Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:2210

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
22-03-2017
Datum publicatie
26-09-2017
Zaaknummer
C/15/229165 / FA RK 15/4127
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de rechtbank is de vrouw niet in staat gebleken om de man te laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheken. Onder deze omstandigheden kan de rechtbank niet overgaan tot een (voorwaardelijke) toedeling van de woningen aan de vrouw. Ingevolge artikel 3:185, tweede lid, aanhef en onder c, BW komt als wijze van verdeling in aanmerking verdeling van de netto-opbrengst van het goed of een gedeelte daarvan, nadat dit op een door de rechter bepaalde wijze zal zijn verkocht. De rechtbank moet vaststellen dat partijen een voor de rechtbank niet meer te doorgronden kluwen aan standpunten hebben ingenomen rondom de kosten en baten van de woningen. Partijen zijn over en weer ernstig tekort geschoten in de onderbouwing van hun standpunten. Kennelijk hebben partijen nimmer een deugdelijke en inzichtelijke boekhouding gevoerd ter zake de kosten en baten van de verhuurde woningen. De rechtbank is geen spoorzoeker en is samengevat niet in staat om vast te stellen of er tussen partijen over en weer nog vergoedingsrechten en of vorderingsrechten bestaan, laat staan dat de rechtbank kan vaststellen wat de omvang van deze aanspraken is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Alkmaar

zaak- en rekestnummers: C/15/229165 / FA RK 15-4127 en C/15/235717 / FA RK 15-7291

Beschikking van 22 maart 2017 betreffende de verdeling (bij echtscheiding)

in de zaak van:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. F.J.J. Baars, gevestigd te Alkmaar,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. L.W. Castelijns, gevestigd te Velsen-Zuid.

1 De procedure

1.1.

In deze zaak is eerder een beschikking gegeven op 9 maart 2016. Bij die beschikking is:

 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken;

 bepaald dat de minderjarige [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw zal hebben;

 de zorgregeling uit het ouderschapsplan als herhaald en ingelast beschouwd;

 een door de man aan de vrouw te betalen kinderbijdrage van € 25,00 per maand bepaald;

 de behandeling van de zaak met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap pro forma aangehouden tot 14 april 2016 in afwachting van berichten van partijen over het resultaat van het onderlinge overleg en de gewenste voortzetting van de procedure.

1.2.

De echtscheidingsbeschikking is op 26 mei 2016 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

1.3.

Voor een weergave van het verloop van de procedure, de feiten en de verzoeken verwijst de rechtbank naar voornoemde beschikking.

1.4.

Bij bericht van 13 april 2016 heeft de man aangegeven dat beide partijen een nieuwe datum voor een mondelinge behandeling willen, aangezien het er niet naar uitziet dat onderling overeenstemming bereikt wordt. Partijen hebben vervolgens nog de volgende stukken in het geding gebracht:

-brief van de man van 14 juli 2016, met producties 25 t/m 32, tevens inhoudende een aanvullend verzoek;

-brief van de vrouw van 20 juli 2016, met bijlage 6 t/m 10.

1.5.

De mondelinge behandeling is voortgezet ter zitting van 25 juli 2016.

Bij die gelegenheid zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door mr. Baars voornoemd, alsmede de man, bijgestaan door mr. Castelijns voornoemd. De rechtbank heeft op verzoek van partijen ter zitting de behandeling van alle nog voorliggende verzoeken aangehouden tot 26 september 2016 pro forma in afwachting van berichten van partijen over de eventueel gemaakte afspraken en over de gewenste wijze van voortzetting van de procedure.

1.6.

Na verleend uitstel heeft de vrouw bij bericht van 3 november 2016 verzocht zo spoedig mogelijk een zitting te bepalen. Partijen hebben vervolgens nog de volgende stukken in het geding gebracht:

-brief van de man van 30 december 2016, met producties 33 t/m 42, tevens inhoudende een aanvullend verzoek;

-brief van de vrouw van 4 januari 2017, met productie 11, tevens inhoudende een concretisering van haar verzoek.

1.7.

De mondelinge behandeling is voortgezet ter zitting van 13 januari 2017.

Bij die gelegenheid zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door mr. Baars voornoemd, alsmede de man, bijgestaan door mr. Castelijns voornoemd. Mr. Castelijns heeft ter zitting een pleitnota overgelegd. De vrouw heeft haar visie op de zaak gegeven aan de hand van door haar voorgelezen aantekeningen welke aantekeningen zij met instemming van de rechtbank heeft overgelegd.

2 De verzoeken

2.1.

Beide partijen hebben in de kern verzocht te bepalen dat de tussen hen bestaande gemeenschap van goederen wordt verdeeld op de door hem/haar voorgestelde wijze. Het oorspronkelijke verzoek van de vrouw om te bepalen dat de verdeling zal geschieden met benoeming van een notaris en onzijdige personen is door de vrouw bij brief van 4 januari 2017 gewijzigd.

2.2.

Uit de brief van de vrouw van 4 januari 2017 begrijpt de rechtbank dat de vrouw de rechtbank verzoekt om de wijze van verdelen als volgt te bepalen:

“I

1. Het pand aan de [adres] aan de man toe te delen en aan de man toe te delen een deel van de hypothecaire lening ter waarde van € 154.750,-. Voorts aan de vrouw toe te delen de panden aan de [adres] , [adres] en [adres] en [adres] alsmede de hypothecaire lening(en) ter waarde van het restant van het onderstaande saldo.

2. Dat ieder der partijen binnen een termijn van 4 maanden na de beslissing van de rechtbank ervoor zorg draagt dat zij over en weer worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldleningen [bank] onder nummers [nummer] en [nummer] alsmede de rentevast lening nummer [nummer] .

