden gegeven aan de beschikking van 19 oktober 2016, dan had rechtbank de tweede taxatie uiterlijk op 20 december 2016 ontvangen. Vervolgens had de man tot 21 december 2016 de tijd gehad om toe te lichten en te onderbouwen waarom hij van mening is dat de eerste taxatie van de woning op Tenerife op juiste wijze heeft plaatsgevonden en had de vrouw tot en met 4 januari 2017 de tijd gehad om daarop te reageren (op basis van de beschikking van 7 december 2016). Ook in dat scenario zou er eerst een tweede taxatie van de woning hebben plaatsgevonden alvorens de rechtbank in een eindbeslissing zou oordelen over alle resterende geschilpunten. Volgens de meervoudige kamer kan dus uit het proces-verbaal van 3 februari 2017 niet worden afgeleid dat de meervoudige kamer zich voor de beoordeling van de vraag of de eerste taxatie van de woning op Tenerife op correcte wijze heeft plaatsgevonden enkel wenst te baseren op de door de vrouw aangevoerde feiten en omstandigheden. Die beoordeling heeft immers nog niet plaatsgevonden. De meervoudige kamer verzoekt de wrakingskamer het wrakingsverzoek af te wijzen.

4 De beoordeling

4.1.

Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert (zogenaamde subjectieve toets). Daarnaast kan de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd zijn indien sprake is van feiten of omstandigheden die, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de rechter in de hoofdzaak, grond geven om te vrezen dat een rechter niet onpartijdig is, waarbij ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid van belang is. Die feiten of omstandigheden moeten zwaarwegende redenen opleveren voor objectiveerbare twijfel aan de onpartijdigheid (zogenaamde objectieve toets). Het subjectieve oordeel van verzoeker is voor de beoordeling van beide toetsen wel belangrijk maar niet doorslaggevend.

4.2.

Het verweer van de rechters, inhoudende dat Winkels het wrakingsverzoek niet tijdig heeft ingediend omdat het is gebaseerd op een beslissing die reeds in de beschikkingen van 19 oktober 2016 en 7 december 2016 is terug te vinden, wordt verworpen. Het wrakingsverzoek is gebaseerd op de stelling dat de rechters, hoewel beide partijen zich bij brieven van 15 en 27 december 2016 inhoudelijk hebben uitgelaten over de vraag of de totstandkoming van de eerste taxatie conform afspraak is verlopen, dit geschilpunt niet inhoudelijk hebben beoordeeld en ook niet zullen beoordelen. Winkels baseert deze omstandigheid op de overwegingen van de rechters in het proces-verbaal van 3 februari 2017. Dit is het eerste processtuk van de rechtbank waarin is terug te vinden dat partijen zich bij brief inhoudelijk hebben uitgelaten over de geldigheid van de eerste taxatie.
Dat was nog niet het geval ten tijde van de beschikkingen van 19 oktober 2016 en 7 december 2016.

4.3.

De wrakingskamer merkt op dat van de zijde van de rechters is erkend dat zij in de beschikking van 19 oktober 2016 (onder 2.2.7) het beginsel van hoor en wederhoor hebben veronachtzaamd bij het nemen van een beslissing over de geldigheid van de eerste taxatie. Zij zijn in de beschikking van 7 december 2016 onder 2.3 in die zin teruggekomen van eerstgenoemde beschikking, dat zij de man alsnog in de gelegenheid hebben gesteld zijn visie te geven op de gang van zaken rondom de eerste taxatie, waarna de vrouw mag reageren.

4.4.

De stelling dat uit het proces-verbaal van 3 februari 2017 kan worden opgemaakt dat de rechtbank niet voornemens is het geschilpunt over de taxatie van het huis op Tenerife inhoudelijk te behandelen en daarbij de stellingen van de man te betrekken, beoordeelt de wrakingskamer als volgt.
Het proces-verbaal vermeldt op bladzijde 2, voor zover relevant, het volgende:

(…)

De rechtbank constateert dat partijen niet hebben voldaan aan de beschikking van 19 oktober 2016, waarin is bepaald dat zij de woning van de man te Tenerife opnieuw bindend dienen te laten taxeren op de wijze zoals onder 2.2.7. van die beschikking is vermeld.

