Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2017:2082

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
15-03-2017
Datum publicatie
11-04-2017
Zaaknummer
C/15/227870 / FA RK 15-3545
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gezamenlijk gezag en omgang met de vader gaat de draagkracht van de minderjarige te boven. Advies bijzondere curator houdt in dat prioriteit volledig gelegd dient te worden bij inzet van hulp voor de minderjarige en dat niet langer ingezet moet worden op verbetering van de communicatie tussen de ouders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Alkmaar

RvD

gezag en omgang

zaak-/rekestnr.: C/15/227870 / FA RK 15-3545

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 15 maart 2017

in de zaak van:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna mede te noemen: de vader,

advocaat: mr. L.N. Hermes, gevestigd te Noord-Scharwoude,

--tegen--

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna mede te noemen: de moeder,

advocaat: mr. A.I. Lunshof, gevestigd te Zwaag.

1 Verloop van de procedure

1.1.

In deze zaak zijn op 17 februari en 19 oktober 2016 reeds beschikkingen gegeven.

1.2.

Bij beschikking van 17 februari 2016 is een voorlopige omgangsregeling vastgesteld, waarbij de minderjarige [minderjarige] geboren op [geboortedatum] te [plaats] , bij zijn vader verblijft om de week van woensdagmiddag uit school tot 18.00 uur.

Daarnaast is de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) verzocht om onderzoek te verrichten naar de vraag of de ouders gezamenlijk met het gezag over [minderjarige] moeten worden belast en wat het belang van [minderjarige] vergt ten aanzien van de omgang met zijn vader. De definitieve beslissingen over het gezag en de omgang zijn in afwachting van het raadsonderzoek aangehouden.

1.3.

De rechtbank heeft op 10 juni 2016 het rapport van 8 juni 2016 van de Raad ontvangen.

1.4.

Bij beschikking van 19 oktober 2016 is mevrouw [bijzondere curator] tot bijzondere curator over [minderjarige] benoemd, met het verzoek schriftelijk verslag te doen ter beantwoording van de in de beschikking gestelde vragen.

1.5.

Voor een weergave van de feiten en het verloop van de procedure tot 19 oktober 2016 verwijst de rechtbank naar de eerdere beschikkingen.

1.6.

De rechtbank heeft op 16 november 2016 het verslag van de bijzondere curator ontvangen. De bijzondere curator heeft geadviseerd de omgangsregeling inhoudende de tweewekelijkse omgang te continueren en de zaak voor de duur van zes maanden aan te houden in afwachting van de hulpverlening (Kinderen uit de Knel).

1.7.

Bij bericht van 6 december 2016 heeft de moeder, desgevraagd, aangegeven dat zij instemt met het advies van de bijzondere curator om de zaak voor een periode van zes maanden aan te houden.

Bij bericht van 13 december 2016 heeft de vader, desgevraagd, aangegeven dat hij niet kan instemmen met het advies van de bijzondere curator tot aanhouding van de zaak. De vader meent dat er in elk geval tot het moment dat het traject Kinderen uit de Knel is afgerond een voorlopige omgangsregeling dient te worden vastgelegd conform het advies het de Raad voor de Kinderbescherming.

1.8.

De rechtbank heeft op 26 januari 2017 een aanvullend verslag van de bijzondere curator ontvangen.

1.9.

Bij bericht van 2 februari 2017 heeft de rechtbank een brief van de vader ontvangen.

1.10.

Bij bericht van 6 februari 2017 heeft de rechtbank een verslag van 3 februari 2017 van mevrouw [orthopedagoog/GZ-psycholoog] , orthopedagoog/GZ-psycholoog bij Kinderpraktijk [naam] , ontvangen.

1.11.

Bij bericht van 7 februari 2017 heeft de rechtbank nog aanvullende producties van de moeder ontvangen.

1.12.

De mondelinge behandeling is voortgezet ter zitting van 14 februari 2017, alwaar zijn verschenen:

 De vader, bijgestaan door mr. Hermes;

 De moeder, bijgestaan door mr. Lunshof;

 Mevrouw [naam] , namens de Raad;

 Mevrouw [bijzondere curator] , bijzondere curator.