3. Dat de man gehouden is om aan de vrouw wegens overbedeling te voldoen het bedrag van € 6.680,-.

4. Dat partijen over en weer ten aanzien van de onroerende zaken en de geldleningen en de onderlinge verhouding ter verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap verder niets meer van elkaar te vorderen hebben.

5. Te verstaan dat de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap aldus finaal is geregeld.

II

Tevens kan worden vastgesteld dat ingeval hetgeen onder I is bepaald en in het bijzonder hetgeen onder I onder b. als voorwaarde is aangegeven, de verdeling onder I niet mogelijk is. In dat geval zal de wijze van verdeling als volgt zijn.

1. De panden aan de [adres] , [adres] , [adres] en [adres] en [adres] aan de vrouw toe te delen alsmede de saldi van de respectievelijke hypothecaire geldleningen [bank] onder nummers [nummer] en [nummer] alsmede de rentevast lening nummer [nummer] .

2. Te bepalen, dat de vrouw binnen een termijn van 6 maanden na de beslissing van de rechtbank ervoor zorg draagt dat de man wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldleningen [bank] onder nummers [nummer] en [nummer] alsmede de rentevast lening nummer [nummer] .

3. Te bepalen dat de man gehouden is om aan de vrouw wegens overbedeling te voldoen het bedrag van € 32.013,-

4. Te bepalen dat partijen over en weer ten aanzien van de onroerende zaken en de geldleningen en de onderlinge verhouding ter verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap verder niets meer van elkaar te vorderen hebben.

5. Te verstaan dat de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap aldus finaal is geregeld.

6. En tot slot te bepalen dat ingeval de vrouw niet heeft voldaan aan het gestelde in onderdeel 2, partijen zullen meewerken aan een verkoop en levering van de panden aan een derde onder gelijke verdeling van hetgeen resteert na verkoop en afwikkeling van kosten en hypothecaire verplichtingen en te bepalen dat partijen over en weer ten aanzien van de onroerende zaken en de geldleningen en de onderlinge verhouding ter verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap verder niets meer van elkaar te vorderen hebben”

2.3.

De man heeft bij zelfstandig verzoek van 15 september 2015, voor zover het de onderwerpen betreft waarop de rechtbank nog moet beslissen, verzocht:

“V. het pand aan de [adres] aan de man toe te scheiden tegen de getaxeerde waarde van € 129.500,- waarbij hij de hypotheek van € 139.461,77 voor zijn rekening neemt, onder de voorwaarde dat de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor dit hypotheekonderdeel, waarbij alle overige panden aan de vrouw worden toegescheiden tegen de (totale) getaxeerde waarde van € 761.500,- onder de voorwaarde dat de man wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de daarop rustende hypotheken van in totaal € 713.538,23 waarbij de vrouw gehouden is een bedrag van € 23.980,89 aan de man te voldoen uit hoofde van overbedeling.

VI. te bepalen dat -indien geen van partijen in staat is de ander uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheken te ontslaan- de vrouw binnen 6 maanden na inschrijving van de echtscheiding alle benodigde medewerking verleent aan een zo spoedig mogelijke overdracht en levering van alle panden aan een derde conform het advies van een door de man aan te wijzen makelaar, waarbij heeft te gelden dat wanneer de vrouw weigert om aan de, in deze te geven beschikking, medewerking tot overdracht en levering van de panden aan een derde gevolg te geven, de beschikking in de plaats treedt van een voor de verkoop en levering benodigde toestemming van de vrouw aan een derde;

VII. de vrouw te veroordelen tot het inlossen van de ontstane betalingsachterstanden op de bestaande hypotheken;

VIII. te bepalen dat aan partijen de thans in gebruik zijnde bankrekeningnummers wordt toegescheiden, waarbij zij over en weer gehouden zijn het saldo van de aan hen toekomende bankrekeningen bij helfte te delen;

IX. de inboedel aan de vrouw toe te scheiden tegen een waarde van € 14.000,- waartegenover de vrouw gehouden is een bedrag van € 7.000,- uit overbedeling aan de man te voldoen;

X. het gereedschap aan de vrouw toe te scheiden tegen een waarde van € 8.000,- waartegenover de vrouw gehouden is een bedrag van € 4.000,- uit overbedeling aan de man te voldoen;

XI. de auto aan de vrouw toe te scheiden tegen een waarde van € 2.000,- waartegenover de vrouw gehouden is een bedrag van € 1.000,- uit overbedeling aan de man te voldoen.”

Bij brief van 5 februari 2016 heeft de man aanvullend verzocht om te vrouw te veroordelen om de achterstand in de hypotheek van € 11.436,- te voldoen.

Bij brief van 14 juli 2016 heeft de man aanvullend verzocht de vrouw te bevelen op grond van artikel 1:83 BW juncto 843a Rv inzage in alle bankafschriften te verschaffen vanaf augustus 2014 tot op heden van de bankrekeningen met nummer [nummer] en [nummer] alsook de profijtrekening [nummer] .

En voorts, voor zover de rechtbank ten aanzien van de bankrekeningen en de saldi als peildatum de feitelijke leveringsdatum aanhoudt, te bepalen dat de vrouw uit hoofde van artikel 3:194, tweede lid, BW een bedrag van € 24.000,- aan de man heeft verbeurd.

Bij brief van 30 december 2016 heeft de man meer aanvullend verzocht:

I. De vrouw te veroordelen tot afdracht van de helft van de huurinkomsten aan de man vanaf de peildatum, na aftrek van de betaalde hypotheeklasten;

II. de vrouw te veroordelen in de proceskosten.

2.4.