Kennelijk zijn partijen in de veronderstelling dat er een beslissing van de rechtbank dient te komen, alvorens er opnieuw getaxeerd kan worden. Dit ten onrechte, aangezien de rechtbank partijen er in overweging 2.3. van de tussenbeschikking van 7 december 2016 nadrukkelijk op heeft gewezen dat die beslissing de uitvoering van hetgeen in de beschikking van 19 oktober 2016 is beslist onverlet laat.

Desalniettemin acht de rechtbank het voor de beoordeling noodzakelijk de nieuwe bindende taxatie van de woning te Tenerife, conform de beschikking van 19 oktober 2016, alsnog van de man, dan wel van de vrouw, te ontvangen, uiterlijk op 6 maart 2017. De rechtbank is voornemens om daarna een eindbeslissing te nemen op alle nog openstaande geschilpunten [vetmarkering door de wrakingskamer].

(…)

4.5.

De wrakingskamer ziet niet in hoe uit deze tekst, en dan met name het vet gemarkeerde deel, redelijkerwijze anders kan worden opgemaakt dan dat de rechters van plan zijn om de inhoudelijke beoordeling op alle punten, dus ook ten aanzien van de vraag of de eerste taxatie geldig is of niet, nog te verrichten. De wrakingskamer is dan ook van oordeel dat niet uit deze tekst kan worden opgemaakt, zoals Winkels dat kennelijk doet, dat de inhoudelijke beoordeling van de vraag of de eerste taxatie geldig is, niet meer zal plaatsvinden.

4.6.

De wrakingskamer wijst in dit verband ook op de eerdere tekst van de beschikking van 7 december 2016, onder 2.3:

Desalniettemin zal de rechtbank, mede gezien het standpunt van de vrouw in haar brief van 18 november 2016, dat de man voorafgaand aan de eindbeschikking nog de mogelijkheid heeft om naar voren te brengen dat hij niet akkoord gaat met de nieuwe taxatie en dat hij de kosten niet wil betalen, de man alsnog in de gelegenheid stellen om binnen twee weken na de datum van deze beschikking schriftelijk toe te lichten en te onderbouwen waarom hij van mening is dat de taxatie van de woning te Tenerife wél op juiste wijze heeft plaatsgevonden. De vrouw krijgt de gelegenheid om binnen een termijn van twee weken te reageren op deze toelichting en onderbouwing van de man.

De rechtbank wijst partijen er daarbij nadrukkelijk op dat deze beslissing de uitvoering van hetgeen in de beschikking van 19 oktober 2016 is beslist onverlet laat.

4.7.

Deze tekst was voor partijen kennelijk niet helder, maar naar het oordeel van de wrakingskamer laat deze tekst geen andere conclusie toe dan dat de rechters nog van plan zijn om inhoudelijk te beslissen over de geldigheid van de eerste taxatie. Partijen worden in deze beschikking immers uitgenodigd zich specifiek op dit punt nog uit te laten. Het feit dat partijen voor een debat worden uitgenodigd impliceert naar het oordeel van de wrakingskamer zonder meer dat de rechtbank op dat punt nog een inhoudelijke beoordeling zal verrichten en een beslissing zal nemen. Anders zou dat debat immers geen enkele zin hebben.
Of de door de rechters gekozen uitvoeringswijze de meest voor de hand liggende was, ligt niet ter beoordeling aan de wrakingskamer voor. In elk geval is die uitvoeringswijze niet zodanig dat daaruit de (schijn van) partijdigheid van de rechters kan worden afgeleid.

4.8.

Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat de feiten en omstandigheden die verzoeker ter onderbouwing van zijn verzoek naar voren heeft gebracht, geen grond opleveren voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, en derhalve geen grond voor wraking vormen. De rechtbank zal het verzoek daarom afwijzen.

5 Beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst het verzoek tot wraking van de rechters af.

5.2.

beveelt de griffier onverwijld aan verzoeker, de rechters en de wederpartij in de hoofdzaak een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden.

5.3.

beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek en beveelt dat die zaak daartoe in handen wordt gesteld van de voorzitter van het team Familie en Jeugd, locatie Alkmaar.

Deze beslissing is gegeven door mr. P.H. Littooy, voorzitter, mr. S.M. Jongkind-Jonker en mr. M.A.J. Berkers, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Bruijn, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2017.

griffier voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.