2 Beoordeling

2.1.

De vader verzoekt thans een definitieve beslissing over het gezag te nemen en een voorlopige omgangsregeling te bepalen conform het advies van de Raad uit het rapport van 8 juni 2016. De Raad heeft geadviseerd om partijen gezamenlijk met het gezag te belasten en te bepalen dat [minderjarige] wekelijks op woensdagmiddag uit school tot 18.00 uur bij zijn vader is.

2.2.

Op grond van artikel 253c, Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, kan de tot het gezag bevoegde ouder, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken hem mede met het gezag te belasten. Op grond van het tweede lid wordt een dergelijk verzoek slechts afgewezen indien er a. een onaanvaardbaar risico is dat de minderjarige klem of verloren zal raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Volgens vaste jurisprudentie is voor gezamenlijk gezag vereist dat de ouders in feite in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen. Hiervoor is tenminste een minimale vorm van constructieve communicatie tussen de ouders noodzakelijk.

2.3.

Naar het oordeel van de rechtbank is gebleken dat een minimale vorm van constructieve communicatie tussen de ouders nog altijd niet mogelijk is. De relatie tussen partijen is vlak na de geboorte van [minderjarige] verbroken. Er is nooit sprake geweest van een samenwerking tussen de ouders in welke vorm dan ook. De onderlinge spanningen blijven onverminderd bestaan. Partijen zijn niet in staat gebleken om nader tot elkaar te komen. Hulpverlening ter verbetering van de communicatie is niet van de grond is gekomen. Tweemaal is mediation geprobeerd, maar deze trajecten zijn afgebroken wegens gebrek aan vertrouwen in elkaar. Het traject ‘Ouderschap Blijft’ bij Parlan is op niets uitgelopen en het traject ‘Kinderen uit de Knel’ heeft evenmin van start kunnen gaan. Vast staat dat beide partijen hier een aandeel in hebben. Dat [minderjarige] te lijden heeft onder de slechte verstandhouding tussen zijn ouders wordt door alle betrokkenen erkend.

2.4.

Uit het verslag van Kinderpraktijk [naam] blijkt dat [minderjarige] een gevoelige en kwetsbare jongen is, met emotionele problemen die duidelijk zijn te plaatsen in het licht van loyaliteitsproblematiek. Het grote verschil in opvoedstijl en visie op de problemen van [minderjarige] houden deze problematiek in stand. De spanning tussen de ouders, moeders angst, vaders afwijzing van de moeder als opvoeder en de onmogelijkheid van ouders om hier samen een weg in te vinden, maken het voor [minderjarige] steeds moeilijker om aan beide ouders loyaal te blijven. Vanaf 25 oktober 2016 heeft [minderjarige] zeven contacten met zijn therapeute van [minderjarige] gehad. Hij heeft in die periode een wisselend beeld laten zien. Medio december 2016 leek sprake te zijn van een voorzichtig positieve ontwikkeling. Op 24 januari 2017 heeft de moeder echter aangegeven dat het niet goed ging met [minderjarige] . Hij sliep weer slecht, was snel boos en bonkte weer met zijn hoofd tegen de muur. [minderjarige] weigerde op 24 januari 2017 in gesprek te gaan met de therapeute.

Uit het aanvullend verslag van de bijzondere curator blijkt dat de moeder [minderjarige] de volgende ochtend in de badkamer heeft aangetroffen. Hij zat in elkaar gedoken met een stuk glas in zijn handen en was erg van streek. De moeder heeft direct contact opgenomen met de heer [naam] , jeugdhulpverlener van de gemeente. De jeugdhulpverlener is op huisbezoek geweest en hij heeft naar aanleiding daarvan contact opgenomen met de Raad, Parlan en de bijzondere curator.