Ter zitting van 13 januari 2017 heeft de man het verzoek onder V. (het pand aan [adres] aan de man toe te scheiden tegen de getaxeerde waarde van € 129.500,- waarbij hij de hypotheek van € 139.461,77 voor zijn rekening neemt) ingetrokken zodat de rechtbank op dat verzoek geen beslissing meer zal nemen.

3 De verdere beoordeling

3.1.

De rechtbank heeft in haar beschikking van 9 maart 2016 ter zake de aard van de verzoeken rondom de verdeling reeds overwogen:

2.7.1.

De vrouw heeft, naar de rechtbank begrijpt, verzocht te bepalen dat de tussen de partijen bestaande gemeenschap van goederen wordt verdeeld op de door haar voorgestelde wijze, dan wel de wijze van verdelen te gelasten.

2.7.2.

De man heeft verzocht te bepalen dat de tussen de partijen bestaande gemeenschap van goederen wordt verdeeld op de door hem voorgestelde wijze, dan wel, naar de rechtbank begrijpt, de wijze van verdeling te gelasten.

De rechtbank zal hetgeen zij al heeft overwogen over de aard van de verzoeken handhaven.

3.2.

De rechtbank heeft in haar beschikking van 9 maart 2016 ter zake de te hanteren peildatum reeds beslist:

2.7.6.

De rechtbank is, met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad van 20 december 2013 (ECLI:NL:HR:2013:2050) van oordeel dat als peildatum voor de omvang en samenstelling van de huwelijksgoederengemeenschap geldt de datum indiening verzoekschrift tot echtscheiding, in dit geval 30 juni 2015. Het is niet mogelijk om daar op grond van redelijkheid en billijkheid van af te wijken.

2.7.7.

Partijen zijn het voorts niet eens over de peildatum voor de waardering van de bestanddelen van de huwelijksgoederengemeenschap. Zoals hierna zal blijken, zijn partijen overeengekomen nader overleg te voeren over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. Het staat partijen vrij daarbij een datum overeen te komen voor de waardering van de bestanddelen van de huwelijksgoederengemeenschap. De rechtbank merkt daarover op voorhand op dat als partijen niet in onderling overleg tot een datum voor de waardering komen, de rechtbank de gebruikelijke uitgangspunten zal hanteren, inhoudende dat als hoofdregel geldt de datum van feitelijke verdeling, danwel de datum gelegen zo dicht mogelijk tegen dat moment. Daarbij geldt ten aanzien van bestanddelen als bankrekeningen en gebruiksgoederen (zoals een auto) dat het, gelet op de geldende jurisprudentie, gangbaar is om van de datum ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap uit te gaan.

De rechtbank zal hetgeen zij al heeft besloten over de peildata handhaven.

Verder blijkt uit de beschikking van 9 maart 2016 dat partijen de navolgende procedurele afspraken hebben gemaakt:

2.7.8.

Partijen zijn ter zitting (van 15 februari 2016) overeengekomen onderling overleg te voeren over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. Om daartoe over te kunnen gaan zijn ter zitting nadere afspraken gemaakt:

- de onroerende goederen die partijen in eigendom hebben dienen te worden getaxeerd, zowel naar de waarde in het economisch verkeer als in verhuurde staat;

- de man draagt drie erkende makelaars voor, waaruit de vrouw er één zal kiezen; uit het bericht van mr. Baars van 29 februari 2016 blijkt dat makelaar [makelaar] door partijen gezamenlijk is aangewezen voor de taxaties.

- partijen geven over en weer inzage in alle bankrekeningnummers inclusief de saldi op de peildatum.

3.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat op de peildatum van 30 juni 2015 de volgende activa en passiva deel uitmaakten van de ontbonden huwelijksgemeenschap:

a. a) Woningen

woning aan de [adres]

woning aan de [adres]

woning aan de [adres]

woning aan de [adres]

woning aan de [adres]

b) Hypotheken

ter financiering van de woningen aan [adres] en [adres] van € 438.000,00

ter financiering van de woningen aan [adres] , [adres] en [adres] van € 417.000,00.

c) Banksaldi

[nummer] t.n.v. de man

[nummer] t.n.v. de man

[nummer] t.n.v. de man

[nummer] t.n.v. de vrouw

[nummer] t.n.v. de vrouw

[nummer] t.n.v. de vrouw (profijtrekening)

d) Inboedel en gereedschap

e) Auto [merk]

3.4.

Gebleken is dat partijen over de verdeling van de gemeenschap niet tot overeenstemming kunnen komen. Ingevolge artikel 3:185, eerste lid, BW gelast de rechtbank in zulk een geval op verzoek van partijen de wijze van verdeling of stelt deze zelf vast, rekening houdende naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang. Daarbij dient in ogenschouw te worden genomen dat de rechtbank, voor zover vaststelling van de verdeling is verzocht, niet gebonden is aan hetgeen partijen hebben gevorderd.

ad a + b) De woningen en de hypotheek

3.5.

In het kader van de door partijen ter zitting van 15 februari 2016 gemaakte afspraken hebben zij op 3 maart 2016 een opdracht tot taxatie van voornoemde woningen verstrekt aan [makelaar] . De man heeft als productie 26 het taxatierapport van 12 mei 2016 overgelegd. De taxateur komt tot een waarde van de woningen in lege staat van € 900.000,- en tot een waarde van de woningen in verhuurde staat van € 695.500,-.

In het taxatierapport van [makelaar] is omtrent de bestemming en het gebruik van de woningen het volgende opgenomen:

“Bestemming en gebruik

De objecten zijn allen bestemd voor woondoeleinden. In het vigerende bestemmingsplan c.q. de beheerverordening [plaats] is niet opgenomen dat de objecten gebruikt mogen worden als kamerverhuurbedrijf, echter voor de woning aan [adres] is door de gemeente [plaats] een vrijstelling c.q. omgevingsvergunning voor planologisch strijdig gebruik op grond van de Wet Algemene Bepalingen omgevingsrecht (WABO) verleend ten behoeve van een kamerverhuurbedrijf (logiesfunctie).

Naast [adres] zijn de overige objecten aan [adres] en [adres] thans in gebruik als kamerverhuurbedrijf c.q. “sociaal woonpensioen” (genaamd “ [naam] ” ), hetgeen destijds een particulier initiatief was van beide opdrachtgevers en thans alleen nog wordt gedreven door [de vrouw] . “ [naam] ” betreft geen bij de Kamer van Koophandel ingeschreven organisatie en er zijn geen officiële c.q. financiële jaarstukken beschikbaar. “

3.6.

De vrouw heeft zich bij brief van 20 juli 2016 op het standpunt gesteld dat het taxatierapport van [makelaar] als uitgangspunt moet worden genomen, waarbij ter zake de woning aan [adres] moet worden uitgegaan van de waarde in lege staat en ter zake de overige woningen van de waarde in verhuurde staat. De totale waarde waarvoor de woningen in de verdeling betrokken dienen te worden bedraagt volgens de vrouw dan € 773.500,-. De totale stand van de hypotheekschuld stelt de vrouw op € 837.026,36.

3.7.

Ter zitting van 25 juli 2016 hebben partijen verzocht om een aanhouding van de zaak, dit om hen in de gelegenheid te stellen om gezamenlijk een plan op te stellen ter zake van de verdeling van de woningen, waarbij zij zich gezamenlijk tot de [bank] Bank zouden wenden om een financieringsvoorstel te verkrijgen. Uit productie 33 van de man blijkt het de rechtbank dat partijen, via hun advocaten, bij brief van 28 juli 2016 aan de [bank] Bank het volgende hebben voorgelegd:

“ (..)

Namens partijen wordt verzocht een financieringsvoorstel te doen, waarbij uitgegaan wordt van toescheiding van [adres] aan de man met een hypotheekdeel van € 154.750,- en toescheiding van alle overige panden aan de vrouw met een resterende hypotheek van aldus € 681.250,-

Graag vernemen wij welke stukken benodigd zijn teneinde een accuraat financieringsvoorstel te kunnen doen”

3.8.

Bij e-mail van 28 september 2016, productie 36 van de man, heeft de [bank] Bank de man onder meer laten weten:

“ (..)

Uit het contact met [de vrouw] is nogmaals gebleken dat er nog te veel onzekerheden zijn om de aanvraag verder in behandeling te nemen. Hierbij gaat het onder andere om eventuele alimentatie vergoedingen, huurinkomsten en bijvoorbeeld de verdeling van de verdere bezittingen en schulden. Omdat deze zaken wel van invloed zijn op hoe wij de aanvraag moeten beoordelen zullen wij toch moeten wachten op een (concept) echtscheidingsconvenant. Graag zie ik deze tegemoet zodra u hierover beschikt. (..)”

3.9.

De rechtbank stelt vast dat partijen er niet in zijn geslaagd om een echtscheidingsconvenant op te stellen. De rechtbank begrijpt dat de [bank] Bank daarom het verzoek van partijen om een financieringsvoorstel te verkrijgen definitief terzijde heeft gelegd.

3.10.

De man heeft zijn verzoek om toedeling van de woning aan [adres] aan hem ingetrokken. De vrouw heeft haar verzoek onder I.1 daarop echter niet aangepast. Ter zake de woning aan [adres] dient de rechtbank dan ook eerst een beslissing te nemen op het verzoek van de vrouw om deze woning aan de man toe te delen en aan de man toe te delen een deel van de hypothecaire lening ter waarde van € 154.750,-. De rechtbank overweegt op dit verzoek als volgt.

3.11.

Bij e-mail van 5 juli 2016 heeft de [bank] Bank met betrekking tot de mogelijkheid van de man om de overname van de woning aan [adres] te financieren, de man onder meer geschreven:

op basis van de proefberekeningen die ik heb gedaan lijkt het erop dat het voor [de man] mogelijk zou zijn om voor de [adres] een financiering te krijgen van EUR 98.000,00.(..) Voor dit bedrag is er vanuit gegaan dat de marktwaarde van [adres] uit een taxatie, die voldoet aan de eisen van de [bank] , op minimaal EUR 145.000,00 uit zou moeten komen”

3.12.

Uit het taxatierapport van [makelaar] blijkt het de rechtbank dat de woning aan [adres] is getaxeerd op € 135.000,- in lege staat en op € 119.500,- in verhuurde staat. Zowel de getaxeerde waarde in lege staat als in verhuurde staat is lager dan de door de [bank] Bank aan de waarde gestelde minimum eis. Reeds hieruit valt naar het oordeel van de rechtbank af te leiden dat de man niet in staat is om de woning aan [adres] in volledig eigendom te verkrijgen, dit nog los van het gegeven dat de man de woning niet meer wil overnemen en zijn verzoek daartoe heeft ingetrokken. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om toedeling van de woning aan [adres] aan de man dan ook afwijzen.

3.13.

Nu de rechtbank het verzoek van de vrouw geformuleerd onder I.1 zal afwijzen, komt de rechtbank toe aan de beoordeling van het verzoek van de vrouw geformuleerd onder II.

3.14.

De vrouw heeft haar belang om toedeling van de vijf woningen aan haar als volgt onderbouwd.