De bijzondere curator heeft in haar verslag aangegeven dat de situatie van [minderjarige] nog meer op scherp is komen te staan. [minderjarige] heeft niet kunnen ervaren dat hij zonder angst omgang met zijn ouders kan hebben. Beide ouders hebben het af laten weten. Omgang met zijn vader gaat op dit moment de draagkracht van [minderjarige] te boven. De door de vader gewenste structurele regeling is volgens de bijzondere curator niet de oplossing. Er moet eerst rust komen voor [minderjarige] . Dit betekent dat hulpverlening ter verbetering van de communicatie tussen de ouders op dit moment niet meer aan de orde is. [minderjarige] staat centraal en voor hem moet de juiste hulpverlening via Triversum/GGZ komen. Met de door de Raad ter zitting geopperde ondertoezichtstelling, ter verbetering van de communicatie tussen de ouders, kan de rust voor [minderjarige] niet gewaarborgd kan worden. Een ondertoezichtstelling heeft thans geen toegevoegde waarde, aldus de bijzondere curator.

Mevrouw [naam] van de Raad heeft ter zitting nog aangegeven dat zij niet langer achter het advies van de Raad van 8 juni 2016 kan staan. Zij onderschrijft dat er rust voor [minderjarige] moet worden gecreëerd. [minderjarige] zit duidelijk klem tussen zijn ouders, aldus de Raad.

2.5.

Gelet op voornoemde omstandigheden zal de rechtbank het verzoek van de vader om hem gezamenlijk met het gezag te belasten in het belang van [minderjarige] afwijzen. De spanningen tussen partijen, gevoed door hun verschillende visie over de opvoeding en de problemen van [minderjarige] , zullen bij gezamenlijk gezag - zo mogelijk- nog verder toenemen. Dit moet voorkomen worden, omdat de grens van de draagkracht van [minderjarige] reeds is bereikt. Zijn loyaliteit is in de afgelopen jaren dusdanig op de proef gesteld, dat hij daaronder lijkt te bezwijken. Volgens de bijzondere curator en [naam] is het voor [minderjarige] primair van belang dat zijn angst (dat vader hem komt ‘stelen’) met klem door beide ouders wordt ontkracht. Daarnaast is behandeling van [minderjarige] gericht op loyaliteitsproblematiek vanuit GGZ geïndiceerd. De moeder heeft toegezegd dat zij haar medewerking zal verlenen aan alle benodigde hulp.

De omgang tussen [minderjarige] en zijn vader is sinds het voorval in de badkamer op 24 januari 2017 gestaakt. De vader blijft bij zijn standpunt dat structureel (wekelijks) contact de oplossing is. Zowel de jeugdhulpverlener van de gemeente, als de bijzondere curator als [naam] , als Parlan, als de Raad hebben echter aangegeven dat er op dit moment geen draagvlak is bij [minderjarige] voor omgang met zijn vader. De rechtbank volgt dit laatste standpunt, aangezien de situatie van [minderjarige] al langere tijd zeer zorgwekkend is en hij recent een terugval heeft gehad, die maakt dat hij nauwelijks nog kan functioneren. [minderjarige] kan de spanningen en de angsten die gepaard gaan met de omgang met zijn vader niet meer aan. Alle pijlen moeten nu gericht zijn op rust en hulpverlening aan [minderjarige] . Aanhouding van de behandeling van het verzoek tot omgang zal daaraan in de weg staan. Dit betekent dat de rechtbank het verzoek van de man tot het vaststellen van een (voorlopige) omgangsregeling zal afwijzen.

De rechtbank realiseert zich dat de man zich machteloos en buitengesloten voelt en de rechtbank onderkent dat deze gevoelens door de afwijzing van de verzoeken zullen worden versterkt. Hoe betreurenswaardig dat ook is, het welzijn van [minderjarige] staat voorop.

2.6.

Zoals reeds ter zitting is besproken, wordt de bijzondere curator ontslagen uit haar taak om de rechtbank te adviseren.

3 Beslissing

De rechtbank:

wijst de verzoeken van de man af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.L. Roubos, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.M. van Diepen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2017.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.