De woning aan [adres] is de voormalige echtelijke woning en dient thans als woning voor de vrouw en de dochter van partijen. De overige vier woningen zijn verhuurd aan, zoals de vrouw het beschrijft, kwetsbare groepen. De vrouw exploiteert de woningen in die zin dat zij de woningen verhuurt en naast de verhuur ook enige begeleiding aan de bewoners biedt. De vrouw voert deze activiteiten uit onder de naam “ [naam] ”. De vrouw acht het redelijk dat de rechtbank een wijze van verdeling vast stelt die het mogelijk maakt om haar levenswerk in het door haar geëxploiteerde project [naam] voort te zetten, waarmee zij zichzelf ook van een inkomen kan voorzien.

Uit de stukken heeft de rechtbank begrepen dat de woning aan [adres] deels wordt verhuurd en dat in de overige woningen 27 huurders woonachtig zijn.

3.15.

De man is van mening dat de woningen zo snel mogelijk moeten worden verkocht, terwijl de vrouw de woningen graag toegedeeld wil krijgen onder de voorwaarde dat zij de benodigde financiering kan krijgen. Hoewel de vrouw daartoe volop gelegenheid heeft gehad, heeft zij zich naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende ingespannen om inzicht te geven in haar financiële mogelijkheden tot toedeling van de woningen aan haar. Er is noch door de [bank] Bank noch door een andere potentiele geldverstrekker zelfs maar een aanzet tot een financieringsvoorstel gedaan aan de hand waarvan de rechtbank zou kunnen beoordelen of de vrouw mogelijk de gewenste financiering kan verkrijgen.

3.16.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vrouw niet in staat gebleken om de man te laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheken. Onder deze omstandigheden kan de rechtbank niet overgaan tot een (voorwaardelijke) toedeling van de woningen aan de vrouw. Ingevolge artikel 3:185, tweede lid, aanhef en onder c, BW komt als wijze van verdeling in aanmerking verdeling van de netto-opbrengst van het goed of een gedeelte daarvan, nadat dit op een door de rechter bepaalde wijze zal zijn verkocht. De rechtbank is op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting van oordeel dat verkoop van de woningen de meest gerede wijze van verdeling is. De rechtbank zal de verzoeken van de man onder sub VI. ter zake de verkoop van de woningen dan ook toewijzen.

3.17

De rechtbank wijst er nog op dat de vrouw weliswaar verweer heeft gevoerd tegen de door de man verzochte wijze van verdeling, te weten verkoop van de woningen, de vrouw heeft echter geen specifiek verweer gevoerd tegen de verzoeken van de man ter zake het hem voor ogen staande verkooptraject waarbij partijen conform het advies van een door de man aan te wijzen makelaar tot de verkoop van de woningen moeten komen. Ook is geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de man om deze beschikking in de plaatst te laten treden van de benodigde toestemming van de vrouw aan een derde.

3.18

Voor zover de vrouw met haar verzoek een beroep heeft gedaan op het algemeen belang, te weten de bescherming van de positie van de huurders van [naam] , dan wijst de rechtbank er op dat de toewijzing van de verzoeken van de man de huurbescherming van de huurders niet zal doorkruisen.

4. ad c) De banksaldi + het inlossen van de ontstane betalingsachterstanden op de bestaande hypotheken, afdracht huurinkomsten etc etc.

4.1.

De man heeft verzocht de vrouw te veroordelen tot het inlossen van de ontstane betalingsachterstanden op de bestaande hypotheken. In samenhang daarmee heeft de man verzocht om te vrouw te veroordelen om de achterstand in de betaling van de hypotheekrente van € 11.436,- te voldoen. Verder heeft de man verzocht de vrouw te bevelen op grond van artikel 1:83 BW juncto 843a Rv inzage in alle bankafschriften te verschaffen vanaf augustus 2014 tot op heden van de bankrekeningen met nummer [nummer] en [nummer] alsook de profijtrekening [nummer] . En voorts voor zover de rechtbank ten aanzien van de bankrekeningen en de saldi als peildatum de feitelijke leveringsdatum aanhoudt, te bepalen dat de vrouw uit hoofde van artikel 3:194, tweede lid, BW een bedrag van € 24.000,- aan de man heeft verbeurd. Tenslotte heeft de man verzocht om de vrouw te veroordelen tot afdracht van de helft van de huurinkomsten aan de man vanaf de peildatum, na aftrek van de betaalde hypotheeklasten.

4.2.

Aan de hand van de stukken stelt de rechtbank vast dat de saldi van de navolgende bankrekeningen in de verdeling betrokken dienen te worden:

[nummer] t.n.v. de man

[nummer] t.n.v. de man

[nummer] t.n.v. de man

[nummer] t.n.v. de vrouw

[nummer] t.n.v. de vrouw

[nummer] t.n.v. de vrouw (profijtrekening)

4.3.

Onder verwijzing naar punt 2.7.7. van de beschikking van 9 maart 2016 zal de rechtbank ten aanzien van de verdeling van (de saldi op) de bankrekeningen uitgaan van de datum ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap, zijnde 30 juni 2015.

4.4.

De vrouw heeft in haar brief van 20 juli 2016 gesteld dat het saldo per 1 juni 2015 van € 15.000,- op bankrekening [nummer] (profijtrekening), geen tussen partijen te verdelen vermogen betreft omdat dit bedrag is gevormd door de door de huurders betaalde borgsommen. De man betwist niet dat het bedrag is gevormd door de betaalde borgsommen, maar hij stelt dat het saldo wel moet worden verdeeld tussen hem en de vrouw omdat er geen afgescheiden vermogen is.

4.5.

Uit de door de man als productie 20 overgelegde huurovereenkomsten/verblijfsovereenkomsten blijkt dat partijen als verhuurders met de huurders zijn overeengekomen dat deze een waarborgsom betalen bij aanvang van de huur. Alhoewel de rechtbank niet de beschikking heeft over alle huurovereenkomsten/verblijfsovereenkomsten gaat de rechtbank ervan uit dat partijen als verhuurders met alle huurders een afspraak hebben gemaakt over het betalen van een waarborgsom. In de huurovereenkomst/verblijfsovereenkomst is bepaald dat de door de huurder/gebruiker betaalde waarborgsom retour zal worden betaald na controle van het verblijf en na inlevering van de sleutels. Uit deze bepaling maakt de rechtbank op dat het niet de bedoeling van partijen is geweest dat de van de huurders ontvangen waarborgsommen onderdeel zouden gaan uit maken van het huwelijksvermogen. Partijen hebben de verplichting de waarborgsom te retourneren en zij hebben daartoe moeten reserveren op de wijze zoals de vrouw heeft gedaan. De rechtbank zal beslissen dat de rekening aan de vrouw wordt toebedeeld waarbij het saldo per 1 juli 2015 van € 15.000,- , zonder verrekening met de man, eveneens aan de vrouw wordt toebedeeld, onder de verplichting vanuit dat bedrag te zijner tijd de waarborgsommen aan de verhuurders te retourneren.

4.6.

De vrouw heeft onbetwist gesteld dat het saldo per 1 juli 2015 van bankrekening [nummer] € 8.774,48 bedraagt en het saldo van bankrekening [nummer] € 1.459,12. De rechtbank zal de saldi op beide rekeningen aan de vrouw toedelen, waarbij zij de helft van het totale saldo (€ 10.233,60 : 2 = ) € 5.116,80 aan de man dient te vergoeden.

4.7.

De man heeft de rechtbank middels zijn zelfstandig verzoek van 15 september 2015 laten weten dat hij tijdig zijn gegevens omtrent zijn bankrekeningen in het geding zal brengen. Als productie 14 bij zijn brief van 5 februari 2016 heeft de man vervolgens een aantal afschriften van zijn bankrekeningen in het geding gebracht. Uit deze afschriften blijkt echter niet de stand van de saldi per peildatum van 30 juni 2015.

4.8.

De rechtbank zal de saldi van de op naam van de man gestelde bankrekeningen aan hem toedelen. Nu de man heeft nagelaten om de rechtbank te infomeren over de saldi op deze rekeningen per 30 juni 2015 zal de rechtbank de wijze van verdeling van de saldi gelasten, aldus dat een positief saldo bij helfte moet worden verdeeld en dat een negatief saldo bij helfte dient te worden gedragen. De man zal de vrouw hiertoe inzage dienen te verschaffen in de saldigegevens op 30 juni 2015 van de drie op zijn gestelde bankrekeningen.

4.9.

De man stelt dat de hypotheekrente vanaf september 2014 tot en met februari 2016 werd afgeschreven van zijn rekening en dat de vrouw de bedragen aan de man doorstortte van de door haar ontvangen huurinkomsten. In de maanden januari, februari, maart, april en mei 2015 heeft de vrouw de hypotheekbedragen niet doorgestort, waardoor een achterstand van € 15.000,- is ontstaan. Een deel van die achterstand is door de vrouw ingelost, waardoor de achterstand nog € 11.436,- bedraagt, aldus de man.

4.10.

De vrouw heeft bij wijze van verweer als productie 7 bij brief van 20 juli 2016 een overzicht in het geding gebracht waarin is vermeld: “Inlossingen en rente zijn voor alle hypotheken (incl. rentevastlening) betaald door [de vrouw] vanaf peildatum”.

4.11.

De rechtbank overweegt als volgt. Partijen zijn in gemeenschap van goederen gehuwd geweest. Er was tijdens het huwelijk slechts één vermogen, te weten het huwelijksvermogen. De kennelijk door de man en de vrouw gemaakte afspraken rondom de inning van de huur en de betaling van de hypotheekrente heeft geen privé vermogen aan de kant van de vrouw noch aan de kant van de man doen ontstaan. Hetgeen via de verhuur van de woningen tot de datum van ontbinding van de huwelijksgemeenschap, 30 juni 2015, is ontvangen is ten goede gekomen aan de huwelijksgemeenschap, en is opgegaan in de banksaldi. De kosten van de woningen, waaronder de betaling van de hypotheekrente is ten laste gekomen van het huwelijksvermogen. Tot de peildatum zijn er tussen partijen ter zake de kosten en baten over een weer geen vergoedingsrechten ontstaan noch zijn er vorderingsrechten ontstaan. De rechtbank zal het verzoek van de man ter zake de huurinkomsten en de kosten van de woning, waaronder de hypotheekrente, dan ook afwijzen, voor zover het de periode tot 30 juni 2015 betreft.

4.12.

Vanaf de datum van ontbinding van de huwelijksgemeenschap, 30 juni 2015, is de 7e titel van Boek 3 Burgerlijk Wetboek van toepassing. Wat betreft de woningen komt dit er kort gezegd op neer dat partijen als deelgenoten in de gemeenschapen de aan de woningen verbonden kosten in gelijke mate dienen te dragen en dat de opbrengsten, in gelijke mate ten goede komen aan beide. Vanaf 30 juni 2015 dienen partijen ieder de helft van de hypotheekrente voor zijn/haar rekening te nemen. Indien een partij meer dan de helft van de hypotheekrente heeft voldaan, dan dient de andere partij hetgeen hij/zij te weinig heeft betaald aan de ander te vergoeden. Dit vorderingsrecht volgt uit artikel 6:10 BW. Wat betreft de huurinkomsten geldt dat hetgeen door de ene partij is ontvangen voor de helft aan de ander toekomt.

4.13.

De rechtbank moet vaststellen dat partijen voor de periode vanaf 30 juni 2015 een voor de rechtbank niet meer te doorgronden kluwen aan standpunten hebben ingenomen. Partijen zijn over en weer ernstig tekort geschoten in de onderbouwing van hun standpunten. Zo ontbreekt een deugdelijk overzicht van hetgeen partijen vanaf 30 juni 2015 aan hypotheek hebben moeten betalen en ontbreekt een deugdelijk overzicht wat aan huurinkomsten is ontvangen en blijkt het de rechtbank niet wat er voor partijen na aftrek van kosten aan netto opbrengst ter deling resteert. Productie 7 van de vrouw mist iedere onderbouwing. Kennelijk hebben partijen nimmer een deugdelijke en inzichtelijke boekhouding gevoerd ter zake de kosten en baten van de verhuurde woningen. De rechtbank is geen spoorzoeker en is samengevat niet in staat om vast te stellen of er tussen partijen over en weer nog vergoedingsrechten en of vorderingsrechten bestaan, laat staan dat de rechtbank kan vaststellen wat de omvang van deze aanspraken is. Het verzoek van de man om de vrouw te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 11.436,- aan achterstand in de hypotheekrente aan de man zal op grond van het voorafgaande dan ook worden afgewezen.

4.14.

Nu het bestaan en de omvang van wederzijdse vergoedings- en/of vorderingsrechten voor de rechtbank niet is vast te stellen zullen partijen moeten terugvallen op de hierboven onder punt 4.12. beschreven wettelijke uitgangspunten, dit komt erop neer dat partijen, voor zover zij dat nog niet hebben gedaan, vanaf 30 juni 2015 de huurinkomsten dienen te delen, na aftrek van de betaalde hypotheeklasten. In zoverre wordt het verzoek van de man toegewezen.

4.15.

Voor zover de rechtbank ten aanzien van de bankrekeningen en de saldi als peildatum de feitelijke leveringsdatum -de rechtbank begrijpt de feitelijke verdeling- aanhoudt, heeft de man de rechtbank verzocht te bepalen dat de vrouw uit hoofde van artikel 3:194, tweede lid, BW een bedrag van € 24.000,- aan de man heeft verbeurd. Nu de rechtbank bij de verdeling van de banksaldi uitgaat van de peildatum van 30 juni 2015, en niet van de feitelijke verdelingsdatum zal het verzoek van de man worden afgewezen. Daarbij merkt de rechtbank ten overvloede op dat van verbeuren pas sprake kan zijn nadat de verdeling is vastgesteld.

4.16.

De man heeft bij brief van 14 juli 2016 verder nog verzocht de vrouw te bevelen op grond van artikel 1:83 BW juncto 843a Rv inzage in alle bankafschriften te verschaffen vanaf augustus 2014 tot op heden van de bankrekeningen met nummer [nummer] en [nummer] alsook de profijtrekening [nummer] . De rechtbank gaat er van uit dat de man met de zinsnede “tot op heden” doelt op de datum van zijn verzoek, te weten 14 juli 2016.

4.17.

De man heeft zelf als productie 30 en productie 31 de bankafschriften van de op naam van de vrouw gestelde bankrekeningen met nummer [nummer] en [nummer] in het geding gebracht. Het betreft de bankafschriften over de periode van 1 juli 2015 tot 1 juni 2016. Voor wat betreft deze rekeningen heeft de man geen belang bij zijn verzoek voor zover het de periode vanaf 1 juli 2015 betreft, hij heeft immers zelf reeds beschikking over die bankafschriften. Voor wat betreft de periode vanaf augustus 2014 tot 1 juli 2015 heeft de man naar het oordeel van de rechtbank zijn verzoek niet deugdelijk onderbouwd. De man heeft met name nagelaten deugdelijk te onderbouwen wat hij met de door hem verlangde stukken wil bereiken.

4.18.

Wat betreft de profijtrekening [nummer] heeft de vrouw als productie 6 bij brief van 20 juli 2016 een overzicht verstrekt van de mutaties op deze rekening over de periode van 26 juni 2015 tot en met 2 juli 2016. De man heeft hier niet nader op gereageerd en hij heeft zijn belang bij verdere inzage niet onderbouwd. De verzoeken van de man worden op dit punt afgewezen.

5 Ad d) Inboedel en gereedschap

5.1

De man heeft als productie 21 door hem zelf opgestelde lijsten overgelegd aan de hand waarvan hij de volgende waardes stelt:

Inboedel [adres] € 9.280,-

Inboedel [adres] € 18.850,-

Inboedel [adres] € 13.000,-

Gereedschap € 5.160,-

5.2.

De vrouw heeft gesteld dat de inboedel en het gereedschap al tussen partijen is verdeeld.

5.3.

Aan de hand van de over en weer ingenomen stellingen kan de rechtbank niet vast stellen of de inboedel en het gereedschap reeds is verdeeld. Indien de inboedel en het gereedschap nog niet is verdeeld ligt het op de weg van partijen om de rechtbank deugdelijk te informeren over de omvang en de waarde van de inboedel. De rechtbank kan niet vaststellen wat de omvang en de waarde is van hetgeen moet worden verdeeld. In het algemeen geldt dat de partij die de inboedel niet wenst over te nemen een veel te hoge waarde aan de door de andere partij over te nemen inboedel koppelt. De rechtbank kan zich niet aan de indruk onttrekken dat ook de man van veel te hoge waarden is uitgegaan zowel wat betreft de inboedel als het gereedschap.

5.4.

Wat betreft de inboedels van de woningen aan [adres] en [adres] geldt bovendien dat deze worden gebruikt door de huurders, dit mede op grond van de huuroverkomsten die ook op naam van de man zijn afgesloten. De rechtbank is van oordeel dat deze inboedels pas voor verdeling in aanmerking kunnen komen bij verkoop van de woningen. Het is dan aan partijen om met de kopers afspraken te maken over het al dan niet overnemen van de inboedels. Mocht dit nog leiden tot een verkoopopbrengst dan dienen partijen deze gelijk te verdelen.

5.5.

Nu partijen er belang bij hebben dat er een beslissing wordt genomen ter zake de inboedel van de woning aan [adres] en al het gereedschap zal de rechtbank bepalen dat deze aan de vrouw worden toebedeeld voor een waarde van € 3.000,- tegen betaling aan de man van een ex aequo et bono vastgesteld bedrag van € 1.500,-.

6 Ad e) Auto [merk] en [merk]

6.1.

Partijen zijn het er over eens dat de personenauto [merk] onderdeel uitmaakt van de ontbonden huwelijksgemeenschap. De man stelt op 5 februari 2016 de waarde op een bedrag van € 3.400,- Verder heeft de man ter zitting van 15 februari 2016 onbetwist gesteld dat ook de bij de vrouw in gebruik zijnde [merk] in de verdeling betrokken dient te worden voor een bedrag van € 2.100,-. De rechtbank zal de waarde van de [merk] en [merk] per heden op een bedrag van totaal € 5.000,- stellen, daarbij rekening houden met een waardevermindering sinds februari 2016. De rechtbank zal beslissen dat de auto’s aan de vrouw worden toebedeeld onder vergoeding aan de man van een bedrag van € 2.500,-

7 Proceskosten

7.1.

De rechtbank ziet geen aanleiding de vrouw te veroordelen in de proceskosten. Partijen hebben het elkaar in de zakelijke afwikkeling van hun huwelijk over en weer weliswaar onnodig moeilijk gemaakt, van een handelswijze van de vrouw waaruit blijkt dat de vrouw de man nodeloos op kosten heeft gejaagd is geen sprake.

8 De beslissing

De rechtbank:

gelast de wijze van verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap als volgt:

8.1.

de woning aan [adres] , de woning aan [adres] , de woning aan [adres] , de woning aan [adres] en de woning aan [adres] dienen door partijen te worden verkocht en geleverd, waarbij partijen binnen 6 maanden na inschrijving van de echtscheiding alle benodigde medewerking dienen te verlenen aan een zo spoedig mogelijke overdracht en levering van alle panden aan een derde conform het advies van een door de man aan te wijzen makelaar, waarbij heeft te gelden dat wanneer de vrouw weigert om aan de medewerking tot overdracht en levering van de panden aan een derde gevolg te geven, deze beschikking in de plaats treedt van een voor de verkoop en levering benodigde toestemming van de vrouw aan een derde;

8.2.

na verkoop en levering van de woningen aan een derde en na aflossing van de hypotheekschulden dienen partijen een eventueel aanwezig netto-verkoopbrengst gelijk te delen, voor het eventuele restant van de hypotheekschuld blijven partijen hoofdelijk aansprakelijk;

8.3.

deelt de volgende bankrekeningen met bijbehorende saldi toe aan de man

[nummer] , saldo € p.m.

[nummer] , saldo € p.m.

[nummer] , saldo € p.m.

bepaalt dat de man de vrouw binnen 2 weken na 22 maart 2017 dient te informeren over de stand van de saldi per 30 juni 2015. Een positief saldo dient bij helfte te worden verdeeld tussen partijen, een negatief saldo dient bij helfte door partijen te worden gedragen;

8.4.

deelt de volgende bankrekeningen met bijbehorende saldi toe aan de vrouw

[nummer] saldo € 8.774,48

[nummer] saldo € 1.459,12,

De vrouw dient de helft van het totaal, € 10.233,60 : 2 = € 5.116,80 aan de man te vergoeden;

8.5.

deelt de bankrekening [nummer] (profijtrekening) toe aan de vrouw waarbij het saldo per 1 juni 2015 van € 15.000,- zonder verrekening met de man, eveneens aan de vrouw wordt toebedeeld, onder de verplichting vanuit dat bedrag te zijner tijd de waarborgsommen aan de verhuurders te retourneren;

8.6.

deelt de auto’s, [merk] en [merk] toe aan de vrouw tegen een waarde van € 5.000,- onder de verplichting van de vrouw om uit hoofde van overbedeling € 2.500,- aan de man te voldoen;

8.7.

deelt de inboedel van de woning aan [adres] en al het gereedschap toe aan de vrouw tegen een waarde van € 3.000,- onder de verplichting van de vrouw om uit hoofde van overbedeling € 1.500,- aan de man te voldoen;

8.8.

bepaalt dat de inboedels van de woningen aan [adres] , [adres] , [adres] en [adres] pas voor verdeling in aanmerking kunnen komen bij verkoop van de woningen. Het is dan aan partijen om met de kopers afspraken te maken over het al dan niet overnemen van de inboedel. Mocht dit nog leiden tot een verkoopopbrengst dan dienen partijen deze opbrengst gelijk te verdelen.

8.9.

veroordeelt de vrouw tot afdracht van de helft van de huurinkomsten aan de man vanaf 30 juni 2015, na aftrek van de betaalde hypotheeklasten, voor zover dit nog niet is gedaan;

8.10.

verklaart de beslissing met betrekking tot de wijze van verdeling uitvoerbaar bij voorraad;

8.11.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. F. Kleefmann, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier, op 22 maart 2017.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.